Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:2299

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-03-2019
Datum publicatie
18-03-2019
Zaaknummer
200.246.812/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wanneer heeft een partij “stellig ontkend”- in de zin van artikel 159 lid 2 Rv - dat de handtekening onder een onderhandse akte van hem afkomstig is?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/249
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.246.812/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 6511334)

arrest van 12 maart 2019

in de zaak van

[appellant] ,
wonende te [A] ,
appellant, in eerste aanleg eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. S. de Vaal, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

[geïntimeerde] ,
wonende te [B] ,
geïntimeerde, in eerste aanleg gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

niet verschenen.

1
1. Het verloop van de procedure in eerste aanleg

1.1

het verloop van de procedure in eerste aanleg blijkt uit het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter) van
1 mei 2018.

2 Het verloop van de procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

- de appeldagvaarding van 31 juli 2018;
- de verstekverlening;
- de memorie van grieven (met één productie).

2.2

Vervolgens heeft [appellant] de processtukken overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] in hoger beroep strekt ertoe dat het vonnis van de

kantonrechter wordt vernietigd en dat zijn vordering alsnog tot een bedrag van € 1.790,- wordt toegewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.

3 De vaststaande feiten

3.1

De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 1 (1.1 tot en met 1.5) van het vonnis de feiten vastgesteld. Tegen deze vaststelling zijn geen grieven gericht. Het hof zal dan ook uitgaan van de door de kantonrechter vastgestelde feiten, die aangevuld met enkele andere vaststaande feiten op het volgende neerkomen.

3.2

[geïntimeerde] verhuurt onder de naam ‘Move’ via internet auto’s.

3.3

Tussen [geïntimeerde] als verhuurder en [appellant] als huurder is in juli 2015 een schriftelijk vastgelegde huurovereenkomst tot stand gekomen betreffende de huur van een Ford Transit bus voor de duur van 10 juli tot en met 10 augustus 2015. [appellant] wilde de bus gebruiken voor een familievakantie in Turkije. De huurprijs bedroeg volgens de schriftelijke overeenkomst (inclusief enkele toeslagen) € 2.099,99, te vermeerderen met een waarborg van € 250,-.

3.4

[appellant] heeft op 2 juli 2015 een bedrag van € 250,- en op 10 juli 2015 een bedrag van € 1.850,- betaald aan [geïntimeerde] .

3.5

Partijen zijn overeengekomen dat de bus voortijdig zou worden geretourneerd. Afgesproken is dat [appellant] de bus op 14 juli 2014, afgetankt en zonder schade, bij [geïntimeerde] zou retourneren waarna [geïntimeerde] in verband met de verkorting van de verhuurperiode een bedrag van € 1.540,- zou terugbetalen.
In dit verband hebben partijen een op 14 juli 2015 gedateerde verklaring ondertekend die als volgt luidt:
Bij deze bevestig ik garen van move auto verhuur dat de bus met kenteken 57-rs-rv vandaag Zonder schade en afgetanked is teruggebracht. De verrekende huursom zal binnen een week worden gecrediteerd op rekening van [appellant] . (…)
Het gaat dan om de huur som van €1850, hierbij word de huursom van 3 dagen verrekend. Het gaat dan om een totaal €308,55. Het verrekende bedrag is €1540 los van de borg.” Partijen verschillen van mening over de reden van het voortijdig inleveren van de bus.

3.6

De advocaat van [appellant] heeft in een brief van 6 juli 2016 aan [geïntimeerde] aanspraak gemaakt op betaling van € 1.790,- (de terug te betalen huursom van € 1.540,- te vermeerderen met de waarborg van € 250,-) en op schadevergoeding van € 1.744,64, in totaal, volgens de brief, € 3.534,64 [geïntimeerde] heeft niet voldaan aan de in deze brief vervatte sommatie om deze bedragen uiterlijk op 1 augustus 2016 te voldoen.

4
4. De vorderingen, het verweer en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft [geïntimeerde] gedagvaard voor de kantonrechter en heeft betaling gevorderd van een bedrag van € 3.534,64, te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten. Aan deze vordering heeft hij ten grondslag gelegd dat toen bleek dat de gehuurde bus, anders dan was overeengekomen, niet was verzekerd voor pechhulp hij de bus na overleg met [geïntimeerde] heeft teruggebracht. [geïntimeerde] heeft de toen overeengekomen bedragen niet terugbetaald en heeft ook de gevolgschade - meerkosten vanwege een nu noodzakelijke vliegreis naar Turkije - niet vergoed.

4.2

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd. Hij heeft aangevoerd dat hij het bedrag van € 1.790,- heeft terugbetaald en beroept zich in dat verband op een door beide partijen ondertekende (ongedateerde) verklaring die als volgt luidt:
Bij deze komen [appellant] en [geïntimeerde] van Move Autoverhuur overeen dat verrekende huursom en borg vandaag in contanten ter hoogte van €1790,00 door [appellant] is opgehaald. Hierdoor vervalt de overeenkomst die eerder op 14-7 is opgesteld.

Verder heeft hij de aanspraak op schadevergoeding en de omvang van de schade bestreden en heeft hij zich beroepen op schending van de schadebeperkingsverplichting door [appellant] .

4.3

De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Volgens de kantonrechter heeft [appellant] onvoldoende weersproken dat hij de overgelegde schriftelijke kwijtingsverklaring, door de kantonrechter aangemerkt als een onderhandse akte, heeft ondertekend en niet voldoende onderbouwd dat de akte vals is. [appellant] heeft volgens de kantonrechter geen aanspraak op schadevergoeding, omdat partijen de tussentijdse beëindiging van de huurovereenkomst zijn overeengekomen.

5 De bespreking van de grieven

5.1

Het hof stelt bij de bespreking van de grieven voorop dat geen grieven zijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter over de schadevergoedingsvordering. [appellant] maakt in appel ook geen aanspraak meer op schadevergoeding en heeft in zoverre - impliciet - zijn eis verminderd. Het geschil in hoger beroep is dan ook beperkt tot de vordering betreffende de terugbetaling van het bedrag van € 1.790,-.

5.2

Het hof stelt bij de bespreking van de grieven voorop dat tussen partijen niet ter discussie staat dat [geïntimeerde] een bedrag van € 1.790,- aan [appellant] verschuldigd was. Het verweer van [geïntimeerde] tegen de vordering van [appellant] , dat hij het bedrag van € 1.790,- al heeft betaald, is een bevrijdend verweer. Stelplicht en bewijslast ten aanzien van dit verweer rusten op [geïntimeerde] .

5.3

[geïntimeerde] heeft met een beroep op de in rechtsoverweging 4.2 aangehaalde - overigens niet gedateerde - verklaring gesteld dat hij het bedrag van € 1.790,- heeft betaald. Deze verklaring is een onderhandse akte in de zin van artikel 157 lid 2 Rv en levert dan ook ten aanzien van de daarin vervatte verklaring van [appellant] - te weten dat het bedrag van € 1.790,- contant aan hem is betaald - dwingend bewijs op van de inhoud van die verklaring. Dat zou anders wanneer zich de situatie van artikel 159 lid 2 Rv voordoet, doordat [appellant] “stellig ontkent” dat de handtekening onder de akte zijn handtekening is. In dat geval levert de onderhandse akte geen bewijs op zolang niet bewezen is van wie de handtekening afkomstig is.

5.4

Volgens de kantonrechter is van een stellige ontkenning geen sprake, maar heeft [appellant] volstaan met een blote ontkenning dat de handtekening onder de akte zijn handtekening is. Met grief 1 komt [appellant] op tegen dit oordeel.

5.5

Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep stellig ontkend dat de handtekening onder de akte van hem is. Voor een stellig ontkennen is, anders dan de kantonrechter heeft overwogen, niet vereist dat degene die ontkent ”gemotiveerd dient aan te geven dat en waarom de handtekening niet van hem afkomstig is”. Uit het door de kantonrechter aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 28 februari 1997 (ECLI:NL:HR:1997:ZC2297) volgt juist dat de Hoge Raad van oordeel is dat dergelijke, door het hof in die zaak wel gestelde eisen niet mogen worden gesteld aan de ontkenning. Voldoende is dat de betrokkene met duidelijke en ondubbelzinnige bewoordingen verklaart dat de handtekening onder de akte niet de zijne is.
In de conclusie van repliek heeft [appellant] (randnummer 10) opgemerkt:
Eiser heeft niets ontvangen van gedaagde nog [het hof leest: noch] contant noch per bank en betwist uitdrukkelijk het bestaan van de door gedaagde ingebrachte verklaring waarvan de handtekening niet van eiser is. [onderstreping hof]
In de toelichting op grief 1 stelt [appellant] :
De rechtbank gaat eraan voorbij dat de handtekening van appellant op de door geïntimeerde ingebrachte akte niet overeenkomt met de handtekening van appellant op bijgevoegde officiële documenten zijnde zijn paspoort en rijbewijs. Appellant heeft hier mee aangetoond dat het niet zijn handtekening is. Appellant betwist ten stelligste dat het zijn handtekening is. [onderstreping hof]
Met de onderstreepte passages heeft [appellant] stellig ontkend dat de handtekening bij zijn naam onder de akte van hem afkomstig is. Dat [geïntimeerde] dat in eerste aanleg ook zo heeft opgevat, blijkt uit zijn conclusie van dupliek, waarin hij opmerkt (randnummer 10):
Wel hecht gedaagde eraan de suggestie van eiseres alsof gedaagde de handtekening van eiseres zou hebben vervalst, direct en stevig naar het land der fabelen te verwijzen.

5.6

Omdat [appellant] de echtheid van de handtekening onder de akte stellig heeft ontkend, kan de akte vooralsnog - zolang niet bewezen is dat de handtekening wel van [appellant] afkomstig is - niet bijdragen aan het (zoals hiervoor is overwogen: door [geïntimeerde] te leveren) bewijs dat [geïntimeerde] het bedrag van € 1.790,- aan [appellant] heeft betaald. [geïntimeerde] heeft niet aangeboden te bewijzen dat de handtekening van [appellant] is, zodat in deze procedure de akte als bewijsmiddel buiten beschouwing moet blijven. Ander bewijs is niet voorhanden.

5.7

[geïntimeerde] heeft zijn stelling dat hij het bedrag van € 1.790,- contant aan [appellant] heeft betaald in het licht van het gemotiveerde verweer van [appellant] onvoldoende onderbouwd. Zo heeft hij niet aangegeven wanneer hij het bedrag betaald heeft, waarom hij het bedrag contant heeft betaald - afgesproken was immers dat hij bedrag zou overmaken naar de bankrekening van [appellant] - en onder welke omstandigheden de betaling plaats vond.

5.8

De slotsom is dat de grief slaagt. Uit wat hiervoor is overwogen over het ontbreken van verder bewijs en de onvoldoende onderbouwde stelling van [geïntimeerde] dat hij een bedrag van € 1.790,- aan [appellant] heeft betaald, volgt dat de vordering van [appellant] toewijsbaar is. Dat betekent dat grief 3, die gericht is tegen het afwijzen van de vordering van € 1.790,- en de proceskostenveroordeling van [appellant] - slaagt. Bij deze stand van zaken heeft [appellant] geen belang bij de bespreking van grief 2, over de overwegingen van de kantonrechter betreffende de valsheid van de akte.

5.9

Het hof zal het vonnis van de kantonrechter vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [appellant] toewijzen tot een bedrag van € 1.790,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2016.
Omdat partijen gelet op de in eerste aanleg ingestelde vorderingen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zal het hof de proceskosten in eerste aanleg compenseren. Het hof zal [geïntimeerde] wel veroordelen in de proceskosten in hoger beroep (geliquideerd salaris van de advocaat: 1 punt, tarief I), omdat [appellant] in hoger beroep (al in de appeldagvaarding) zijn vordering heeft verminderd en deze verminderde vordering volledig toewijsbaar is. Ook de vordering tot veroordeling van [geïntimeerde] in het nasalaris is toewijsbaar.

6
6. De beslissing

Het gerechtshof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis waarvan beroep,
en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 1.790,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 augustus 2016 tot aan het tijdstip van voldoening van de vordering;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep en bepaalt deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van [appellant] gevallen, op € 423,71 aan verschotten en op € 759,- voor geliquideerd salaris van de advocaat, te vermeerderen met het nasalaris van
€ 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- indien [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan èn betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg, in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, W.P.M. ter Berg en O.E. Mulder en is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2019 door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.