Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:2205

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-03-2019
Datum publicatie
19-03-2019
Zaaknummer
200.206.079
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging kredietovereenkomst en hypotheken van echtgenote pleger strafbaar feit wegens reputatierisico voor bank vanwege dat strafbare feit. Na belangenafweging wordt beëindiging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar geacht. Maatstaf: Hoge Raad 10 oktober 2014, ECLI:N:HR:2014:2929.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2019-0055
NTHR 2019, afl. 4, p. 207
JONDR 2019/791
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.206.079

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 406813)

arrest van 12 maart 2019

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

de Volksbank N.V., voorheen genaamd SNS Bank N.V.,

gevestigd te Utrecht,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de Bank,

advocaat: mr. K. Heemrood-van Dijk,

tegen

[Geïntimeerde] ,

wonende te [Woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [Geïntimeerde] ,

advocaat: mr. W.E. Moojen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het verdere verloop blijkt uit:

- het tussenarrest van 29 mei 2018;

- de producties 12 en 13, overgelegd bij bericht van 24 december 2018 door de advocaat van [Geïntimeerde] ;

- de meervoudige comparitie van partijen gehouden op 10 januari 2019;

- de aantekeningen van de griffier van die zitting en de spreekaantekeningen van beide advocaten;

1.2

Het hof heeft arrest bepaald op het door de Bank overgelegde dossier.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.5 van het bestreden vonnis van 3 augustus 2016 van de rechtbank Midden-Nederland (locatie Utrecht).

3 De beoordeling

3.1

Deze zaak betreft de vraag of de Bank bevoegd was de relatie met [Geïntimeerde] op te zeggen. Daarmee zouden twee hypothecaire geldleningsovereenkomsten worden beëindigd, waarmee in 2002 en 2003 door [Geïntimeerde] en haar echtgenoot [Echtgenoot van geïntimeerde] de aankoop van vijf panden is gefinancierd, waaronder hun gezinswoning en een appartement in [Woonplaats] aan de [Adres] (hierna: het appartement). De Bank heeft als reden voor deze opzegging gegeven dat [Echtgenoot van geïntimeerde] (inmiddels onherroepelijk) is veroordeeld tot 6 jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor medeplichtigheid aan moord en verboden wapenbezit (hierna: het strafbare feit). Bij dit strafbare feit speelde het appartement een belangrijke rol. [Echtgenoot van geïntimeerde] heeft de sleutels beschikbaar gesteld aan de daders, die gepost hebben in het appartement. Het slachtoffer, dat in hetzelfde appartementencomplex woonde, is in dat complex beschoten en daar vlakbij buiten om het leven gebracht.

3.2

De rechtbank heeft terecht de volgende maatstaf voorop gesteld.

Indien een kredietverlener gebruik maakt van een overeengekomen bevoegdheid tot beëindiging van de kredietovereenkomst moet de rechtsgeldigheid daarvan beoordeeld worden aan de hand van de overeenkomst en de maatstaf van artikel 6: 248 lid 2 BW. De opzegging is niet rechtsgeldig indien gebruikmaking van die bevoegdheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, gelet op alle omstandigheden van het geval, onaanvaardbaar is (zo is beslist door de Hoge Raad op 10 oktober 2014, ECLI:N:HR:2014:2929).

3.3

De rechtbank heeft vervolgens de vordering van [Geïntimeerde] toegewezen om voor recht te verklaren dat de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en zonder toepassing blijft, met veroordeling van de Bank in de kosten.

3.4

In rechtsoverweging 4.11 heeft de rechtbank geoordeeld dat de Bank in beginsel bevoegd was (op grond van artikel 2 ABV (Algemene Bank Voorwaarden)) om de relatie met [Echtgenoot van geïntimeerde] op te zeggen, omdat hij het door de Bank gefinancierde appartement dienstbaar heeft laten zijn aan het strafbare feit. Tegen dit oordeel zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof van die bevoegdheid uitgaat.

3.5

In rechtsoverweging 4.12 heeft de rechtbank de stelling van de Bank dat de opzegging van de financiering ten opzichte van [Echtgenoot van geïntimeerde] ook een opzegging ten opzichte van [Geïntimeerde] inhoudt, opgevat als een beroep op artikel 9 AVGH (Algemene Voorwaarden van Geldlening en Hypotheekverlening, de voorwaarden die op de hypothecaire geldleningen van toepassing waren). In dat artikel staat vermeld dat opeisbaarheid van de schuld ten aanzien van één van de geldnemers van rechtswege opeisbaarheid met betrekking tot de andere geldnemers meebrengt. Nu [Echtgenoot van geïntimeerde] en [Geïntimeerde] gezamenlijk geldnemer zijn, is de Bank dus in beginsel ook gerechtigd de schuld jegens [Geïntimeerde] op te eisen.

3.6

De redenering van de rechtbank is als volgt stapsgewijs samen te vatten:

a. op grond van artikel 9 AVGH betekent opeisbaarheid ten opzichte van [Echtgenoot van geïntimeerde] opeisbaarheid ten opzichte van [Geïntimeerde] ;

b. op grond van artikel 2 lid 1 sub a AVGH kan de schuld van [Echtgenoot van geïntimeerde] worden opgeëist onder meer bij niet nakoming van enige verplichting uit de voorwaarden;

c. op grond van artikel 39 AVGH zijn de ABV onverkort van toepassing en daarmee artikel 2 ABV;

d. vast staat dat [Echtgenoot van geïntimeerde] heeft gehandeld in strijd met zijn verplichtingen voortvloeiend uit artikel 2 lid 2 ABV, zodat het krediet van hem kan worden opgeëist.

In haar incidentele grief heeft [Geïntimeerde] een aantal bezwaren tegen deze redenering opgeworpen, die hierna worden behandeld.

Het bezwaar van [Geïntimeerde] dat de Bank in de memorie van antwoord in incidenteel beroep ook op het principale beroep ingaat, zodat zij daarop nog dient te kunnen reageren bij akte, gaat niet op. [Geïntimeerde] heeft daartoe immers de gelegenheid gehad ter zitting in hoger beroep en daar ook gebruik van gemaakt.

3.7

[Geïntimeerde] valt in de eerste plaats stap a. van voormelde redenering aan door aan te voeren dat artikel 9 AVGH strijdig is met artikel 6:15 lid 2 BW. Dit laatste artikel geeft schuldeisers, als er meerdere zijn, onder bepaalde voorwaarden gezamenlijk één vorderingsrecht. Artikel 9 AVGH bepaalt dat, als er meerdere schuldenaren/geldnemers zijn, opeisbaarheid van de schuld ten aanzien van één der geldnemers van rechtswege opeisbaarheid met betrekking tot de andere geldnemers betekent. Dat [Geïntimeerde] samen met [Echtgenoot van geïntimeerde] gezamenlijk één vorderingsrecht heeft (tot ongestoorde voortzetting van de kredietfaciliteit), zoals volgt uit artikel 6:15 lid 2 BW, leidt niet tot de conclusie dat het de Bank niet vrijstaat om te bedingen dat opeisbaarheid ten opzichte van [Echtgenoot van geïntimeerde] ook opeisbaarheid ten opzichte van [Geïntimeerde] meebrengt; beide artikelen betreffen wezenlijk andere situaties en andere rechtsfiguren. Dit betoog gaat daarom niet op.

3.8

[Geïntimeerde] heeft voorts ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat artikel 9 AVGH onredelijk bezwarend zou zijn, omdat dit artikel [Geïntimeerde] het recht ontneemt ongestoorde voortzetting van de kredietrelatie te eisen. Volgens [Geïntimeerde] is dit een beding als bedoeld in artikel 6:236 onder a BW, zodat het op de ‘zwarte lijst’ staat. Dit betreft echter een nieuwe stelling in hoger beroep, die niet voor het eerst ter zitting kan worden aangevoerd (gelet op de zogenoemde twee-conclusie-regel). Niet is gebleken van een situatie waarin een uitzondering op deze regel is toegestaan. Bovendien ziet het hof niet in dat met het genoemde beding het recht op nakoming geheel en onvoorwaardelijk wordt uitgesloten: het artikel bepaalt alleen dat opeisbaarheid van de schuld ten aanzien van één van de geldnemers ook opeisbaarheid meebrengt met betrekking tot de andere geldnemers, waarbij artikel 2 AVGH regelt onder welke voorwaarden de schuld (vervroegd) opeisbaar wordt.

3.9

Tenslotte valt [Geïntimeerde] onderdeel c. van de redenering van de rechtbank aan door te stellen dat de ABV geen deel uitmaken van de voorwaarden zoals die gedefinieerd zijn in artikel 1 en 2 lid 1 van de AVGH, zodat een inbreuk op artikel 2 ABV geen reden oplevert om met toepassing van artikel 2 AVGH de geldleningen op te eisen.

In art. 39 AVGH is bepaald dat de algemene voorwaarden van de bank onverkort van toepassing zijn, voor zover daarvan in de AVGH of anderszins niet is afgeweken. Het hof is van oordeel dat op grond van deze duidelijke bepaling de ABV deel uitmaken van de voorwaarden waarnaar art. 2 lid 1 sub a AVGH verwijst. [Geïntimeerde] heeft niets aangevoerd dat tot een andere uitleg kan leiden. Dit betekent dat het niet nakomen van een verplichting uit artikel 2 ABV leidt tot directe opeisbaarheid van de schuld.

Hiermee faalt het incidentele beroep.

3.10

In de rechtsoverwegingen 4.13 tot en met 4.17 heeft de rechtbank de beëindiging van de kredietovereenkomst door de Bank getoetst aan artikel 6:248 lid 2 BW. In dat kader heeft de rechtbank op grond van de omstandigheden van dit geval de belangen van partijen tegen elkaar afgewogen. De Bank komt in het principale beroep met drie grieven op tegen het oordeel van de rechtbank dat de belangen van [Geïntimeerde] zwaarder wegen dan die van de Bank en dat daarom de beëindiging van het krediet door de Bank jegens haar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

3.11

Het hof acht voor de beoordeling van deze grieven het volgende van belang.

De Bank heeft uitgebreid gemotiveerd betoogd dat zij op grond van nationale en internationale wet- en regelgeving verplicht is een adequaat beleid te voeren dat een integere uitoefening van het bankbedrijf waarborgt. Met dat beleid wordt beoogd tegen te gaan dat het vertrouwen in de Bank wordt geschaad wegens het gedrag van haar cliënten en daarmee meer in het algemeen het vertrouwen in financiële instellingen en financiële markten, dat van groot maatschappelijk belang is. Onderdeel van dat beleid is dat de Bank zich distantieert van gedragingen en gebeurtenissen die een gevaar vormen voor haar reputatie en integriteit.

3.12

Dit belang van de Bank, dat ook naar het oordeel van het hof zwaar weegt, wordt in dit specifieke geval sterk gerelativeerd, gelet op de volgende omstandigheden.

Vast staat dat het appartement, één van de panden die onder hypotheek zijn verbonden, dienstbaar is gemaakt aan een ernstig strafbaar feit, te weten medeplichtigheid aan moord, waarbij het appartement is gebruikt om in te posten en het slachtoffer te observeren. Het slachtoffer is in het appartementencomplex beschoten en daar vlakbij buiten om het leven gebracht. Weliswaar bestaat hiermee enig verband tussen het strafbare feit en de dienstverlening van de Bank, maar dat verband is gebaseerd op een eenmalige gebeurtenis in het verleden en daarmee verder verwijderd dan in de door de Bank aangehaalde jurisprudentie. Daarin was steeds sprake van doorlopende criminele activiteiten in een verhypothekeerd pand (zoals een hennepkwekerij of criminele activiteiten in een “saunaclub”), of van het continue gebruik van een bankrekening voor criminele activiteiten. In dergelijke gevallen wordt van een bank verwacht dat zij maatregelen neemt om te voorkomen dat zij op enigerlei wijze deze activiteiten faciliteert. Zo’n situatie doet zich hier niet voor.

3.13

Dat de Bank concrete reputatieschade heeft opgelopen, heeft zij niet gestaafd. Weliswaar is er blijkens door de Bank overgelegde berichten in de media aandacht besteed aan het onderzoek naar het strafbare feit, maar die berichten dateren van 2012 en 2014, er wordt daarin geen verband gelegd met [Echtgenoot van geïntimeerde] of het appartement en de Bank wordt niet genoemd. Inmiddels is de strafzaak tegen [Echtgenoot van geïntimeerde] geheel afgerond en heeft hij zijn straf uitgezeten. Dat er thans, ruim 7 jaar na het plegen van het strafbare feit, voor de Bank nog een concreet risico bestaat op integriteits- of reputatieschade, heeft de Bank onvoldoende onderbouwd. Het enkele feit dat [Echtgenoot van geïntimeerde] is veroordeeld voor een ernstig strafbaar feit is daarvoor ontoereikend. Dat het huidige gedrag van [Echtgenoot van geïntimeerde] tot het genoemde risico zou leiden, is door de Bank eveneens onvoldoende onderbouwd. Gelet op de aard van het strafbare feit kan zonder toelichting, die ontbreekt, niet gesproken worden van “verzanden in het oude patroon”, zoals de Bank doet. Nog minder valt in te zien dat het voortzetten van de kredietrelatie met [Geïntimeerde] - waar het in deze zaak alleen nog om gaat - een reputatierisico voor de Bank meebrengt.

3.14

De Bank heeft verder nog aangevoerd dat [Geïntimeerde] in de periode begin 2012 tot half 2015 betalingsachterstanden had. In reactie daarop heeft [Geïntimeerde] toegelicht dat de achterstanden zijn ontstaan in de periode dat [Echtgenoot van geïntimeerde] gedetineerd was en de door hem geëxploiteerde sportschool daardoor moest worden gesloten. Op grond van een door de Bank verleend continu krediet mocht [Geïntimeerde] bovendien maandelijks tot een limiet van

€ 2.500,- rood staan; daarvan heeft zij in die periode gebruikt gemaakt. Voorts kwam het voor dat de huur van de verhuurde panden niet tijdig betaald werd, waardoor sprake was van een tijdelijke overstand. [Geïntimeerde] heeft maatregelen genomen om dit te voorkomen. Ter zitting in hoger beroep is namens de Bank bevestigd dat er sinds 2015 geen betalingsachterstanden meer zijn geconstateerd.

Dat de betalingsachterstanden in de periode 2012-2015 wijzen op structureel onbetrouwbaar betalingsgedrag heeft de Bank daarmee, tegenover de gemotiveerde betwisting door [Geïntimeerde] , niet aangetoond.

3.15

Tegenover de belangen van de Bank staan de belangen van [Geïntimeerde] .

In de eerste plaats is dat het behoud van de woning waarin zij samen met haar echtgenoot en vier, deels nog minderjarige, kinderen woont en het behoud van de huurinkomsten uit de vier andere panden, die een belangrijke inkomstenbron voor haar zijn.

[Geïntimeerde] heeft voorts aangevoerd dat zij na beëindiging van het krediet zou blijven zitten met een zodanig grote restschuld dat een persoonlijk faillissement dreigt. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de verhypothekeerde panden inmiddels in waarde zijn gestegen, maar dat, gelet op de hoogte van het totale krediet, na beëindiging nog altijd een aanzienlijke schuld van meerdere tonnen in euro’s zal resteren.

3.16

Hoewel de Bank zeker een zwaarwegend belang heeft om zich te distantiëren van strafbare feiten als gepleegd door [Echtgenoot van geïntimeerde] , is het hof van oordeel dat het aan dit belang ten grondslag liggende risico op integriteits- en reputatieschade inmiddels zodanig is beperkt en gerelativeerd, dat het niet opweegt tegen het actuele en concrete belang van [Geïntimeerde] de ingrijpende persoonlijke gevolgen te voorkomen van een beëindiging van het krediet.

Op grond hiervan is het hof met de rechtbank van oordeel dat beëindiging van de kredietovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarmee falen de grieven in principaal appel.

3.17

Partijen hebben geen feiten gesteld die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. Aan de bewijsaanbiedingen gaat het hof daarom voorbij.

4 De slotsom

4.1

De grieven falen, zowel in principaal als in incidenteel appel. Het bestreden vonnis zal daarom worden bekrachtigd.

4.2

Als de in het principaal appel in het ongelijk te stellen partij zal het hof de Bank in de kosten van het principaal hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in het principaal hoger beroep aan de zijde van [Geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 313,-

- salaris advocaat € 2.148,- (2 punten ad appeltarief II ad € 1.074,- per punt).

4.3

[Geïntimeerde] dient de kosten van het incidenteel hoger beroep te dragen, die aan de zijde van de Bank zullen worden bepaald op € 537,- (1 punt tegen de helft van het tarief berekend in principaal beroep).

4.4

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 3 augustus 2016;

veroordeelt de Bank in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [Geïntimeerde] vastgesteld op € 313,- voor verschotten en op € 2.148,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [Geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Bank vastgesteld op € 537,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, H.L. Wattel en I.W. Levelt-Iseger en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2019.