Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:206

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-01-2019
Datum publicatie
16-01-2019
Zaaknummer
200.250.487/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging gesloten plaatsing op goede gronden verleend. Jongere heeft extra kans om gesloten plaatsing te voorkomen niet benut.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.250.487/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/161987 FJ RK 18-651)

beschikking van 8 januari 2019

inzake

[verzoekster] ,

verblijvende in een instelling voor intensieve gesloten behandeling,

[A] -locatie [B] te [C] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoekster] ,

advocaat: mr. H.C.L. Crozier te Sneek,

en

Stichting Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,

gevestigd te Leeuwarden,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI of de voogd.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 25 juli 2018 en 12 september 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 30 november 2018;

- het verweerschrift met productie(s);

- een journaalbericht van 19 december 2018 van mr. Crozier met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 20 december 2018 plaatsgevonden. [verzoekster] is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de voogd zijn verschenen mevrouw [D] (voogdijwerker), en mr. [E] .

3 De feiten

3.1

Bij beschikking van 12 december 2017 is [verzoekster] onder voogdij gesteld van de GI.

3.2

De GI heeft op 3 juli 2018 de kinderrechter verzocht een machtiging tot opname en verblijf van [verzoekster] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden te verlenen (hierna: machtiging gesloten jeugdhulp). De kinderrechter heeft bij beschikking van 25 juli 2018 de beslissing op dit verzoek aangehouden tot 7 september 2018. Bij de bestreden beschikking van 12 september 2018 is het verzoek van de GI toegewezen en is een machtiging gesloten jeugdhulp voor [verzoekster] verleend van 12 september 2018 tot uiterlijk 12 maart 2019.

3.3

Op 13 september 2018 is [verzoekster] geplaatst in een instelling voor intensieve gesloten behandeling, [A] -locatie [B] te [C] .

4 De omvang van het geschil

4.1

[verzoekster] is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 12 september 2018. Zij vindt dat de kinderrechter ten onrechte de machtiging gesloten jeugdhulp heeft verleend.

[verzoekster] verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de GI alsnog af te wijzen, dan wel het verzoek met ingang van 20 december 2018, dan wel met ingang van 27 december 2018 af te wijzen.

4.2

De GI voert verweer en verzoekt het hof het verzoek in hoger beroep van [verzoekster] af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen voor de gehele duur van de afgegeven machtiging.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Gelet op artikel 6.1.2 tweede lid Jeugdwet kan een machtiging gesloten jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en verblijf noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

5.2

Aan de formele vereisten voor een machtiging gesloten jeugdhulp volgens artikel 6.1.2 lid 5 (verklaring GI noodzaak jeugdhulp) en 6.1.2 lid 6 (verklaring gedragswetenschapper) Jeugdwet is voldaan.

5.3

[verzoekster] vindt dat de machtiging gesloten plaatsing van het begin af aan niet nodig was en dat zij in elk geval voor verdere behandeling op een open plek in een instelling kan blijven. Na de zitting bij de rechtbank op 25 juli 2018 waarbij de kinderrechter haar nog een kans heeft gegeven om te laten zien dat zij zich aan de door de GI gestelde voorwaarden kon houden, is het goed gegaan met haar en hield zij zich ook aan die voorwaarden. Vlak voordat zij (gesloten) in de [B] is geplaatst had zij even een terugval omdat haar opa aan wie zij erg gehecht was, is overleden. Zij heeft toen ook aan de GI om hulp gevraagd en had dit in ambulant kader willen en kunnen krijgen. Zij zal op 27 december 2018 doorgeplaatst worden naar een gesloten afdeling van behandelcentrum [F] in [G] maar zou daar volgens haar ook op een open plek behandeld kunnen worden. Zij denkt niet weer terug te vallen in eerdere probleemsituaties. Dit omdat zij nu heel erg gemotiveerd is voor behandeling en omdat zij haar grote wens, vrachtwagenchauffeur worden, nu echt wil laten uitkomen. Ook is hierbij belangrijk de opvang en steun die zij heeft van [I] en [J] in [K] .

5.4

De GI vindt dat [verzoekster] in elk geval tot het eind van de door de kinderrechter verleende termijn uithuisplaatsing op een gesloten plek zal moeten blijven. Voor opname in de [B] ging het al heel lang erg slecht met [verzoekster] . Zij onttrok zich aan hulpverlening, was zwervend, had een verstoord dag-nachtritme, geen dagbesteding en verbleef in verkeerde kringen in onveilige situaties. De periode in de [B] is van belang geweest voor het krijgen van ritme, structuur, een gezonde levensstijl en schoolgang. Bij [F] kan zij een behandeling krijgen gericht op zelfstandig wonen om ervoor te zorgen dat zij op haar 18e zichzelf kan redden. Dit zal nog eerst gesloten moeten want gelet op het verleden van [verzoekster] is de kans groot dat zij zich weer zal onttrekken aan hulpverlening.

5.5

Op de zitting is al besproken dat het verweer van [verzoekster] dat zij een brief van de GI waarbij haar voorwaarden werden gesteld om gesloten uithuisplaatsing te voorkomen niet of te laat heeft ontvangen, door het hof niet (meer) van belang wordt gevonden. Immers na de zitting van de kinderrechter op 25 juli 2018 waarna [verzoekster] nog een laatste kans kreeg om te voldoen aan deze voorwaarden was het voor [verzoekster] heel duidelijk wat haar stond te doen (en te laten).

5.6

Het hof vindt dat de machtiging gesloten uithuisplaatsing op goede gronden is verleend. Uit het dossier is voldoende gebleken dat het voorafgaande aan deze plaatsing erg slecht met [verzoekster] ging en dat zij steeds verder afgleed. [verzoekster] heeft een reactieve hechtingsstoornis en geleerd om zichzelf te redden. En haar eigen gang te gaan. Na een verleden van uithuisplaatsingen vanaf jonge leeftijd, eerst in een pleeggezin, later in open instellingen ging het steeds slechter met haar. Zij was zwervend, ging om met drugsgebruikers, had aanvaringen met meerdere personen in haar omgeving, had geen normaal dag-nachtritme en zag er onverzorgd en niet gezond uit. Zij was in een stand van overleven geraakt en niet meer traceerbaar voor de hulpverlening. Het verzoek machtiging gesloten plaatsing leek ten tijde van de zitting van de kinderrechter op 25 juli 2018 wel [verzoekster] te hebben wakker geschud. Zij vertelde dat het inmiddels beter met haar ging, vroeg om een laatste kans en beloofde zich aan de gestelde voorwaarden te houden. Het hof is met de GI van oordeel dat [verzoekster] deze kans niet heeft weten te benutten. Zij is de voorwaarden niet nagekomen, er waren politiecontacten en zorgmeldingen van de politie, zij was weer zwervend en ze kwam de afspraken met de hulpverlening en de jeugdcoach niet na. Zij is ook ongeoorloofd naar het buitenland geweest en heeft daarbij risico's gelopen op onveilige situaties. De nacht voor plaatsing in de [B] nam [verzoekster] zelf contact op met de politie en leek zij overspannen. Ze gaf aan suïcidale gedachten te hebben.

Het hof vindt dit alles zo zorgelijk dat aan bovengenoemde voorwaarden voor gesloten jeugdhulp is voldaan. [verzoekster] heeft aangegeven dat zij even een terugval had door het plotseling overlijden van haar opa maar haar opa is in de eerste week van september (onverwacht) overleden terwijl bovengenoemde zorgmeldingen al van voor die tijd waren.

De machtiging gesloten uithuisplaatsing vindt het hof dus terecht afgegeven. Het hof vindt ook dat deze machtiging nog langer moet duren, in elk geval tot 12 maart 2019. [verzoekster] lijkt te profiteren van het verblijf in de [B] en is tot rust gekomen. Nu is het tijd de komende maanden de voorgenomen vertrektraining bij de [F] te volgen zodat zij straks is voorbereid op het zelfstandig functioneren en wonen. Gelet op het verleden van opnames in open instellingen, het ontlopen van hulpverlening en het trekken van een eigen plan door [verzoekster] vindt het hof evenals de GI het risico dat [verzoekster] in een open setting zich toch zal onttrekken aan de hulpverlening heel groot. [verzoekster] is in oktober jl ook een keer niet teruggekeerd van een verlofmoment in de [B] . Het hof neemt aan van [verzoekster] dat zij erg haar best heeft gedaan de afgelopen tijd en dat haar motivatie voor verdere hulpverlening en opleiding groot is. En dat zij nu heel graag in een open setting door wil werken aan haar toekomst. Maar het hof heeft er op dit moment geen vertrouwen in dat [verzoekster] op eigen kracht haar voornemens waar kan maken. Het hof gunt het [verzoekster] dat zij in de laatste periode tot haar meerderjarigheid optimaal kan profiteren van de aan haar geboden hulp, ook als dat eerst nog in een gesloten setting plaatsvindt.

6 De slotsom

Op grond van wat hiervoor is overwogen zal het hof de beschikking waartegen [verzoekster] in beroep is gekomen in stand laten.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 12 september 2018;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Idsardi, mr. G.M. van der Meer en mr. M.P. den Hollander, bijgestaan door mr. J. Robben als griffier, en is op 8 januari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.