Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:2051

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-03-2019
Datum publicatie
06-03-2019
Zaaknummer
21-003339-16
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:1050
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doodslag op een destijds 66-jarige vrouw en gekwalificeerde doodslag op een 71-jarige man in Groningen op 18 januari 2013. Verdachte lijdt aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis en wel in een mate dat gesproken kan worden van psychopathie. Het hof acht de gekwalificeerde doodslag in verminderde mate aan verdachte toerekenbaar. Het hof legt aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 24 jaren en tbs met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003339-16

Uitspraak d.d.: 6 maart 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 2 juni 2016 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-850046-13 en 18-232368-12, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

thans verblijvende in P.I. [locatie 1] .

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 24 november 2016, 24 en 25 april 2018, 30 augustus 2018, 6 februari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank, veroordeling van verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-850046-13 onder 1 primair tenlastegelegde (de moord op [slachtoffer 1] ) en het onder 2 meer subsidiair tenlastegelegde (de doodslag op [slachtoffer 2] ) en ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-232368-12 onder 1 tenlastegelegde (de diefstal in vereniging van een fiets) tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 jaren, met aftrek van voorarrest, en oplegging van de - in dit geval ongelimiteerde - maatregel tot terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging, met het advies over het tijdstip waarop de ter beschikking stelling dient aan te vangen, te weten na 16 jaar. Deze vordering is ter terechtzitting van 24 en 25 april 2018 na voorlezing aan het hof overgelegd. Ter terechtzitting van 6 februari 2019 heeft de advocaat-generaal zijn vordering gewijzigd in die zin dat hij een gevangenisstraf voor de duur van 24 jaren, met aftrek van het voorarrest, heeft gevorderd en oplegging van de (ongelimiteerde) maatregel tot terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging. Deze vordering na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn opeenvolgende raadslieden, mr. D.N. de Jonge en mr. E. Kok, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 18-232368-12 onder 2 en 3 tenlastegelegde

Verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 18‑232368-12 onder 2 en 3 tenlastegelegde.

Voor zover het hoger beroep van de verdachte is gericht tegen deze vrijspraken, kan de verdachte daarin niet worden ontvangen. Het hof zal de verdachte in zoverre niet‑ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.

Het hof zal voorts de officier van justitie ter zake van deze feiten niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep. Het hof ziet met betrekking hiertoe aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu het openbaar ministerie niet bij schriftuur grieven tegen de vrijspraken van het in parketnummer 18‑232368-12 onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft ingediend, de advocaat-generaal ter zitting van het hof expliciet heeft aangegeven dat het hoger beroep zich ook niet richt tegen de vrijspraken en het hof ambtshalve geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van deze feiten noodzakelijk maken.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft de verdachte bij vonnis van 2 juni 2016, waartegen het hoger beroep van de verdachte en de officier van justitie is gericht, vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 18-850046-13 onder 1 primair tenlastegelegde (moord op [slachtoffer 1] ) en onder 1 subsidiair tenlastegelegde (gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 1] ) en het onder 2 primair tenlastegelegde (moord op [slachtoffer 2] ) en onder 2 subsidiair tenlastegelegde (gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 2] ) en veroordeeld ter zake van het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde (doodslag op [slachtoffer 1] ) en het onder 2 meer subsidiair tenlastegelegde (doodslag op [slachtoffer 2] ), beide gepleegd op 18 januari 2013, en daarnaast het in de zaak met parketnummer 18-232368-12 onder 1 tenlastegelegde (diefstal in vereniging van de fiets van [slachtoffer 1] ), gepleegd op 31 maart 2012, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek van het voorarrest.

De rechtbank heeft voorts, zoals hiervoor reeds overwogen, verdachte vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 18-232368-12 onder 2 en 3 tenlastegelegde. De rechtbank heeft daarnaast, in verband met voornoemde vrijspraak van feit 2, de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover in hoger beroep van belang - ten laste gelegd dat:

In de zaak met parketnummer 18-850046-13:

1. primair:

hij op of omstreeks 18 januari 2013, in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, (onder meer),

  • -

    een koord, althans een voorwerp, om de nek/keel/hals van die [slachtoffer 1] aangebracht en/of een of meer andere handelingen ten aanzien van dat koord, althans dat voorwerp, verricht en/of (vervolgens) dat koord, althans dat voorwerp, aangetrokken waardoor samendrukkend en/of omsnoerend en/of comprimerend geweld op de hals/keel en/of mondbodem van die [slachtoffer 1] is ontstaan, en/of

  • -

    met zijn/hun handen de keel van die [slachtoffer 1] dicht gedrukt en/of dicht gedrukt gehouden en/of een (zogenaamde) verwurging bij die [slachtoffer 1] aangebracht en/of een of meer (andere) strangulatie/strangulerende handelingen en/of verwurgingen door middel van de handen/armen en/of met behulp van andere voorwerpen aangebracht en/of toegepast op de hals/keel van en/of bij die [slachtoffer 1] , waardoor samendrukkend en/of omsnoerend en/of comprimerend geweld op de hals/keel en/of mondbodem van die [slachtoffer 1] is ontstaan, en/of

  • -

    een doek in de mond en/of keelholte van die [slachtoffer 1] gepropt/geduwd, en/of

  • -

    een plastic zak over het hoofd van die [slachtoffer 1] getrokken en/of die zak vervolgens met een koord dicht geknoopt, en/of

  • -

    met een hard voorwerp op het hoofd en/of de hals en/of de romp en/of overige delen van het lichaam van die [slachtoffer 1] geslagen, en/of

  • -

    op/tegen het hoofd en/of de hals en/of de romp en/of overige delen van het lichaam van die [slachtoffer 1] geslagen, gestompt, geschopt en/of getrapt,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

1. subsidiair:

hij op of omstreeks 18 januari 2013, in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet, (onder meer),

  • -

    een koord, althans een voorwerp, om de nek/keel/hals van die [slachtoffer 1] aangebracht en/of een of meer andere handelingen ten aanzien van dat koord, althans dat voorwerp, verricht en/of (vervolgens) dat koord, althans dat voorwerp, aangetrokken waardoor samendrukkend en/of omsnoerend en/of comprimerend geweld op de hals/keel en/of mondbodem van die [slachtoffer 1] is ontstaan, en/of

  • -

    met zijn/hun handen de keel van die [slachtoffer 1] dicht gedrukt en/of dicht gedrukt gehouden en/of een (zogenaamde) verwurging bij die [slachtoffer 1] aangebracht en/of een of meer (andere) strangulatie/strangulerende handelingen en/of verwurgingen door middel van de handen/armen en/of met behulp van andere voorwerpen aangebracht en/of toegepast op de hals/keel van en/of bij die [slachtoffer 1] , waardoor samendrukkend en/of omsnoerend en/of comprimerend geweld op de hals/keel en/of mondbodem van die [slachtoffer 1] is ontstaan, en/of

  • -

    een doek in de mond en/of keelholte van die [slachtoffer 1] gepropt/geduwd, en/of

  • -

    een plastic zak over het hoofd van die [slachtoffer 1] getrokken en/of die zak vervolgens met een koord dicht geknoopt, en/of

  • -

    met een hard voorwerp op het hoofd en/of de hals en/of de romp en/of overige delen van het lichaam van die [slachtoffer 1] geslagen, en/of

  • -

    op/tegen het hoofd en/of de hals en/of de romp en/of overige delen van het lichaam van die [slachtoffer 1] geslagen, gestompt, geschopt en/of getrapt,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden,

welke voren omschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal (met geweld en/of een valse sleutel), al dan niet gepleegd in vereniging, van een computer (laptop), mobiele telefoon en/of levensmiddelen en/of andere goed(eren) van die [slachtoffer 1] , en/of mishandeling van die [slachtoffer 1] , en/of wederrechtelijke vrijheidsberoving van die [slachtoffer 1] , en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat/die feit(en) voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

1. meer subsidiair:

hij op of omstreeks 18 januari 2013, in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet, (onder meer),

  • -

    een koord, althans een voorwerp, om de nek/keel/hals van die [slachtoffer 1] aangebracht en/of een of meer andere handelingen ten aanzien van dat koord, althans dat voorwerp, verricht en/of (vervolgens) dat koord, althans dat voorwerp, aangetrokken waardoor samendrukkend en/of omsnoerend en/of comprimerend geweld op de hals/keel en/of mondbodem van die [slachtoffer 1] is ontstaan, en/of

  • -

    met zijn/hun handen de keel van die [slachtoffer 1] dicht gedrukt en/of dicht gedrukt gehouden en/of een (zogenaamde) verwurging bij die [slachtoffer 1] aangebracht en/of een of meer (andere) strangulatie/strangulerende handelingen en/of verwurgingen door middel van de handen/armen en/of met behulp van andere voorwerpen aangebracht en/of toegepast op de hals/keel van en/of bij die [slachtoffer 1] , waardoor samendrukkend en/of omsnoerend en/of comprimerend geweld op de hals/keel en/of mondbodem van die [slachtoffer 1] is ontstaan, en/of

  • -

    een doek in de mond en/of keelholte van die [slachtoffer 1] gepropt/geduwd, en/of

  • -

    een plastic zak over het hoofd van die [slachtoffer 1] getrokken en/of die zak vervolgens met een koord dicht geknoopt, en/of

  • -

    met een hard voorwerp op het hoofd en/of de hals en/of de romp en/of overige delen van het lichaam van die [slachtoffer 1] geslagen, en/of

  • -

    op/tegen het hoofd en/of de hals en/of de romp en/of overige delen van het lichaam van die [slachtoffer 1] geslagen, gestompt, geschopt en/of getrapt,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

1. nog meer subsidiair:

hij op of omstreeks 18 januari 2013, in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon en/of een laptopcomputer en/of een tas (inhoudende onder meer etenswaar en/of een of meer kranten), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s),

  • -

    een koord, althans een voorwerp, om de nek/keel/hals van die [slachtoffer 1] heeft/hebben aangebracht en/of een of meer andere handelingen ten aanzien van dat koord, althans dat voorwerp, heeft/hebben verricht en/of (vervolgens) dat koord, althans dat voorwerp, heeft/hebben aangetrokken waardoor samendrukkend en/of omsnoerend en/of comprimerend geweld op de hals/keel en/of mondbodem van die [slachtoffer 1] is ontstaan, en/of

  • -

    met zijn/hun handen de keel van die [slachtoffer 1] heeft/hebben dicht gedrukt en/of dicht gedrukt heeft/hebben gehouden en/of een (zogenaamde) verwurging bij die [slachtoffer 1] heeft/hebben aangebracht en/of een of meer (andere) strangulatie/strangulerende handelingen en/of verwurgingen door middel van de handen/armen en/of met behulp van andere voorwerpen heeft/hebben aangebracht en/of toegepast op de hals/keel van en/of bij die [slachtoffer 1] , waardoor samendrukkend en/of omsnoerend en/of comprimerend geweld op hals/keel en/of mondbodem van die [slachtoffer 1] is ontstaan, en/of

  • -

    een doek in de mond en/of keelholte van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gepropt/geduwd, en/of

  • -

    een plastic zak over het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft/hebben getrokken en/of die zak vervolgens met een koord heeft/hebben dicht geknoopt, en/of

  • -

    met een hard voorwerp op het hoofd en/of de hals en/of de romp en/of overige delen van het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geslagen, en/of

  • -

    op/tegen het hoofd en/of de hals en/of de romp en/of overige delen van het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geslagen, gestompt, geschopt en/of getrapt,

terwijl voornoemd feit de dood voor die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

1. meest subsidiair:

hij op of omstreeks 18 januari 2013, in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] , meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten:

  • -

    bloeduitstortingen in de schedelhuid en/of in het gezicht en/of in beide oorschelpen als gevolg van meermalen, althans eenmaal toegepast uitwendig inwerkend mechanisch stomp geweld, en/of

  • -

    breuken van het tongbeen en/of het strottenhoofd als gevolg van zeer heftig samendrukkend en/of omsnoerend en/of comprimerend geweld op de hals en/of mondbodem, en/of

  • -

    gebroken ribben en/of borstbeen als gevolg van heftig botsend geweld op de romp,

heeft toegebracht, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (onder meer),

  • -

    een koord, althans een voorwerp, om de nek/keel/hals van die [slachtoffer 1] aangebracht en/of een of meer andere handelingen ten aanzien van dat koord, althans dat voorwerp, verricht en/of (vervolgens) dat koord, althans dat voorwerp, aangetrokken waardoor samendrukkend en/of omsnoerend en/of comprimerend geweld op de hals/keel en/of mondbodem van die [slachtoffer 1] is ontstaan, en/of

  • -

    met zijn/hun handen de keel van die [slachtoffer 1] dicht gedrukt en/of dicht gedrukt gehouden en/of een (zogenaamde) verwurging bij die [slachtoffer 1] aangebracht en/of een of meer (andere) strangulatie/strangulerende handelingen en/of verwurgingen door middel van de handen/armen en/of met behulp van andere voorwerpen aangebracht en/of toegepast op de hals/keel van en/of bij die [slachtoffer 1] , waardoor samendrukkend en/of omsnoerend en/of comprimerend geweld op hals/keel en/of mondbodem van die [slachtoffer 1] is ontstaan, en/of

  • -

    een doek in de mond en/of keelholte van die [slachtoffer 1] gepropt/geduwd, en/of

  • -

    een plastic zak over het hoofd van die [slachtoffer 1] getrokken en/of die zak vervolgens met een koord dicht geknoopt, en/of

  • -

    met een hard voorwerp op het hoofd en/of de hals en/of de romp en/of overige delen van het lichaam van die [slachtoffer 1] geslagen, en/of

  • -

    op/tegen het hoofd en/of de hals en/of de romp en/of overige delen van het lichaam van die [slachtoffer 1] geslagen, gestompt, geschopt en/of getrapt,

terwijl dat feit de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

2. primair:

hij op of omstreeks 18 januari 2013, in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, (onder meer),

  • -

    een voorwerp om de nek/keel/hals van die [slachtoffer 2] aangebracht en/of een of meer andere handelingen ten aanzien van dat voorwerp verricht en/of (vervolgens) dat voorwerp aangetrokken waardoor samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals/keel van die [slachtoffer 2] is ontstaan, en/of

  • -

    met zijn/hun, handen de keel van die [slachtoffer 2] dicht gedrukt en/of dicht gedrukt gehouden en/of een (zogenaamde) verwurging bij die [slachtoffer 2] aangebracht en/of een of meer (andere) strangulatie/strangulerende handelingen en/of verwurgingen door middel van de handen/armen en/of met behulp van andere voorwerpen aangebracht en/of toegepast op de hals/keel van en/of bij die [slachtoffer 2] , waardoor samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals/keel van die [slachtoffer 2] is ontstaan, en/of

  • -

    met een hard voorwerp op het hoofd en/of de hals en/of overige delen van het lichaam van die [slachtoffer 2] geslagen, en/of

  • -

    op/tegen het hoofd en/of de hals en/of overige delen van het lichaam van die [slachtoffer 2] geslagen, gestompt, geschopt en/of getrapt, en/of

  • -

    met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal in de hals/halsstreek en/of arm van die [slachtoffer 2] gestoken en/of gesneden,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;

2. subsidiair:

hij op of omstreeks 18 januari 2013, in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet, (onder meer),

  • -

    een voorwerp om de nek/keel/hals van die [slachtoffer 2] aangebracht en/of een of meer andere handelingen ten aanzien van dat voorwerp verricht en/of (vervolgens) dat voorwerp aangetrokken waardoor samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals/keel van die [slachtoffer 2] is ontstaan, en/of

  • -

    met zijn/hun, handen de keel van die [slachtoffer 2] dicht gedrukt en/of dicht gedrukt gehouden en/of een (zogenaamde) verwurging bij die [slachtoffer 2] aangebracht en/of een of meer (andere) strangulatie/strangulerende handelingen en/of verwurgingen door middel van de handen/armen en/of met behulp van andere voorwerpen aangebracht en/of toegepast op de hals/keel van en/of bij die [slachtoffer 2] , waardoor samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals/keel van die [slachtoffer 2] is ontstaan, en/of

  • -

    met een hard voorwerp op het hoofd en/of de hals en/of overige delen van het lichaam van die [slachtoffer 2] geslagen, en/of

  • -

    op/tegen het hoofd en/of de hals en/of overige delen van het lichaam van die [slachtoffer 2] geslagen, gestompt, geschopt en/of getrapt, en/of

  • -

    met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal in de hals/halsstreek en/of arm van die [slachtoffer 2] gestoken en/of gesneden,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden,

welke voren omschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal (met geweld en/of een valse sleutel), al dan niet gepleegd in vereniging, van een mobiele telefoon en/of een SIM-kaart en/of andere goed(eren) van die [slachtoffer 2] , en/of mishandeling van die [slachtoffer 2] , en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat/die feit(en) voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

2. meer subsidiair:

hij op of omstreeks 18 januari 2013, in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet, (onder meer),

  • -

    een voorwerp om de nek/keel/hals van die [slachtoffer 2] aangebracht en/of een of meer andere handelingen ten aanzien van dat voorwerp verricht en/of (vervolgens) dat voorwerp aangetrokken waardoor samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals/keel van die [slachtoffer 2] is ontstaan, en/of

  • -

    met zijn/hun, handen de keel van die [slachtoffer 2] dicht gedrukt en/of dicht gedrukt gehouden en/of een (zogenaamde) verwurging bij die [slachtoffer 2] aangebracht en/of een of meer (andere) strangulatie/strangulerende handelingen en/of verwurgingen door middel van de handen/armen en/of met behulp van andere voorwerpen aangebracht en/of toegepast op de hals/keel van en/of bij die [slachtoffer 2] , waardoor samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals/keel van die [slachtoffer 2] is ontstaan, en/of

  • -

    met een hard voorwerp op het hoofd en/of de hals en/of overige delen van het lichaam van die [slachtoffer 2] geslagen, en/of

  • -

    op/tegen het hoofd en/of de hals en/of overige delen van het lichaam van die [slachtoffer 2] geslagen, gestompt, geschopt en/of getrapt, en/of

  • -

    met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal in de hals/halsstreek en/of arm van die [slachtoffer 2] gestoken en/of gesneden,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;

2. nog meer subsidiair:

hij op of omstreeks 18 januari 2013, in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon en/of een simkaart en/of (een) ander(e) goed(eren), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s),

  • -

    een voorwerp om de nek/keel/hals van die [slachtoffer 2] heeft/hebben aangebracht en/of een of meer andere handelingen ten aanzien van dat voorwerp heeft/hebben verricht en/of (vervolgens) dat voorwerp heeft/hebben aangetrokken waardoor samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals/keel van die [slachtoffer 2] is ontstaan, en/of

  • -

    met zijn/hun handen de keel van die [slachtoffer 2] heeft/hebben dicht gedrukt en/of dicht gedrukt heeft/hebben gehouden en/of een (zogenaamde) verwurging bij die [slachtoffer 2] heeft/hebben aangebracht en/of een of meer (andere) strangulatie/strangulerende handelingen en/of verwurgingen door middel van de handen/armen en/of met behulp van andere voorwerpen heeft/hebben aangebracht en/of toegepast op de hals/keel van en/of bij die [slachtoffer 2] , waardoor samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals/keel van die [slachtoffer 2] is ontstaan, en/of

  • -

    met een hard voorwerp op het hoofd en/of de hals en/of overige delen van het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft/hebben geslagen, en/of

  • -

    op/tegen het hoofd en/of de hals en/of overige delen van het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft/hebben geslagen, gestompt, geschopt en/of getrapt, en/of

  • -

    met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen althans eenmaal in de hals/halsstreek en/of arm van die [slachtoffer 2] heeft/hebben gestoken en/of gesneden,

terwijl voornoemd feit de dood voor die [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad;

2. meest subsidiair:

hij op of omstreeks 18 januari 2013, in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 2] , meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten:

  • -

    veel onderhuidse bloeduitstortingen en/of oppervlakkige huidkneuzingen verspreid over het hoofd, de zachte hersenvliezen, het gezicht, de hals, de romp, de handen en vingers, als gevolg van meermalen opgelopen uitwendig inwerkend stomp botsend geweld, en/of

  • -

    breuken van het schildkraakbeen rechts, het tongbeen rechts en het linker bovenste hoorntje van het strottenhoofd als gevolg van omsnoerend, samendrukkend en/of comprimerend geweld op de hals, en/of

  • -

    steekverwondingen met oppervlakkige perforatie van de weke delen van de hals met daarbij links gerelateerde perforatie van het schildkraakbeen als gevolg van meermalen opgelopen scherprandige perforatie aan de hals, en/of

  • -

    steekverwondingen aan de linkerbovenarm,

heeft toegebracht, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (onder meer),

  • -

    een voorwerp om de nek/keel/hals van die [slachtoffer 2] aangebracht en/of een of meer andere handelingen ten aanzien van dat voorwerp verricht en/of (vervolgens) dat voorwerp aangetrokken waardoor samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals/keel van die [slachtoffer 2] is ontstaan, en/of

  • -

    met zijn/hun handen de keel van die [slachtoffer 2] dicht gedrukt en/of dicht gedrukt gehouden en/of een (zogenaamde) verwurging bij die [slachtoffer 2] aangebracht en/of een of meer (andere) strangulatie/strangulerende handelingen en/of verwurgingen door middel van de handen/armen en/of met behulp van andere voorwerpen aangebracht en/of toegepast op de hals/keel van en/of bij die [slachtoffer 2] , waardoor samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals/keel van die [slachtoffer 2] is ontstaan, en/of

  • -

    met een hard voorwerp op het hoofd en/of de hals en/of overige delen van het lichaam van die [slachtoffer 2] geslagen, en/of

  • -

    op/tegen het hoofd en/of de hals en/of overige delen van het lichaam van die [slachtoffer 2] geslagen, gestompt, geschopt en/of getrapt, en/of

  • -

    met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen althans eenmaal in de hals/halsstreek en/of arm van die [slachtoffer 2] gestoken en/of gesneden,

terwijl dat feit de dood van die [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad.

In de zaak met parketnummer 18-232368-12:

1.

hij op of omstreeks 31 maart 2012 te Groningen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een laptop en/of meerdere, althans een telefoon(s) en/of een fotocamera en/of een fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s).

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs 1

Op 18 januari 2013 zijn op verschillende tijdstippen en elk in hun eigen woning de lichamen aangetroffen van [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) en [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ). Beiden zijn door misdrijf om het leven gekomen. Het hof zal deze zaken hierna in chronologische volgorde van aantreffen en overlijden van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] bespreken.2

1 Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde (de zaak [slachtoffer 2] )

1.1.

Feiten en omstandigheden

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting gaat het hof uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Nadat haar mantelzorgers, [getuige 9] en zijn echtgenote [echtgenote] , in de ochtend van 18 januari 2013 geen contact met [slachtoffer 2] konden krijgen, is door een te hulp ingeroepen ambulancemedewerker de deur van [slachtoffer 2] woning aan de [adres 1] te Groningen omstreeks 13:30 uur geforceerd. [slachtoffer 2] bleek te zijn overleden. Haar lichaam lag op de grond in de woonkamer. In eerste instantie werd uitgegaan van een natuurlijke dood.3 Pas later, in de loop van de middag, is door medewerkers van uitvaartcentrum Monuta ontdekt dat er een steekverwonding in de hals van [slachtoffer 2] zat.4 Volgens het onderzoek van de politie ligt het tijdstip van overlijden op 18 januari 2013 tussen 02:00 en 11:00 uur.5

Door arts en patholoog van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) A. Maes is sectie op het lichaam van [slachtoffer 2] verricht. Zij heeft vastgesteld dat zich veel onderhuidse bloeduitstortingen en oppervlakkige huidkneuzingen bevonden op het hoofd, de zachte hersenvliezen, het gezicht, de hals, de romp en de handen en vingers van [slachtoffer 2] . Dit letsel was het gevolg van meermalen, bij leven opgelopen uitwendig inwerkend stomp botsend geweld. Zij heeft daarnaast vastgesteld dat de bloeduitstortingen aan de handen en vingers passen bij afweerletsels. Verder heeft zij vastgesteld dat er breuken waren ontstaan van het schildkraakbeen rechts, het tongbeen rechts en het linker bovenste hoorntje van het strottenhoofd, als gevolg van omsnoerend, samendrukkend en/of comprimerend geweld op de hals. Dit kan zijn ontstaan door onder andere wurghandelingen en strangulatie maar ook stompen/slaan/schoppen op de hals kunnen worden overwogen. Aan de hals zaten steekverwondingen met oppervlakkige perforatie van de weke delen met daarbij links gerelateerde perforatie van het schildkraakbeen. Er waren aan de linker bovenarm kleine bij leven opgelopen perforatieopeningen passend bij prikken met een scherppuntig voorwerp zoals een of meer messen. Het overlijden wordt zonder meer verklaard door verstikking als gevolg van bij leven opgelopen omsnoerend en/of samendrukkend geweld op de hals. Mogelijk dat bloedverlies door bij leven opgelopen steekverwondingen aan de hals aan het overlijden heeft bijgedragen.6

Verdachte is diezelfde dag, dus op 18 januari 2013, om 21:00 uur door de politie aangehouden in verband met openstaande boetes.7 Nog diezelfde avond is verdachte in beeld gekomen als mogelijke dader van het doden van [slachtoffer 2] .8 Volgens [getuige] (hierna: [getuige] ), eigenaar en hoofdbewoner van de woning aan de [adres 2] te [plaats 1] alwaar ook verdachte verbleef, had verdachte in de ochtend van 18 januari 2013 een zwarte gsm kapot gemaakt en was hij daarmee de achtertuin van de woning aan de [adres 2] ingelopen. In de tuin van de woning aan de [adres 2] is vervolgens, op aanwijzen van [getuige] , door verbalisanten in een container een kapotte simkaart aangetroffen.9 Deze simkaart bleek te behoren bij de telefoon van [slachtoffer 2] .10 Verdachte heeft - uiteindelijk - zelf ook toegegeven dat hij op 18 januari 2013 in het bezit was van de telefoon van [slachtoffer 2] en dat hij medebewoonster [getuige 2] met deze telefoon heeft gebeld.11 De betreffende telefoon was, zo volgt uit onderzoek van de politie, in de namiddag of avond van 17 januari 2013 nog in gebruik bij [slachtoffer 2] .12 Voorts bleek uit de internethistorie van de bij verdachte tijdens zijn aanhouding inbeslaggenomen laptop dat hij op 18 januari 2013 rond 17:30 uur op de website van de politie als zoekopdracht heeft gegeven 'Groningen huismoord', terwijl op dat moment nog geen informatie op internet aanwezig was waaruit kon blijken dat [slachtoffer 2] in een woning in Groningen was overleden.13

Het NFI heeft onderzoek gedaan naar mogelijke DNA-sporen op de kleding van verdachte die hij bij zijn aanhouding droeg, alsmede op schoenen van verdachte (paarse Nikes Air) die in de woning aan de [adres 2] te [plaats 1] in beslag zijn genomen.14 Voorts is door het NFI onderzoek verricht aan onder meer de fleecetrui die [slachtoffer 2] droeg toen haar lichaam werd aangetroffen.15

Uit voornoemd onderzoek is het volgende gebleken.

Op de manchetten van het vest van verdachte is bloed aangetroffen. Van drie bloedsporen is een deel bemonsterd voor DNA-onderzoek.16 In het eerste spoor is een DNA-profiel aangetroffen waarvan het celmateriaal afkomstig kan zijn van [slachtoffer 2] , waarbij de matchkans kleiner is dan één op één miljard.1718 In het derde spoor is een DNA-mengprofiel van ten minste twee personen aangetroffen waarbij het celmateriaal afkomstig kan zijn van [slachtoffer 2] en verdachte waarbij de matchkans met het DNA-profiel van [slachtoffer 2] wederom kleiner is dan één op één miljard.19 Het hof gaat er op basis van deze resultaten vanuit dat het op verdachtes vest aangetroffen bloed van [slachtoffer 2] afkomstig is.

Op de fleecetrui van [slachtoffer 2] zijn Y-chromosomaal DNA-mengprofielen aangetroffen die afkomstig kunnen zijn van verdachte en minimaal één andere onbekende man. Met betrekking tot één bemonstering geldt dat de hypothese dat het mannelijk celmateriaal afkomstig van de verdachte of van een in de mannelijke lijn aan de verdachte verwante man, veel waarschijnlijker is dan de hypothese dat het mannelijke celmateriaal niet afkomstig is van de verdachte, maar van een willekeurig gekozen, niet in de mannelijke lijn aan de verdachte verwante man.20 Daarnaast is op die trui een DNA-mengprofiel van tenminste drie personen aangetroffen dat afkomstig kan zijn van [slachtoffer 2] , verdachte en minimaal één onbekende persoon. De matchkans is niet berekend.21 De hypothese dat het om celmateriaal gaat van [slachtoffer 2] , verdachte en één onbekende persoon is extreem veel waarschijnlijker dan de hypothese dat het gaat om celmateriaal van [slachtoffer 2] en twee willekeurig gekozen personen (niet verwant aan elkaar of aan verdachte).22 Het hof gaat er op basis van deze resultaten vanuit dat op de fleecetrui die [slachtoffer 2] droeg toen haar lichaam werd aangetroffen, DNA afkomstig van verdachte zat.

Uit door het NFI uitgevoerd vergelijkend vezelonderzoek trekt de onderzoeker van het NFI de conclusie dat de resultaten een duidelijke aanwijzing vormen dat de sporen aangetroffen op de fleecetrui van [slachtoffer 2] deels afkomstig zijn uit de zwart rode fleecetrui van verdachte en dat het aantal aangetroffen vezelsporen wijst op recent contact.23

Voorts zat er bloed op de in beslaggenomen aan verdachte toebehorende paarse Nikes. Op de rechterschoen is een DNA-mengprofiel van twee personen aangetroffen waarbij het celmateriaal afkomstig kan zijn van [slachtoffer 2] en verdachte, waarbij de matchkans met het DNA-profiel van [slachtoffer 2] kleiner is dan één op één miljard. Op de linkerschoen zijn twee DNA-profielen aangetroffen waarvan het celmateriaal afkomstig kan zijn van [slachtoffer 2] , wederom met een matchkans die kleiner is dan één op één miljard.24 Het hof gaat er op basis van deze resultaten vanuit dat het op verdachtes schoenen aangetroffen bloed van [slachtoffer 2] afkomstig is.

Concluderend overweegt het hof dat:

  • -

    [slachtoffer 2] op 18 januari 2013 tussen 02:00 en 11:00 uur door geweld om het leven is gebracht;

  • -

    verdachte de ochtend van 18 januari 2013 in het bezit was van de telefoon van [slachtoffer 2] , terwijl [slachtoffer 2] met die telefoon in de namiddag of avond van 17 januari 2013 zelf nog heeft gebeld;

  • -

    verdachte op internet informatie zocht over een huismoord in Groningen nog voordat daarover informatie openbaar bekend was, hetgeen erop duidt dat verdachte al wel op de hoogte was van de gewelddadige dood van [slachtoffer 2] ;

  • -

    er bloed van [slachtoffer 2] op het vest en de schoenen (paarse Nikes) van verdachte is aangetroffen;

  • -

    op de fleecetrui van [slachtoffer 2] DNA van verdachte is aangetroffen;

  • -

    uit vergelijkend vezelonderzoek blijkt dat er recent contact geweest is tussen [slachtoffer 2] en verdachte.

1.2.

Getuigenverklaringen en betrouwbaarheid getuigen

In het dossier bevinden zich de getuigenverklaringen van (onder anderen) [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ), medebewoonster en destijds de vriendin van verdachte, alsmede van de hiervoor al genoemde [getuige] en van [getuige 3] (hierna: [getuige 3] ), een vriend van verdachte. Zij hebben alle drie in belastende zin over verdachte verklaard.

[getuige 2] heeft verklaard dat verdachte in de ochtend van 18 januari 2018 rond 05:30 uur de woning aan de [adres 2] heeft verlaten. Rond 11 uur heeft ze hem weer gezien, met die telefoon (het hof begrijpt: de telefoon van [slachtoffer 2]). Om 07:47 uur heeft ze de volgende sms van verdachte ontvangen: "Baby ik zit echt maar dan ook echt in de shit. Ik heb er een zooitje van gemaakt. Kom straks alsjeblieft naar huis. Ik zit ondergedoken ergens. Voor een paar uur. Bel als je kom ma doe rustig aan. Heel rustig aan please. Ben rond half 11 weer op weg naar huis toe. Kom je eerder dan bel ik zit ergens. Nu zonder gelul ik heb je nodig. Vergeet alles wat je denkt, ik ben helemaal doorgeflipt. Ik hou van je [getuige 2] . Ma dit komt niet goed."25 [getuige 2] heeft verder verklaard dat verdachte heel vaag was en in de war. Hij had het over bloed. Hij had ergens ruzie gehad en toen hij bijkwam zat alles onder het bloed. Over het mes verklaarde hij dat die onder het bloed zat. Hij was heel manisch en paniekerig.26

[getuige] heeft onder meer verklaard dat verdachte hem op 18 januari 2013 rond 08:30 uur belde. Verdachte zei dat hij domme dingen had gedaan. Hij riep ook nog iets van 'gestoken' of zoiets.27

[getuige 3] heeft verklaard dat verdachte hem op 18 januari 2018 rond 07:00 uur belde. Verdachte was toen op de [adres 2] . Rond 10:00 uur belde verdachte hem opnieuw. Verdachte huilde. Hij zei: "Ik denk dat die vrouw dood is". Verdachte zei dat zijn handen onder het bloed zaten en dat hij dacht dat het hoofd van de vrouw tegen de tafel was geslagen.28

Door de verdediging is betoogd dat voornoemde getuigenverklaringen onbetrouwbaar zijn.

Het hof acht de verklaringen van [getuige 2] , [getuige] en [getuige 3] echter wel betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Hiertoe overweegt het hof als volgt. [getuige 2] en [getuige] zijn vrijwel direct nadat verdachte op 18 januari 2013 is aangehouden, gehoord.29 Zij verklaren vanuit hun eigen waarnemingen, de verklaringen komen authentiek over en er zijn geen aanwijzingen dat zij onderling op elkaar zijn afgestemd. In het algemeen bevordert het direct na het voorval horen van getuigen de betrouwbaarheid van de verklaringen. Daarnaast sluiten de verklaringen van [getuige] , [getuige 2] en [getuige 3] inhoudelijk op elkaar aan. De verklaring van [getuige 3] - die evenzeer vanuit zijn eigen gezichtspunt vertelt - vindt voorts ondersteuning in de verklaring van [getuige 4] waar deze verklaart dat [getuige 3] hem op 18 januari 2013 belde en hem vertelde dat hij een vriend had die even moest bijkomen en even onderdak nodig had.30 Ook vinden de verklaringen van de getuigen steun in de door de politie onderzochte telefoongegevens.31 Het hof heeft ook anderszins geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van voornoemde getuigen te twijfelen. De stelling dat de getuigen een doorwaakte nacht met veel cocaïnegebruik achter de rug hadden, acht het hof daarvoor onvoldoende. Het verweer van de verdediging dat de verklaringen onbetrouwbaar zijn, wordt verworpen.

1.3.

Lezing verdachte met betrekking tot de zaak [slachtoffer 2]

Verdachte heeft gedurende zijn verhoren verschillende lezingen gegeven van de feiten. De meest recente versie van de feiten zoals deze zich volgens hem hebben voorgedaan, luidt - samengevat - als volgt.

In maart 2012 is verdachte samen met [medeverdachte] en nog een andere, niet bij naam genoemde persoon naar een kwekerij in de buurt van [plaats 2] gegaan en hebben zij deze kwekerij leeggeroofd. Er zijn toen vijf vuilniszakken weed buitgemaakt. Verdachte heeft vervolgens de weed bij [slachtoffer 1] , bij wie hij toen met zijn toenmalige vriendin in de woning verbleef, verstopt onder het bed. Toen verdachte vervolgens bij [slachtoffer 2] ging wonen, heeft hij twee zakken verplaatst naar de woning van [slachtoffer 2] . In oktober 2012 is verdachte naar [slachtoffer 1] gegaan om te vragen naar de weed, maar de weed was er niet meer. Op 31 december 2012 ging verdachte zijn spullen halen bij [slachtoffer 2] . De twee vuilniszakken met de weed die bij [slachtoffer 2] lagen bleken eveneens spoorloos te zijn. Kort na Nieuwjaar heeft verdachte naar zijn zeggen aan [medeverdachte] verteld wat er gebeurd was. Verdachte werd vervolgens in de nacht van 18 januari 2013 rond 02:30 uur gebeld door [medeverdachte] . [medeverdachte] vertelde verdachte dat er iemand naar hem toe zou komen. Verdachte heeft toen de woning aan de [adres 2] verlaten en is op de fiets naar [locatie 2] gegaan en is daar bij twee jongens, [naam 2] en [naam 3] , in de auto gestapt. Ze bedreigden verdachte met een wapen. De jongens wilden geld zien, of wilden zien waar de weed opgeslagen was. Verdachte heeft toen zowel het huis van [slachtoffer 1] als dat van [slachtoffer 2] aan de mannen aangewezen. Daarna is verdachte afgezet in [locatie 2] en is hij weer naar huis gegaan. Vervolgens werd hij rond 04:30 uur gebeld door voornoemde [naam 2] . Verdachte moest naar de kringloopwinkel op [adres 3] komen. Verdachte is op de fiets naar [adres 3] gegaan. Daar trof hij [slachtoffer 2] op straat liggend aan. [naam 2] en [naam 3] stonden naast haar. Ook daar is verdachte bedreigd met een vuurwapen. Verdachte heeft in de hals van [slachtoffer 2] gevoeld of ze nog hartslag had. Hij voelde niets. Verdachte moest van [naam 2] en [naam 3] het lichaam van [slachtoffer 2] naar haar woning tillen. Dit heeft verdachte naar zijn zeggen vervolgens gedaan. Verder heeft verdachte ook de telefoon van [slachtoffer 2] meegenomen. [medeverdachte] is in 2015 overleden.

Het hof zal allereerst ingaan op de totstandkoming van voornoemde verklaring van verdachte.

Het hof stelt het volgende vast. Verdachte heeft voor het eerst over voornoemd scenario verklaard ter zitting van de rechtbank op 24 april 2014, dus ruim een jaar na zijn aanhouding. Tot die tijd ontkende verdachte enige betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer 2] . Op 3 juni 2014 heeft verdachte bij de politie een nadere verklaring afgelegd. Vervolgens heeft op 15 oktober 2014 naar aanleiding van verdachtes verklaring een reconstructie plaatsgevonden aan [adres 3] en in en om de woning van [slachtoffer 2] . Verdachte heeft ook toen uitgebreid beschreven wat er volgens hem was gebeurd. Ter zitting van de rechtbank op 29 en 30 oktober 2015 heeft verdachte opnieuw verteld wat er was gebeurd en zijn verklaring nogmaals aangevuld. Hij durfde aldus zijn verklaring toen ook pas de naam te noemen van [medeverdachte] die kort tevoren was komen te overlijden tijdens een te [plaats 3] plaatsgevonden ripdeal. In de fase van het hoger beroep is verdachte wederom door de politie aanvullend gehoord, te weten op 16 maart 2017. Naast de verklaringen van verdachte afgelegd bij de politie en ter zitting, bevinden zich in het dossier ook verschillende tap- en OVC-gesprekken tussen onder andere [getuige 2] en verdachte.32 Ook in die gesprekken heeft verdachte verteld over wat zich al dan niet zou hebben afgespeeld.

Het hof concludeert, met de rechtbank, dat verdachte niet alleen zeer wisselend heeft verklaard maar ook zijn in de loop der tijd afgelegde verklaring met betrekking tot het scenario, telkens heeft aangepast aan de feiten die hem op dat moment bij de toenmalige stand van het onderzoek bekend waren. Daarnaast spreekt verdachte zichzelf tegen en komen zijn verklaringen niet overeen met wat getuigen verklaren.

Als voorbeeld van zijn steeds wisselde verklaringen noemt het hof de verschillende verklaringen die verdachte heeft afgelegd met betrekking tot de telefoon van [slachtoffer 2] . Zo heeft verdachte tijdens zijn verhoor bij de politie op 20 januari 2013 over die telefoon verklaard dat hij deze niet had.33 Daarna heeft hij op 8 maart 2013 tegenover [getuige 2] (in een OVC-gesprek) verklaard dat hij de telefoon had gekocht in het plantsoen.34 Vervolgens heeft verdachte ter zitting van de rechtbank van 24 april 2014 verklaard dat hij de telefoon zelf uit de zak van [slachtoffer 2] heeft gepakt en in zijn zak heeft gestopt35, maar heeft hij ter zitting van de rechtbank van 29 oktober 2015 verklaard dat één van de personen die bij het lichaam van [slachtoffer 2] stond de telefoon in de zak van verdachte heeft gestopt.36 Uit verschillende zich in het dossier bevindende tap- en OVC-gesprekken tussen onder andere [getuige 2] en verdachte wordt ook duidelijk dat verdachte de inhoud van zijn verklaringen over het bezit van die telefoon van [slachtoffer 2] concreet wijzigt en kennelijk bewust aanpast naar gelang de elkaar opvolgende resultaten van het opsporingsonderzoek.

Ook in hoger beroep heeft verdachte zijn verklaring nog gewijzigd, dan wel aangevuld. Zo heeft verdachte pas voor het eerst ter zitting van het hof van 24 en 25 april 2018 verklaard dat hij voordat hij de woningen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft aangewezen, met [naam 2] en [naam 3] naar de [adres 2] is gereden om te laten zien waar hij zelf woonde.

De rechtbank heeft in haar vonnis het volgende overwogen:

"Op grond van dit door verdachte geschetste scenario heeft er op 15 oktober 2014 een reconstructie plaatsgevonden. De beelden van deze reconstructie zijn op de terechtzitting van 29 oktober 2015 getoond. Op basis van deze reconstructie concludeert de rechtbank dat het niet mogelijk is dat verdachte mevrouw [slachtoffer 2] naar haar woning heeft getild. Uit de beelden blijkt duidelijk dat verdachte niet in staat was om dit te doen. Dat hij op het moment van de reconstructie griep zou hebben gehad, en daardoor niet in staat was om de persoon die tijdens de reconstructie de rol van mevrouw [slachtoffer 2] op zich had genomen op te tillen, acht de rechtbank ongeloofwaardig, te meer nu verdachte zich destijds niet door een arts heeft willen laten onderzoeken. 37

Voorts past het scenario van verdachte - het tillen/verslepen van mevrouw [slachtoffer 2] - niet bij het gegeven dat op de pantysokjes die mevrouw [slachtoffer 2] op 18 januari 2013 droeg, geen noemenswaardige beschadigingen of slijtplekken zijn aangetroffen. 38 Daarnaast had mevrouw [slachtoffer 2] volgens meerdere getuigen altijd haar bril op en ging ze nooit weg zonder rollator. 39 Mevrouw [slachtoffer 2] had echter toen zij in haar woning werd aangetroffen geen bril op. De bril lag op het dressoir in de woonkamer. 40 De rollator is aangetroffen in de gang van de woning van mevrouw [slachtoffer 2] , […]. Ook deze gegevens zijn strijdig met het scenario van verdachte."

Het hof verenigt zich met de hierboven weergegeven overwegingen van de rechtbank en neemt deze over. Het hof voegt daar nog aan toe dat het hof het ook zeer onwaarschijnlijk acht dat [naam 2] en [naam 3] op zijn minst genomen een half uur41 zouden hebben staan wachten op verdachte die het op de openbare weg liggende lichaam van [slachtoffer 2] zou moeten verslepen. Verdachte heeft voorts de identiteit van zowel [naam 2] als [naam 3] op geen enkele wijze nader geconcretiseerd, zodat de door hem gestelde betrokkenheid van deze heren volledig is onttrokken aan nader opsporingsonderzoek.

Op grond van het vorenstaande acht het hof, net als de rechtbank, het scenario van verdachte, dat op geen enkele manier verifieerbaar is, ongeloofwaardig.

Het hof zal de verklaringen van verdachte daarom voor wat betreft zijn beschrijving van de loop der gebeurtenissen als ongeloofwaardig ter zijde stellen. Wel acht het hof een aantal onderdelen bruikbaar voor het bewijs. Dit betreffen de verklaring van verdachte dat hij de ochtend van 18 januari 2013 de telefoon van [slachtoffer 2] in zijn bezit had en daarmee heeft gebeld en ge-sms't, dat hij [getuige 2] die dag een sms-bericht heeft gestuurd met daarin de mededeling dat hij echt in de shit zat en dat hij in de loop van de ochtend contact heeft gehad met [getuige 2] met de telefoon van [slachtoffer 2] omdat hij aan iemand kwijt wilde wat er was gebeurd. Voor deze onderdelen van de verklaringen van verdachte is namelijk steun te vinden in ander betrouwbaar technisch bewijs en getuigenverklaringen.

Het hof constateert dat behoudens de verklaring van verdachte zelf, het strafdossier geen aanknopingspunten bevat voor betrokkenheid van een ander dan verdachte bij de dood van [slachtoffer 2] .

Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen, alsmede de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen, en al hetgeen hiervoor is overwogen is het hof, met de rechtbank en de advocaat-generaal, van oordeel dat het verdachte is geweest die [slachtoffer 2] om het leven heeft gebracht.

1.4.

Opzet op de dood van [slachtoffer 2]

De verdediging heeft (subsidiair) aangevoerd dat verdachte geen opzet op de dood van [slachtoffer 2] heeft gehad.

Het hof overweegt als volgt. Uit het sectierapport volgt dat [slachtoffer 2] om het leven is gebracht door omsnoerend, samendrukkend en/of comprimerend geweld op de hals. Dit kan zijn ontstaan door onder andere wurghandelingen en strangulatie maar ook stompen, slaan of schoppen op de hals kunnen volgens de deskundige worden overwogen. Door dit geweld zijn breuken ontstaan van het schildkraakbeen rechts, het tongbeen rechts en het linker bovenste hoorntje van het strottenhoofd. Daarnaast had [slachtoffer 2] steekverwondingen aan de hals. Het is mogelijk dat bloedverlies door deze steekverwondingen aan het overlijden heeft bijgedragen. [slachtoffer 2] had afweerletsel aan haar handen en vingers.

Het hof concludeert uit het voorgaande dat verdachte fors meersoortig en massaal geweld moet hebben uitgeoefend jegens [slachtoffer 2] . Niet alleen heeft hij [slachtoffer 2] gewurgd dan wel gestompt, geslagen of geschopt tegen de hals, maar haar ook met een scherp voorwerp in de hals gestoken. Deze aan verdachte toe te rekenen geweldsuitoefening is naar haar uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op de dood van [slachtoffer 2] dat het hof bewezen acht dat verdachte willens en wetens heeft gehandeld.

1.5.

Vrijspraak van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde (moord op [slachtoffer 2] respectievelijk gekwalificeerde doodslag ten aanzien van haar) maar wel bewezenverklaring van het onder 2 meer subsidiair tenlastegelegde (doodslag op [slachtoffer 2] )

Primair is aan verdachte ten laste gelegd dat hij [slachtoffer 2] met voorbedachte rade om het leven heeft gebracht.

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte rade' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte rade gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte rade pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.42

De verklaringen van de verdachte hebben, nu hij ontkent [slachtoffer 2] van het leven te hebben beroofd, geen inzicht gegeven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in hem is omgegaan. Voorts kan ook overigens uit het dossier niet worden opgemaakt op welk moment verdachte het besluit om [slachtoffer 2] van het leven te beroven, heeft genomen of wat het tijdsverloop is dat met die besluitvorming gemoeid is geweest. Gelet op het voorgaande acht het hof niet wettig bewezen dat verdachte tevoren daadwerkelijk het plan had opgevat om [slachtoffer 2] van het leven te beroven. Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van de aan hem onder 2 primair tenlastegelegde moord op [slachtoffer 2] .

Aan verdachte is onder 2 subsidiair ten laste gelegd, kort gezegd, de gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 2] .

De verdediging heeft hiervan de vrijspraak bepleit nu verdachte niet het daarvoor vereiste oogmerk had. Ook de advocaat-generaal concludeert tot vrijspraak van zo’n onder strafverzwarende omstandigheden gepleegde doodslag als bedoeld in artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht.

De kern van deze strafbaarstelling is materieel strafrechtelijk gezien dat de doodslag in een onmiddellijk verband staat (connexiteit) met een ander strafbaar feit, zowel in causaal opzicht als wat het tijdstip van het zich voordoen van de feiten betreft: het andere feit moet de doodslag zo vergezellen of van nabij volgen of voorafgaan dat het geacht kan worden er één geheel van uit te maken met als nadere beperking van de reikwijdte van de strafbaarstelling het specifiek (bijkomende) oogmerk van verdachte dat de doodslag is gericht op het voorbereiden, gemakkelijk maken van of - kort gezegd - straffeloosheid verzekeren voor dat andere feit.

Naar het oordeel van het hof bevat het strafdossier ten aanzien van de doodslag op [slachtoffer 2] onvoldoende aanknopingspunten om tot een wettig en overtuigende bewezenverklaring te komen van de tenlastegelegde strafverzwarende vorm van doodslag. Het hof zal verdachte daarom ook vrijspreken van de aan hem onder 2 subsidiair tenlastegelegde gekwalificeerde doodslag.

Wel acht het hof toereikend wettig en overtuigend bewijs voorhanden voor een bewezenverklaring van de onder 2 meer subsidiair tenlastegelegde doodslag op [slachtoffer 2] .

2 Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde (de zaak [slachtoffer 1] )

2.1.

Feiten en omstandigheden

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting gaat het hof uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Op diezelfde - eerder al genoemde - vrijdag 18 januari 2013, werd omstreeks 21:20 uur gemeld dat er rook kwam uit de woning aan de [adres 4] te Groningen.43 Brandweerlieden hebben bij de bluswerkzaamheden het deels verbrande lichaam van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) in de woning aangetroffen.44 Om het hoofd van [slachtoffer 1] zat een deels door de brand gesmolten plastic tas van supermarkt Albert Heijn. In zijn mond zat een theedoek gepropt waarvan een deel rondom de hals van [slachtoffer 1] zat. Om de stof rond zijn hals zat een nylon koord dat zeer strak om de hals was aangebracht. Het nylon koord liep van de halsstreek naar de linkerarm. Om de rechterenkel zat ook nylon touw.45

Bij de sectie door het NFI op het lichaam van [slachtoffer 1] is gebleken dat de theedoek in de mondholte de doorgang van de mond/keelholte afsloot. Er waren veel letsels in het hoofdhals gebied. In de schedelhuid, in het gezicht en in de beide oorschelpen zaten bloeduitstortingen die het gevolg waren van meermalen bij leven opgelopen uitwendig inwerkend mechanisch stomp geweld (slaan/stompen/schoppen) op het hoofd en het gezicht. Er waren breuken van het tongbeen, het strottenhoofd en de bovenste ring van de luchtpijp ontstaan als gevolg van bij leven opgelopen zeer heftig samendrukkend en/of omsnoerend en/of comprimerend geweld (wurghandelingen, strangulatie, schoppen en/of stompen) op de hals en de mondbodem. Er was zeer veel begeleidende bloeduitstorting in zowel de weke delen van de hals en de mondbodem als in de slijmvliezen van de mond en keelholte en in de schildklier. Aan beide zijden waren meerdere ribben gebroken en het borstbeen was gebroken, als gevolg van door bij leven opgelopen heftig botsend geweld op de romp. Het is mogelijk dat fragmentatie van de romp door thermisch geweld aan het optreden van de bij sectie waargenomen ribbreuken heeft bijgedragen. Het overlijden wordt zonder meer verklaard door verstikking als gevolg van het geweld op de hals. Niet is uit te sluiten dat het afsluiten van de mond/keelholte door de daarin gepropte theedoek en het afsluiten van de luchtwegen door een om het hoofd dichtgeknoopte plastic tas, indien deze daar bij leven zijn aangebracht, aan de verstikkingverschijnselen en daarmee aan het overlijden hebben bijgedragen.46

De politie heeft de uren voorafgaand aan de dood van [slachtoffer 1] gereconstrueerd aan de hand van getuigenverklaringen en ander bewijs. Gebleken is dat [slachtoffer 1] die vrijdag rond 15:45 uur café [café 1] aan de [straat 1] te [plaats 1] binnenkwam. Hij vroeg aan de daar aanwezige getuige [getuige 5] waar je een rollade in moest bakken. Zij vertelde hem dat hij die beter in boter in plaats van olie kon bakken. [slachtoffer 1] vertelde dat hij dan even langs de Albert Heijn zou gaan. Toen hij het café verliet heeft ze hem twee kranten van vrijdag 18 januari 2013 meegegeven. Dit betrof het 'Dagblad van het Noorden' en de 'Telegraaf'.47 Omstreeks 17:16 uur kocht [slachtoffer 1] bij de Hema aan de [straat 1] in [plaats 1] een flacon vloeibaar wasmiddel.48 [slachtoffer 1] is vervolgens naar de Albert Heijn aan [adres 5] gegaan. Hij kocht daar, aldus het aankoopbewijs van Albert Heijn, melk van Albert Heijn, Zaanse snijder49, bamischijven, twee pakjes Blue Band, Albert Heijn roerbakgroente, een loempia en ES bier.50 Omstreeks 17:43 uur verliet hij de Albert Heijn. Hij had een rode plastic C1000 boodschappentas bij zich.51 Omstreeks 18:00 uur kwam [slachtoffer 1] café [café 2] binnen. Nadat hij zijn borrel betaald had, ging hij naar huis.52 Hij verliet café [café 2] tussen 18:15 uur en 18:30 uur.53

Verdachte - die inmiddels al was aangehouden - kwam ook in deze zaak al vrij snel als mogelijke dader in beeld. Bij zijn aanhouding op 18 januari 2013 - die hierboven onder 1.1. al is beschreven - is de laptop van [slachtoffer 1] bij verdachte aangetroffen.54 Verdachte heeft erkend dat hij die bewuste dag in de woning van [slachtoffer 1] is geweest en dat hij de laptop en een telefoon van [slachtoffer 1] heeft meegenomen. Hij heeft in de woning zijn beltegoed opgewaardeerd.55 Deze laptop werd om 18:38 uur niet op de juiste wijze afgesloten, zo blijkt uit technisch onderzoek.56

Verdachte had bij zijn aanhouding om 21:00 uur aan de [adres 2] twee plastic tassen met boodschappen bij zich, een oranje tas van de Blokker en een rode tas van de C1000. In de zak van de Blokker zat onder andere een half bevroren varkensrollade van Albert Heijn, met als uiterste houdbaarheidsdatum 19 januari 201357, en een aangebroken doos met daarin vier frikandellen. De artikelen waren vochtig, wat erop zou kunnen duiden dat de artikelen uit een vriezer kwamen. In het vriesvak van de koelkast van [slachtoffer 1] werd een losse niet verpakte frikandel aangetroffen. In de C1000 zak zaten twee pakjes Blue Band, een fles wasverzachter van Hema, met de aankoopbon d.d. 18 januari 2013 te 17:16 uur, een blik bier van Euroshopper, een pak melk van Albert Heijn, een krant 'Dagblad van het Noorden' van vrijdag 18 januari 2013, een krant 'Telegraaf' van vrijdag 18 januari 2013, een loempia, een half volkoren brood van Albert Heijn en Chinese roerbakgroente van Albert Heijn.58 Het hof stelt vast dat deze goederen exact overeenkomen met die waarover [slachtoffer 1] in de namiddag van 18 januari 2013 de beschikking had gekregen. In de woning van [slachtoffer 1] werden voornamelijk levensmiddelen van 'Euroshopper' en 'Albert Heijn' aangetroffen. In de bij verdachte aangetroffen C1000 tas bevonden zich ook nog tien aangebroken potjes specerijen waaronder o.a. zout. Uit onderzoek van de politie in de woning van [slachtoffer 1] komt naar voren dat er in het keukenkastje allerlei potjes kruiden en specerijen bleken te ontbreken.59

Op de trappers van de fiets waar verdachte die dag - vrijdag 18 januari 2013 - op reed, is bloed aangetroffen. Uit onderzoek door het NFI is gebleken dat het bloed afkomstig kan zijn van [slachtoffer 1] , waarbij de matchkans kleiner is dan één op één miljard.60 De kleding die verdachte droeg bij zijn aanhouding is onderzocht op DNA-sporen.61 Op de schoenen, de jas en de joggingbroek van verdachte is eveneens bloed aangetroffen. De bemonsterde sporen bevatten celmateriaal dat afkomstig kan zijn van [slachtoffer 1] , met eveneens een matchkans die kleiner is dan één op één miljard.62 Het hof gaat er op basis van deze resultaten vanuit dat de trappers van de fiets waar verdachte die dag gebruik van maakte, alsmede op verdachtes schoenen, jas en joggingbroek bloed van [slachtoffer 1] zat.

Uit onderzoek is voorts gebleken dat er tussen 18:38 uur en 19:45 uur geen enkele activiteit op de gsm van verdachte of op de gsm, vaste lijn of laptop van [slachtoffer 1] is geweest, wat opvallend is omdat verdachte in de periode daarvoor en daarna (veelvuldig) telefonisch contact heeft gehad met diverse personen en/of actief was op internet op de laptop van [slachtoffer 1] .63

Concluderend overweegt het hof dat:

  • -

    [slachtoffer 1] op 18 januari 2013 tussen 18:15 uur en 21:20 uur door geweld om het leven is gebracht;

  • -

    verdachte die dag in de woning van [slachtoffer 1] is geweest;

  • -

    verdachte op 18 januari 2013 in het bezit was van de laptop en telefoon van [slachtoffer 1] die hij uit de woning van [slachtoffer 1] heeft meegenomen;

  • -

    verdachte bij zijn aanhouding boodschappen bij zich had die overeenkwamen met de boodschappen die [slachtoffer 1] die dag tussen 17:00 en 18:00 uur had gekocht en boodschappen die qua merk en soort overeenkwamen met producten die in de woning van [slachtoffer 1] zijn aangetroffen, net zoals een tweetal dagbladen die bij verdachte werden aangetroffen gelijk aan de dagbladen die [slachtoffer 1] die dag van een bekende had gekregen;

  • -

    op de trappers van de fiets waar verdachte die dag gebruik van maakte bloed van [slachtoffer 1] zat;

  • -

    op de schoenen, de jas en de joggingsbroek van verdachte bloed van [slachtoffer 1] zat;

  • -

    er op 18 januari 2013 tussen 18:38 uur tot 19:45 uur geen enkele activiteit is geweest op de gsm van verdachte of op de gsm, vaste lijn of laptop van [slachtoffer 1] .

2.2.

Getuigenverklaringen en betrouwbaarheid getuigen

Voornoemde getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij verdachte de middag van 18 januari 2013 tussen 17:00 en 18:00 uur heeft gebeld. Verdachte zei toen dat hij allemaal boodschappen had, waaronder rollade.64

[getuige 6] (hierna: [getuige 6] ) heeft verklaard dat verdachte hem vrijdag 18 januari 2013 heeft gebeld voor een bestelling van cocaïne. [getuige 6] heeft verdachte voor het laatst gezien op de rotonde vlakbij [bedrijf] .65 Uit onderzoek blijkt dat verdachte van 15:08 uur tot 15:30 uur aan de [straat 2] is geweest in het pand van [bedrijf] bij een zekere [naam 4] voor bemiddeling bij de huur van een kamer.66 Volgens [getuige 6] heeft hij de bestelde cocaïne aan verdachte afgeleverd ergens tussen 13:00 en 15:00 uur. Dit was een bestelling op de pof. Verdachte zou hem rond 18:00 uur die dag betalen door middel van beltegoed. Verdachte heeft hem verteld dat hij nog geld te goed had van mensen en dat hij zou zorgen dat [getuige 6] zijn geld kreeg.67

[getuige 3] heeft verklaard dat verdachte hem die vrijdag rond 07:00 uur belde. Verdachte zei tegen hem dat hij eten ging scoren. [getuige 3] heeft verder verklaard dat verdachte hem omstreeks 19:00 uur68 weer belde en hem vertelde dat hij eten had gehaald, hij had een rollade.69 " [verdachte] wilde aan [getuige 2] laten zien dat hij ook voor boodschappen kon zorgen", aldus [getuige 3] .70

Door de verdediging is betoogd dat voornoemde getuigenverklaringen onbetrouwbaar zijn.

Het hof acht de verklaringen van [getuige 2] , [getuige 6] en [getuige 3] wel betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Voor wat betreft de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] wordt verwezen naar hetgeen het hof onder de zaak [slachtoffer 2] onder 1.2. met betrekking tot de betrouwbaarheid van hun verklaringen heeft overwogen.

De verklaring van [getuige 6] wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 7] (hof: ook bekend als ‘ [getuige 7] ’) waar deze verklaart dat [getuige 6] op vrijdag 18 januari 2013 zijn telefoon had en verdachte die dag voor twee tientjes heeft gepoft bij [getuige 6] en dat met beltegoed zou terugbetalen.71 Bovendien wordt de aanwezigheid van verdachte in de middag rondom het tijdstip van levering van de drugs in de directe omgeving van [bedrijf] bevestigd door camerabeelden. Voorts blijkt uit onderzoek dat verdachte om 15:12 uur is gebeld door [getuige 6] , met de telefoon van [getuige 7] , en dat verdachte zich toen op de [straat 2] bevond.72 Dit alles past in de door [getuige 6] afgelegde verklaring en ondersteunt zijn verklaring. Het hof heeft ook voorts geen reden om aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring te twijfelen. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

2.3.

Lezing verdachte met betrekking tot de zaak [slachtoffer 1]

Verdachte ontkent dat hij [slachtoffer 1] om het leven heeft gebracht. Zoals hierboven weergegeven, betwist verdachte niet dat hij op 18 januari 2013 in de woning van [slachtoffer 1] is geweest.

Volgens verdachte luiden de feiten als volgt.

Verdachte heeft een tijd voor de woning van [slachtoffer 1] gewacht aan de [adres 4] en is toen via de achterdeur, die niet afgesloten was, naar binnengegaan. In de woning heeft hij zijn beltegoed opgewaardeerd. Hij is nog even naar de Coendersweg geweest en kwam toen een jongen tegen die hem een tas met boodschappen heeft verkocht voor € 10,- en een bolletje. Hij ging weer terug naar de woning van [slachtoffer 1] om te kijken of het beltegoed inmiddels was opgewaardeerd. Het is goed mogelijk dat het iets later dan 18:00 uur was dat hij de woning van [slachtoffer 1] verliet. Hij heeft uit de woning een laptop en een telefoon meegenomen. Hij is [slachtoffer 1] vervolgens op straat tegengekomen, waarna er op straat een vechtpartij tussen hen heeft plaatsgevonden. Hij heeft daarbij [slachtoffer 1] geschopt en geslagen. Daarna heeft hij zijn spullen gepakt en daarbij per ongeluk ook de tas met boodschappen van [slachtoffer 1] meegenomen. Toen verdachte wegging, was [slachtoffer 1] - zo stelt verdachte - nog in leven.

Het hof concludeert, met de rechtbank en zoals hiervoor ook al is overwogen met betrekking tot de doodslag op [slachtoffer 2] , dat verdachte in de loop van het strafproces zijn verklaringen telkens heeft aangevuld, veranderd en meerdere tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, die veelal ook strijdig blijken met de bewijsmiddelen. Verdachte heeft zijn verklaringen telkens zodanig aangepast dat deze verenigbaar waren met de feiten die hem op dat moment bij de dan bestaande stand van het onderzoek bekend waren. Dat verdachte dat heeft gedaan, blijkt ter illustratie ook uit het OVC-gesprek tussen verdachte en [getuige 2] op 29 april 2013. Verdachte zegt: "Nou en als ik dat wel moet doen (het hof begrijpt: het afleggen van een verklaring) dan zal het een verklaring worden dat ik hem geslagen, geschopt en dat ik weg ben gegaan en dat ie nog in leven was" (cursivering hof).73

Het hof neemt de volgende overwegingen van de rechtbank over:

"Een voorbeeld van verdachtes wisselende verklaringen is te vinden in de verklaringen die verdachte heeft afgelegd over de boodschappen die hij in zijn bezit had. Verdachte heeft hierover bij zijn aanhouding gezegd dat hij deze van zijn vader had gekregen. 74 Toen zijn vader dat weerlegde 75 verklaarde verdachte dat hij de boodschappen van ene [naam 6] had gekocht. Verdachte herkende van een foto [naam 6] . 76 Nadat bleek dat [naam 6] op 18 januari 2013 vast zat, ontkende verdachte dat het om [naam 6] ging. De boodschappen waren nu van een andere [naam 6] afkomstig. 77 Tijdens de eerste inhoudelijke behandeling bracht verdachte voor het eerst te berde dat een deel van de boodschappen wel degelijk afkomstig was van [slachtoffer 1] . Een ander voorbeeld is het volgende. Over het bloed dat op verdachtes kleding is aangetroffen verklaart verdachte bij zijn aanhouding dat dit komt doordat zijn hand op de [adres 2] tussen de deur is gekomen. 78 Bij de politie verklaart verdachte vervolgens dat dit bloed op zijn kleding terecht is gekomen tijdens een vechtpartij met een man in [locatie 2] . 79 Later, nadat verdachte is geconfronteerd met het feit dat er bloed van [slachtoffer 1] op zijn kleding is aangetroffen, verklaart verdachte dat hij met [slachtoffer 1] heeft gevochten in [locatie 2] en zijn telefoon heeft meegenomen. 80 Dit blijkt strijdig met de telecomgegevens. 81 Op de zitting van 29 oktober 2015 heeft verdachte deze verklaring over het vechten in [locatie 2] weer ingetrokken. 82

Tevens heeft verdachte onder meer op de zitting van 29 oktober 2015 verklaard dat hij [slachtoffer 1] op 18 januari 2013 op straat is tegengekomen, dat hij daar met [slachtoffer 1] heeft gevochten en dat hij na het gevecht meteen is weggegaan. De rechtbank constateert dat dit strijdig is met de onderzoekresultaten van het NFI betreffende de bloedstolsels van [slachtoffer 1] die op de rechterschoen van verdachte zijn aangetroffen. Volgens het NFI betreft dit namelijk gestolde bloedstolsels die pas na enige tijd nadat het bloed uit het lichaam is getreden op de schoen zijn terechtgekomen. Het is, gelet op deze resultaten, dan ook niet aannemelijk dat verdachte [slachtoffer 1] meteen na de vechtpartij heeft verlaten.

Ook verklaarde verdachte op de terechtzitting van 24 april 2014 in eerste instantie dat hij de woning van [slachtoffer 1] op 18 januari 2013 rond een uurtje of 6 's avonds heeft verlaten. Later, als hem wordt voorgehouden dat zijn verklaring niet strookt met de telecomgegevens, verklaart hij op de zitting van 29 oktober 2015, dat hij de woning pas heeft verlaten nadat het opwaarderen van de telefoon klaar was (18:38 uur)."

Op grond van het vorenstaande acht het hof, net als de rechtbank, de verklaringen van verdachte ongeloofwaardig. Het hof zal de verklaringen van verdachte daarom ter zijde stellen. Wel acht het hof bruikbaar voor het bewijs de verklaring van verdachte dat hij op 18 januari 2013 in de woning van [slachtoffer 1] is geweest, daar ter plaatse tot circa half zeven zijn beltegoed heeft opgewaardeerd, dat hij die dag op de fiets van [getuige] heeft gefietst en dat het kan kloppen dat op de trappers van die fiets bloed van [slachtoffer 1] is aangetroffen en dat hij de laptop, een telefoon en een tas met boodschappen van [slachtoffer 1] heeft meegenomen. Voor deze verklaringen van verdachte is steun te vinden in ander betrouwbaar technisch bewijs en betrouwbaar bevonden getuigenverklaringen.

De verdediging heeft het verweer gevoerd dat er wel bloed van [slachtoffer 1] op de trappers van de fiets, waarop verdachte heeft gefietst, is aangetroffen, maar geen bloedvoetsporen van verdachte in de woning van [slachtoffer 1] zijn gevonden, hetgeen het scenario van verdachte zou ondersteunen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat dit geenszins strijdig is met het door het openbaar ministerie geschetste scenario, nu het bloed dat op de trappers is aangetroffen slechts een geringe hoeveelheid bloed betrof. Immers, de politie zag bij het onderzoeken van de fiets geen bloed.83 Pas bij een Tetrabase test werd het duidelijk dat er bloed op de trappers zat.84 Voorts is het zeer wel denkbaar dat de eventueel in de woning aanwezige voetsporen van verdachte zijn gewist door de bluswerkzaamheden van de brandweer.

Het hof constateert, dat behoudens de verklaring van verdachte zelf, het strafdossier geen aanknopingspunten bevat voor betrokkenheid van een ander dan verdachte bij de dood van [slachtoffer 1] .

Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen, alsmede de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen, en al hetgeen hiervoor met betrekking tot de zaak [slachtoffer 1] is overwogen is het hof, met de rechtbank en de advocaat-generaal, van oordeel dat het verdachte is geweest die [slachtoffer 1] om het leven heeft gebracht.

2.4.

Vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde (moord op [slachtoffer 1] )

Primair is aan verdachte ten laste gelegd dat hij [slachtoffer 1] met voorbedachte rade om het leven heeft gebracht.

De advocaat-generaal heeft betoogd dat wettig en overtuigend te bewijzen is dat verdachte [slachtoffer 1] met voorbedachte rade om het leven heeft gebracht en dat aldus sprake is van moord. De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

Het hof verwijst voor het beoordelingskader van 'voorbedachte rade' naar de overwegingen, zoals deze hierboven onder 1.5. in de zaak [slachtoffer 2] staan weergegeven.

De verklaringen van de verdachte hebben, nu hij ontkent [slachtoffer 1] van het leven te hebben beroofd, geen inzicht gegeven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in hem is omgegaan. Voorts kan ook overigens uit het dossier niet worden opgemaakt op welk moment verdachte het besluit om [slachtoffer 1] van het leven te beroven heeft genomen of wat het tijdsverloop is dat met die besluitvorming gemoeid is geweest. Gelet op het voorgaande acht het hof niet wettig bewezen dat verdachte tevoren daadwerkelijk het plan had opgevat om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van de aan hem onder 1 primair tenlastegelegde moord op [slachtoffer 1] .

2.5.

Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde (gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 1] )

Aan verdachte is onder 1 subsidiair ten laste gelegd, kort gezegd, de gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 1] .

Door de verdediging is betwist dat sprake is van gekwalificeerde doodslag nu de verdachte niet het daarvoor vereiste oogmerk had.

Het hof oordeelt anders en overweegt daartoe als volgt.

Uit de getuigenverklaringen van [getuige 2] , [getuige] en [getuige 3] komt naar voren dat er in de aanloop naar de gebeurtenissen op 18 januari 2013 ruzie was over boodschappen en geld. Zo heeft [getuige] verklaard: "Boodschappen en eten was één van de grootste struikelblokken. Op een gegeven moment begon [verdachte] ook rond te bazuinen dat hij geen eten kreeg en zo. Hier hadden wij ruzie over. Op een gegeven moment zorgde ik ervoor dat er niets meer in huis was. Red jezelf maar. Elke keer was ik de enige die aan die boodschappen dacht. De rest dacht alleen aan drugs."85 [getuige] heeft in de nacht van donderdag 17 januari 2013 op vrijdag 18 januari 2013 tegen verdachte gezegd dat hij de woning aan de [adres 2] uit moest.86 Tegen [getuige 3] heeft verdachte in de ochtend van 18 januari 2013 gezegd dat hij eten ging scoren en in de avond vertelde verdachte hem dat hij eten had gehaald. Hij had die boodschappen voor [getuige 2] gehaald. Hij wilde laten zien dat hij ook voor boodschappen kon zorgen. Verdachtes drugsdealer, [getuige 6] , heeft verdachte in de loop van de middag op de pof drugs geleverd. Verdachte moest hem rond 18:00 uur die dag terugbetalen met beltegoed.

Verdachte heeft voordat hij [slachtoffer 1] om het leven bracht in diens woning beltegoed op kosten van [slachtoffer 1] opgewaardeerd. Daarnaast heeft verdachte een telefoon en de laptop van [slachtoffer 1] uit de woning meegenomen.87 Verder had verdachte niet alleen de levensmiddelen bij zich die [slachtoffer 1] die middag had gekocht, maar ook levensmiddelen waarvan het hof aanneemt dat die afkomstig waren uit de woning van [slachtoffer 1] . Verdachte heeft immers rond 17:00 uur tegen [getuige 2] gezegd dat hij allemaal boodschappen had, waaronder een rollade.88 Het hof acht eveneens aannemelijk, gelet op de omstandigheid dat [slachtoffer 1] van plan was een rollade te gaan bereiden in combinatie met de uiterste houdbaarheidsdatum van de rollade, te weten 19 januari 201389, en de half bevroren staat van de rollade, dat deze rollade uit de woning van [slachtoffer 1] afkomstig was. Het hof acht aan de hand van de bewijsmiddelen eveneens aannemelijk geworden dat ook andere levensmiddelen die verdachte bij zich had bij zijn aanhouding, zoals de aangebroken potjes specerijen, afkomstig zijn uit de woning van [slachtoffer 1] . Het hof stelt voorts, op basis van het tijdstip van voornoemd telefoongesprek (tussen 17:00 en 18:00 uur) met [getuige 2] , vast dat verdachte nog vóórdat [slachtoffer 1] thuiskwam (naar schatting rond 18:30 uur) al de beschikking had over die goederen en dat hij zich die goederen al had toegeëigend. Dat diefstal het doel van verdachte was, blijkt ook uit het feit dat hij zijn beltegoed ten laste van de bankrekening van [slachtoffer 1] aan het opwaarderen was, terwijl hij even daarvoor drugs bij [getuige 6] op de pof had gekocht en die drugs voor het einde van die middag nog moest betalen met beltegoed. Daarnaast blijkt deze doelgerichtheid uit de hiervoor genoemde verklaringen van [getuige] , [getuige 2] en [getuige 3] : er was ruzie geweest over het feit dat verdachte geen boodschappen deed en verdachte ging ook daadwerkelijk op pad om 'eten te scoren' om aan te tonen dat ook hij voor boodschappen kon zorgen.

Het hof gaat er verder vanuit dat [slachtoffer 1] rond 18:38 uur thuiskwam en dat hij verdachte in de woning heeft betrapt. Uit het strafdossier kan worden opgemaakt dat in de keuken een worsteling heeft plaatsgevonden tussen [slachtoffer 1] en verdachte. Zo was de magnetron verschoven en lag het kunstgebit van [slachtoffer 1] op de grond.90 [slachtoffer 1] is door verdachte meermalen - in ieder geval - op het hoofd en in het gezicht geslagen of gestompt. Verdachte heeft op enig moment [slachtoffer 1] ' armen en enkels vastgebonden. Hij heeft een theedoek in [slachtoffer 1] ' mond gestopt en een gedeelte van de theedoek om [slachtoffer 1] ' hals geknoopt. Verdachte heeft een plastic zak om het hoofd van [slachtoffer 1] gedaan en een nylon koord om zijn hals geknoopt. Verdachte heeft [slachtoffer 1] vervolgens gewurgd dan wel geschopt of gestompt tegen de hals waardoor het tongbeen, het strottenhoofd en de bovenste ring van de luchtpijp van [slachtoffer 1] waren gebroken. [slachtoffer 1] is uiteindelijk door verstikking om het leven gekomen. Verdachte heeft aldus fors geweld jegens [slachtoffer 1] gebruikt. Hij heeft vervolgens het lichaam van [slachtoffer 1] in brand gestoken.

De aan verdachte toe te rekenen massale geweldsuitoefening is naar haar uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op de dood van [slachtoffer 1] dat het hof bewezen acht dat verdachte willens en wetens heeft gehandeld.

Met betrekking tot de vraag of de bewezenverklaarde doodslag onder de strafverzwarende omstandigheden heeft plaatsgevonden, als bedoeld in artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht, overweegt het hof als volgt.

Zoals hierboven onder 1.5. beschreven bestaat de kern van deze strafbaarstelling uit een doodslag die in een onmiddellijk verband staat met een ander strafbaar feit, zowel in causaal opzicht als wat het tijdstip van het zich voordoen van de feiten betreft: het andere feit (ook wel aangeduid als oorsprongsfeit) moet de doodslag in zo’n mate vergezellen of van nabij volgen of daaraan voorafgaan dat het geacht kan worden er één geheel van uit te maken met als nadere beperking van de reikwijdte van de strafbaarstelling het (bijkomende) oogmerk van verdachte dat de doodslag is gericht op het voorbereiden, gemakkelijk maken van - of kort gezegd straffeloosheid verzekeren voor - dat andere (oorsprongs-)feit.

Verdachtes handelingen die middag met betrekking tot het beltegoed en de meegenomen laptop, een telefoon, etenswaren en boodschappen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm van meet af gaan gericht geweest op het opzettelijk en wederrechtelijk verkrijgen van die goederen. Verdachte heeft immers op kosten van [slachtoffer 1] zich beltegoed toegeëigend, etenswaren die bij [slachtoffer 1] thuis waren, de laptop en een telefoon, maar ook de boodschappen die [slachtoffer 1] in de namiddag had gedaan, meegenomen. Hij is in de middag naar de woning van [slachtoffer 1] gegaan en heeft zich daarin opgehouden terwijl [slachtoffer 1] zelf in cafés en winkels was en derhalve niet thuis was. Het hof kan aan het handelen van verdachte geen andere conclusie verbinden dan dat verdachte met het doden van [slachtoffer 1] - die na zijn laatste cafébezoek aan het begin van de avond in het bezit van de boodschappen moet zijn thuisgekomen - het voor strafbaarheid van gekwalificeerde doodslag benodigde oogmerk heeft gehad de diefstal gemakkelijk te maken dan wel zich van het bezit van voornoemde spullen te verzekeren. Het hof acht op grond van het handelen van verdachte zoals dat hiervoor is beschreven, de onder 1 subsidiair tenlastegelegde gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 1] dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-850046-13 onder 1 subsidiair en 2 subsidiair en in de zaak met parketnummer 18-232368-12 onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Zaak met parketnummer 18-850046-13:

1. subsidiair:
hij op 18 januari 2013, in de gemeente Groningen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet,

  • -

    een koord, althans een voorwerp, om de nek/keel/hals van die [slachtoffer 1] aangebracht en/of handelingen ten aanzien van dat koord, althans dat voorwerp, verricht en/of (vervolgens) dat koord, althans dat voorwerp, aangetrokken waardoor samendrukkend en/of omsnoerend en/of comprimerend geweld op de hals/keel en/of mondbodem van die [slachtoffer 1] is ontstaan, en/of

  • -

    met zijn handen de keel van die [slachtoffer 1] dicht gedrukt en/of dicht gedrukt gehouden en/of een (zogenaamde) verwurging bij die [slachtoffer 1] aangebracht en/of strangulatie/strangulerende handelingen en/of verwurgingen door middel van de handen/armen en/of met behulp van andere voorwerpen aangebracht en/of toegepast op de hals/keel van en/of bij die [slachtoffer 1] , waardoor samendrukkend en/of omsnoerend en/of comprimerend geweld op de hals/keel en/of mondbodem van die [slachtoffer 1] is ontstaan, en

  • -

    een doek in de mond en/of keelholte van die [slachtoffer 1] gepropt/geduwd, en

  • -

    een plastic zak over het hoofd van die [slachtoffer 1] getrokken en die zak vervolgens met een koord dicht geknoopt, en

  • -

    met een hard voorwerp op het hoofd en/of de hals en/of de romp en/of overige delen van het lichaam van die [slachtoffer 1] geslagen, en/of

  • -

    op/tegen het hoofd en/of de hals en/of de romp en/of overige delen van het lichaam van die [slachtoffer 1] geslagen, gestompt, geschopt en/of getrapt,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden,

welke voren omschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal van een computer (laptop), mobiele telefoon, levensmiddelen en andere goederen van die [slachtoffer 1] , en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

2
meer subsidiair:

hij op 18 januari 2013, in de gemeente Groningen, opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet,

  • -

    met zijn handen de keel van die [slachtoffer 2] dicht gedrukt en/of dicht gedrukt gehouden en/of een (zogenaamde) verwurging bij die [slachtoffer 2] aangebracht en/of strangulatie/strangulerende handelingen en/of verwurgingen door middel van de handen/armen en/of met behulp van andere voorwerpen aangebracht en/of toegepast op de hals/keel van en/of bij die [slachtoffer 2] , waardoor samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals/keel van die [slachtoffer 2] is ontstaan, en

  • -

    op het hoofd en/of de hals en/of overige delen van het lichaam van die [slachtoffer 2] geslagen, gestompt, geschopt en/of getrapt, en

  • -

    met een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, in de hals/halsstreek en/of arm van die [slachtoffer 2] gestoken en/of gesneden,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;

Zaak met parketnummer 18-232368-12 (gevoegd):

1.
hij op 31 maart 2012 te Groningen tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets, toebehorende aan [slachtoffer 1] .

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 18-850046-13 onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

doodslag, voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Het in de zaak met parketnummer 18-850046-13 onder 2 meer subsidiair bewezenverklaarde levert op:

doodslag.

Het in de zaak met parketnummer 18-232368-12 onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van verdachte zijn verschillende rapportages door gedragsdeskundigen opgemaakt.

Het dossier bevat allereerst een rapportage van het [naam 6] Baan Centrum d.d. 16 september 2013 waarin men geen conclusies kon trekken vanwege het feit dat verdachte niet aan het onderzoek heeft meegewerkt. Daarnaast omvat het dossier een rapportage Pro Justitia van 14 maart 2016 uitgebracht door dr. LH.W.M. Kaiser , psychiater, een rapportage Pro Justitia van 22 februari 2016 uitgebracht door D. Breuker, GZ-psycholoog en een rapportage Pro Justitia van 10 augustus 2018 uitgebracht door J.M. Oudejans, psycholoog. Alle deskundigen zijn NRGD geregistreerd. Deskundigen Kaiser en Breuker hebben op respectievelijk 21 november 2017 en 8 oktober 2017 schriftelijke vragen van de verdediging beantwoord. Nadien hebben zij op verzoek van het hof verdachte opnieuw onderzocht en aanvullend gerapporteerd: Kaiser op 7 juli 2018 en Breuker op 18 juni 2018. De drie vorengenoemde deskundigen zijn ter terechtzitting van het hof van 6 februari 2019 gehoord. Zij hebben uitleg gegeven over hun bevindingen en conclusies.

Deskundigen Kaiser en Breuker komen - anders dan deskundige Oudejans - tot de conclusie dat, kort gezegd, verdachte lijdt aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis en dat tevens gesproken kan worden van psychopathie.

Deskundige Kaiser rapporteert hieromtrent onder meer: “Betrokkene is indirect dominant, ondanks de aangepaste vriendelijke spreekstijl; hij heeft een zelfverzekerde presentatie, aanvankelijk hautain als het ware om zijn positie te bepalen. Hij vertelt dan ook dat hij uit een cultuur komt, waarin men zich niet laat kennen en zijn emoties niet laat zien. Hij verklaart daarmee dat hij emotieloos praat, alsof hij verslag doet. Hij vertelt veel aan onderzoeker, maar geeft geen volledige openheid. Hij verdraagt alle vragen van onderzoeker, verdraagt opmerkingen en reageert niet defensief. Hij heeft zijn impulsen onder controle. Betrokkene is bij onderzoek een gladde prater; hij kan veel vertellen en toont geen emoties maar hij toont eveneens geen lijdensdruk. Hij is in staat om een façade vol te houden en te manipuleren. Hij duidt het als een cultuur. Er is weinig contactgroei met hem.

Het huidige onderzoek toont aan dat er bij betrokkene een op de voorgrond staande psychopathie is met emotionele oppervlakkigheid, afwezigheid van schuldgevoelens en een lacunaire gewetensfunctie naast de antisociale kant in zijn persoonlijkheid.

Onderzoeker komt bij betrokkene tot de conclusie van psychopathie, onder meer op basis van de PCL‑R91. Voor zover na te gaan zijn de problemen al aanwezig geweest op jonge leeftijd: volgens betrokkene was hij een "lastige puber". Betrokkene pleegde al vanaf zijn jeugd diefstallen. Later bezocht hij houseparty’s en gebruikte XTC en nam zijn criminaliteit toe. Toen betrokkene zestien jaar oud was, verliet hij het ouderlijk huis en verbleef bij vrienden, in opvanghuizen en bij een tante. Hij is vele malen veroordeeld geweest en heeft veel in de gevangenis gezeten. Hij heeft geen stabiele hechting gehad. Hij leidde een leven waarin hij gebruik maakte van de ander voor eigenwinst en was berekend. Hij had weinig maatschappelijke normen en was weinig maatschappelijk gebonden. Zijn leefwijze was oppervlakkig, gericht op het momentane en materiele. Hij maakte gebruik van list en bedrog om winst te behalen. Daarbij maakt hij keuzes, overweegt, weegt zijn kansen af en kan van daaruit complexe handelingsstrategieën bedenken en uitvoeren. Hij neemt weinig verantwoordelijkheid voor de ander, schendt de rechten van de ander zonder geremd te worden vanuit empathie. Het is geen roekeloze onverschilligheid maar berekend winstbejag."

Deskundige Breuker rapporteert onder meer: “Er is sprake van een belastend verleden met agressie door vader binnen het gezin. Vanaf de adolescentie is hij verslaafd aan met name cannabis en later ook aan cocaïne en heroïne. Betrokkene is bekend met een antisociale levensstijl en met een uitgebreid justitieel verleden. Er is sprake van normvervaging als gevolg van zijn criminele en antisociale levensstijl. Betrokkene praat het plegen van strafbare feiten en van ongepast gedrag (bijvoorbeeld drugs gebruiken in bijzin van de kinderen) goed. Hij voelt zich niet schuldig en hij schaamt zich ook niet over zijn justitieel verleden. Hij is berekenend in wat hij doet en weegt zijn gedragskeuzes goed af. Er worden met name antisociale persoonlijkheidstrekken waargenomen.

Bij betrokkene is de PCL-R gescoord; tijdens afname behaalt hij op de 20 items een score van 30-32 (bij een max van 40) hetgeen op de aanwezigheid van psychopathie duidt.

Tijdens het onderzoek kan bij betrokkene geen ziekelijke stoornis van de geestvermogens worden vastgesteld, maar wel een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Dit betekent dat er bij betrokkene sprake is van een beperkt doorleefd gevoelsleven met weinig echte empathie en inlevingsvermogen, krenkbaarheid en egocentrisme. Betrokkene is goed in staat om zich als een kameleon te kleuren naar zijn omgeving waardoor zijn emotionele tekorten soms niet meteen opvallen. Hij beschikt over een gemiddelde intelligentie en oppervlakkige sociale vaardigheden, is spraakzaam en kan zich charmant en op vriendelijke wijze presenteren. Onderliggend deze sociaal wenselijke houding is echter sprake van een vervaagd normbesef, waardoor hij antisociaal en crimineel gedrag normaal vindt en hij zich hierover niet bezwaard voelt. Hij kan ook agressief reageren op het moment dat hij wordt tegengewerkt of dat er iets gezegd of gedaan wordt wat hem niet bevalt. Betrokkene is berekenend in wat hij doet. Hij maakt weloverwogen beslissingen. Er is ook sprake van psychopathie hetgeen de kille, manipulatieve en egocentrische persoonlijkheid weerspiegelt en de onverantwoordelijke, antisociale levensstijl."

Beide deskundigen hebben ter terechtzitting van het hof uitgelegd hoe zij tot hun bevindingen zijn gekomen. Zij hebben ter terechtzitting gemotiveerd onderbouwd dat zij - ook nadat ter zitting de onderlinge standpunten van de drie deskundigen waren uitgewisseld - bij hun conclusies ten aanzien van de eerder vastgestelde stoornis te blijven.

Het hof volgt de deskundigen Kaiser en Breuker in hun conclusies. Hun onderzoeken en rapportages zijn volledig en zij hebben hun onderzoek gebaseerd op gesprekken met verdachte die in verschillende fasen van de strafzaak werden gevoerd met daarnaast op ander onderzoek, waaronder het proces-verbaal van politie, zoals staat vermeld op pagina 3 van het rapport van Kaiser uit 2016 en op pagina 8 van het rapport van Breuker uit 2016. Het hof acht hun conclusies navolgbaar.

Het rapport van Oudejans kent naar het oordeel van het hof beperkingen. Zo heeft Oudejans gesteld niet de beschikking te hebben gehad over het proces-verbaal van politie en dat evenmin noodzakelijk te vinden voor het formuleren van zijn bevindingen. Oudejans is daardoor echter niet in staat geweest om, anders dan Kaiser en Breuker, de inhoud van het politiedossier te betrekken bij het innemen van een kritische houding jegens verdachte. Naar het oordeel van het hof ligt het wel voor de hand om het politiedossier bij het onderzoek te betrekken. Ook in de Richtlijn ambulant forensisch psychologisch onderzoek en rapportage in het strafrecht (volwassen en jeugdigen) van het NIFP staat beschreven dat een onderzoeker dient te beschikken over het proces-verbaal van politie. Bovendien heeft Oudejans pas in een latere fase met verdachte gesproken dan Kaiser en Breuker. Op grond van voornoemde overwegingen is het hof van oordeel dat meer gewicht moet worden toegekend aan de bevindingen en conclusies van de deskundigen Kaiser en Breuker.

Het hof neemt de conclusies van die deskundigen Kaiser en Breuker met betrekking tot de vastgestelde stoornis bij verdachte dan ook over. Het hof acht derhalve aannemelijk dat verdachte lijdt aan een antisociale persoonlijkheid stoornis, zodanig dat tevens sprake is van psychopathie. De ernstige middelenverslaving waarvan sprake was bij verdachte voor en ten tijde van de bewezenverklaarde feiten ziet het hof als onderdeel en gevolg van de antisociale persoonlijkheidsstoornis.

De vraag is of verdachte ten tijde van het plegen van de doodslag in de vroege ochtend van 18 januari 2013 en de gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 1] in de vroege avonduren van diezelfde dag al dan niet volledig of gedeeltelijk toerekeningsvatbaar was.

Deskundigen Kaiser en Breuker vinden in de aard van de stoornis aanleiding te concluderen dat de stoornis verdachte niet heeft belemmerd zelf keuzes te maken.

Het hof stelt voor de beantwoording van die vraag allereerst vast dat, aldus de conclusies van Kaiser en Breuker, verdachte behept is met de bovenomschreven stoornis. Deskundige Kaiser heeft ter zitting van het hof aangegeven dat zij het wenselijk achtte, ervan uitgaande dat verdachte de feiten zou hebben gepleegd, met verdachte te spreken over hetgeen er concreet in hem is omgegaan ten tijde van het plegen van de feiten, mede gezien de wijze waarop de slachtoffers zijn omgebracht zoals is gebleken bij het aantreffen van de lichamen en het onderzoek op de lichamen. Dit gesprek met verdachte heeft vanwege de ontkenning van verdachte niet kunnen plaatsvinden. Concrete conclusies na onderzoek van verdachte met betrekking tot de feiten hebben de deskundigen daarom niet kunnen trekken.

Het is in die gegeven omstandigheden aan het hof een oordeel te geven over de vraag in hoeverre de feiten verdachte kunnen worden toegerekend. Het hof acht bewezen dat verdachte op 18 januari 2013 op verschillende momenten twee mensen heeft omgebracht waarbij ten tijde van de tweede doodslag financieel gewin een rol heeft gespeeld. Het hof acht aannemelijk dat dit financiële gewin direct samenhing met de bekostiging van de verslaving van verdachte. Niet in discussie is immers dat verdachte in de periode voorafgaand aan de delicten (jarenlang) verslaafd was aan harddrugs en ook op 18 januari 2013 fors drugs had gebruikt en nadien weer had gekocht. Uit de verklaringen van getuigen die verdachte in die periode meemaakten volgt dat sprake was van excessief drugsgebruik. Getuige [getuige 2] , zijn toenmalige partner, vertelt dat verdachte van cocaïnegebruik paranoia werd. Uit de verklaringen van getuigen volgt tevens dat op 18 januari 2013 bij verdachte sprake was van een urgente huisvestingsproblematiek. Uit de verklaring van onder meer [getuige 2] volgt voorts dat verdachte zich rondom het tijdstip van het doden van [slachtoffer 1] bezig was met het zich verzekeren van etenswaren. De politie trof verdachte in de avond van 18 januari 2013 bij zijn aanhouding in opgewonden staat aan voor de niet meer voor verdachte toegankelijke woning van getuige [getuige] . Ten tijde van die aanhouding had verdachte een aantal plastic tassen bij zich met boodschappen, waaronder levensmiddelen.

Het hof stelt vast dat bij de doodslag op beide slachtoffers sprake is geweest van meerdere geweldshandelingen. Ten aanzien van de doodslag op [slachtoffer 2] kan het hof bij gebrek aan informatie in het dossier en van verdachte geen aanleiding voor de doodslag vaststellen. Met name op [slachtoffer 1] is veel en excessief geweld toegepast. Het hof gaat ervan uit dat eigen financieel gewin, het zich toe-eigenen van beltegoed en andere goederen waaronder etenswaren, van [slachtoffer 1] , voorop heeft gestaan ten tijde van het toebrengen van dat geweld en het doden van [slachtoffer 1] . Aannemelijk is dat de bekostiging van de verslaving van verdachte daarin leidend geweest, naast het demonstreren aan zijn huisgenoten dat hij echt wel voor de kost kon zorgen. Dit vooropstellen van eigen financieel gewin ten koste van een ander acht het hof passen in de kenmerken van de stoornis zoals de deskundigen die bij verdachte hebben vastgesteld en daarover uitleg hebben gegeven.

Het voorgaande leidt het hof tot de conclusie dat de doodslag op [slachtoffer 1] direct samenhangt met bekostiging van de verslaving van verdachte. Het hof acht het aannemelijk dat de ernstige antisociale persoonlijkheidsstoornis waarmee verdachte ten tijde van het plegen van het feit behept was, heeft doorgewerkt in de keuzes die verdachte heeft gemaakt in de wijze van bekostiging van die verslaving en samenhangende huisvestings- en overlevingsproblematiek. Ten tijde van het plegen van de gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 1] heeft de ernstige antisociale persoonlijkheidsproblematiek en psychopathie in die zin een rol gespeeld. Het hof acht aannemelijk dat gelet op de aard en kenmerken van die vastgestelde stoornis en de omstandigheden waaronder [slachtoffer 1] is omgebracht, dit feit verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

Het voorgaande leidt tot de conclusie - nu het hof van oordeel is dat er aanleiding bestaat verdachte de gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 1] slechts in verminderde mate toe te rekenen - dat sprake is van een strafbare dader, nu ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Oplegging van straf en maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Oplegging van een straf

Verdachte heeft op 18 januari 2013 opzettelijk twee personen op gruwelijke en gewelddadige wijze in hun eigen woning van het leven beroofd. Eerst heeft hij, in de vroege ochtend van die dag, [slachtoffer 2] om het leven gebracht. De redenen waarom zij het leven moest laten zijn, ook in de fase van hoger beroep, niet duidelijk geworden. Verdachte heeft [slachtoffer 2] gewurgd dan wel gestompt, geslagen of geschopt tegen de hals en haar met een scherp voorwerp in de hals gestoken, waardoor zij is komen te overlijden. Op dezelfde dag, in de avond, heeft verdachte [slachtoffer 1] om het leven gebracht. Verdachte heeft dit - zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen - gedaan met het oogmerk om diefstal van beltegoed, een laptop, een telefoon en etenswaren te kunnen plegen. Verdachte heeft daarmee ten koste van het leven van een ander, enkel aan zijn eigen belang gedacht. De wijze waarop [slachtoffer 1] om het leven is gebracht valt nauwelijks met een pen te beschrijven. Verdachte heeft afgrijzen oproepende vormen van geweld op [slachtoffer 1] toegepast, die uiteindelijk door verstikking om het leven is gekomen. Alsof dat nog niet genoeg was, heeft verdachte het lichaam van [slachtoffer 1] in brand gestoken. Verdachte is in zijn handelen nietsontziend en meedogenloos geweest.

Zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] , ten tijde van hun overlijden 66 en 71 jaren oud, waren weerloze slachtoffers. Aannemelijk is dat zij in hun laatste momenten veel pijn hebben gehad en doodsangsten hebben moeten uitstaan. Zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] hebben in de periode voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten onderdak aan verdachte geboden. Dat verdachte juist de personen die hem probeerden te helpen om het leven heeft gebracht, rekent het hof hem aan. Aan de nabestaanden heeft verdachte een groot en onherstelbaar leed toegebracht. Het feit dat de precieze omstandigheden rondom de dood van hun familielid nooit duidelijk zullen worden, maakt dat hen extra pijn toegebracht wordt en dat het nog moeilijker zal zijn om hun dood te verwerken.

Daarnaast houdt het hof er rekening mee dat verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Getoond besef van verantwoordelijkheid kan onder omstandigheden voor de rechter aanleiding zijn tot enige mildheid omdat strafvervolging mede ten doel heeft verdachte tot inkeer te brengen. In het geval van verdachte is dat doel (nog) niet bereikt. Voor clementie bestaat vooralsnog dan ook geen reden.

Het opzettelijk doden van een ander mens is de meest ernstige onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, namelijk het recht op leven. Door zijn handelen heeft de verdachte aan zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] dat recht en daarmee hun meest wezenlijke bezit ontnomen. Een levensdelict brengt naast de grote gevolgen voor de nabestaanden, ook een schok teweeg in de maatschappij en versterkt gevoelens van angst en onveiligheid. Een andere strafmodaliteit dan een langdurige gevangenisstraf is gelet op de aard en ernst van deze delicten niet aan de orde.

Verdachte heeft zich daarnaast, hoewel in het niet vallend bij voornoemde feiten, op 31 maart 2012 samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan diefstal van een fiets. Door aldus te handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van een ander.

Het hof heeft bij de straftoemeting in verdachtes nadeel in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 8 januari 2019, veelvuldig eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens strafbare feiten, onder meer meerdere malen ter zake van vermogensdelicten (al dan niet met een geweldscomponent), het medeplegen van een poging tot zware mishandeling en brandstichting.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof voorts acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, waaronder met name de vastgestelde stoornissen van de verdachte en de omstandigheid dat het gerechtshof verdachte het onder 1 bewezenverklaarde feit verminderd toerekent.

Het hof komt ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde tot een andere bewezenverklaring dan de rechtbank. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf leidt dit tot een verhoging ten opzichte van de straf die de rechtbank heeft opgelegd. Gekwalificeerde doodslag behoort tot de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Evenals bij moord heeft de wetgever dit delict met de zwaarst mogelijke straf bedreigd; levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste dertig jaren.

Op grond van het bovenstaande acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde straf passend en geboden. Het gerechtshof zal die straf, een gevangenisstraf van 24 jaren, opleggen uit een oogpunt van normhandhaving en vergelding.

Redelijke termijn

De verdediging heeft betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin de verdachte in verband met de bewezenverklaarde feiten in voorlopige hechtenis verkeert, te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen zestien maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen en de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen zestien maanden nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman dan wel raadsvrouw op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Het hof overweegt met betrekking tot het totale procesverloop in deze zaak het volgende.

De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 19 januari 2013 met de inverzekeringstelling van verdachte. Het eindvonnis in eerste aanleg is gewezen op 2 juni 2016. Dit is drie jaar en vier maanden na aanvang van de redelijke termijn. Verdachte heeft op 15 juni 2016 tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. Het eindarrest wordt gewezen op 6 maart 2019. Dit is ruim twee jaar en acht maanden na het instellen van het hoger beroep. In beide instanties is dus sprake van een langere termijn dan de hiervoor genoemde termijn van zestien maanden per instantie.

In deze zaak is echter sprake van bijzondere omstandigheden. Er is sprake van een omvangrijk opsporingsonderzoek, dat betrekking heeft op de gewelddadige dood van twee personen die ieder op een ander tijdstip en op een andere plek om het leven zijn gebracht. Verdachte heeft pas op de zitting van de rechtbank van 24 april 2014 inhoudelijk willen verklaren over de feiten waarvan hij werd verdacht. Dit heeft tot gevolg gehad dat daarna nog allerlei onderzoek diende te worden verricht, waarbij onder meer een reconstructie heeft plaatsgevonden. In de fase van hoger beroep geldt dat door de verdediging een groot aantal onderzoekswensen zijn ingediend, te weten het horen van 30 getuigen c.q. deskundigen. Deze zijn voor een deel na toewijzing uitgevoerd. Voorts heeft de verdediging verzocht een aantal maanden te wachten met de planning van de inhoudelijke behandeling. Vervolgens heeft de verdediging onaangekondigd en vlak voor de zitting van 30 augustus 2018 het hof doen toekomen het rapport van deskundige Oudejans, hetgeen resulteerde in de wens van verdediging en Openbaar Ministerie om alle deskundigen ter zitting te horen, hetgeen tot een hernieuwde aanhouding heeft geleid.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat, gelet op voornoemde bijzondere omstandigheden in deze zaak, de redelijke termijn weliswaar is overschreden, maar dat het hof van oordeel is dat aan die vaststelling geen consequentie hoort te worden verbonden en dat met die vaststelling kan worden volstaan.

De maatregel van terbeschikkingstelling

Daarnaast dient de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging te worden opgelegd. Het hof grondt deze beslissing op het volgende.

Het hof stelt voorop dat aan vier voorwaarden moet zijn voldaan, wil aan een verdachte op grond van de artikelen 37, tweede en derde lid, 37a en 37b van het Wetboek van Strafrecht de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging kunnen worden opgelegd:

  • -

    bij de verdachte dient ten tijde van het begaan van het strafbare feit sprake te zijn van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;

  • -

    het betreffende feit dient een misdrijf te betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, dan wel behoren tot een der misdrijven zoals specifiek in de wet (artikel 37a eerste lid, onder 1 van het Wetboek van Strafrecht) vermeld;

  • -

    de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dient het opleggen van de maatregel te eisen;

  • -

    een dergelijke maatregel kan enkel worden opgelegd nadat de strafrechter zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht.

Het hof is van oordeel dat aan de hierboven genoemde voorwaarden voor oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging is voldaan. Het gerechtshof baseert dit oordeel mede op de beide hierboven genoemde rapporten van psychiater Kaiser en psycholoog Breuker.

Zoals hiervoor al is vastgesteld is bij verdachte sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en is er tevens sprake van psychopathie. Deze stoornissen bestonden ook ten tijde van de bewezenverklaarde feiten.

Ook is in deze zaak sprake van misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld.

Met betrekking tot de kans op herhaling heeft Kaiser in 2016 gerapporteerd dat zij geen inschatting kan maken van de kans op recidive omdat verdachte de tenlastegelegde feiten ontkent, maar gezien zijn psychopathie wordt de kans dat hij weer in omstandigheden komt met criminele mensen met geweldpleging als hoog ingeschat. Verdachte heeft goede voornemens maar er zijn geen beschermende factoren. Hij toont geen empathie met de slachtoffers van de delicten in het verleden. Verdachte heeft wel enig besef van de aard van zijn psychopathologie maar heeft geen inzicht in de reikwijdte en risico’s daarvan. Verdachtes psychopathie zal, naar inschatting van Kaiser, maken dat hij materiële belangen voor zal laten gaan boven de belangen van anderen. Kaiser geeft in haar rapport verder aan dat verdachte niet gemotiveerd is voor een intensieve inzichtgevende behandeling of schematherapie gericht op verandering van zijn persoonlijkheid. Het is de verwachting van de deskundige dat de kans klein is dat verdachte leert van een behandeling. Ter zitting van het hof op 6 februari 2019 heeft Kaiser op vragen van het hof geantwoord dat verdachte de afgelopen tijd enige verbetering heeft laten zien, waardoor je zou kunnen zeggen dat er nu wel een ingang is voor behandeling. Ook heeft zij ter zitting aangegeven dat agressie bij het tenlastegelegde een rol lijkt te hebben gespeeld, die zou kunnen samenhangen met de antisociale persoonlijkheidsstoornis van verdachte.

Breuker heeft in 2016 gerapporteerd dat bij verdachte meerdere klinische risicofactoren worden gevonden die samenhangen met de antisociale persoonlijkheidsstoornis waaronder een beperkt inlevingsvermogen, vervaagd normbesef, egocentrisme en een beperkte lijdensdruk en probleembesef. Er zijn instabiele levensomstandigheden op het gebied van wonen, werk en relaties. Verdachte is verbonden met een drugsnetwerk waarvan hij geen afstand lijkt te willen nemen. Hij verdient zijn levensonderhoud met de drugshandel. Hij ervaart weinig lijdensdruk en heeft niet de intentie om iets aan zijn levensstijl te willen veranderen. Er is daardoor ook weinig behandelpotentieel. De risicofactoren kunnen elkaar versterken. Er zijn daarnaast te weinig beschermende factoren, waardoor de kans op recidive groot is, aldus Breuker.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de inhoud van voormelde psychologische en psychiatrische rapportages, de vastgestelde stoornissen en de doorwerking daarvan, de bijzondere ernst van de begane feiten en de eerdere vele veroordelingen van verdachte sinds zijn jeugd, ook voor geweldsmisdrijven, dat sprake is van zodanig recidivegevaar dat de bescherming van de samenleving de oplegging van de maatregel eist, in die zin dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging eist.

Naar het oordeel van het hof is het gelet op het ontbrekende inzicht in zijn gebrekkige ontwikkeling bij verdachte geen ander kader denkbaar waarbinnen een behandeling ven verdachte voldoende geborgd is dan een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Met het oog op het bepaalde in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht stelt het hof vast dat de bewezenverklaarde delicten gekwalificeerde doodslag en doodslag misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 37a, 37b, 47, 57, 63, 287, 288 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte en de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 18‑232368‑12 onder 2 en 3 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-850046-13 onder 1 primair en 2 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-850046-13 onder 1 subsidiair en 2 meer subsidiair en in de zaak met parketnummer 18-232368-12 onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-850046-13 onder 1 subsidiair en 2 meer subsidiair en in de zaak met parketnummer 18-232368-12 onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Aldus gewezen door

mr. L.T. Wemes, voorzitter,

mr. J. Dolfing en mr. A. van Holten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.M. Nicolai, griffier,

en op 6 maart 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 In de zaak met parketnummer 18-850046-13.

2 In de hierna te vermelden voetnoten wordt telkens verwezen naar de paginanummers van het dossier 01TGO13002 van Politie Noord Nederland (TGO Waldeck).

3 Pagina A 449 e.v.

4 Pagina A 473.

5 Pagina B 144 e.v..

6 Pagina B 879 e.v.

7 Pagina A 225 en pagina A 740 e.v.

8 Pagina A 473 e.v.

9 Pagina A 743 e.v.

10 Pagina A 749.

11 Pagina 19 van de aanvulling op het einddossier en de verklaring van verdachte opgenomen in het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 29 oktober 2015 van de meervoudige kamer in de rechtbank Noord-Nederland.

12 Zie pagina A 925 e.v. en A 749 e.v., in samenhang en onderling verband beschouwd.

13 zie pagina C 196, pagina C 17 e.v. en pagina A 553 e.v.

14 Pagina B 246 e.v. en pagina B 493 e.v.

15 Pagina B 144.

16 Pagina B 950.

17 Indien wordt gesproken over “een matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard”, dan wordt hiermee telkens bedoeld: “de kans dat een willekeurig onbekend persoon matcht met het DNA profiel is kleiner dan één op één miljard”. Zie pagina B 40.

18 Pagina B 956.

19 Pagina B 957.

20 Pagina B 1321 e.v.

21 Pagina B 959.

22 Pagina B 1298 e.v.

23 Pagina B 1278 e.v.

24 Pagina B. 1299 e.v.

25 Pagina C 414.

26 Pagina A 1748 e.v.

27 Pagina A 1722 e.v.

28 Pagina A 1953 e.v.

29 [getuige] is gehoord op 18 januari 2013 om 22:45 uur, zie pagina A 1722, en [getuige 2] op 19 januari 2013 om 00:20 uur, zie pagina A 1748.

30 Pagina A 1045 e.v.

31 Pagina C 407 e.v.

32 OVC staat voor 'opname vertrouwelijke communicatie'. Zie pagina C 434 e.v.

33 Pagina A 298.

34 Pagina C 441.

35 Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 24 april 2014 van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Noord-Nederland en pagina 19 van de aanvulling op einddossier.

36 Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 29 oktober 2015, 30 oktober 2015 en 19 november 2015 van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Noord-Nederland (pagina 5).

37 Zie het proces-verbaal bevindingen op pagina 73 van de aanvulling op einddossier.

38 Zie het proces-verbaal (onderzoek pantykousjes slachtoffer [slachtoffer 2] ) pagina 88 e.v. van de aanvullening op einddossier.

39 Verklaring [getuige 9] pagina A 966 e.v. van het strafdossier en getuige [echtgenote] , pagina A 954 e.v. van het strafdossier.

40 Zie wederom getuige verklaring [getuige 9] A 966 e.v. van het strafdossier, alsmede de verklaring van getuige [getuige 10] , pagina A 1097 van het strafdossier.

41 Verdachte heeft ter zitting van het hof van 24 april 2018 verklaard dat het een half uur fietsen is van de [adres 2] naar [adres 3] .

42 Zie Hoge Raad 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, Hoge Raad 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963 en Hoge Raad 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2761.

43 Pagina A 632.

44 Pagina B 319 e.v.

45 Pagina B 325 e.v. en pagina B 1004 e.v.

46 Pagina B 1004 e.v.

47 Zie de verklaring van getuige A.C. [getuige 5] op pagina A 1383 e.v.

48 Pagina C 111 e.v.

49 Volgens de openbaar te raadplegen website van de Albert Heijn betreft dit een volkoren brood, zie https://www.ah.nl/producten/product/wi48712/ah-zaanse-snijder-volkoren-half.

50 Pagina D 166 en 168.

51 Pagina C 114 e.v.

52 Zie de verklaring van getuige [getuige 11] op pagina A 1403 e.v.

53 Zie de verklaring van getuige [getuige 12] op pagina A 1458 e.v.

54 Pagina B 21.

55 Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 29 oktober 2015, 30 oktober 2015 en 19 november 2015 van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Noord-Nederland, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte.

56 Pagina A 196.

57 Pagina B 307.

58 Pagina B 273 e.v. en pagina B 20 e.v.

59 Pagina B 474 e.v.

60 Pagina B 501, pagina B 1299 e.v. en de verklaring van verdachte opgenomen in het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 29 oktober 2015, 30 oktober 2015 en 19 november 2015 van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Noord-Nederland

61 Pagina B 246 e.v.

62 Pagina B 945 e.v.

63 Pagina A 192 tot en met A 196.

64 Pagina A 1820.

65 Pagina A 2061 e.v.

66 Pagina C 99 e.v.

67 Pagina A 2061 e.v.

68 Uit de belgegevens op pagina C 404D blijkt dat verdachte [getuige 3] om 19:47:15 uur heeft gebeld.

69 Pagina A 953 e.v.

70 Pagina A 1962.

71 Op pagina A 2055 e.v.

72 Painga C 397.

73 Pagina C 490.

74 Zie proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 januari 2013, opgenomen op pagina A 740 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant.

75 Zie pagina A 2049 van dossier, inhoudende de verklaring van [naam 5] .

76 Zie verklaring verdachte d.d. 30 januari 2012, pagina 312 e.v.

77 Zie verklaring verdachte d.d. 30 januari 2012, pagina 312 e.v.

78 Zie verklaring verdachte tijdens A 741.

79 Zie verklaring verdachte pagina A 310.

80 Zie verklaring verdachte pagina A 319.

81 Zie ook gecombineerde chronolijst op pagina C 404D van strafdossier.

82 Verklaring verdachte ter zitting d.d. 29 oktober 2015 afgelegd

83 Pagina B 502.

84 Pagina B 503.

85 Pagina A 1730.

86 Pagina A 1731.

87 Verklaring van verdachte opgenomen in het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 29 oktober 2015, 30 oktober 2015 en 19 november 2015 van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Noord-Nederland.

88 Pagina A 1820.

89 Zie pagina B 307.

90 Zie pagina B 341 en B 348.

91 De PCL-R/PCL-YV is de standaard om de mate van psychopathie te bepalen. De PCL-R/PCL-YV meet psychopathie volgens het concept van Hare (bron: Richtlijn ambulant forensisch psychologisch onderzoek en rapportage in het strafrecht (volwassen en jeugdigen) van het NIFP).