Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:204

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-01-2019
Datum publicatie
16-01-2019
Zaaknummer
200.242.840/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijk gezag en omgang. Het hof gaat voor zijn oordeel dat het verzoek tot gezamenlijk gezag en omgang wordt afgewezen uit van objectiveerbare en niet betwiste feiten nu de vader, hetgeen in het raadsrapport is opgenomen over zijn gedrag, betwist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.242.840/01

(zaaknummer rechtbank C/17/152322 / FA RK 16-1778)

beschikking van 10 januari 2019

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.A. Neslo te Almere,

en

[verweerster] ,

wonende op geheim adres,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A. Mulder te Groningen.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 21 juni 2017 en 18 april 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 18 juli 2018;

- het verweerschrift (het voorwaardelijk incidenteel appel is ter zitting ingetrokken);

- een journaalbericht van mr. Neslo van 2 augustus 2018 met productie(s);

- een brief van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) van 12 oktober 2018 met productie(s);

- een fax van mr. Neslo van 23 november 2018.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 4 december 2018 plaatsgevonden. De partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad is, in het kader van zijn adviserende taak, [B] verschenen.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn de ouders van:

- [de minderjarige] (hierna [de minderjarige] ), geboren [in] 2013 te [C] . De vader heeft [de minderjarige] erkend. De moeder oefent het ouderlijk gezag over [de minderjarige] alleen uit.

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen zijn in geschil het gezag over [de minderjarige] , (de ontzegging van) het recht op omgang van de vader met [de minderjarige] en de informatieplicht.

4.2

Bij de bestreden beschikking van 18 april 2018 is, voor zover hier van belang, bepaald dat de moeder de vader in de maanden januari, april, juli en oktober van ieder jaar schriftelijk op de hoogte stelt van belangrijke ontwikkelingen met betrekking tot [de minderjarige] en daarbij telkens een recente foto van [de minderjarige] zal sturen onder voorwaarde dat gedurende de eerste vier keren de vader telkens in de eerste week van de maand waarin de informatie zal worden gestuurd, aan [de minderjarige] een foto, een kaartje of een tekening stuurt.

De verzoeken van de vader om hem gezamenlijk met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] en een zorg-/omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] vast te stellen, zijn door de rechtbank in navolging van het advies van de raad bij diezelfde beschikking, afgewezen.

4.3

De vader is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 18 april 2018. De vader verzoekt de beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende gezamenlijk ouderlijk gezag vast te stellen, een (reguliere) omgangsregeling te gelasten, en de voorwaarde van de informatieplicht die behelst dat de vader belangstelling in [de minderjarige] dient te tonen alvorens hij informatie ontvangt te laten vervallen, en tevens de informatieplicht van de moeder naar de vader toe met een hogere frequentie te laten plaatsvinden.

4.4

De moeder voert verweer en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.5

De raad voert ter zitting verweer en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

Gezamenlijk gezag

5.1

Volgens artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

5.2

Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van een ouder om zijn minderjarige kind te verzorgen en op te voeden. Het ouderlijk gezag houdt een aantal bevoegdheden in die nodig zijn voor de opvoeding en verzorging, zoals onder andere de bevoegdheid om belangrijke beslissingen in het leven van het kind (zoals over de verblijfplaats, de school, medische zaken, geloofsbeleving, vrije tijdsbesteding) te nemen. In geval van gezamenlijk gezag worden dergelijke beslissingen samen met de andere gezaghebbende ouder genomen.

Voor gezamenlijk gezag is dan ook in het algemeen vereist dat de ouders feitelijk in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen

5.3

De vader heeft aangevoerd dat er geen bezwaren zijn om hem samen met de moeder met het gezag te belasten. Dat de ouders nu niet kunnen samenwerken en de moeder geen vertrouwen in hem heeft kan veranderen door hulpverlening zoals ouderschapsbemiddeling in te zetten. De vader denkt dat het de moeder wel zal lukken met hem in gesprek te gaan. De vader heeft bezwaren (en ook een klacht ingediend) tegen het rapport van de raad en de wijze van totstandkoming hiervan. Hij vindt dat de lezing van de moeder over het gedrag van de vader tijdens de relatie en erna klakkeloos is overgenomen en dat het rapport een te éénzijdig beeld schept.

De moeder ziet geen mogelijkheid voor gezamenlijk gezag en ook niet voor ouderschapsmediation omdat zij bang is voor (contact met) de vader. Zij heeft, ook door zijn criminele levenswandel, geen vertrouwen in hem als ouder.

5.4

Het hof is van oordeel dat er geen mogelijkheden zijn voor uitoefening van het gezamenlijk gezag van deze ouders. Er is geen enkele communicatie of overleg tussen de ouders. Voor ouderschapsmediation ziet het hof geen ruimte nu hiervoor de inzet en motivatie van beide partijen noodzakelijk is. Het hof vindt dat de moeder voldoende heeft onderbouwd dat en waarom zij op dit moment geen vertrouwen in de vader heeft om stappen te zetten richting gezamenlijk ouderschap. Nu de vader de lezing van de moeder over zijn gedrag in het verleden en daarna zoals in het rapport van de raad is opgenomen betwist, heeft het hof gekeken naar wel objectiveerbare en niet betwiste feiten. Dan blijkt het volgende:

- er is geen enkele communicatie of overleg tussen de ouders;

- de vader heeft gedurende meerdere perioden voor ernstige strafbare feiten in detentie gezeten (oktober 2013 tot oktober 2014, februari 2015 tot februari 2016 en september 2016 tot mei 2018) en er staat nog een strafzaak tegen de vader open waarvan niet duidelijk is of de vader hiervoor zal worden vervolgd;

- de laatste ontmoeting in mei 2016 tussen de vader en [de minderjarige] (die op de arm van de stiefvader van de moeder zat, het 'Jumbo incident') ging gepaard met geweld vanuit de vader. Hij heeft de visie van de moeder op dit incident ontkend maar heeft wel erkend dat hij [de minderjarige] heeft weggepakt en de stiefvader een duw heeft gegeven.

Het hof vindt al met al dat nu elke vorm van communicatie tussen de ouders ontbreekt, dat er geen zicht is op totstandkoming van deze communicatie op afzienbare termijn en dat er mede gelet op de onduidelijkheid die er bestaat over de nu nog openstaande strafzaak (nog) geen mogelijkheden zijn om hiervoor op korte termijn hulpverlening in te zetten.

Dit maakt dat het hof het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk vindt om geen gezamenlijk ouderlijk gezag te bepalen.

Omgang

5.5

Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 1:377a lid 1 BW, artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 9 lid 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU.

5.6

De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden, te weten indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van

het kind, of

b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang

met zijn ouder heeft doen blijken, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

5.7

De vader begrijpt dat er op dit moment geen omgangsregeling gestart kan worden maar ook hier vindt hij dat ouderschapsbemiddeling de manier is om de communicatie tussen partijen te verbeteren zodat omgang gerealiseerd kan worden.

De moeder verzet zich tegen omgang, zij heeft geen enkel vertrouwen in de vader, nergens blijkt uit dat hij zijn criminele levenswandel achter zich heeft gelaten en zij vindt dat hij door de vele detenties niet betrouwbaar is in het nakomen van een eventuele omgangsregeling.

5.8

De hiervoor genoemde objectiveerbare en niet betwiste feiten zijn voor het hof ook redenen om te oordelen dat er nu geen omgang moet komen tussen de vader en [de minderjarige] omdat het hof dit in strijd vindt met zwaarwegende belangen van [de minderjarige] . Vooral de veiligheidsaspecten en het gebrek aan vertrouwen bij de moeder in de vader op dit vlak wegen zwaar. De vader heeft tot nu toe niet laten zien dat hij zijn criminele levenswijze achter zich heeft gelaten en hij heeft, ook ter zitting, weinig inzicht en transparantie gegeven over zijn leef-, woon- en financiële omstandigheden. Daar komt bij dat [de minderjarige] er nog niet van op de hoogte is dat de vader haar biologische vader is. Deze voorlichting is nog maar net in gang gezet. Ook zal een eventuele omgang voorspelbaar moeten zijn en continuïteit moeten bieden voor [de minderjarige] . Zolang de vader geregeld in de gevangenis verblijft zal hier niet aan kunnen worden voldaan. Wat de door de vader voorgestelde ouderschapsbemiddeling om tot een omgangsregeling te komen betreft: het hof ziet hiervoor op korte termijn geen mogelijkheden en verwijst hiervoor naar het onder 5.4 overwogene.

Informatieregeling

5.9

Op grond van artikel 1:377b lid 1 BW is de ouder die met het gezag is belast gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen over belangrijke aangelegenheden met betrekking tot de minderjarige. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen. Indien het belang van de minderjarige dit vereist kan de rechter, op verzoek of ambtshalve, bepalen dat het eerste lid buiten toepassing blijft.

5.10

De vader heeft bezwaar tegen de door de rechtbank gestelde voorwaarde bij de informatieplicht. Hij vindt dat hij onbeperkt recht heeft op informatie.

5.11

Het hof ziet, anders dan de vader, de voorwaarde inhoudend dat hij de eerste vier keren voordat hij van de moeder periodieke informatie over [de minderjarige] krijgt zelf een initiatief neemt in de vorm van een bericht, foto of kaartje, als waardevol en belangrijk om vertrouwen bij de moeder op te bouwen. De vader geeft zelf aan dat hij denkt dat de moeder wel met hem zal kunnen samenwerken als ouder en het gesprek met hem aan zal kunnen gaan. Dat vereist nogal wat van de moeder en van de vader mag dan ook iets worden verwacht om de moeder hiertoe te bewegen. Een initiatief zoals omschreven in de door de rechtbank gestelde voorwaarde is een minimale inspanning die hier van de vader verwacht mag worden.

Het hof zal die voorwaarde dus in stand laten. Op de zitting is gebleken dat de vader wel een keer aan die voorwaarde heeft voldaan door een kaartje te sturen maar dat door een misverstand dit niet bij de moeder terecht is gekomen. Het is jammer dat hierdoor de informatieverschaffing nog niet van de grond is gekomen. Het hof gaat er daarom vanuit dat opnieuw wordt gestart door partijen met de informatieplicht en de voorwaarde bij de eerstvolgende vier keer informatieverschaffing door de moeder.

Het hof ziet geen reden om de frequentie van de informatieverplichting hoger te stellen dan de rechtbank heeft gedaan.

Ten overvloede

5.12

De vader is de vader van [de minderjarige] en [de minderjarige] heeft er daarom recht op haar vader te leren kennen en hem een plek in haar leven te laten krijgen. Dat vereist van beide ouders een inspanning. Aan de zijde van de vader om zijn leven van gevangenis in en uit achter zich te laten en om naar de moeder open te zijn over zijn leef-, woon-, en financiële situatie en te zorgen dat de moeder weer vertrouwen in hem krijgt. Ook om te tonen dat hij een stabiele betrouwbare vader voor [de minderjarige] kan zijn die belangstelling in haar heeft, op wie zij met een zekere regelmaat kan rekenen, die haar continuïteit en veiligheid kan bieden en in wie zij niet teleurgesteld zal worden. Aan de zijde van de moeder om verder te gaan met de statusvoorlichting naar [de minderjarige] , bij zichzelf tijdens of na haar therapie ruimte en erkenning te vinden voor een plek van de vader in het leven van [de minderjarige] en om aansluitend op de statusvoorlichting op zoek te gaan naar mogelijkheden van begeleide omgang tussen de vader en [de minderjarige] bijvoorbeeld bij [D] .

Van beide ouders mag worden verwacht dat zij hun best doen zich in te leven in elkaars gevoelens. Het gevoel van de vader van miskend zijn als vader en zich buitengesloten voelen. Het gevoel van de moeder richting de vader van wantrouwen en onveiligheid.

De invoering en nakoming van de informatieplicht ziet het hof als de eerste stap richting verdere invulling van de vader in zijn wens om ook feitelijk een plek in het leven van zijn dochter te krijgen.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen falen de grieven. Het hof zal de bestreden beslissing bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 18 april 2018.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, R.A. Boon en J.G. Idsardi, bijgestaan door mr. M. Marsnerova en is op 10 januari 2019 uitgesproken in het openbaar in aanwezigheid van de griffier.