Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:2037

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-03-2019
Datum publicatie
27-03-2019
Zaaknummer
200.233.735/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden alsof in gemeenschap van goederen gehuwd. Niet nakomen overeengekomen verkoop van voormalig echtelijke woning. Schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VFP 2019/51
FJR 2019/47.6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.233.735/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/175560 / HA ZA 17-96)

arrest van 5 maart 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. G.B. de Jong, kantoorhoudend te Hoogezand,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M. Schuring, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 11 december 2018 hier over.

1.2

Op 9 januari 2018 is de comparitie van partijen gehouden ten overstaan van de daartoe aangewezen raadsheer-commissaris. Partijen hebben geen schikking bereikt en hebben om arrest gevraagd. Van deze comparitie is een proces-verbaal opgemaakt dat op

21 januari 2019 aan partijen is gezonden.

1.3

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.5. van het bestreden vonnis van 10 januari 2018. Die luiden als volgt.

2.2

Partijen zijn [in] 1991 gehuwd op huwelijkse voorwaarden. Bij beschikking van 30 september 2008 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 6 februari 2009 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.3

De voormalige echtelijke woning, staande en gelegen aan de [a-straat 1] te [A] behoort in eigendom toe aan [appellante] . Bij vonnis in kort geding van

6 september 2013 is [geïntimeerde] veroordeeld om de woning te verlaten. Sindsdien bewoont [appellante] de woning.

2.4

Partijen zijn na het uiteengaan overeengekomen dat zij hun vermogen zouden verrekenen alsof zij in gemeenschap van goederen gehuwd zijn geweest.

2.5

Partijen zijn voorts overeengekomen dat de voormalige echtelijke woning wordt verkocht. Nadat aanvankelijk aan makelaardij Nieboer de verkoopopdracht is verstrekt, zijn partijen - ter gelegenheid van de comparitie van partijen in een tussen hen gevoerde procedure - op 13 september 2012 overeengekomen dat de verkoopopdracht aan makelaar Oosterveld te Vlagtwedde wordt verstrekt.

2.6

De woning is tot op heden niet verkocht.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

Uit het bestreden vonnis van 10 januari 2018 volgt dat [geïntimeerde] in eerste aanleg heeft gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [appellante] te veroordelen om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 108.357,- te vermeerderen met € 5,48 per dag te rekenen vanaf 1 maart 2017 totdat [appellante] aan het ten deze te wijzen vonnis heeft voldaan, althans zolang zij in voornoemde woning woont, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente over € 100.000,- te rekenen vanaf 1 januari 2014, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 803,- vanaf 7 november 2012 en te vermeerderen met de wettelijke rente over

€ 888,- te rekenen vanaf 19 september 2014, althans te vermeerderen met de wettelijke rente over voornoemde bedragen vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening, met veroordeling van [appellante] in de kosten van deze procedure, waaronder die van de gelegde beslagen: € 78,- griffierecht.

3.2

De rechtbank heeft bij vonnis van 10 januari 2018 [appellante] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 108.357,-, waarvan een bedrag van € 100.000,- ten titel van schadevergoeding; te vermeerderen met een gebruikersvergoeding van € 5,48 per dag, vanaf 1 maart 2017 tot het moment dat [appellante] het bedrag aan schadevergoeding aan [geïntimeerde] heeft voldaan; alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 888,- vanaf 4 april 2017 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank heeft de proceskosten gecompenseerd, het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

[appellante] is met zeven grieven opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank, waarmee [appellante] de zaak in volle omvang aan het hof wil voorleggen. De eerste vijf grieven zien op het oordeel van de rechtbank dat [appellante] aan [geïntimeerde] een schadevergoeding dient te voldoen van € 100.000,-. De zesde grief ziet op de gebruikersvergoeding en de zevende op de vordering inzake gemeentelijke belastingen en zorgtoeslag. Het hof zal de grieven afzonderlijk bespreken.

4.2

In haar eerste grief stelt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat [appellante] de woning niet wenst te verkopen. Het hof stelt vast dat uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank van 24 november 2017 blijkt dat de advocaat van [appellante] heeft gezegd dat [appellante] in de woning wil blijven wonen. [appellante] zelf heeft tijdens die zitting gezegd dat zij de woning niet wil verkopen en dat zij in de woning wil blijven wonen. [appellante] heeft in hoger beroep aangegeven dat het klopt dat zij de woning wil behouden en [geïntimeerde] wil uitkopen. Als dat niet lukt, zal de woning verkocht moeten worden, zo stelt [appellante] . Het hof stelt vast dat [appellante] aldus voorwaarden verbindt aan de reeds in 2009 gemaakte afspraak van partijen om tot verkoop van de woning over te gaan en deze afspraak derhalve niet nakomt. De rechtbank kon dan ook de conclusie trekken zoals zij heeft gedaan, zodat de eerste grief faalt.

4.3

Uit het vorenstaande volgt dat ook de tweede grief, waarin [appellante] stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat sprake is van een niet nakomen van de overeengekomen verkoop, faalt. De stelling van [appellante] dat [geïntimeerde] geen ingebrekestelling heeft verstuurd waardoor [appellante] niet in verzuim zou zijn geraakt, kan haar in dat verband niet baten. Nog daargelaten dat [geïntimeerde] [appellante] bij brief van 18 juli 2018 alsnog in gebreke heeft gesteld, volgde immers ook al uit de door [appellante] gedane mededelingen, zoals hiervoor onder 4.2 weergegeven, dat zij in de nakoming van de overeenkomst zal tekort schieten, waardoor het verzuim op grond van artikel 6:83 sub c BW zonder ingebrekestelling was ingetreden.

4.4

Met haar derde grief klaagt [appellante] over het feit dat de rechtbank heeft aangenomen dat [appellante] verplicht is om de schade te vergoeden, ondanks dat [geïntimeerde] niet uitdrukkelijk heeft medegedeeld dat hij op grond van het bepaalde in artikel 6:87 BW aanspraak maakt op vervangende schadevergoeding. Het hof overweegt dat [geïntimeerde] gedurende vele jaren [appellante] de ruimte heeft gegeven om tot verkoop van de woning over te gaan. Nadat makelaar Oosterveld, die eind 2012 door partijen werd ingeschakeld, bij brief van 24 februari 2016 te kennen had gegeven dat hij de opdracht teruggaf omdat -kort gezegd- [appellante] niet meewerkte, heeft [geïntimeerde] enige tijd later de inleidende dagvaarding doen uitbrengen. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] door middel van het uitbrengen van deze dagvaarding aan [appellante] ondubbelzinnig duidelijk gemaakt dat hij schadevergoeding vordert in plaats van nakoming van de overeenkomst (om tot verkoop van de woning over te gaan en de te realiseren overwaarde bij helfte te verdelen). Ook deze grief treft derhalve geen doel.

4.5

In haar vierde grief stelt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte als uitgangspunt heeft genomen dat de schade wordt vergoed conform artikel 6:95 e.v. BW. Indien en voor zover [appellante] heeft willen betogen dat de rechtbank hier niet aan toe kon komen vanwege het ontbreken van een ingebrekestelling en/of een omzettingsverklaring verwijst het hof naar het hiervoor overwogene. Ook de stelling van [appellante] dat er nog verschillende zaken op grond van eerdere beschikkingen moeten worden verrekend leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat [appellante] deze stelling niet nader heeft onderbouwd, geldt dat eventuele verrekenposten niet aan de vaststelling van de schade ter zake de niet nagekomen overeenkomst tot verkoop van de woning in de weg staan. Partijen kunnen immers, nadat de vordering uit schadevergoeding is vastgesteld, alsnog tot verrekening met andere vorderingen overgaan. De grief faalt.

4.6

[appellante] stelt in haar vijfde grief dat de rechtbank haar ten onrechte heeft veroordeeld om aan [geïntimeerde] een bedrag van € 100.000,- te betalen vanwege schadevergoeding. Het hof constateert dat [appellante] in haar memorie van grieven niet heeft gegriefd tegen de overweging van de rechtbank dat door [geïntimeerde] onweersproken is gesteld dat de overwaarde van de woning
€ 200.000,- bedraagt en dat om die reden de schade kan worden gesteld op de helft daarvan, namelijk € 100.000,-. Tijdens de comparitiezitting bij het hof heeft [appellante] aangegeven dat zij meent dat aan [geïntimeerde] een lager bedrag toekomt omdat zij kosten voor (achterstallig) onderhoud aan de woning heeft gemaakt en omdat ook rekening moet worden gehouden met een tweede hypotheek die later door haar op de woning is gevestigd. Het hof overweegt dat indien en voor zover [appellante] hiermee heeft beoogd alsnog te grieven tegen de vaststelling van voornoemd bedrag hierop, gelet op de twee-conclusie regel, geen acht kan worden geslagen. De rechter behoort immers in beginsel niet te letten op grieven die later dan (in dit geval) de memorie van grieven zijn aangevoerd, tenzij dit in strijd zou komen met de goede procesorde, waaronder nieuwe ontwikkelingen van feitelijke of juridische aard. Van zodanige strijd met de goede procesorde is echter geen sprake. Ten overvloede overweegt het hof nog dat voornoemde tweede hypotheek uitsluitend door [appellante] en pas na ontbinding van het huwelijk is gevestigd en dat de door [appellante] gestelde kosten in het geheel niet zijn onderbouwd, zodat hiermee reeds om die redenen geen rekening kan worden gehouden. Nu uit het voorgaande al volgt dat [geïntimeerde] recht heeft op schadevergoeding faalt ook de vijfde grief.

4.7

De zesde grief ziet op de door de rechtbank toegewezen gebruikersvergoeding. [appellante] grieft niet tegen het oordeel van de rechtbank dat verschuldigdheid van een gebruikersvergoeding mogelijk is, zodat het hof dit eveneens als uitgangspunt neemt, maar tegen het oordeel dat deze niet vanaf de datum van dagvaarding in eerste aanleg, maar met terugwerkende kracht vanaf 1 november 2013 is toegewezen. Volgens [appellante] is dat in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid.

Het hof is van oordeel dat het enkele feit dat [appellante] bekend was met het fenomeen gebruikersvergoeding -omdat [geïntimeerde] bij vonnis van de rechtbank van 31 oktober 2012 is veroordeeld een dergelijke vergoeding aan haar te betalen- onvoldoende is om deze vergoeding met terugwerkende kracht toe te kennen. [appellante] woonde reeds vanaf

1 november 2013 alleen in de voormalige echtelijke woning en pas bij het uitbrengen van de dagvaarding op 4 april 2017 heeft [geïntimeerde] aan [appellante] kenbaar gemaakt dat hij aanspraak maakt op een gebruikersvergoeding. Pas vanaf die datum hoefde [appellante] rekening te houden met de mogelijke verschuldigdheid van een gebruikersvergoeding. Om die reden acht het hof toekenning van een vergoeding met terugwerkende kracht niet redelijk.

Deze grief slaagt.

4.8

De zevende grief ziet op het oordeel van de rechtbank dat [appellante] onvoldoende inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de vorderingen van [geïntimeerde] tot betaling aan hem van een bedrag van € 806,- ter zake gemeentelijke belastingen en een bedrag van € 888,- vanwege het aandeel van [appellante] in de zorgtoeslag. [appellante] heeft zowel in eerste aanleg als ook in hoger beroep gesteld dat zij niet begrijpt waar deze bedragen op zien en dat [geïntimeerde] ook geen stukken in het geding heeft gebracht waaruit de verschuldigdheid van deze bedragen zou kunnen blijken. Het hof overweegt dat [geïntimeerde] , als de partij die betaling van [appellante] wenst, gemotiveerd dient te stellen en bij betwisting nader te onderbouwen op grond waarvan [appellante] voornoemde bedragen aan hem is verschuldigd. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] dit nagelaten. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg een brief van het CJIB overgelegd waarin staat dat het CJIB € 888,- zorgtoeslag heeft ontvangen van de belastingdienst en dat [geïntimeerde] , anders dan uit de gegevens van de belastingdienst blijkt, aangeeft geen toeslagpartner te zijn van [appellante] . Naar het oordeel van het hof kan daaruit niet worden afgeleid dat [appellante] voornoemd bedrag aan [geïntimeerde] is verschuldigd. Nu enig ander bewijsstuk, ook voor wat betreft de gemeentelijke belastingen ontbreekt, is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan en dat zijn vordering op dit punt dient te worden afgewezen. De grief van [appellante] slaagt derhalve.

5 Slotsom

5.1

Een en ander leidt tot de slotsom dat het bestreden vonnis van 10 januari 2018 niet geheel in stand kan blijven. Het hof zal dit vonnis om doelmatigheidsredenen geheel vernietigen en opnieuw beslissen als hierna te melden. Een veroordeling tot betaling van wettelijke rente over de schadevergoeding ad € 100.000,- is door de rechtbank niet in het dictum opgenomen. Nu hiertegen geen grief is gericht zal ook het hof een dergelijke veroordeling achterwege laten.

5.2

Nu [appellante] voor een deel in het gelijk wordt gesteld ziet het hof geen aanleiding om haar in de proceskosten van de procedure in hoger beroep te veroordelen. Het hof zal de vordering van [geïntimeerde] daartoe afwijzen en de proceskosten in beide instanties compenseren, in die zin dat partijen elk de eigen kosten dragen.

6 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van

10 januari 2018, en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellante] om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 100.000,- ten titel van schadevergoeding;

te vermeerderen met een gebruikersvergoeding van € 5,48 per dag, vanaf 4 april 2017 tot het moment dat [appellante] voornoemd bedrag aan [geïntimeerde] heeft voldaan;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep in die zin dat partijen elk de eigen kosten dragen;

wijst het meer af anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. I.M. Dölle, mr. J.D.S.L. Bosch en mr. M.A.F. Holtvluwer-Veenstra en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2019.