Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:197

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-01-2019
Datum publicatie
16-01-2019
Zaaknummer
200.182.604/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijk gezag. Bevindingen uit onderzoek raad en het forensisch psychologisch onderzoek van het kind en de ouders door het NIFP, leidt tot het oordeel van het hof dat gezamenlijk gezag in strijd is met het belang van het kind. Hof doet dringende oproep aan ouders om aan zichzelf te werken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.182.604/01

(zaaknummer rechtbank C/19/110302/FA RK 15-1179)

beschikking van 10 januari 2019

inzake

[verzoeker] ,

wonende op een geheim adres,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. P. Celikkal te Den Haag,

en

[verweerster] ,

wonende op een geheim adres,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. F.A. de Munnik-Hoogendoorn te Dronten.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 17 november 2016 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- een brief van de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad) van

3 december 2018 met productie(s).

1.3

Op 10 december 2018 is de mondelinge behandeling voortgezet. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad zijn mevrouw

[A] en de heer [B] verschenen.

De pleitnota die mr. Celikkal ter zitting in het geding had willen brengen, heeft het hof geweigerd, nu deze in strijd met artikel 1.4.5 van het procesreglement uit veel meer dan twee bladzijden (A4-formaat en enkelzijdig beschreven) bestond. Mr. De Munnink-Hoogedoorn heeft het woord ter zitting mede gevoerd aan de hand van een door haar overgelegde pleitnota.

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van

17 november 2016, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.2

Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

2.3

Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. Voor gezamenlijk gezag is in het algemeen vereist dat de ouders in feitelijk in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen. Het gaat dan niet zozeer om beslissingen over de dagelijkse opvoeding, maar om beslissingen over bijvoorbeeld medische behandelingen, schoolkeuze en het aanvragen van een paspoort.

2.4

Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer mee dat in het belang van het kind het ouderlijk gezag door een van de ouders moet worden uitgeoefend. Dit kan anders zijn indien de bestaande communicatieproblemen zodanig ernstig zijn dat er een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarige klem of verloren raakt tussen de ouders wanneer zij het ouderlijk gezag gezamenlijk gaan uitoefenen, zonder dat te verwachten is dat in die problematische situatie binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. In dat geval kan de conclusie gerechtvaardigd zijn dat één van de ouders alleen met het ouderlijk gezag over het kind belast blijft.

2.5

In de hiervoor genoemde tussenbeschikking heeft het hof overwogen dat het zich onvoldoende voorgelicht achtte om een gedegen beslissing te nemen en de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar de wenselijkheid om de vader tezamen met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] , geboren [in] 2011, (verder te noemen: [de minderjarige] ) en hierover te adviseren. Daarnaast heeft het hof geoordeeld dat een persoonlijkheidsonderzoek van de ouders aangewezen is.

2.6

De raad heeft onderzoek verricht en in dat kader door tussenkomst van het NIFP een forensisch psychologisch onderzoek van [de minderjarige] en de ouders laten verrichten. Op

3 december 2018 heeft de raad zijn rapport uitgebracht. De raad concludeert op basis van zijn onderzoek dat een wijziging in het gezag, conform het verzoek van de vader, op dit moment niet in het belang van [de minderjarige] is. Voor het uitoefenen van gezamenlijk gezag is het van belang dat de ouders met elkaar in gesprek kunnen over [de minderjarige] , kunnen praten en overleggen over zijn toekomst en welke gezamenlijk gedragen beslissingen in het belang van [de minderjarige] gemaakt moeten worden. De raad ziet op dit moment meerdere belemmeringen ten aanzien van het uitoefenen van het gezamenlijke gezag door beide ouders.

Uit het onderzoek is gebleken dat er geen gezamenlijk gedragen verhaal van de geschiedenis van dit gezinssysteem (vader-moeder- [de minderjarige] ) is doordat belevingen van de ouders van hun relatie ver uit elkaar liggen. Daarmee is er volgens de raad geen basis, en feitelijk nooit geweest, om met problemen die in ieder gezin in meer of mindere mate ontstaan om te gaan dan wel deze te hanteren. Er is niets gezamenlijks opgebouwd waar ouders op kunnen terugvallen. Een volgende belemmering is volgens de raad dat na het uiteengaan van de ouders er nauwelijks contact tussen de ouders is geweest. De detentie van de vader, de angst en individuele problemen van de moeder alsook het feit dat er, inmiddels langdurig, juridische procedures gevoerd worden en tot nog toe zonder uitkomst, zijn hierop van invloed geweest. De ouders hebben na het uiteengaan niet kunnen 'oefenen' met het vormgeven van ouderschap zonder partnerschap.

Volgens de raad komt zowel uit het gesprek met de moeder als uit de NIFP-rapportage naar voren dat de moeder de vader dominant, bepalend en onbetrouwbaar vindt. De moeder voelt zich (nog) niet opgewassen tegen de vader en dat maakt dat zij sterk afhoudend in het contact met de vader is en [de minderjarige] daar tegen wil beschermen. De vader voelt zich door de moeder en haar familie onrechtvaardig behandeld. De vader is positief over de moeder en haar kwaliteiten als opvoedster van [de minderjarige] ; onderliggend is er bij de vader sprake van boosheid en gekrenktheid naar de moeder en vooral moeders familie.

Overige belemmerende factoren zijn volgens de raad het gegeven dat de moeder samen met [de minderjarige] op een voor de vader geheim adres verblijft en dat ook het woonadres van de vader geheim is. Daarnaast is er sprake van een locatie- en contactverbod voor de vader met de moeder en haar familie.

De dynamiek tussen de ouders maakt dat het NIFP inschat dat enerzijds professionele ondersteuning nodig is om enige constructieve communicatie tussen de ouders mogelijk te maken, anderzijds dat een geëigende interventie als ouderschapsbemiddeling door de strijd tussen de ouders op dit moment niet ingezet kan worden. Forensische mediation is een andere optie, maar wordt als risicovol gezien om als voorwaarde te stellen voor het opstarten van contact tussen vader en [de minderjarige] gezien de huidige situatie tussen ouders. Gevolg is volgens de raad dat vooralsnog niet direct ingezet kan worden op de communicatie tussen de ouders, waardoor bij gezamenlijk gezag een onaanvaardbaar risico ontstaat dat [de minderjarige] klem of verloren raakt tussen beide ouders. De raad adviseert om het verzoek van de vader om samen met de moeder met het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] te worden belast af te wijzen.

2.7

Gelet op de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht heeft het hof geconstateerd dat, hoewel beide ouders van mening verschillen over wat zich in het verleden heeft afgespeeld, duidelijk is dat de moeder zich toen (en thans nog steeds in zekere mate) onveilig heeft gevoeld in het contact met de vader. De verhoudingen tussen de moeder en de vader zijn ernstig verstoord geraakt en er is tijdenlang geen enkele communicatie tussen de ouders geweest. De moeder informeert de vader inmiddels wel weer eens per kwartaal zelf over hoe het met [de minderjarige] gaat, maar nog steeds is sprake van een ernstig verstoorde vertrouwensrelatie tussen hen. Het hof is op grond van de stukken en de indruk die het hof ter zitting van de moeder heeft gekregen van oordeel dat de moeder authentiek is in haar angsten voor de vader, waarbij de vraag of deze gevoelens objectief gerechtvaardigd zijn minder relevant is. Die angsten brengen bij de moeder grote spanningen teweeg. De moeder ervaart de vader als zeer dominant en zegt niet in staat te zijn met hem te overleggen.

Uit het NIFP-onderzoek blijkt dat de vader het wantrouwen en de angst van de moeder voor hem bagatelliseert. Verder blijkt dat in het contact met de vader een sterk wisselend beeld werd gezien tijdens het onderzoek, variërend van prikkelbaar, wantrouwend en vijandig tot meer ontspannen, toegankelijk en vriendelijk. Volgens het NIFP-onderzoek maakt de vader een verbaal vaardige en dominante indruk.

De vader geeft volgens het rapport blijk van een sterke behoefte aan controle, duidelijkheid en overzicht, die niet zozeer voort lijkt te komen uit rigiditeit, maar eerder uit een fundamenteel wantrouwen naar anderen, vermoedelijk ontstaan door negatieve ervaringen die hij in de loop van zijn leven heeft opgedaan. De vader heeft de neiging direct en zonder terughoudendheid verbaal fel, scherp en devaluerend te reageren, zeker wanneer hij weinig controle ervaart. Ook ter zitting van het hof liet de vader imponerend gedrag zien, was hij verbaal overheersend en probeerde hij de zitting te controleren. Hoewel het hof begrijpt dat de emoties bij de vader hoog oplopen omdat hij [de minderjarige] al zeer geruime tijd niet heeft gezien en graag betrokken wil zijn bij zijn leven dient de vader zich te realiseren dat hierdoor de communicatie over [de minderjarige] met anderen bemoeilijkt wordt. De kans dat communicatie met de vader, hetgeen inherent is aan gezamenlijk gezag, de draagkracht van de moeder overstijgt, acht het hof op grond van het voorgaande bijzonder groot.

2.8

Uit het raadsrapport blijkt dat [de minderjarige] zich op het moment goed ontwikkelt. Met de raad is het hof van oordeel dat deze positieve ontwikkeling niet verstoord dient te worden. Vanwege de angsten van de moeder voor de vader en de daarmee samenhangende verstoorde verstandhouding tussen de ouders acht het hof aannemelijk dat bij gezamenlijke gezagsuitoefening instabiliteit en onrust zal ontstaan in de opvoedingssituatie bij de moeder en dat dit een negatieve weerslag zal hebben op de ontwikkeling van [de minderjarige] . Het hof acht dit in strijd met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige] . Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van het hof niet van de moeder worden verlangd dat zij met de vader over belangrijke beslissingen over [de minderjarige] overlegt. Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak de bestaande communicatieproblemen tussen de ouders (ten gevolge van de verstoorde vertrouwensrelatie) zodanig ernstig zijn dat er een reëel en onaanvaardbaar risico bestaat dat [de minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders wanneer deze het gezamenlijk gezag over hem zullen gaan uitoefenen en met elkaar in overleg zullen moeten treden of tot overeenstemming zullen moeten komen over belangrijke zaken die zijn opvoeding en verzorging betreffen. Het hof verwacht niet dat er binnen afzienbare tijd verbetering komt in de wijze van communiceren tussen partijen. Het hof is dan ook met de rechtbank en de raad van oordeel dat het verzoek van de vader om te bepalen dat de ouders voortaan het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] zullen hebben op dit moment dient te worden afgewezen.

2.9

Het hof geeft beide partijen dringend in overweging om aan zichzelf te werken en te proberen de blokkades die zij ervaren in de communicatie met de ander weg te nemen. De vader heeft zich hiertoe bereid verklaard en lijkt zich intrinsiek te willen inzetten om te werken aan de onderlinge verstandhouding. Hij dient oog te hebben voor zijn eigen rol in het geheel en zich hierbij bewust te zijn van het feit dat zijn gedreven manier van communiceren op een ander intimiderend kan overkomen. Zoals hiervoor aangegeven ervaart de moeder nog veel blokkades in het contact met de vader. De moeder dient hulp voor zichzelf te zoeken om aan haar angsten te werken en zich steviger ten opzichte van de vader te kunnen opstellen. Zodra zij in staat is daadwerkelijk te werken aan de blokkades die van haar kant de ontbrekende communicatie in stand houden is een verbetering in de verhouding tussen de ouders denkbaar. Dat kan niet anders dan in het belang van [de minderjarige] zijn. Voor een goede gezonde ontwikkeling zou het het beste zijn als [de minderjarige] een onbelast en vrij contact met beide ouders kan hebben en dat de moeder hem op een neutrale wijze over de vader kan informeren.

3 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van

23 september 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en

B.J. Voerman, bijgestaan door mr. M. Koster als griffier, en is op 10 januari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.