Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:1946

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-02-2019
Datum publicatie
12-03-2019
Zaaknummer
200.247.364/01 en 200.247.386/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 22 Rv: discretionaire bevoegdheid rechter om te bevelen of bepaalde medische verslagen door GI moeten worden overgelegd. GI krijgt gedeeltelijk gezag met betrekking tot het geven van bestemming voor medische behandeling van het kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.247.364/01 en 200.247.386/01

(zaaknummers rechtbank C/19/123463 / JE RK 18-314 en C/19/123808/JE RK 18-373)

beschikking van 26 februari 2019

inzake

[verzoekster] ,

wonende in [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. L.A.E. Timmer te Rotterdam,

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

gevestigd te Groningen,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

In de beide zaken, met nummers 200.247.364/01 en 200.247.386/01, zijn als belanghebbenden aangemerkt:

1. [de pleegouders1] ,

wonende op een geheim adres,

verder ook te noemen: de pleegouders van [de minderjarige2] .

In de zaak met nummer 200.247.364/01 zijn tevens als belanghebbenden aangemerkt:

2. [de pleegouders2] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de pleegouders van [de minderjarige1] .

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de twee beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 21 augustus 2018, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

In beide zaken blijkt het verloop van de procedure uit:

- de beroepschriften met productie(s), ingekomen op 5 oktober 2018;

- een journaalbericht van mr. Timmer van 25 oktober 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Timmer van 30 november 2018 met productie(s);

- een brief van de GI van 20 december 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Timmer van 7 januari 2019 met productie(s).

2.2

Zowel de na te noemen minderjarige [de minderjarige1] als de na te noemen minderjarige [de minderjarige2] hebben bij brief, binnengekomen bij de griffie van het hof op 19 december 2018 respectievelijk 7 december 2018, hun mening kenbaar gemaakt.

2.3

De zaken zijn gelijktijdig behandeld op 14 januari 2019. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- namens de GI: mevrouw [C] en mevrouw [D] ;

- de pleegmoeder van [de minderjarige2] .

3 De feiten

3.1

Uit de relatie van de moeder met [E] zijn geboren:

- [de minderjarige1] [in] 2004 (hierna: [de minderjarige1] );

- [de minderjarige2] , geboren [in] 2005 (hierna: [de minderjarige2] ).

De vader oefende tot in 2009 gezamenlijk met de moeder het gezag uit. De moeder oefende sindsdien het gezag over de kinderen alleen uit, met dien verstande dat de GI sinds de beschikking van de rechtbank van 5 april 2017 is belast met het gezag over [de minderjarige2] met betrekking tot het geven van toestemming voor een medische behandeling. Deze maatregel is verlengd tot 30 augustus 2019 in de bestreden beschikking met zaaknummer C/19/123808 / JE RK 18-373.

Bij beschikking van 12 december 2018 heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, het gezag van de moeder over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] beëindigd en de GI tot voogd benoemd.

3.2

De kinderen zijn voor het eerst in 2008 door de kinderrechter onder toezicht gesteld. Bij beschikking van de kinderrechter van 19 februari 2009 is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] beëindigd en die van [de minderjarige1] verlengd. In oktober 2010 is [de minderjarige2] wederom onder toezicht gesteld. Na een gezinsopname bij [F] in juni 2011, is op 27 oktober 2011 de ondertoezichtstelling van beide kinderen beëindigd. Bij beschikking van 9 maart 2016 heeft de kinderrechter de kinderen opnieuw onder toezicht gesteld tot 9 september 2016. Deze maatregel is nadien steeds verlengd.

3.3

In aansluiting op een ziekenhuisopname verblijft [de minderjarige2] sinds 23 december 2015 in het huidige pleeggezin, vanaf 9 maart 2016 op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing. Deze machtiging is nadien telkens verlengd, laatstelijk bij de bestreden beschikking met zaaknummer C/19/123463 / JE RK 18-314 voor de periode tot 30 augustus 2019.

3.4

[de minderjarige1] is na de machtiging tot uithuisplaatsing van 22 december 2016op 27 december 2016 uit huis geplaatst en verblijft sinds juli 2017 in een perspectiefbiedend pleeggezin. De machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] is laatstelijk verlengd in de bestreden beschikking met zaaknummer C/19/123463 / JE RK 18-314 voor de periode tot 30 augustus 2019.

3.5

Bij beschikking van de rechtbank van 5 april 2017 is de GI belast met het gezag over [de minderjarige2] met betrekking tot het geven van toestemming voor een medische behandeling tot en met 30 augustus 2017. bij beschikking van de rechtbank van 2 augustus 2017 is de GI belast met het gezag over [de minderjarige2] met betrekking tot het geven van toestemming voor een medische behandeling met ingang van 30 augustus 2017 tot 30 augustus 2018. Het hof heeft die beschikking bij beschikking van 23 november 2017 bekrachtigd. Op verzoek van de GI heeft de rechtbank die toestemming in de bestreden beschikking met zaaknummer C/19/123463 / JE RK 18-314 verlengd tot 30 augustus 2019.

4 De omvang van het geschil

4.1

In de zaak met nummer 200.247.364/01 is de moeder met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende primair de verzoeken van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van één jaar af te wijzen, subsidiair ten aanzien van [de minderjarige1] te bekorten tot een termijn van maximaal twee maanden, en ten aanzien van [de minderjarige2] te beperken tot een periode van zes maanden, dan wel (meer) subsidiair te beperken tot negen maanden.

4.2

In de zaak met nummer 200.247.386/01 is de moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende het verzoek van de GI tot verlenging van de duur van de uitoefening van het gezag over [de minderjarige2] door de GI met betrekking tot het geven van toestemming voor een medische behandeling tot 30 augustus 2019 primair niet-ontvankelijk te verklaren dan wel subsidiair af te wijzen.

4.3

De GI heeft in beide zaken verweer gevoerd.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen is in hoger beroep niet in geschil. Het hof zal hierna eerst de door de moeder verzochte verstrekking van stukken beoordelen, vervolgens de bestreden verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en tot slot de bestreden verlenging van de uitoefening van het gezag door de GI met betrekking tot het geven van toestemming voor een medische behandeling van [de minderjarige2] .

Verzoek verstrekking stukken

5.2

De moeder heeft het hof verzocht de GI op grond van het bepaalde in artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te bevelen stukken te verstrekken, zoals het verslag van het onderzoek van [de minderjarige2] bij het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling (LECK) en alle overige medische verslagen over [de minderjarige2] van de afgelopen twee jaren. De GI is het daar niet mee eens.

5.3

Artikel 22 Rv bepaalt in lid 1 dat de rechter in alle gevallen en in elke stand van de procedure partijen of een van hen kan bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde, op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen. Dat is een discretionaire bevoegdheid van de rechter en niet een recht van partijen. Het staat partijen evenwel vrij om de rechter te vragen die bevoegdheid uit te oefenen. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, in het bijzonder ook dat wat de GI heeft verklaard over het belang van [de minderjarige2] daarin, ziet het hof geen aanleiding om verstrekking van de verzochte medische stukken van [de minderjarige2] te bevelen. Het hof acht zich overigens voldoende geïnformeerd door de thans aanwezige informatie.

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing [de minderjarige1] en [de minderjarige2]

5.4

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

5.5

Het hof heeft in de beschikkingen van 1 juni 2017 en 11 januari 2018, die zagen op het hoger beroep van de moeder tegen eerdere (verlengingen van de) machtigingen tot uithuisplaatsing, gemotiveerd uiteengezet waarom er sprake was van zodanig ernstige zorgen dat een uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding of tot onderzoek van hun geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Gebleken is - kort gezegd - dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] door alles wat zij meegemaakt hebben zeer beschadigde en kwetsbare kinderen zijn. In hoeverre de vermoedens dat bij de moeder sprake is Munchausen by Proxy juist zijn en daarbij een rol hebben gespeeld zal het hof in het midden laten. Immers, niet te ontkennen valt dat de kinderen beiden zeer zorgelijk gedrag laten zien waarbij duidelijk is dat de zorgen om [de minderjarige2] op dit moment groter zijn dan de zorgen om [de minderjarige1] . Veel van de argumenten van de moeder zijn in die eerdere beschikkingen reeds gemotiveerd beoordeeld door het hof. Het hof verwijst naar de overwegingen 5.3 tot en met 5.10 in de beschikking van 11 januari 2018.

5.6

Uit de overgelegde stukken en dat wat op de zitting is besproken zijn geen zodanige wijzigingen gebleken dat op grond daarvan moet worden teruggekomen op het eerdere oordeel over de noodzaak van de machtiging tot uithuisplaatsing. Integendeel, ook in deze procedure is gebleken dat de situatie nog onverkort zeer zorgelijk is.

5.7

Inmiddels is het onderzoek door het LECK van [de minderjarige2] afgerond. Er is medisch onderzoek gedaan naar de verontrustende lichamelijke klachten van [de minderjarige2] , maar er is geen fysieke oorzaak gevonden. Daarna is [de minderjarige2] aangemeld bij [G] voor ambulante hulpverlening. Bij [de minderjarige2] is er sprake van ernstige trauma’s en herbelevingen. Zij geeft aan dat er vreselijke dingen zijn gebeurd bij de moeder thuis. Ook als haar verhaal niet of niet helemaal zou kloppen, dan geeft dit reden voor grote zorg.
Vanaf begin november 2018 is [de minderjarige2] gestart met een ambulante EMDR-therapie. Die bleek erg belastend te zijn voor [de minderjarige2] . Zij heeft op 14 november 2018 geprobeerd voor de trein te springen maar is op de weg ernaartoe tegengehouden. Zij is toen direct opgenomen in [H] in [I] en heeft daar een week verbleven.
[de minderjarige2] is nog steeds suïcidaal. Het weekend vóór de zitting van het hof is zij weggelopen met het doel om voor een bus te springen, wat door ingrijpen van de pleegmoeder is voorkomen. [de minderjarige2] heeft intensievere traumatherapie nodig. [de minderjarige2] en haar pleegmoeder zullen daartoe in [H] worden opgenomen.

5.8

Met [de minderjarige1] lijkt het op het oog goed te gaan, maar hij laat niettemin zorgwekkend gedrag zien. De pleegmoeder hoort regelmatig bonkende geluiden op zijn kamer. De verklaring van [de minderjarige1] bij navraag, dat hij zijn hoofd heeft gestoten is, gelet op de meerdere bonzen die gehoord worden, niet erg aannemelijk. [de minderjarige1] vertoont in het pleeggezin aangepast gedrag alhoewel hij met hulp meer eigenheid aan het ontwikkelen is. Hij is nog steeds een gesloten jongen, die weinig emoties laat zien. [de minderjarige1] heeft het hof laten weten dat hij zijn moeder erg mist en het liefste weer bij zijn moeder thuis woont. Vanwege alles wat er in het verleden is gebeurd, de ingewikkelde situatie en de grote zorgen die er nog bestaan kan het hof zijn wens niet in vervulling laten gaan.

5.9

De ernstige zorgen over de moeder zijn evenmin weggenomen. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de uitkomsten van het NIFP-onderzoek zoals weergegeven in de beschikking van 11 januari 2018. Verder heeft de moeder (wederom) de conclusies uit het NIFP-rapport ter discussie gesteld, maar dat rapport niet overgelegd in deze procedure. Overigens zijn de klachten van de moeder tegen het rapport van het NIFP ongegrond verklaard.

De moeder stelt weliswaar al enkele jaren onder behandeling van een psychiater te zijn maar zolang zij niet in staat is haar eigen rol in de situatie van de kinderen onder ogen te zien kan zij daarin geen verandering brengen. Dat die opvoedsituatie bij de moeder structureel verbeterd is, is dan ook niet gebleken.

5.10

Door de complexe en langdurige problematiek hebben de kinderen een stabiele opvoedingsomgeving nodig die flexibel is en blijvend aansluit bij hun specifieke ontwikkelingsbehoeften. De moeder is onvoldoende in staat voor een veilige en gezonde opvoedings- en ontwikkelingssituatie te zorgen. Het hof acht verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dan ook noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding.

Gedeeltelijke uitoefening van het gezag over [de minderjarige2] door de GI

5.11

Op grond van artikel 1:265e, eerste lid sub b BW kan de kinderrechter bij verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing en ook nadat deze machtiging is verleend, op verzoek bepalen dat het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de gecertificeerde instelling die het toezicht uitoefent, voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter kan dit onder meer doen met betrekking tot het geven van toestemming voor een medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar of een minderjarige van twaalf jaar of ouder die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen daarover. Een dergelijke verzoek kan op grond van het vierde lid van dat artikel worden ingediend door de GI.

5.12

De moeder heeft betoogd dat de GI niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in dit verzoek, omdat de GI heeft nagelaten te onderzoeken of [de minderjarige2] al dan niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van haar belangen met betrekking tot een medische behandeling.

5.13

Het hof heeft in de beschikking van 23 november 2017, die over een eerdere periode ging, een oordeel gegeven over de vraag of [de minderjarige2] - die op 12 juli 2017 de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt - in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van haar belangen op dit punt. Het hof heeft toen gewezen op de extreem zorgwekkende kindproblematiek rond [de minderjarige2] , de fysieke klachten, de toenemende gedragsproblemen, haar angsten en stemmingsproblematiek. Het hof heeft overwogen dat de volwassenen die bij de medische problematiek van [de minderjarige2] zijn betrokken, nagenoeg handelingsverlegen zijn, laat staan dat deze - toen - twaalfjarige - zelf hieromtrent in staat is tot een redelijke waardering van haar belangen. Het hof onderschrijft nog steeds deze argumentatie. Het hof neemt in aanmerking dat de huidige situatie van [de minderjarige2] onverkort uitermate zorgelijk is (zie r.o. 5.7), waarbij de omstandigheid dat [de minderjarige2] pogingen doet om haar leven te beëindigen veelzeggend is. Het hof concludeert daarom dat [de minderjarige2] (nog steeds) niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van haar belangen inzake een medische behandeling.

5.14

Evenals in overweging 5.5 van de beschikking van 23 november 2017 is overwogen dient de GI naar het oordeel van het hof alle ruimte te hebben om behandelingen te kunnen inzetten die passend zijn bij de problematiek van [de minderjarige2] . De moeder betwijfelt of de GI voldoende hulp voor [de minderjarige2] inzet, vreest dat de verkeerde hulpverlening wordt geboden en merkt op dat zij haar dochter beter kent en vanuit de voorgeschiedenis beter kan inschatten wat wel of niet wenselijk of helpend zou kunnen zijn. Het hof stelt vast dat ook in de afgelopen periode onder regie van de GI onderzoek heeft plaatsgevonden naar de lichamelijke en geestelijke problematiek waarmee [de minderjarige2] kampt en behandelingen zijn ingezet. Dat er inmiddels een nieuwe behandeling nodig is volgt uit overweging 5.7: [de minderjarige2] gaat starten met een intensieve traumabehandeling bij [H] in [I] . Uit het dossier maakt het hof op dat door de GI steeds, in overleg met professionele hulpverleners, gekeken is naar de draagkracht van [de minderjarige2] en de inzet van hulpverlening daar zorgvuldig op afgestemd is.

Gelet op de ernst van de problematiek van [de minderjarige2] in combinatie met de complexe problematiek rond de moeder is het van belang dat de GI in lijn met de regievoerend kinderarts kan optreden bij medische behandelingen van [de minderjarige2] . Het is niet in het belang van [de minderjarige2] dat de GI telkens toestemming voor een behandeling aan de moeder dient te vragen. De moeder heeft haar eigen visie op de (medische) situatie van [de minderjarige2] , die afwijkt van de hulpverleners, waardoor slagvaardig optreden wordt belemmerd. Hoewel de moeder al ruim een jaar geen bevoegdheid meer had om te beslissen over medische behandelingen van [de minderjarige2] , heeft de moeder daarin toch geprobeerd te sturen. Zo heeft zij een brief aan de huidige kinderarts gestuurd waarin de moeder aangeeft dat [de minderjarige2] niet onder narcose mocht omdat zij anders in een coma zou raken en dat zij een hartruisje zou hebben, terwijl deze informatie onjuist is. Dit leidt het hof tot het oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft beslist dat de Gl ook over de periode vanaf 30 augustus 2018 nog over elke medische behandeling van [de minderjarige2] dient te kunnen beslissen.

6 De slotsom

Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de rechtbank om de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te verlengen, alsmede de beslissing om de uitoefening van het gezag door de GI met betrekking tot het geven van toestemming voor een medische behandeling van [de minderjarige2] te verlengen, bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep

in zaak 200.247.364/01:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 21 augustus 2018, met zaaknummer C/19/123463 / JE RK 18-314, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;

en in zaak 200.247.386/01:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 21 augustus 2018, met zaaknummer C/19/123808 / JE RK 18-373;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en B. Voerman, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, en is op 26 februari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.