Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:191

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-01-2019
Datum publicatie
25-01-2019
Zaaknummer
17/00443
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:1703, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vpb. Omkering en verzwaring van de bewijslast. Redelijke schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 25-01-2019
FutD 2019-0224
V-N Vandaag 2019/192
NLF 2019/0411 met annotatie van Ronald van den Brekel
V-N 2019/19.24.10
NTFR 2019/273
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 17/00443

uitspraakdatum: 15 januari 2019

Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

en het incidentele hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 maart 2017, nummers AWB 14/8791 tot en met 14/8796 en 14/8813, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd, berekend naar een belastbare winst en tevens belastbaar bedrag van € 421.030. Bij beschikking is heffingsrente berekend.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de navorderingsaanslag Vpb 2010 verminderd tot een berekend naar een belastbare winst van € 146.030 en de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2018. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.6.

Het (incidenteel) hoger beroep is gelijktijdig behandeld met de hoger beroepen in de zaken van belanghebbende met nummers 17/00438 tot en met 17/00442 en 17/00444, met de zaken van [A] B.V. (nummers 17/00433 tot en met 17/00437) en [B] B.V. (nummers 17/00445 tot en met 17/00449).

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende maakt lichtbakken. Zij zet daartoe frames en lampen in elkaar. Haar afnemers bedrukken de lichtbakken met lichtreclame en leveren de bakken af bij de eindgebruiker.

2.2.

De aandelen in belanghebbende worden voor 50 percent gehouden door [C] , voor 46 percent door [B] B.V. en voor 4 percent door [D] . De aandelen in [B] B.V. worden gehouden door [E] .

2.3.

Tot 2010 werd belanghebbende bestuurd door [C] en [E] . [C] is de vader van [E] en de broer van [D] . Vanaf 1 januari 2010 is [B] B.V. bestuurder van belanghebbende.

2.4.

[A] B.V. is op 6 mei 2002 door [F] B.V. opgericht onder de naam [G] B.V.

2.5.

Belanghebbende heeft op 1 november 2006 een contract gesloten met [H] Ltd (hierna: [H] ), een Chinese leverancier van ledverlichting. In dit contract is vastgelegd dat belanghebbende de exclusieve rechten verwerft om ledverlichting van [H] te mogen verkopen in Nederland en België.

2.6.

[F] B.V. heeft tot 8 juni 2007 een 100%- aandelenbelang in [G] B.V. gehad. Op 8 juni 2007 heeft [B] B.V. alle aandelen van [G] B.V. gekocht. Per 1 augustus 2007 is de naam [G] B.V. gewijzigd in [A] B.V.

2.7.

Belanghebbende, [B] B.V. en [A] B.V. vormen geen fiscale eenheid voor de Vpb.

2.8.

[A] B.V. ontvangt op 27 maart 2009, via het mailadres info@ [X] .nl, van [I] , werkzaam voor [H] , het volgende bericht:

“Dear Sir,

How are you today? wish everything goes all right with you work and life!

We obtained your company information from the LED & Sign exhibition before and got to know you are dealing with LED materials, as one of the biggest LED manufacturers specialized in making LED modules, LED strips and LED display for sign and decoration in China, we sincerely hope to establish a happy and firm business cooperation with your company.

For your understanding of our LED, below are some popular products for sign and decoration for your reference:

(…)”

2.9.

Op 27 maart 2009 stuurt [E] namens belanghebbende de volgende reactie:

“Dear [I] ,

We already are buying many led modules from you throught Stone, maybe i even met you when you visited Amsterdam.

Met vriendelijke groet / Best regards,

[E]

[X] bv”

2.10.

Op 28 maart 2009 ontvangt [E] de volgende reactie:

“Dear Rob,

Thanks for your reply and nice to know you are have business with our company, I am fresh people here, and I am sorry if my email disturbed you somewhat,

Thanks also for your invitation to Amsterdam, 1 wish I could be that beautiful city sometime, as well, we also invite you to Shenzhen and our company next time when you come to China again,

Any inquiry about LED, please just contact our manager Mr [J] , he will offer you always most competitive prices.

Cheers,

[I] ”

2.11.

Op 31 maart 2010 hebben belanghebbende, [B] B.V. en [A] B.V. een overeenkomst ondertekend. In deze overeenkomst is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

" Artikel 1: overdrach t

1.1

[B] neemt over van [X] de rechten en plichten zoals bepaald in de overeenkomst tussen [X] en [H] Ltd, (…) (hierna te noemen: het contract);

1.2

De onder sub 1. genoemde rechten en plichten worden overgedragen om niet (...).

Artikel 2: Royaltie s

2.1

[B] draagt de exploitatie van het contract over aan [A] , welke zorg zal dragen voor de in- en verkoop van de "LED" producten;

2.2

[A] betaalt aan [B] een fee in verband met het exclusieve recht tot exploitatie van het contract ter grootte van 25% van de bruto marge van de "LED" producten;

(...)

Artikel 4: ondersteunin g

4.1

[X] zal [A] tijdelijk ondersteunen bij de exploitatie van het contract door zorg te dragen voor opslag en handling;

4.2

Gedurende de onder sub 1. genoemde periode betaalt [A] aan [X] een handling fee voor de door [X] ten behoeve van [A] gemaakte kosten;

(…)

Artikel 6: looptij d

6.1

Deze overeenkomst is met ingang van 1 november 2006 aangegaan voor onbepaalde tijd;

(...)

ALDUS MONDELING OVEREENGEKOMEN OP 1 NOVEMBER 2006 EN IN DRIEVOUD OPGEMAAKT EN ONDERTEKEND TE [Z] OP 31/3 2010"

2.12.

Op 26 mei 2010 mailt [E] het volgende aan [J] :

“I have got more info from customer, they tell me [H] has mailed them and are offering them a 3 year warranty on smd modules.

i can hardly compete then with [H] ofcourse, but how about our agency agreement we have with [H] , because this is not correct business from [H] , we are supplier of led modules in our country and we do have a signed contract for the netherlands. If [H] will deliver and i will know, i will look at the options.

I get many offers from other factories every week who promise me the countries we deliver now as our area, since we have made it quite a succes now, but i prefer the business and contract we have and have done already, i do not mind you or [H] earn a bit more, but i expect from [H] not to deliver at least in our own country.”

2.13.

[J] reageert op 27 mei 2010 als volgt:

“Forget [H] in the future. Just [K] .

[H] signed many contracts on exclusive agency in many different countries. But [H] still sold to other customers in the same country. They even sold to the customers' customers directly. The customers in Italy and France complained a lot for that reason. [H] 's salesman even promised 5 years' warranty and they told me that they absolutely know that they already left [H] 3 or 5 years later.

Let's work together to fight any competitors in the market.”

2.14.

[J] heeft op 13 juni 2017 het volgende verklaard:

“ [A] signed a contract with [H] for the Netherlands and Belgium market. After a short period I noticed that [H] sold to more customers in this area and I was powerless to prevent that happening. So I started a new production company of led modules with high quality called [K] . Since the end of 2009 [A] is the customer of [K] and there is no continuation of any contract with [H] . [A] even stopped buying at [H] and we started to focus on quality together. [A] and [K] Lighting have been partners for 8 years.”

2.15.

De grootboekkaarten van belanghebbende over 2010 en 2011 vermelden de inkoop van onder andere [K] materiaal (hierna: [K] ), [L] import led en import china led tl. De naam [H] komt op de grootboekkaarten over deze jaren niet voor.

2.16.

Op 11 januari 2011 is de Inspecteur bij belanghebbende een boekenonderzoek gestart naar, in eerste instantie, de aanvaardbaarheid van de aangiften Vpb, omzetbelasting en loonbelasting over het jaar 2008. De onderzoeksbevindingen hebben ook gevolgen gehad voor de aanvaardbaarheid van de aangiften Vpb 2007, 2009 en 2010 en de aangifte omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011. In het rapport boekenonderzoek is onder meer het navolgende opgenomen:

“4 Contract inzake verkoop led-verlichting

In dit hoofdstuk behandelen we het contract inzake verkoop led-verlichting. Met dit contract wordt een groot deel van de omzet behaald. Tevens heeft het merendeel van de posten in de winst- en verliesrekening betrekking op dit contract.

(…)

4.1

Algemeen

[X] BV heeft op 1 november 2006 een contract (hierna: het contract) gesloten met een Chinese leverancier van led-verlichting, te weten: [H] Ltd (hierna: [H] ). In het contract is vastgelegd dat [X] BV de exclusieve rechten verwerft om led-verlichting van [H] te mogen verkopen in Nederland en België. De toepassing van led-verlichting in de lichtbakkenindustrie stond op dat moment nog in de kinderschoenen. Al snel blijkt de verkoop van led-verlichting een groot succes te zijn. De omzet en winsten die uit het contract voortvloeien stijgen vanaf 2006 sterk.

Op 31 maart 2010 hebben [X] BV, [B] BV en [A] BV een overeenkomst (hierna: de overeenkomst) ondertekend. De overeenkomst is als bijlage 3 bij dit rapport gevoegd.

In de overeenkomst is vastgelegd dat [X] BV de rechten op verkoop van led-verlichting overdraagt aan [B] BV. Deze overdracht geschiedt om niet.

In de overeenkomst is eveneens vastgelegd dat [B] BV deze verkooprechten niet zelfstandig gaat exploiteren, maar de exploitatierechten overdraagt aan [A] BV. [A] BV betaalt voor de exploitatierechten een fee ter grootte van 25% van de brutomarge die zij met de verkoop van led-verlichting realiseert.

In de overeenkomst is tot slot opgenomen dat [X] BV aan [A] BV ondersteuning biedt bij het exploiteren van de verkooprechten. Deze ondersteuning ziet op de in- en verkoop van de led-verlichting. [X] BV ontvangt voor deze opslag- en handlingswerkzaamheden een fee ter grootte van 33% van de, in de overeenkomst opgesomde, vaste lasten.

Onder de overeenkomst staat vermeld dat deze op 1 november 2006 mondeling is overeengekomen.

(…)

4.2.2

Overdracht verkooprechten led-verlichting

[X] BV draagt, volgens de schriftelijke overeenkomst van 31 maart 2010, de rechten op verkoop van de led-verlichting over aan [B] BV. [B] BV verstrekt in dezelfde overeenkomst aan [A] BV de rechten om het contract te exploiteren. Bij deze overeenkomst staat vermeld; "Aldus mondeling overeengekomen op 1 november 2006".

In de overeenkomst wordt vermeld dat het van meet af aan de bedoeling is geweest dat [B] BV de contractspartner van [H] zou zijn. [H] wilde echter geen contract met [B] BV sluiten vanwege het feit dat in [B] BV geen activiteiten plaatsvonden en er sprake was van een negatief eigen vermogen.

In de overeenkomst wordt eveneens vermeld dat [B] BV [H] op de hoogte zal stellen van de wijziging van de contractspartner, tenzij dit “op enigerlei wijze een risico oplevert voor [X] , [B] of [A] op economisch of juridisch gebied”. [H] is niet van de wijziging op de hoogte gebracht.

Onder de overeenkomst staat vermeld dat de overeenkomst op 1 november 2006 mondeling is overeengekomen tussen [X] BV, [B] BV en [A] BV. Het is echter onmogelijk dat [A] BV op 1 november 2006 de bovengenoemde overeenkomst mondeling is overeengekomen. [A] BV maakt namelijk pas sinds 8 juni 2007 deel uit van het concern.

(…)

4.2.3

Uitoefening verkooprechten led-verlichting

[X] BV heeft vanaf 1 november 2006 tenminste tot aan dit boekenonderzoek de in- en verkoop van de led-verlichting verzorgd.1 Ze bestelt de verlichting bij [H] en verkoopt de ledverlichting aan haar afnemers. Daarnaast zorgt [X] BV voor de opslag en handling van de producten. Tot slot verzorgt ze alle ondersteunende processen, zoals de administratie, de facturatie en de inning. Alle activiteiten vinden plaats op naam van [X] BV.

(…)

1 Sinds 2009 doet [X] BV zaken met [K] , een verkoopkantoor van [H] .

(…)

4.7

Waardering contract

In de schriftelijke overeenkomst van 31 maart 2010 is vastgelegd dat [X] BV de rechten op verkoop van led-verlichting om niet overdraagt aan [B] BV. Een onafhankelijke derde zou, gelet op de opbrengsten die het contract genereert, het contract niet gratis overdragen. Op basis van artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 moet de winst bepaald worden alsof er wel zakelijke voorwaarden zijn overeengekomen. In paragraaf 4.5 is aangegeven dat de overdracht van het contract op 31 maart 2010 ertoe zal leiden dat het contract op dat moment voor de waarde in het economisch verkeer wordt overgedragen aan [B] BV. Voor de waardering van het contract hebben we ondersteuning gevraagd aan de waarderingsgroep binnen de Belastingdienst. In bijlage 6 is de wijze van waardering aangegeven en toegelicht.”

De waarderingsgroep heeft vastgesteld dat de waarde in het economisch verkeer van de overgedragen rechten zich bevind in de range van € 194.000 tot € 644.000. We hebben de waarde van het contract vastgesteld in het midden van deze range, op € 419.000.

Correctie 2010, meer fiscale winst € 419.000

2.17.

Bijlage 6 bij het boekenonderzoek vermeldt het volgende ten aanzien van de waardebepaling van het contract [H] :

Kenmerken rechten

De rechten die [X] BV aan [B] BV overdraagt hebben de volgende kenmerken:

- [H] verleent de rechten voor een periode van tenminste vijf jaar aan [X] BV. Deze periode wordt, indien een van de partijen het contract niet opzegt, stilzwijgend voor een periode van 5 jaar verlengd. De opzegtermijn bedraagt drie maanden voor de afloop van het contract. Op 31 maart 2010 heeft het contract dus een resterende looptijd van tenminste 19 maanden.

- [X] BV onderhoudt in de periode 2006 tot 2010 een goede relatie met [H] . Er zijn geen indicaties dat het contract niet verlengd zal worden.

- Het contract met [H] BV bevat geen boete- of sanctiebepalingen. Ook de overeenkomst waarin [X] BV de verkooprechten levert aan [B] BV bevat geen sanctiebepalingen.

- Er is geen (minimale) afnameverplichting overeengekomen.

(…)

Berekening waarde rechten

De bovengenoemde rechten zijn slechts zeer beperkt verhandelbaar. Er is geen openbare markt waarop aanbieders en vragers de waarde van vergelijkbare rechten bepalen. Dit leidt er mede toe dat een exacte marktwaarde van het contract niet vast te stellen is. De prijsbepaling is sterk afhankelijk van de waarde die marktpartijen aan deze specifieke rechten toekennen. Daardoor kan de waarderingsgroep hierna slechts een brede range aangeven waarbinnen een zakelijk prijs tot stand kan komen.

In de volgende berekening is een inschatting gemaakt van de winsten die de rechten na 31 maart 2010 genereren. De inschatting is onder andere gebaseerd op:

o gerealiseerde winsten in 2009 en het eerste kwartaal 2010,

o de hierboven beschreven SWOT-analyse,

o de verwachte marktontwikkelingen,

o de verwachting dat [B] BV de goede relatie met [H] voortzet.

In het kader van voorzichtigheid zijn de resultaten uit het verleden (2006-2008) niet meegenomen. Immers vanaf 2009 maar zeker in 2010 stijgt de omzet voor led-verlichting bij het [X] -concern waarmee ook een trendbreuk met het verleden ontstaat.

(…)

Conclusie

Uit de bijgevoegde berekening blijkt dat een zakelijke prijs voor deze rechten zich zal bevinden tussen € 194.000 en € 644.000.”

2.18.

De belastbare winst 2010 is als volgt door de Inspecteur gecorrigeerd:

Correctie omzet en inkoopwaarde led-verlichting € 69.094

Correctie opslag- en handelingsfee -/- € 31.061

Correctie loonkosten -/- € 13.675

Correctie waardering contract [H] € 419.000

Correctie lening € 4.640

Correctie rekening-courant -/- € 25

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de navorderingsaanslag Vpb 2010 terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld. Hierbij is specifiek in geschil:

  • -

    of de bewijslast omgekeerd en verzwaard moet worden;

  • -

    of sprake is van een redelijke schatting, en in dat kader,

  • -

    welke waarde aan het contract met [H] dient te worden toegerekend.

Het incidenteel hoger beroep ziet alleen op de vraag welke waarde aan het contract [H] kan worden toegekend.

3.2.

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

Omkering en verzwaring van de bewijslast

4.1.

Artikel 27j, tweede lid, in samenhang met artikel 27e, aanhef en letter a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), bepaalt, voor zover van belang, dat het hoger beroep van de belastingplichtige ongegrond moet worden verklaard indien de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij de belastingplichtige overtuigend kan aantonen dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

4.2.

Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is (vgl. HR 9 november 2012, nr. 11/04578, ECLI:NL:HR:2012: BY2665).

4.3.

Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven (vgl. HR 11 april 2003, nr. 36 822, ECLI:NL:HR:2003:AE3220 en HR 30 oktober 2009, nr. 07/10513, ECLI:NL:HR:2009:BH1083). Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast.

4.4.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende voor het jaar 2010 de vereiste aangifte niet heeft gedaan. De aangegeven belastbare winst is fors gecorrigeerd. De omvang hiervan is dusdanig ten opzichte van de aangegeven belastbare winst dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. Belanghebbende was zich hiervan bewust of had zich hiervan bewust horen te zijn.

4.5.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van aanzienlijke correcties. De omvang van de correcties wordt vooral bepaald door de overdrachtswaarde van € 419.000 die de Inspecteur aan het contract [H] toekent. De waarde van dit contract dient echter op nihil te worden gesteld. Daarnaast zien de correcties op doorberekeningen tussen belanghebbende, [B] B.V. en [A] B.V., zodat het effect per saldo niet omvangrijk is. De winst bij de ene BV is het verlies van de andere BV. Subsidiair stelt belanghebbende ten aanzien van de overdracht van het contract [H] in 2006 een pleitbaar standpunt in te nemen, zodat belanghebbende niet kon weten dat de aangifte onjuist was.

4.6.

Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende door het niet aangeven van de onder 2.18 weergegeven bedragen waarvoor de Inspecteur heeft gecorrigeerd, hierbij de waarde van het contract [H] buiten beschouwing latend, zich ervan bewust had moeten zijn dat als gevolg van die aangifte verhoudingsgewijs en op zichzelf beschouwd een aanzienlijk bedrag aan vennootschapsbelasting niet zou worden voldaan. Redengevend hiervoor is het feit dat belanghebbende, [A] B.V. en [B] B.V. geen fiscale eenheid vormen voor de Vpb en het fiscaal neutraal schuiven van posten tussen deze drie B.V.’s, als ware er sprake van een fiscale eenheid, niet mogelijk is. Belanghebbende had zich hiervan bewust horen te zijn. Weliswaar is de winst bij de ene BV het verlies bij de andere BV, maar dat maakt het effect niet per saldo niet omvangrijk. Hierbij is van belang dat de winsten werden aangegeven bij [B] B.V. welke door verliesverrekening over die winst geen vennootschapsbelasting verschuldigd was, terwijl het in aanmerking nemen van de winst bij [X] B.V. tot gevolg heeft dat over die winst wel vennootschapsbelasting verschuldigd is. Gelet op de onder 2.18 opgenomen correcties hiervoor (exclusief de correctie ter zake van het contract [H] ) is sprake van een bedrag dat absoluut en relatief dusdanig groot is, dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Als gevolg daarvan vindt artikel 27e AWR (omkering en verzwaring van de bewijslast) toepassing. Nu de correctie ter zake van het contract [H] niet is meegewogen om te komen tot omkering en verzwaring van de bewijslast, behoeft de pleitbaarheid van het standpunt van belanghebbende ten aanzien van de waarde van dat contract hier geen bespreking.

Redelijke schatting

4.7.

Deze zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast laten evenwel onverlet dat de Inspecteur gehouden is bij het ambtshalve vaststellen van de aanslag uit te gaan van een redelijke schatting van het inkomen van belanghebbende. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld door een inspecteur (vgl. HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013:BX7184). In dat kader rust op een inspecteur de taak zijn schatting van de belastbare winst zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan (vgl. HR 27 januari 2006, nr. 39872, ECLI:NL:HR:2006:AV0401). Wanneer de inspecteur daarin slaagt, ligt het vervolgens op de weg van de belastingplichtige, wanneer hij de schatting betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren (vgl. HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

4.8.

De schatting door een inspecteur dient, zoals gezegd, de redelijkheidstoets te kunnen doorstaan. In het onderhavige geval is de Inspecteur uitgegaan van de in 2.18 vermelde correcties gebaseerd op het boekenonderzoek (2.16). Voor zover het betreft de correcties anders dan de waarde van het contract [H] heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Hof niet naar willekeur gehandeld. Belanghebbende onderschrijft - nu niet langer in geschil is dat het contract [H] niet voor 31 maart 2010 door belanghebbende is overgedragen aan [A] B.V. - deze correcties.

4.9.

De Inspecteur heeft de correctie van de waarde van het contract [H] (€ 419.000) eveneens gebaseerd op het onder 2.16 weergegeven boekenonderzoek en de daarbij behorende bijlage, weergegeven onder 2.17. De Inspecteur stelt zich hierbij op het standpunt dat [K] en [H] een en dezelfde zijn, althans dat [K] het verkoopkantoor is van [H] .

4.10.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het contract met [H] een waarde heeft van nihil. Het contract met [H] is aangegaan in 2006 en belanghebbende kreeg het exclusieve recht de producten van [H] in Nederland en België te verkopen. In 2009 bleek dat van exclusiviteit geen sprake was en [H] zijn producten ook aan anderen in Nederland en België verkocht. In 2010 heeft belanghebbende daarom geen producten meer afgenomen van [H] maar heeft via [J] producten afgenomen van andere leveranciers, waaronder [K] . De afname is blijven lopen via dezelfde contactpersoon in China, [J] , maar [K] en [H] zijn niet dezelfde leverancier. Nergens blijkt uit dat [K] een verkoopkantoor is van [H] .

4.11.

Naar het oordeel van het Hof volgt uit de onder 2.8 tot en met 2.10, 2.12 en 2.13 weergegeven e-mails dat [H] niet de afgesproken exclusiviteit leverde die in 2006 contractueel is afgesproken. Verder volgt uit de in het dossier aanwezige grootboekkaarten dat belanghebbende vanaf 2010 geen producten meer van [H] afneemt. Dit wordt ondersteund door de verklaring van [J] van 13 juni 2017 (2.14). Uit de e‑mails en de verklaring van [J] komt - anders dan de Inspecteur bepleit - duidelijk naar voren dat [K] niet dezelfde leverancier is als [H] . Het enkele feit dat voor belanghebbende de invoer via dezelfde tussenpersoon ( [J] ) verloopt en daardoor materieel voor belanghebbende niets lijkt te zijn gewijzigd, maakt niet dat het contract [H] relevant is voor afname van ledverlichting bij [K] . De Inspecteur, die bij de waardering van het contract van [H] onder andere is uitgegaan van exclusiviteit, een goede relatie tussen belanghebbende en [H] en van de mogelijkheid van verlenging van dat contract, is daarmee uitgegaan van verkeerde uitgangspunten om tot de door hem verdedigde waarde te komen. Van een redelijke schatting van de waarde van het contract [H] is derhalve geen sprake. Gelet op de genoemde e-mails, de verklaring van [J] en de overgelegde grootboekkaarten, bestaat in redelijkheid geen aanleiding voor een correctie ter zake van de overdracht van het contract [H] . Zo daarvoor redelijkerwijs al een grond zou bestaan, heeft belanghebbende met die stukken overtuigend aangetoond dat de waarde van dat contract op 31 maart 2010 (het moment van overdracht) nihil was.

Interne compensatie

4.12.

De Inspecteur heeft - eerst ter zitting - zich, in het geval dat aan het contract [H] een waarde van minder dan € 419.000 wordt gegeven, beroepen op interne compensatie. Als het contract een waarde heeft van nihil, dan mist de overeenkomst van 31 maart 2010 realiteitszin en dienen verschillende daarop gebaseerde kostenposten te worden gecorrigeerd. Er dient dan vanuit te worden gegaan dat alle inkoop van ledverlichting voor het jaar 2010, ook na 31 maart 2010 via belanghebbende is blijven lopen en niet via [A] B.V.

4.13.

Belanghebbende geeft aan dat het altijd al de intentie is geweest de inkoop van ledlampen via [A] B.V. te laten lopen maar dat dit eerst op 31 maart 2010 schriftelijk is vastgelegd. Vanaf die dag werd voor rekening en risico van [A] B.V. ingekocht.

4.14.

Het beroep op interne compensatie slaagt niet. Het Hof acht aannemelijk dat - gelet op de gehele gang van zaken - vanaf 31 maart 2010 de inkoop heeft plaatsgevonden voor rekening en risico van [A] B.V. Naar het oordeel van het Hof volgt dit uit de geloofwaardige verklaringen van [E] alsook de vastlegging op 31 maart 2010 van de overdracht van het contract [H] . Feitelijk was bedoeld daarmee vast te leggen dat de inkoop van ledverlichting via [A] BV zou gaan lopen in plaats van via belanghebbende. Aannemelijk is geworden dat [A] ook zonder overdracht van het contract [H] toegang had tot de verschillende producenten van ledverlichting; deze dienden zich zelfs uit eigen beweging aan. Niet aannemelijk is geworden dat [A] B.V. hiervoor op enigerlei wijze afhankelijk was van belanghebbende, ook al is ook na 31 maart 2010 nog ingekochte ledverlichting gefactureerd aan belanghebbende. Dat een en ander boekhoudkundig ook niet geheel juist is verwerkt, acht het Hof niet van doorslaggevend belang om anders te oordelen.

4.15.

Gelet op het vorenstaande zal het Hof de redelijke schatting stellen op alle onder 2.18 weergegeven correcties minus de waarde van het contract [H] van € 419.000. Deze waarde dient op nihil te worden gesteld. De belastbare winst en het belastbaar bedrag voor het jaar 2010 dienen daarom te worden verminderd tot € 2.030 (€ 421.030 -/- € 419.000). De navorderingsaanslag moet dienovereenkomstig worden verminderd.

Heffingsrente

4.16.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is in zoverre slechts gegrond voor zover het de vorenbedoelde vermindering van de navorderingsaanslag betreft.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond en het incidenteel hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet aanleiding voor vergoeding van het griffierecht.

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van de proceskosten nu partijen in onderling overleg reeds tot afspraken ten aanzien van de proceskosten zijn gekomen. Wel zal het Hof de door de Rechtbank vastgestelde proceskosten in stand laten, conform de afspraak tussen partijen.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, alleen voor zover het betreft de navorderingsaanslag Vpb 2010 en de daarbij behorende beschikking heffingsrente,

– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur betreffende de navorderingsaanslag Vpb 2010 en de daarbij behorende beschikking heffingsrente,

– vermindert de navorderingsaanslag Vpb 2010 tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 2.030,

– vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig, en

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 501 in verband met het hoger beroep bij het Hof,

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. V.F.R. Woeltjes, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De beslissing is op 15 januari 2019 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.L.M. Egberts) (A.E. Keulemans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 15 januari 2019.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.