Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:1888

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
25-07-2019
Zaaknummer
200.240.236
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Informatie- en consultatieplicht. 1:377b BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.240.236

(zaaknummer rechtbank Gelderland 327564)

beschikking van 28 februari 2019

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [wonplaats] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.H. Aalmoes te Amsterdam

en

[verweerder] ,

wonende te [wonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. C.S. Winter te Rotterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 5 maart 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties, ingekomen op 31 mei 2018;

  • -

    het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep, en

  • -

    het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 24 januari 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is [medewerker RvdK] verschenen.

Bij gelegenheid van die behandeling heeft mr. Winter de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 2 januari 2019 overgelegd.

3. De feiten

3.1

Partijen zijn de ouders van [kind] (verder: [kind] ), geboren op [geboortedatum] 2008. De vader heeft [kind] erkend. De moeder oefent alleen het gezag uit over [kind] .

3.2

Partijen zijn in het op 13 mei 2013 opgemaakte ouderschapsplan overeengekomen dat de vader [kind] iedere zaterdag ziet van 09:30 uur tot 18:30 uur. Deze regeling wordt al enkele jaren niet meer uitgevoerd.

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen is in geschil de informatie- en consultatieplicht van de moeder over [kind] .

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank als informatie- en consultatieplicht vastgesteld dat de moeder

  • -

    de vader eenmaal per drie maanden schriftelijk bericht over de algemene ontwikkeling van [kind] en eventuele medische problemen, en ook expliciet verslag doet van de school- en leerprestaties, vrije tijdsbesteding en haar sociale gedrag;

  • -

    de vader onmiddellijk informeert indien daar op medisch gebied noodzaak toe is;

  • -

    de vader raadpleegt over alle belangrijke aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van [kind] , zoals schoolkeuzes, medische behandelingen en ingrepen, hulpverlening en eventueel verblijf in het buitenland voor een langere periode.

De rechtbank heeft iedere verdere beslissing over het gezag, de omgang en de kinderalimentatie aangehouden in afwachting van het rapport en advies van de raad over het door de vader verzochte gezag en de door hem gewenste omgang.

4.2

De moeder is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking, voor zover daarbij de informatie- en consultatieplicht is vastgesteld. Zij verzoekt het hof die beschikking in zoverre te vernietigen en opnieuw beschikkende te bepalen dat een informatie- noch een consultatieplicht zal gelden.

4.3

De vader is op zijn beurt in incidenteel hoger beroep gekomen. Hij verzoekt het hof het verzoek van de moeder in hoger beroep ongegrond te verklaren dan wel af te wijzen. Hij verzoekt in het incidenteel hoger beroep de moeder te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 150,-, althans een door het hof juist te achten dwangsom, per dag voor iedere dag dat de moeder in gebreke blijft om te voldoen aan de informatie- en consultatieplicht.

4.4

De moeder heeft verzocht de vader in zijn verzoek in het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel dat verzoek als ongegrond en niet bewezen af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op rond van artikel 1:377b van het Burgerlijk Wetboek (BW) is de ouder die met het gezag is belast gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen over daaromtrent te nemen beslissingen. De rechter kan op verzoek van een ouder een informatie- en consultatieplicht vaststellen. Het tweede lid van genoemd artikel bepaalt dat van het eerste lid kan worden afgeweken indien het belang van het kind dat vereist.

5.2

De moeder stelt dat het voor haar niet mogelijk is om op enige wijze met de vader te communiceren. Aangrijpende gebeurtenissen uit het verleden hebben bij haar zoveel angst voor de vader veroorzaakt dat van haar niet kan worden gevergd dat zij contact heeft met de vader over [kind] . Contact tussen haar en de vader is voor haar zo stressvol, dat dat een weerslag zal hebben op [kind] en dat is niet in haar belang. [kind] voelt zich niet gehoord door de vader en zij wil geen contact met hem, aldus de moeder.

5.3

De vader wil dat de moeder hem in ieder geval informeert en consulteert over [kind] . Hij begrijpt niet welke aangrijpende gebeurtenissen bij de moeder angst hebben veroorzaakt. Volgens hem is niet gebleken dat de opgelegde informatie- en consultatieregeling de moeder zal belemmeren in haar zorg voor [kind] . Nu de moeder niet lijkt te willen voldoen aan de opgelegde regeling acht de vader het opleggen van een dwangsom noodzakelijk.

5.4

Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van het wettelijke uitgangspunt dat de moeder de vader moet informeren over [kind] op de wijze zoals door de rechtbank vastgesteld. Eventuele stress die het verstrekken van informatie bij de moeder veroorzaakt kan worden weggenomen door de informatie (vooralsnog) te laten verlopen via een derde. Ter zitting heeft de advocaat van de vrouw zich bereid verklaard de informatie door te zenden aan de vader. Het hof overweegt verder – en in lijn met wat de raad ter zitting heeft geadviseerd – dat het in het belang is van [kind] dat haar vader op de hoogte blijft van de belangrijke ontwikkelingen in haar leven, nu er tussen [kind] en de vader op dit moment geen contact is. Het werken aan herstel van dit contact (nu of in de toekomst) zal makkelijker zijn als vader kan aansluiten bij [kind] , en daarvoor is het belangrijk dat hij op de hoogte is van wat er speelt in haar leven.

Het hof zal de bestreden beschikking daarom in zoverre bekrachtigen.

5.5

Het hof is van oordeel dat een consultatieregeling alleen inhoudelijk zinvol is als de ouder die geconsulteerd dient te worden (enig) contact heeft met zowel degene op wie de consultatieplicht rust als met het kind over wie geconsulteerd moet worden. In het onderhavige geval is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat [kind] en de vader al enkele jaren geen enkel contact met elkaar hebben en dat het partijen op dit moment niet lukt om op enige wijze (direct) contact met elkaar te hebben. Daardoor ontbreekt het de vader aan voldoende zicht op hetgeen [kind] in haar dagelijkse leven bezig houdt en ontbreekt het partijen aan een mogelijkheid tot standpuntuitwisseling die noodzakelijk is voor een zinvolle consultatie. Als gevolg van dit gebrek aan contact, wat daarvan de oorzaak ook is, acht het hof een consultatieregeling op dit moment niet zinvol en niet in het belang van [kind] . Het hof zal de bestreden beschikking in zoverre vernietigen.

Overigens acht het hof niet uitgesloten dat de situatie wijzigt, als de hiervoor onder 5.4 besproken informatieregeling gedurende een zekere tijd loopt waardoor het consulteren van de vader bij bepaalde beslissingen aan betekenis wint. In dat geval zal ook de communicatie tussen de ouders op gang gekomen moeten zijn, inclusief wederzijds respectvolle bejegening.

5.6

Het hof ziet geen aanleiding om de moeder, conform het verzoek van de vader, een dwangsom op te leggen voor het geval zij zich niet zal houden aan de opgelegde informatieregeling. De moeder heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep toegezegd de informatie (al dan niet door tussenkomst van een derde zoals haar advocaat) te zullen verstrekken.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 5 maart 2018 voor zover daarbij is bepaald dat de moeder de vader raadpleegt over alle belangrijke aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van [kind] , zoals schoolkeuzes, medische behandelingen en ingrepen, hulpverlening en eventueel verblijf in het buitenland voor een langere periode;

en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het desbetreffende verzoek van de vader af;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige en voegt daaraan toe dat het de moeder vrij staat door tussenkomst van een derde aan haar informatieverplichting te voldoen.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.G.M.T. Weijers-van der Marck, J.B. de Groot en A.E.H. Bovy, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 28 februari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.