Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:1886

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
25-07-2019
Zaaknummer
200.239.108
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling partneralimentatie. Aanvullende behoefte? Onvoldoende gemotiveerd waarom behoefte niet volgens hofnorm kan worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.239.108 en 200.239.111

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 440574)

beschikking van 28 februari 2019

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.Y.M. Jansse te Zeist, gemeente Utrechtse Heuvelrug,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M. Gruiters te Nieuwegein.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 januari 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder ook te noemen: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 24 april 2018;

- het verweerschrift tevens houdende (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep met

producties;

- het verweerschrift in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep met producties;

- een journaalbericht van mr. Jansse van 13 juni 2018 met een bijlage;

- een brief van mr. Guiters van 27 september 2018, met producties;

- een journaalbericht van mr. Jansse van 31 januari 2019 met een bijlage.

2.2

De hierna nader te noemen [kind ] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 11 oktober 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn op [huwelijksdatum] 1991 te [plaats] , Spanje, met elkaar getrouwd. De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 19 april 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

Partijen zijn de ouders van:

- [kind ] , geboren te [plaats] op [geboortedatum] 2001 (verder ook te noemen: [kind ] ), over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.3

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

3.4

[kind ] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw. Zij zijn samen in de voormalige echtelijke woning blijven wonen. De man woont in een huurwoning.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans relevant:

- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;

- de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind ] (verder ook te noemen: kinderalimentatie) bepaald op € 270,- per maand met ingang van 24 januari 2018, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- voor recht verklaard dat partijen ieder de helft van de hypotheekrente dragen;

- het meer of anders verzochte, waaronder het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud (verder ook te noemen: partneralimentatie), afgewezen.

De bestreden beschikking is, behoudens het gedeelte dat betrekking heeft op het uitspreken

van de echtscheiding en het afwijzen van het meer of anders verzochte, uitvoerbaar bij

voorraad verklaard.

4.2

De vrouw is met drie grieven in hoger beroep gekomen van bestreden beschikking. Grief I ziet op de toegepaste zorgkorting, grief II op de behoefte en de behoeftigheid van de vrouw en grief III ziet op de verklaring voor recht ter zake hypotheekrentebetaling. De vrouw verzoekt het hof in het principaal hoger beroep (zo leest het hof:) de bestreden beschikking wat betreft voornoemde onderdelen te vernietigen en, in zoverre opnieuw beschikkende, te bepalen dat:

- de vrouw recht heeft op € 444,- kinderalimentatie per maand voor zover er geen omgang is tussen de man en [kind ] en op € 339,75 kinderalimentatie per maand voor zover er wel omgang zal zijn;

- de vrouw recht heeft op € 1.101,- partneralimentatie per maand of elk ander redelijk bedrag met ingang van 1 januari 2018 dan wel met ingang van een in redelijkheid te bepalen datum, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- de man de volledige hypotheekrente dient te betalen indien er geen partneralimentatie wordt vastgesteld met ingang van 1 januari 2018.

4.3

De man voert verweer in het principaal hoger beroep en is op zijn beurt met één grief (voorwaardelijk) in incidenteel hoger beroep gekomen. Deze grief ziet op de behoeftigheid van de vrouw. De man verzoekt het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

- in het principaal hoger beroep de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken

althans de verzoeken van de vrouw af te wijzen;

- in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep te bepalen dat de man een bijdrage in de

kosten van levensonderhoud van [kind ] zal verstrekken van € 270,- per maand

en dat hij niet gehouden is tot betaling van partneralimentatie.

4.4

De vrouw voert verweer in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep en verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep dan wel het verzoek van de man in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep af te wijzen.

4.5

Het hof zal de grieven in het principaal en het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

Kinderalimentatie

5.1

Blijkens de hiervoor onder 2.1 genoemde correspondentie hebben partijen overeenstemming bereikt over de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie. Het hof begrijpt dat partijen het hof verzoeken een beslissing te geven conform de inhoud van deze overeenstemming en dat partijen hun verzoek in hoger beroep dienovereenkomstig hebben gewijzigd, zodat grief I in het principaal hoger beroep geen bespreking meer behoeft.

5.2

Gelet hierop zal het hof de bestreden beschikking wat betreft de vastgestelde kinderalimentatie vernietigen en beslissen zoals hierna onder 6. zal worden vermeld.

Partneralimentatie

5.3

In grief II in het principaal hoger beroep stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vrouw (naast haar eigen inkomen) geen aanvullende behoefte heeft. De vrouw heeft als bijlage bij haar beroepschrift een overzicht van haar kosten in de jaren 2016 tot en met 2018 overgelegd, alsmede haar bankafschriften betreffende deze jaren. Volgens haar blijkt uit deze stukken dat zij een behoefte heeft van € 3.733,- per maand. Ervan uitgaande dat haar netto inkomen € 2.000,- per maand bedraagt, stelt de vrouw in haar beroepschrift dat zij een aanvullende behoefte heeft van € 1.733,- netto per maand. In het verweerschrift in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep stelt de vrouw dat de zogenoemde hofnorm (60% van het vroegere netto gezinsinkomen minus de kosten van de kinderen) als uitgangspunt zal worden genomen in de nieuwe wetgeving op het gebied van alimentatie en dat uit recente jurisprudentie ook volgt dat de hofnorm uitgangspunt zou moeten zijn. Ter mondelinge behandeling van het hof heeft de vrouw gesteld dat zij op basis van de hofnorm een aanvullende behoefte heeft.

5.4

De man betwist dat de vrouw een aanvullende behoefte heeft. Primair is hij van mening dat de rechtbank de behoefte van de vrouw terecht heeft vastgesteld op € 2.006,- netto per maand. In dat kader heeft hij aangevoerd dat de behoefte van de vrouw niet bepaald dient te worden aan de hand van de hofnorm maar aan de hand van een behoeftelijst, gelet op de hoge salarissen van partijen. Volgens de man heeft de vrouw door louter bankafschriften te overleggen niet voldaan aan de op haar rustende stelplicht en bewijslast, aangezien uit die bankafschriften niet kan worden afgeleid wat er is gekocht en ook niet of die uitgaven ten behoeve van de vrouw zijn gedaan. Voorts heeft de man verscheidene posten op de door de vrouw overgelegde overzichten betwist. Subsidiair is de man van mening dat de behoefte van de vrouw op basis van de hofnorm maximaal € 2.222,40 netto per maand bedraagt.

5.5

In het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft conform haar inkomen uit loondienst. De man gaat ervan uit dat de vrouw in staat is om meer te verdienen, door meer uren in loondienst te gaan werken of door met haar eigen onderneming inkomen te genereren. Volgens de man moet er daarom van worden uitgegaan dat de vrouw zelf in haar behoefte kan voorzien, omdat zij geen inzage heeft gegeven in haar actuele financiële positie. Zelfs wanneer van het laatst bekende inkomen van de vrouw wordt uitgegaan, resteert volgens de man geen aanvullende behoefte.

5.6

De vrouw betwist dat zij een hogere verdiencapaciteit heeft dan haar huidige inkomen uit loondienst. Volgens haar kan niet van haar worden gevergd dat zij meer uren in loondienst gaat werken of aan de slag gaat met haar eigen onderneming, omdat het momenteel erg slecht gaat met [kind ] , de zorg voor hem volledig op haar neerkomt en zij daarnaast nog de echtscheiding en alle veranderingen die de echtscheiding met zich meebrengt, heeft te verwerken.

5.7

Het hof stelt voorop dat de hoogte van de behoefte van de vrouw mede is gerelateerd aan de welstand van partijen tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest, als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode, om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten - en gelet op de welstand redelijke - kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald. Het gezinsinkomen aan het einde van het huwelijk dat door beiden werd verdiend, geeft een aanwijzing voor die welstand. Daarbij heeft als vuistregel te gelden dat de behoefte van ieder van partijen kan worden vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen aan het einde van het huwelijk, na vermindering met het destijds voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen (de hofnorm). Deze vuistregel kan worden toegepast, tenzij het bedrag dat aan de hand van de vuistregel is berekend voldoende gemotiveerd is betwist.

5.8

Het hof is van oordeel dat de man onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de behoefte van de vrouw in het onderhavige geval niet volgens de hofnorm zou kunnen worden vastgesteld. De enkele opmerking dat de inkomens van partijen te hoog waren voor de toepassing daarvan, acht het hof te algemeen omdat het geen inzicht geeft in welk opzicht die hogere inkomens hebben geleid tot een afwijkend bestedingspatroon waardoor de vuistregel niet opgaat. Het hof gaat daarom voorbij aan het verweer van de man op dit punt en zal de behoefte van de vrouw vaststellen op basis van de hofnorm.

5.9

De rechtbank heeft het netto besteedbaar gezinsinkomen aan het eind van het huwelijk vastgesteld op € 4.366,- en de behoefte van [kind ] in dat jaar op € 662,- (rechtsoverweging 3.7). Hiertegen is niet gegriefd, zodat het hof van die gegevens zal uitgaan. Het hof komt aldus op basis van de hofnorm tot een netto behoefte van de vrouw van 60% x (€ 4.366,- minus € 662,-) = € 2.222,40. Geïndexeerd naar 2018 is dat € 2.333,50 netto per maand en geïndexeerd naar 2019 is dat € 2.379,71 netto per maand.

5.10

De aanspraak van de vrouw tot betaling van een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud bestaat slechts voor zover zij behoeftig is, dat wil zeggen: redelijkerwijs niet in staat is om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw, gezien de gemotiveerde betwisting daarvan door de man, onvoldoende onderbouwd dat zij behoeftig is. De vrouw heeft onvoldoende inzage gegeven in haar inkomen. Zij heeft slechts twee loonstroken in het geding gebracht, waarvan de laatste dateert uit oktober 2017. Het hof zal het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van partneralimentatie daarom afwijzen en de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.

De betaling van de hypotheekrente

5.11

In grief III in het principaal hoger beroep stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat partijen ieder de helft van de hypotheekrente zouden moeten betalen. Sinds de vrouw per 1 januari 2018 geen partneralimentatie meer heeft ontvangen van de man, betaalt de man de volledige hypotheekrente. De vrouw wil graag dat de man de volledige hypotheekrente blijft betalen indien het hof haar verzoek tot vaststelling van partneralimentatie afwijst. Zij verzoekt het hof om te bepalen dat de man de volledige hypotheekrente dient te betalen indien er geen partneralimentatie wordt vastgesteld met ingang van 1 januari 2018.

5.12

De man heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. Hij voert onder meer aan dat partijen gezamenlijk eigenaar zijn van de woning en dat op grond van artikel 3:172 BW de eigenaarslasten conform ieders eigenaarsdeel (ieder 50%) dienen te worden gedragen. Volgens de man betaalt hij de volledige hypotheekrente louter omdat de vrouw haar deel niet betaalt en de bank bij hem aanklopt als hoofdelijke debiteur.

5.13

Het hof is met de man van oordeel dat er geen juridische grondslag is voor dit verzoek van de vrouw. Het hof zal dit verzoek van de vrouw daarom afwijzen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 januari 2018, wat betreft de vastgestelde kinderalimentatie en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 24 januari 2018 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind ] € 409,25 per maand zal betalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 januari 2018 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, H. Phaff en C.M. Schönhagen, bijgestaan door mr. K.A.M. Oude Vrielink als griffier, en is op 28 februari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.