Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:1770

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-02-2019
Datum publicatie
28-02-2019
Zaaknummer
200.176.940/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 5:79 BW bepaalt dat de rechter een erfdienstbaarheid kan opheffen indien de eigenaar van het heersende erf geen redelijk belang bij de uitoefening meer heeft en niet aannemelijk is dat het redelijk belang daarbij zal terugkeren. Over dit wetsartikel heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 28 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:736) het volgende overwogen: “Reeds uit de bewoordingen van deze bepaling volgt dat de beoordelingsmaatstaf uitgaat van alleen het belang van de gerechtigde bij de uitoefening van zijn recht, hetgeen betekent dat de belangen van de eigenaar van het dienende erf bij opheffing geen rol spelen (behoudens in het geval van misbruik van bevoegdheid).

Deze uitspraak is bevestigd in het recent gewezen arrest van de Hoge Raad van 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2373. Het hof zal bij de beoordeling van de vraag of er al dan niet een redelijk belang bestaat bij het uitoefenen van de erfdienstbaarheid zoals die er nu ligt dan ook uitgaan van het aan de kant van verweerder gelegen belang, enige vorm van afweging van zijn belang tegen het belang van appellant is bij een vordering op grond van artikel 5.79 BW niet aan de orde, behoudens het geval van misbruik van bevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2019/45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.176.940/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/135973 / HA ZA 14-306)

arrest van 26 februari 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. W.R. Kamminga, kantoorhoudend te Oosterwolde,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. E.A. van der Meulen-Sikkes, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 3 april 2018 hier over.

1.2.

In genoemd tussenarrest is een comparitie van partijen gelast. Voorafgaand aan de gehouden comparitie en descente zijn bij het hof nog binnengekomen:

- een akte van depot (usb stick) en akte overlegging produkties H7 tot en met H11 van

24 oktober 2018 van de kant van [appellant] ;

- de produkties 3 tot en met 9 van de kant van [geïntimeerde] , ingekomen bij het hof op

25 oktober 2018.

De comparitie is gecombineerd met een opneming ter plaatse en is op 8 november 2018 gehouden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.

Aan het slot van de comparitie heeft het hof arrest bepaald op het comparitiedossier, aangevuld met het proces-verbaal van comparitie/descente.

1.3.

[appellant] vordert in hoger beroep, na wijziging en vermeerdering van zijn vorderingen, - samengevat - het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Leeuwarden d.d. 6 mei 2015 en te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen, zoals hij die in hoger beroep heeft ingesteld, alsnog toe te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.

2 De vaststaande feiten

2.1.

De door rechtbank in het vonnis van 6 mei 2015 in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.6 ) als vaststaand weergegeven feiten zijn tussen partijen niet in geschil. Aangevuld met wat voorts nog onweersproken is gesteld, staat voor zover in hoger beroep van belang, het volgende vast.

2.2.

[appellant] en [geïntimeerde] zijn buren.

2.3.

[appellant] woont sinds 1999 in de woning aan de [a-straat 1] te [A] en exploiteert een melkveebedrijf annex ijsmakerij.

2.4.

[geïntimeerde] woont sinds 2011 in de woning aan de [a-straat 3] te [A] en exploiteert een melkveehouderij annex zorgboerderij.

2.5

Op grond van de notariële leveringsakte uit 1999 voor de woning van [appellant] rust er een recht van weg ten nutte van het erf van [geïntimeerde] en ten laste van het erf van [appellant] (hierna: de erfdienstbaarheid).

2.6.

Tussen partijen zijn de onderlinge verhoudingen verstoord.

2.7.

In 2014 is, nadat door de gemeente Gaasterlan-Sleat aan de Gebiedscommissie Gaasterlan een omgevingsvergunning is verleend, een betonpad aangelegd vanaf het adres van [appellant] richting [b-straat 1] .

2.8.

Bij brief van 24 juli 2014 is - op verzoek van [geïntimeerde] - door de Dienst Landelijk Gebied van Gedeputeerde Staten van Fryslan de aanleiding voor de aanleg van genoemd betonpad uitgelegd. Uit deze brief blijkt dat de redenen om het pad aan te leggen zijn gelegen in de kavelruil Séfonsterpolder, waar [appellant] aan heeft deelgenomen, en de verkeersveiligheid. Deze brief bevat verder de volgende passage: “Wij hebben van U begrepen dat dhr. [appellant] het bestaande recht van overpad van u over het erf van de heer [appellant] wil verplaatsen naar het genoemde betonpad. Hierover kunnen wij u melden dat het opheffen c.q. verplaatsen van het recht van overpad geen reden van de toenmalige Grondcommissie is geweest voor het aanleggen van het betonpad.”

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1.

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd:

Primair:

- de erfdienstbaarheid die gevestigd is bij akte van 1 december 1976 op te heffen;

- [geïntimeerde] te veroordelen [appellant] en haar bezoekers niet lastig te vallen over en bij het

gebruik van de erfdienstbaarheid, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per

overtreding, met een maximum van € 10.000,00;

- [geïntimeerde] te veroordelen te hengen en te gedogen dat [appellant] ten behoeve van de

beweiding van zijn vee, (al dan niet tijdelijke) bedrading over de weg aanbrengt, en

[geïntimeerde] te veroordelen de aangebrachte bedrading niet weg te halen, daaronder

begrepen niet kapot te maken, althans na het openen weer te sluiten, op straffe van een

dwangsom van € 250,00 per overtreding met een maximum van € 10.000,00;

subsidiair:

- De erfdienstbaarheid die gevestigd is bij akte van 1 december 1976 op te heffen althans de

erfdienstbaarheid te wijzigen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

Het voorgaande met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

3.1.

[appellant] heeft - samengevat- het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Er is sprake van onvoorziene omstandigheden, nu het perceel van [geïntimeerde] ten tijde van de vestiging van de erfdienstbaarheid bestemd was voor landbouw en nu meer de functie van zorgboerderij heeft. Daarnaast heeft [geïntimeerde] geen redelijk belang meer bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid omdat hij een adequate uitweg heeft door middel van het betonpad dat aansluit op [b-straat 1] dat voorziet in een ontsluiting voor het adres van [geïntimeerde] . Verder handelt [geïntimeerde] in strijd met de erfdienstbaarheid en ook onrechtmatig doordat hij aan [appellant] meer overlast bezorgt dan redelijkerwijs noodzakelijk is voor een behoorlijke uitoefening van zijn recht van weg.

3.2.

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd.

3.3.

De rechtbank heeft bij vonnis van 6 mei 2015 de vorderingen afgewezen.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

Wijziging van eis

4.1.

Naast hetgeen in eerste aanleg al was gevorderd, vordert [appellant] in hoger beroep het volgende:

Primair:

- te bepalen dat het voor [geïntimeerde] en zijn relaties of andere gebruikers van het perceel van [geïntimeerde] verboden is om enig motorvoertuig te parkeren, waaronder het stilstaan in verband met laden en lossen op het perceel van [appellant] , waaronder de weg, op straffe van verbeurte van een dwangsom van Euro 250 voor elke overtreding van dit verbod met een maximum van Euro 10.000 per jaar;

- [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan [appellant] van een bedrag van Euro 4.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2017, althans een in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag van algehele voldoening, alsmede te bepalen dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de overige schade die [appellant] ten gevolge van het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] heeft geleden nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

Subsidiair:

- de erfdienstbaarheid die gevestigd is bij akte van 1 december 1976, en die in de leveringsakte van 2 maart 1999 is opgenomen, op te heffen althans de erfdienstbaarheid te wijzigen (en voor recht te verklaren) ( dat) waarbij [geïntimeerde] de erfdienstbaarheid over perceel 3464 (voorheen 36038) uitsluitend mag uitoefenen via het pad tussen de nieuwe stal en de kapschuur van [appellant] en vervolgens naar [b-straat 1] , en [geïntimeerde] te verbieden om anders dan op grond van die erfdienstbaarheid gebruik te maken van perceel 3464, dit op straffe van een direct opeisbare dwangsom van Euro 100 voor elke keer dat [geïntimeerde] of zijn gezinsleden in strijd met dit verbod gebruik maken van perceel 3464, met een maximum van Euro 10.000,00.”

4.2.

[geïntimeerde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van [appellant] . Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Ter zake van de vordering van [appellant] zal derhalve recht worden gedaan op de gewijzigde eis.

4.3.

[appellant] is in hoger beroep gekomen onder aanvoering van een achttal grieven.

Waar mogelijk zal het hof de grieven gezamenlijk behandelen.

4.4.

In grief 1 wordt geklaagd dat de rechtbank in het bestreden vonnis onder het kopje “Feiten” een aantal, volgens [appellant] van belang zijnde, feiten heeft verzuimd op te nemen.

Nog daargelaten dat niet alle feiten die [appellant] in de toelichting op de grief noemt vaststaan, is er geen rechtsregel die de rechter verplicht alle door de ene partij gestelde en door de andere partij erkende of niet weersproken feiten als vaststaand in de uitspraak te vermelden. Het staat de rechter vrij uit de tussen partijen vaststaande feiten die selectie te maken welke hem voor de beoordeling van het geschil relevant voorkomt. De grief faalt dus.

4.5.

Alvorens nader op de overige grieven in te gaan overweegt het hof dat in de notariële akte van 1 december 1976 de erfdienstbaarheid waar het in dit geval om gaat wordt omschreven als “recht van weg ten laste van het perceel kadasternummer...(thans perceel van [appellant] : hof) ten behoeve van het perceel kadasternummer…( thans perceel van [geïntimeerde] : hof) en dat niet wordt omschreven waar over het perceel precies het recht van weg loopt. Tussen partijen is echter niet in geschil dat het recht van weg steeds heeft gelopen en is uitgeoefend op de plaats en de wijze waarop dat tot op heden het geval is, dus vanaf de [a-straat ] over het erf van [appellant] naar de woning van [geïntimeerde] . Of, zoals [appellant] stelt, door [geïntimeerde] ook wel eens gebruik gemaakt is van de uitweg (het betonpad) uitkomend op [b-straat 1] , zijnde de route waarnaar [appellant] de erfdienstbaarheid wenst verleggen, zoals hierna aan de orde zal komen, acht het hof in dit verband niet relevant. Uitgangspunt bij de beoordeling van dit geschil is dan ook de erfdienstbaarheid zoals deze de achtereenvolgende jaren dat partijen buren zijn is uitgeoefend.

4.6.

In deze procedure staat de vraag centraal of er gronden zijn de thans bestaande erfdienstbaarheid op te heffen of te wijzigen. [appellant] stelt dat deze gronden er zijn en baseert dat op het in artikel 5:78 onder a BW en 5:79 BW bepaalde.

Onvoorziene omstandigheden

4.7.

Artikel 5:78 onder a BW bepaalt dat de rechter op vordering van de eigenaar van het dienende erf een erfdienstbaarheid kan wijzigen of opheffen op grond van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de erfdienstbaarheid niet van de eigenaar van het dienende erf kan worden gevergd.

Grief 2 richt zich tegen de afwijzing door de rechtbank van de op dit artikel gebaseerde vordering van [appellant] . Het hof overweegt daaromtrent het volgende.

4.8.

[appellant] heeft het beroep op artikel 5:78 onder a BW onderbouwd met de stelling dat ten tijde van het vestigen van de erfdienstbaarheid sprake was van landbouw op het perceel van [geïntimeerde] , maar dat er nu, naast landbouw, ook een zorgboerderij wordt geëxploiteerd. De landbouw is niet langer de hoofdactiviteit, maar de zorgboerderij is dat.

De zorgboerderij brengt overlast mee voor [appellant] en dat vormt een onvoorziene omstandigheid die opheffing of wijziging van de huidige erfdienstbaarheid rechtvaardigt, aldus [appellant] .

4.9.

Het hof merkt allereerst op dat de door [appellant] gestelde overlast gevende omstandigheden, zoals het ’s nachts ophalen van melk door Friesland Campina, het lopen van koeien van [geïntimeerde] over het erf van [appellant] en het lossen van goederen voor [geïntimeerde] door Agrifirm, nu juist zien op agrarische activiteiten van [geïntimeerde] en niets te maken hebben met de zorgboerderij. Zij kunnen dus niet dienen als onderbouwing van het beroep op onvoorziene omstandigheden gelegen in wijziging van de hoofdbestemming van het bedrijf van [geïntimeerde] van een agrarisch bedrijf naar een zorgboerderij.

4.10.

Het hof overweegt verder dat [geïntimeerde] het bestaan van de zorgboerderij erkent, maar betwist dat dit een onvoorziene omstandigheid in de zin van artikel 5:78 BW is.

De zorgboerderij telt slechts twee cliënten, die niet eens iedere dag komen, aldus [geïntimeerde] .

Nu [appellant] dit onvoldoende gemotiveerd onderbouwd heeft weersproken is het hof van oordeel dat het exploiteren van de zorgboerderij niet wezenlijk verschilt van het met enige regelmaat ontvangen van bezoek - waaraan het bestaan van de erfdienstbaarheid niet in de weg staat - en dat het bestaan van de zorgboerderij niet kan worden aangemerkt als een onvoorziene omstandigheid in de zin van artikel 5.78 onder a BW.

4.11.

Voorts onderbouwt [appellant] in de grieven 3 en 5 tot en met 7 het beroep op onvoorziene omstandigheden met de stelling dat [geïntimeerde] overlast veroorzaakt doordat hij en zijn bezoekers te hard over [appellant] ’s perceel rijden, door parkeren of stilstaan op de weg door [geïntimeerde] en zijn bezoekers, het openen en niet weer sluiten van door [appellant] aangebrachte bedrading over de weg, het openen en niet weer sluiten van het hek van [appellant] , koeien laten lopen in de berm, mest op de weg laten liggen en met zware voertuigen over de weg rijden.

4.12.

Het hof merkt op dat uit deze grieven, noch uit de daarop gegeven toelichting, duidelijk wordt in hoeverre de door [appellant] gestelde omstandigheden als onvoorzien moeten gelden, nu niet gesteld is of en zo ja in hoeverre, de situatie anders is dan voorheen. Het hof zal de grief dan ook mede behandelen in het kader van de in de wet neergelegde verplichting dat de uitoefening van de erfdienstbaarheid dient te geschieden op de voor het dienende erf minst bezwarende wijze (artikel 5:74 BW).

Te hard rijden.

4.13.

[geïntimeerde] heeft weersproken dat er te hard wordt gereden. Naar de raadsheer-commissaris bij gelegenheid van de plaatsopneming heeft waargenomen is het gelet op de situatie ter plaatse niet goed mogelijk om de door [appellant] gestelde “hoge snelheden” te bereiken omdat er vanaf de [a-straat ] richting het perceel van [geïntimeerde] een scherpe bocht in de weg zit die aan hard rijden in de weg staat.

Parkeren en stil staan.

4.14.

Met betrekking tot het door [appellant] gestelde parkeren en stilstaan op zijn erf door bezoekers van [geïntimeerde] heeft [geïntimeerde] erkend dat door bezoekers wel eens wordt geparkeerd op het erf van [appellant] maar weersproken dat dit regelmatig gebeurt.

Het hof is met [geïntimeerde] van oordeel dat het feit dat zo nu en dan door een bezoeker van [geïntimeerde] wordt geparkeerd op het erf van [appellant] niet altijd is te voorkomen nu het

- naar de raadsheer-commissaris ter plaatse heeft kunnen zien - voor bezoekers niet precies duidelijk is waar het erf van [appellant] overgaat in dat van [geïntimeerde] en voor [geïntimeerde] niet altijd direct waarneembaar is of en door wie op het erf van [appellant] wordt geparkeerd. Zodra hij, [geïntimeerde] , echter ziet dat bezoekers voor hem of zijn echtgenote een auto op het erf van [appellant] parkeren, moet hij ervoor zorgen dat deze hun auto daar weghalen en elders neerzetten, nu naar het oordeel van het hof de erfdienstbaarheid van weg niet inhoudt dat [geïntimeerde] en/of zijn bezoek het erf van [appellant] als parkeerplaats mag gebruiken. Nu [geïntimeerde] en zijn echtgenote ter comparitie volmondig hebben erkend dat het hen en hun bezoekers niet is toegestaan te parkeren op het erf van [appellant] zal het hof, gelet op eventuele uit een verbod (met dwangsom) voortvloeiende executieproblemen - nu het immers voor [geïntimeerde] niet altijd direkt te zien is of er bezoekers voor hem op het erf van [appellant] staan - de vordering van [appellant] op dit punt niet toewijzen. Daar komt bij dat het hof het kort stilstaan op het erf van [appellant] voor het laden en lossen van goederen, ook met zware voertuigen, niet in strijd acht met de erfdienstbaarheid, dit vooral gelet op het feit dat, zoals bij de plaatsopneming is gebleken, het draaien van zware voertuigen op het erf van [geïntimeerde] lastig is.

Koeien.

4.15.

Voor wat betreft de door [appellant] aangevoerde bezwaren met betrekking tot de koeien van [geïntimeerde] overweegt het hof dat bij het uitoefenen van een agrarisch bedrijf als dat van [geïntimeerde] zo nu en dan koeien over de weg moeten lopen om naar een ander weiland te worden gebracht. Dat de koeien bij het verweiden soms in de berm komen en mest afscheiden op het erf van [geïntimeerde] is daarbij vrijwel niet te voorkomen.

Bedrading en hek.

4.16.

Met betrekking tot het openen en niet weer sluiten van door [appellant] aangebrachte bedrading en hek overweegt het hof het volgende. De draden die aanvankelijk over het openbaar gedeelte van de [a-straat ] werden gespannen bij het oversteken van het vee naar het tegenover gelegen weiland worden niet meer gebruikt, zodat het hof daarover niet meer hoeft te oordelen. Het in plaats van de bedrading door [appellant] (op de [a-straat ] ) op zijn grond geplaatste hek houdt eveneens verband met het oversteken van zijn koeien naar het tegenover zijn woning gelegen weiland. Doordat [appellant] zijn koeien melkt door middel van een melkrobot, een systeem waarbij, naar het hof begrijpt, de koe zelf bepaalt wanneer zij gemolken wil worden, steken de koeien op verschillende tijdstippen van de dag de weg over. Voor [appellant] is het dus van belang dat het hek op die momenten gesloten blijft, omdat de koeien anders alle kanten op kunnen lopen. [geïntimeerde] is naar ter comparitie is gebleken van dat belang doordrongen, maar heeft gemotiveerd weersproken het hek open te hebben laten staan. Bij die stand van zaken zal de vordering tot een gebod aan [geïntimeerde] tot het sluiten van het hek worden afgewezen.

4.17.

Nu geen van de onder rechtsoverweging 4.11. tot en met 4.16. genoemde omstandigheden het hof tot het oordeel leiden dat sprake is van onvoorziene omstandigheden van dien aard dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de erfdienstbaarheid van [appellant] als eigenaar van het dienende erf niet kan worden gevergd, en het hof evenmin van oordeel is dat [geïntimeerde] de erfdienstbaarheid niet op de minst bezwarende wijze uitoefent treffen de grieven 2 en 3 tot en met 7 geen doel.

4.18.

Grief 8 ziet op een van de onderdelen van de vermeerdering van eis. In hoger beroep vordert [appellant] een bedrag van € 4.000,- schadevergoeding, gebaseerd op een uitgebrachte offerte van aannemersbedrijf [B] , en voor het overige schade op te maken bij staat, op grond van onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] . De onrechtmatigheid bestaat volgens [appellant] uit het met zware vrachtwagens kapot rijden van de weg waardoor opnieuw moet worden bestraat, het lozen van mest waardoor schade is ontstaan aan erf, beton en weg van [appellant] en vernielingen door het vee van [geïntimeerde] . Het hof overweegt het volgende.

4.19.

Ter onderbouwing van de schadevergoedingsvordering heeft [appellant] een aantal produkties in het geding gebracht. Deze kunnen de vordering echter niet dragen. De offerte van aannemersbedrijf [B] spreekt over “Het herstraten van uw toegangsweg ca 200 m2 bestrating á € 20,00 per meter.” Gesteld noch gebleken is dat de gestelde schade (alleen) aan [geïntimeerde] valt toe te schrijven. Onbetwist is immers dat [appellant] zelf ook met vrachtwagens en tractoren over de toegangsweg rijdt. Daarbij merkt het hof op dat zijn bedrijf veel groter is dan het, naar [appellant] zelf ook stelt, “kleinschalige” bedrijf van [geïntimeerde] . Anders dan [appellant] ingang wil doen vinden is het niet in strijd met erfdienstbaarheid dat er met een vrachtwagen over het erf wordt gereden. [geïntimeerde] heeft een agrarisch bedrijf met melkvee en de melk moet door Friesland Campina via het toegangspad, waarover de erfdienstbaarheid van weg loopt, worden opgehaald. Een andere toegangsweg is er niet. Hetzelfde geldt voor de leveranties door Agrifirm, ook de wagens van die firma kunnen slechts laden en lossen via het recht van weg zoals dat er nu ligt. Aan de overgelegde produktie met betrekking tot de gestelde schade door mest van de koeien van [geïntimeerde] gaat het hof voorbij omdat uit de foto’s niet kan worden afgeleid of de mest afkomstig is van de koeien van [geïntimeerde] of van de koeien van [appellant] zelf. Van andere vernielingen door het vee van [geïntimeerde] is niet gebleken.

4.20.

Grief 8 faalt eveneens.

Redelijk belang

4.21.

Het hof zal nu ingaan op de in grief 4 neergelegde klacht dat de rechtbank het beroep van [appellant] op het ontbreken van een redelijk belang van [geïntimeerde] bij de erfdienstbaarheid heeft verworpen. Daarbij stelt het hof het volgende voorop.

4.22.

Artikel 5:79 BW bepaalt dat de rechter een erfdienstbaarheid kan opheffen indien de eigenaar van het heersende erf geen redelijk belang bij de uitoefening meer heeft en niet aannemelijk is dat het redelijk belang daarbij zal terugkeren. Over dit wetsartikel heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 28 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:736) het volgende overwogen: “Reeds uit de bewoordingen van deze bepaling volgt dat de beoordelingsmaatstaf uitgaat van alleen het belang van de gerechtigde bij de uitoefening van zijn recht, hetgeen betekent dat de belangen van de eigenaar van het dienende erf bij opheffing geen rol spelen (behoudens in het geval van misbruik van bevoegdheid).

Deze uitspraak is bevestigd in het recent gewezen arrest van de Hoge Raad van 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2373. Het hof zal bij de beoordeling van de vraag of er al dan niet een redelijk belang bestaat bij het uitoefenen van de erfdienstbaarheid zoals die er nu ligt dan ook uitgaan van het aan de kant van [geïntimeerde] gelegen belang, enige vorm van afweging van zijn belang tegen het belang van [appellant] is bij een vordering op grond van artikel 5.79 BW niet aan de orde, behoudens het geval van misbruik van bevoegdheid.

4.23.

Met betrekking tot het standpunt van [appellant] dat [geïntimeerde] geen redelijk belang meer heeft bij de huidige erfdienstbaarheid leest het hof in de grieven en in de daarop gegeven toelichting in essentie geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de rechtbank gemotiveerd zijn verworpen. Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en neemt die motivering over. Ter toelichting voegt het hof daar nog aan toe dat het feit dat [appellant] ter comparitie heeft verklaard dat hij bereid is aan de bezwaren van [geïntimeerde] met betrekking tot de alternatieve routes, die beide zien op aansluiting op [b-straat 1] , tegemoet te komen, niet leidt tot een ander oordeel. Voorzover [geïntimeerde] al zou kunnen instemmen met het ontsluiten van zijn erf teneinde een aansluiting op [b-straat 1] te realiseren moet daarvoor nog veel werk worden verzet en kleven op dit moment te veel mitsen en maren aan de gedane voorstellen. Het hof merkt daarbij nog op dat de aanleg van het betonpad tussen de [a-straat ] en [b-straat 1] voortkomt uit de ruilverkaveling Séfonsterpolder en bedoeld is ter verbetering van de verkeersveiligheid, en niet om de thans bestaande erfdienstbaarheid daarnaar te verleggen. De door [appellant] in hoger beroep als subsidiair genoemde mogelijkheid om de erfdienstbaarheid tussen zijn kapschuur en serrestal te laten doorlopen om op die manier aansluiting op [b-straat 1] te krijgen wordt door [geïntimeerde] van de hand gewezen. Het hof is met [geïntimeerde] van oordeel dat deze route niet als alternatief voor de bestaande erfdienstbaarheid kan dienen, alleen al niet omdat [geïntimeerde] in dat geval ook over het perceel van [appellant] moet gaan en dat zij via een kortgeleden door [appellant] nieuw aangelegd betonpad moeten rijden welk nieuw stuk pad direct voor de ramen van het huis van [geïntimeerde] langsloopt, hetgeen een inbreuk op diens privacy maakt. Dit klemt te meer nu [appellant] , naar onweersproken is gesteld, dit pad buiten medeweten en tijdens de afwezigheid van [geïntimeerde] heeft aangelegd.

De conclusie luidt dan ook dat van de door [appellant] aangedragen voorstellen voor een nieuw recht van weg niet kan worden gezegd dat door die alternatieven [geïntimeerde] geen belang meer heeft bij het bestaan van de huidige erfdienstbaarheid.

4.24.

Ook grief 4 faalt.

5 De slotsom

5.1.

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 6 mei 2015 moet worden bekrachtigd.

5.2.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Deze kosten zullen aan de zijde van [geïntimeerde] worden vastgesteld op € 311,- voor verschotten en € 2.148,- voor salaris van de advocaat (2 punten x tarief II € 1.074,-).

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord Nederland, locatie Leeuwarden van

6 mei 2015;

wijst af hetgeen door [appellant] in hoger beroep meer of anders is gevorderd;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 311,- voor verschotten en op € 2.148,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. K.M. Makkinga, mr. I.F. Clement en mr. O.E. Mulder en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2019.