Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:1766

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
01-03-2019
Zaaknummer
18/00206 tm 18/00209
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2018:552, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onduidelijk welke deelopleidingen werknemers zouden gaan volgen, welk aantal uren beroepspraktijkvorming van de beroepsbegeleidende leerweg daarbij horen en de verdeling daarvan over de kalenderjaren. Een doelmatige controle door de Belastingdienst is daarom niet mogelijk. Afdrachtvermindering onderwijs is terecht nageheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 01-03-2019
FutD 2019-0594
V-N Vandaag 2019/484
V-N 2019/24.1.4
V-N 2019/54.33.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

nummers 18/00206 tot en met 18/00209

uitspraakdatum: 27 februari 2019

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Groningen (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 20 februari 2018, nummers LEE 15/4848 t/m 15/4851, ECLI:NL:RBNNE:2018:552, in het geding tussen de Inspecteur en

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn over na te melden tijdvakken de volgende naheffingsaanslagen in de loonheffingen opgelegd, en bij beschikkingen is heffingsrente, respectievelijk belastingrente berekend en zijn boeten opgelegd:

Tijdvak

Naheffing

Heffingsrente/

belastingrente

Boete

Dagtekening aanslagbiljet

Zaaknummer

2010

86.920

10.180

13.038

12-12-2014

18/00206

2011

128.095

11.560

19.214

12-12-2014

18/00207

2012

111.798

7.484

16.769

12-12-2014

18/00208

2013

25.143

931

3.771

12-12-2014

18/00209

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft:

de beroepen gegrond verklaard;

de uitspraken op bezwaar vernietigd;

de naheffingsaanslagen voor de jaren 2010 en 2011 vernietigd;

de beschikkingen heffingsrente voor de jaren 2010 en 2011 vernietigd;

de naheffingsaanslag voor het jaar 2012 verminderd tot een bedrag van € 29.673;

de beschikking belastingrente voor het jaar 2012 dienovereenkomstig verminderd;

de naheffingsaanslag voor het jaar 2013 verminderd tot een bedrag van € 9.352;

de beschikking belastingrente voor het jaar 2013 dienovereenkomstig verminderd;

de boetebeschikkingen vernietigd;

in de zaak betreffende de naheffingsaanslag voor het jaar 2010 de Inspecteur en de Minister voor Rechtsbescherming ieder veroordeeld tot het betalen van een immateriële schadevergoeding en de Inspecteur opgedragen het door belanghebbende in die zaak betaalde griffierecht te vergoeden;

de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten.

1.4.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft verweer gevoerd.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2019. Tegelijk en gezamenlijk met de onderhavige zaak zijn de zaken behandeld met de nummers 18/00210 tot en met 18/00213 van [A] B.V..

1.6.

De Inspecteur heeft op verzoek van het Hof enkele reeds bij de Rechtbank overgelegde stukken opnieuw overgelegd.

1.7.

Ter zitting heeft belanghebbende desgevraagd naar voren gebracht dat zij niet geacht moet worden incidenteel appel te hebben ingesteld.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Alle aandelen van belanghebbende worden gehouden door [A] B.V. (hierna: [A] ), terwijl [B] B.V. enig bestuurder is van belanghebbende. Alle aandelen van [A] worden gehouden door [B] B.V..

2.2.

[C] is enig bestuurder van [A] en is daarnaast enig aandeelhouder en bestuurder van [B] B.V. Hij is tevens de enige werknemer van [A] .

2.3.

De activiteiten van belanghebbende bestaan uit schilderen, wandafwerking, beglazing, reiniging en bouwkundig onderhoud.

2.4.

Belanghebbende is door de kenniscentra [D] en [E] erkend als leerbedrijf in het kader van de Wet educatie en beroepsonderwijs (hierna: WEB).

2.5.

Belanghebbende heeft in de hierna te melden perioden in haar loonaangiften de afdrachtvermindering onderwijs toegepast ter zake van het volgen door 52 van haar werknemers van de beroepspraktijkvorming behorende bij een aantal deelkwalificaties die deel uitmaken van de volgende opleidingen van de beroepsbegeleidende leerweg (hierna: BBL), aangeboden door de volgende, niet bekostigde, Regionale Opleidingscentra (hierna: ROC):

Opleiding Schilder

Crebocode 10178

Periode l mei 2010 tot en met 30 april 2012

Kenniscentrum [E]

ROC [F]

Opleiding Gezel Schilder

Crebocode 10175

Periode 1 mei 2010 tot en met 30 april 2013

Kenniscentrum [E]

ROC [F]

Opleiding Glaszetter

Crebocode 10807

Periode 1 mei 2010 tot en met 30 april 2012

Kenniscentrum [E]

ROC [F]

Opleiding Gezel Glaszetter

Crebocode 10805

Periode 1 mei 2010 tot en met 30 april 2013

Kenniscentrum [E]

ROC [F]

Opleiding Commercieel Medewerker Binnendienst

Crebocode 10044

Periode 1 mei 2010 tot en met 30 april 2013

Kenniscentrum [D]

ROC [F]

Opleiding Commercieel Medewerker Marketing en Communicatie

Creböcode 10036

Penode 1 mei 2010 tot en met 30 apnl 2013

Kenniscentrum [D]

ROC [F]

Opleiding Schilder

Crebocode 91450 (voorheen 10178)

Periode 1 mei 2012 tot en met 30 april 2013

Kenniscentrum [E]

ROC [G]

Crebocode staat voor de code waaronder de opleiding is opgenomen in het Centraal register

Beroepsonderwijs (hierna: Crebo).

2.6.

Belanghebbende en [A] hebben ten behoeve van evenvermelde opleidingstrajecten de [H] Academy opgericht. Daarbij zijn zij ondersteund door de bedrijven [I] en [J] . De gegevens betreffende de opleidingen werden opgeslagen in een digitaal dossier, waarbij gebruik werd gemaakt van de software van [K] B.V..

2.7.

Voor alle deelnemers zijn praktijkovereenkomsten (POK's) opgemaakt. Deze POK's vermelden alleen de Crebocode van de volledige beroepsopleiding.

2.8.

De POK's betreffende de opleidingen van de [F] zijn, behoudens in een drietal gevallen, door alle betrokken partijen ondertekend, laatstelijk op 5 oktober 2010 door het kenniscentrum [E] en op 2 november 2010 door het kenniscentrum [D] . De [F] heeft deze POK's op 4 mei 2010 getekend. In een geval (betreffende werkneemster [L] ) ontbreken op de POK de handtekeningen van belanghebbende en het kenniscentrum. In tweede geval (betreffende werknemer [M] ) mist op de POK de handtekening van het kenniscentrum. In een derde geval (betreffende werknemer [N] ) ontbreekt de datum van ondertekening door het kenniscentrum.

2.9.

Tot de gedingstukken behoort een op 28 april 2010 ondertekende "Verklaring inzake de inwerkingtreding van de beroepsbegeleidende leerweg (BBL)" van de directeur van de [F] . Hierin verklaart deze directeur dat de deelnemers, die afzonderlijk zijn vermeld op een bij de verklaring gevoegd en door hem ondertekend overzicht, zijn gestart met een in het Crebo geregistreerde BBL-opleiding.

2.10.

Het kenniscentrum heeft de POK's betreffende de opleidingen van de [G] op 17 juni 2013, na afloop van de opleiding, getekend.

2.11.

Belanghebbende heeft 24 certificaten in het geding gebracht (bijlage 3 van het verweerschrift in hoger beroep). Deze certificaten zijn door de [F] uitgereikt aan 24 deelnemers, onder wie [C] . Volgens deze certificaten heeft de desbetreffende kandidaat het examen met betrekking tot de op het certificaat vermelde deelkwalificaties behorende bij de opleidingen met de Crebocodes 10036, 10805, 10175 of 10044 met goed gevolg afgelegd. Alle certificaten zijn gedateerd 27 november 2013 en zijn ondertekend door de voorzitter van de examencommissie van de [F] . .

2.12.

Tot de gedingstukken behoort een op 27 mei 2010 gedagtekende brief van mevrouw [O] , verbonden aan de [F] , gericht aan "DUO, CREBO-registratie". Deze brief betreft een verzoek om diploma-erkenning. In deze brief is onder meer

vermeld:

"Naar aanleiding van een verzoek van een nieuwe doelgroep om een opleiding te starten

waarvoor de [F] B.V. nog geen CREBO-erkenning bezit, stuur ik u hierbij een

verzoek tot diploma-erkenning. Het verzoek richt zich op het CREBO-studiejaar 2009-2010,

aangezien de doelgroep per direct wil starten met de opleiding.

Bijgevoegd vindt u het ingevulde aanvraagformulier en de lijst met CREBO-standaarden die

wij graag aanvullend zouden willen aanvragen."

De [F] was op 27 mei 2010 reeds voor een aantal beroepsopleidingen als bedoeld in het Crebo geregistreerd.

2.13.

Tot de gedingstukken behoort een brief van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) met dagtekening 6 juli 2010, gericht aan " [F] B.V.". Deze brief betreft: "Verzoek om diploma-erkenning nieuw aanbod, brinnummer 30 EE'. In deze brief is onder meer vermeld:

"Uw aanmelding van 27 mei 2010 voor registratie van opleidingen in het Centraal Register Beroepsopleidingen (CREBO) voor het studiejaar 2010-2011 heb ik ontvangen. De CREBO-opleidingen 10174, 10175, 10805 en 10807 kennen alleen de Beroeps begeleidende leerweg (BBL). De Beroeps opleidende leerweg (BOL) kan niet geregistreerd worden.

De opleiding 10806 kent alleen de Beroepsopleidende leerweg (BOL). De Beroepsopleidende leerweg (BBL) kan niet geregistreerd worden.

De registraties zijn per 1 augustus 2010.zichtbaar op de CREBO Web-site. Bij deze brief

treft u de actuele registratie aan zoals deze voor het CREBO 2010/2011 is vastgesteld.".

2.14.

Tot de gedingstukken behoort een op 17 april 2014 gedagtekende brief van de Vak &

Werkschool, gericht aan belanghebbende. Hierin is onder meer vermeld:

"Hierbij bevestig ik u dat wij praktijkovereenkomsten en onderwijsovereenkomsten hebben

opgemaakt, in het kader van de opleiding Schilder niveau 2 met CREBO 91450 van de Vak

& Werkschool, geregistreerd onder ERIN-nummer 28 CX met een oorspronkelijke looptijd

van 01-05-2012 tot 30-04-2013 voor de volgende studenten:

( ... )".

2.15.

De Inspecteur heeft op 15 januari 2014 een boekenonderzoek ingesteld bij belanghebbende en [A] . Van dit onderzoek is op 1 december 2014 een rapport opgemaakt. Dit rapport bevat een oordeel over de aanvaardbaarheid van de aangiften in de loonheffingen van belanghebbende over de zesde vierwekelijkse aangifteperiode van het jaar 2010 tot en met de vijfde vierwekelijkse aangifteperiode van het jaar 2013. Het onderzoek heeft zich alleen gericht op de juistheid van de op grond van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekering (hierna: WVA) geclaimde afdrachtvermindering onderwijs. In dit rapport wordt geconcludeerd dat over het gehele controletijdvak geen recht op afdrachtvermindering onderwijs bestaat. Hierbij is primair het standpunt ingenomen dat geen afdrachtvermindering onderwijs kan worden toegepast, omdat slechts deelkwalificaties zijn gevolgd. Subsidiair is het standpunt ingenomen dat niet aannemelijk is dat sprake is geweest van beroepspraktijkvorming en dat daarnaast ook formele gebreken en onjuistheden in de weg staan aan de toepassing van de afdrachtvermindering onderwijs.

2.16.

Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft de Inspecteur de onderhavige naheffingsaanslagen, beschikkingen heffingsrente, respectievelijk belastingrente en boetebeschikkingen aan belanghebbende opgelegd.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de Inspecteur de door belanghebbende in haar aangiften in de loonheffingen toegepaste afdrachtvermindering onderwijs terecht heeft nageheven, welke vraag door de Inspecteur bevestigend en door belanghebbende ontkennend wordt beantwoord.

3.2.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat niet werkelijk sprake is geweest van het volgen door de werknemers van belanghebbende van beroepspraktijkvorming; dat in de POK’s alleen de Crebocode van de volledige opleiding en het daarbij behorende aantal uren beroepspraktijkvorming zijn vermeld, terwijl slechts een deel van die volledige opleiding wordt gevolgd; dat de [F] de POK’s betreffende de opleidingen met de Crebocodes 10178, 10175, 10807 en 10805 niet rechtsgeldig heeft ondertekend; dat het kenniscentrum de POK’s betreffende de opleidingen met evenvermelde Crebocodes pas op 5 oktober 2010 heeft getekend; dat ten aanzien van de opleidingen met die Crebocodes geen sprake is van beroepspraktijkvorming behorend tot een in het Crebo opgenomen beroepsopleiding; dat elk van deze omstandigheden aan de toepassing van de afdrachtvermindering in de weg staat.

3.3.

Belanghebbende heeft het standpunt van de Inspecteur gemotiveerd betwist.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de WVA (tekst 2010 tot en met 2013) is de afdrachtvermindering onderwijs van toepassing met betrekking tot de werknemer die de beroepspraktijkvorming volgt van de beroepsbegeleidende leerweg van een in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs bedoelde beroepsopleiding, op de grondslag van een in artikel 7.2.8 van die wet bedoelde overeenkomst, gesloten door de in artikel 7.2.9 van die wet genoemde partijen en mede ondertekend door het bestuur van het desbetreffende kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven.

4.2.

Voor de toepassing van artikel 14 van de WVA volstaat de vermelding als zodanig in het Centraal register beroepsonderwijs om te kunnen aannemen dat beroepspraktijkvorming deel uitmaakt van de beroepsbegeleidende leerweg van een in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de WEB bedoelde beroepsopleiding. Het ligt dan ook niet op de weg van de inspecteur of van de rechter in belastingzaken om in het kader van de toepassing van de WVA te beoordelen of een in dat register opgenomen opleiding voldoet aan de eisen van de WEB.

4.3.

In het kader van de toepassing van de WVA kan wel worden beoordeeld of een werknemer de beroepspraktijkvorming van de beroepsbegeleidende leerweg van een beroepsopleiding werkelijk heeft gevolgd. De bewijslast daarvoor rust op de inhoudingsplichtige. Indien een certificaat of diploma als bedoeld in de artikelen 7.2.3 en 7.4.6 van de WEB is uitgereikt, volstaat dat voor het bewijs dat een werknemer (het desbetreffende deel van) de opleiding heeft gevolgd, tenzij de inspecteur het tegendeel bewijst.

4.4.

Belanghebbende maakt aanspraak op de afdrachtvermindering onderwijs, op de grond dat haar werknemers beroepspraktijkvorming als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de WVA hebben gevolgd. Die bepaling vereist een op de grondslag van artikel 7.2.8 van de WEB gesloten overeenkomst, de POK. Op grond van dit laatstvermelde artikel omvat de POK onder meer bepalingen over de aanvangsdatum en einddatum van de beroepspraktijkvorming, alsmede het aantal te volgen praktijkuren per kalenderjaar, de begeleiding van de deelnemer en dat deel van de kwalificatie dat de deelnemer tijdens de beroepspraktijkvorming dient te behalen.

4.5.

Belanghebbende stelt en de Inspecteur betwist dat de door de werknemers gesloten POK’s voldoen aan de wettelijke voorwaarden. Bij de beoordeling daarvan is van belang dat de Belastingdienst bij beoordeling van de afdrachtvermindering met voldoende zekerheid zal moeten kunnen vaststellen of in het desbetreffende tijdvak recht bestond op afdrachtvermindering. De Inspecteur heeft in dit verband onder meer gesteld dat in de POK’s slechts de Crebocode van de volledige opleiding en de daarbij behorende beroepspraktijkuren zijn vermeld, terwijl slechts een deel van die volledige opleiding wordt gevolgd. Belanghebbende heeft daar in haar verweerschrift in hoger beroep tegenover gesteld dat in de onderwijs- en examenregeling (hierna: OER) tot in detail omschreven is voor welke deelkwalificaties de deelnemer is ingeschreven.

4.6.

De POK’s vormen een onlosmakelijk geheel met de onderwijsovereenkomst (hierna: OOK) en de OER, alsmede de daarop van toepassing verklaarde algemene voorwaarden. De POK’s moeten dus in samenhang met de desbetreffende OOK en OER worden gelezen.

4.7.

Belanghebbende heeft in eerste aanleg studiehandleidingen voor de jaren 2009-2010 en 2011-2012 overgelegd.

4.8.

De Inspecteur heeft onder meer gesteld dat bij het boekenonderzoek geen OER is aangetroffen en dat de door belanghebbende overgelegde studiehandleidingen niet als zodanig kunnen worden aangemerkt.

4.9.

De studiehandleiding is onderverdeeld in „Deel A: Algemene onderwijs en examenregeling” en „Deel B: Opleidingsspecifieke studiehandleiding”. Zij vermeldt onder „2.1.2 Beroepspraktijkvorming (BPV)” de POK en de OOK en onder „4.1 Overeenkomsten en regelingen” is opgenomen dat de deelnemers een POK en een OOK dienen te ondertekenen. Deze aanduiding als onderwijs en examenregeling en de vermelde samenhang met POK’s en OOK kunnen niet anders begrepen worden dan aldus dat de studiehandleiding de OER bevat. De omstandigheid dat deze in een andere vorm is gegoten dan de OER’s die de Inspecteur in andere gevallen onder ogen pleegt te krijgen, kan daaraan niet afdoen.

4.10.

Belanghebbende heeft ter zitting geloofwaardig verklaard dat de studiehandleidingen ten tijde van het boekenonderzoek in haar administratie aanwezig waren, doch dat de controleur er geen acht op heeft geslagen.

4.11.

De Inspecteur heeft ter zitting de OOK en de POK van belanghebbendes werknemer [P] overgelegd. Partijen hebben eensluidend verklaard dat deze stukken als maatgevend kunnen worden aangemerkt voor de OOK’s en de POK’s van alle werknemers voor wie belanghebbende de afdrachtvermindering heeft toegepast.

4.12.

De OOK en de POK van [P] vermelden de Crebocode 10805, als opleidingsnaam gezel glaszetter, als begindatum 1 mei 2010, als einddatum 30 april 2013, een studielast bij volledige opleiding van 3200 uur en een beroepspraktijkvorming van 1584 uur. In de in de bijbehorende studiehandleiding opgenomen OER is vermeld: „Uw opleiding bestaat uit 300 uur gestuurd leren per jaar. Hiervan bestaat 60 uur uit theorie en 240 uur uit praktijkleren”.

4.13.

De Inspecteur heeft - niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist - gesteld dat de 6 deelcertificaten die in de OER voor de opleiding gezel glaszetter zijn opgenomen gezamenlijk de totale opleiding vormen. Hetzelfde geldt voor de 11 deelcertificaten die in de OER zijn opgenomen voor de opleiding gezel schilder.

4.14.

[P] heeft 2 van de 6 deelcertificaten gehaald. Voor de opleiding gezel schilder heeft een andere werknemer 3 van de 11 deelcertificaten gehaald; de overige werknemers die deze opleiding hebben gevolgd, hebben 4 van de 11 deelcertificaten gehaald.

4.15.

Nu gesteld noch gebleken is dat een van de werknemers alle tot de beroepsopleiding behorende certificaten heeft behaald, acht het Hof niet aannemelijk dat het bij aanvang van die opleiding de intentie was om de medewerkers de gehele opleiding te laten volgen. Uit de POK’s kan evenwel niet worden opgemaakt, ook niet in samenhang met de OOK en de OER, welke deelopleidingen de werknemers zouden gaan volgen en welk aantal uren te volgen beroepspraktijkvorming daarbij horen.

4.16.

Op grond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat de POK’s op verschillende onderdelen niet voldoen aan de wettelijke voorwaarden. In alle gevallen is de gehele beroepsopleiding vermeld, terwijl slechts deelopleidingen werden gevolgd en niet aannemelijk is dat de intentie bestond dat de gehele beroepsopleiding zou worden gevolgd. Niet duidelijk is welke deelopleidingen de werknemers zouden gaan volgen en welk aantal uren te volgen beroepspraktijkvorming daarbij horen. Ook is de verdeling van de uren over de kalenderjaren niet vermeld. Deze combinatie van onvolkomenheden staat een doelmatige controle door de Belastingdienst in de weg. Het Hof is daarom van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op de afdrachtvermindering.

4.17.

De overige stellingen van de Inspecteur behoeven geen behandeling.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de boeten, de immateriële schadevergoeding, de proceskosten en het griffierecht,

– handhaaft de naheffingsaanslagen en de beschikkingen inzake de heffingsrente en de belastingrente.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. baron van Knobelsdorff, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. G.B.A. Brummer, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is op 27 februari 2019 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(K. de Jong-Braaksma) (J.W. van Knobelsdorff)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 28 februari 2019

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.