Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:175

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-01-2019
Datum publicatie
02-05-2019
Zaaknummer
200.239.912
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgregeling. Verzoek tot toestemming voor reizen buitenland. 1:253a BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.239.912

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 1644927)

beschikking van 10 januari 2019

inzake

[Verzoekster] ,

wonende te [Woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.T.N. Whiterod te Utrecht,

en

[Verweerder] ,

wonende te [Woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. E.J. Coxon te Utrecht.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 27 februari 2018 (verder: de bestreden beschikking), uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 27 mei 2018;

- het verweerschrift tevens houdende (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep met producties;

- een journaalbericht van mr. Coxon van 24 oktober 2018 waarbij het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep is ingetrokken;

- een journaalbericht van mr. Whiterod van 23 november 2018 met producties 12 tot en met 15;

- een journaalbericht van mr. Coxon van 26 november 2018 met producties 14, 15 en 16;

- een journaalbericht van mr. Witherod van 29 november 2018 met productie 16;

- een journaalbericht van mr. Coxon van 30 november 2018 met productie 17.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 4 december 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is [Medewerker kinderbescherming] verschenen.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn de ouders van [Kind] (verder: [Kind] ), geboren op [Geboortedatum] 2016 te [Geboorteplaats] , over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.2

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank:

- ( uitvoerbaar bij voorraad) als verdeling van de vakanties en feestdagen vastgesteld dat [Kind] als volgt bij de ouders zal verblijven:

- herfstvakantie: even jaren bij de moeder, oneven jaren bij de vader;

- kerstvakantie: even jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de

moeder, oneven jaren de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader;

- voorjaarsvakantie: oneven jaren bij de moeder, even jaren bij de vader;

- meivakantie: even jaren de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de

vader, oneven jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder;

- zomervakantie: 2018 en 2019 maximaal twee aaneengesloten weken, vanaf 2020 de

even jaren de eerste drie weken bij de moeder en de laatste drie weken bij de vader,

oneven jaren de eerste drie weken bij de vader en de laatste drie weken bij de

moeder;

- Goede Vrijdag tot en met Pasen: even jaren bij de moeder, oneven jaren bij de

vader;

- Pinksteren: oneven jaren bij de moeder, even jaren bij de vader;

- verjaardag [Kind] : bij de ouder bij wie ze dan verblijft (de andere ouder kan [Kind] op

die dag in overleg altijd bellen/zien);

- verjaardag van de moeder: bij de moeder;

- verjaardag van de vader: bij de vader;

- Moederdag: bij de moeder;

- Vaderdag: bij de vader.

- ( uitvoerbaar bij voorraad) een voorlopige zorgregeling vastgesteld waarbij [Kind] :

- in de even weken van woensdagmiddag tot zondag 18.30 uur bij de vader verblijft;

- in de oneven weken van woensdagmiddag tot donderdag 18.30 uur bij de vader verblijft, waarbij de vader [Kind] op woensdagmiddag ophaalt bij het kinderdagverblijf en op zondag 18.30 uur dan wel donderdag 18.30 uur terugbrengt naar de moeder;

- op de andere dagen bij de moeder verblijft;

- het verzoek van de moeder om te verklaren voor recht dat de hoofdverblijfplaats van [Kind] bij haar is, afgewezen;

- het verzoek van de moeder dat partijen geen nadere toestemming nodig hebben voor vakanties naar het buitenland, althans de moeder vervangende toestemming te verlenen om met [Kind] voor vakantie naar het buitenland te gaan, afgewezen;

- de raad verzocht een onderzoek in te stellen en te rapporteren en te adviseren naar de vraag welke hoofdverblijfplaats en welke zorgregeling het meest in het belang van [Kind] zijn;

- de behandeling van de verzoeken met betrekking tot de hoofdverblijfplaats en de definitieve zorgregeling aangehouden.

3.3

In de beschikking van 5 oktober 2018 heeft de rechtbank als zorgregeling vastgesteld dat [Kind] de ene week van maandag tot en met zondag bij de vader en de andere week van maandag tot en met zondag bij de moeder verblijft, alsmede bepaald dat [Kind] ingeschreven staat in de Basis Registratie Personen op het adres van de moeder.

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen is thans nog in geschil de regeling voor de vakanties en feestdagen en de toestemming voor reizen naar het buitenland.

4.2

De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden, de bestreden beschikking te vernietigen, althans voor zover deze wordt getroffen door de aangevoerde grieven en opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:

I. ten aanzien van de regeling voor de vakanties en feestdagen

primair

A: totdat [Kind] leerplichtig is, de vakanties en feestdagen als volgt worden verdeeld:

- kerstvakantie: even jaren vader eerste week en moeder tweede week, oneven jaren eerste

week moeder en tweede week vader;

- Goede Vrijdag tot en met Pasen: even jaren moeder, oneven jaren vader;

- Pinksteren, weekend vanaf vrijdag tot en met maandag: oneven jaren moeder, even jaren

vader

- verjaardag [Kind] : [Kind] is bij de ouder bij wie zij dan verblijft. De andere ouder kan op die

dag altijd [Kind] bellen en zien. Ouders zullen daar in onderling overleg afspraken over

maken;

- verjaardag moeder: [Kind] bij moeder;

- verjaardag vader: [Kind] bij vader;

- Moederdag: [Kind] bij moeder;

- Vaderdag: [Kind] bij vader;

- iedere ouder heeft daarnaast vijf vakantieweken per ouder per schooljaar, waarvan

maximaal één vakantie een duur heeft van maximaal twee aaneengesloten weken en vanaf

dat [Kind] vijf jaar is, maximaal drie aaneengesloten weken. Een gekozen vakantieweek valt

niet op een feest- of verjaardag van de andere ouder, tenzij er toestemming is van die ouder;

de ouders informeren elkaar ten minste acht weken voor de te nemen vakantie;

B: vanaf dat [Kind] leerplichtig is, de vakanties en feestdagen als volgt worden verdeeld:

- herfstvakantie: oneven jaren moeder, even jaren vader;

- kerstvakantie: even jaren vader eerste week en moeder tweede week, oneven jaren eerste

week moeder en tweede week vader;

- voorjaarsvakantie: oneven jaren moeder, even jaren vader;

- meivakantie: even jaren eerste week moeder, tweede week vader, oneven jaren eerste week

vader, tweede week moeder;

- zomervakantie: even jaren eerste drie weken moeder, tweede drie weken vader, oneven

jaren eerste drie weken vader, tweede drie weken moeder;

- Goede Vrijdag t/m Pasen: even jaren moeder, oneven jaren vader;

- Pinksteren, weekend vanaf vrijdag t/m maandag: oneven jaren moeder, even jaren vader

- verjaardag [Kind] : [Kind] is bij de ouder bij wie ze dan verblijft. De andere ouder kan op die

dag altijd [Kind] bellen en zien. Ouders zullen daar in onderling overleg afspraken over

maken;

- verjaardag moeder: [Kind] bij moeder;

- verjaardag vader: [Kind] bij vader;

- Moederdag: [Kind] bij moeder;

- Vaderdag: [Kind] bij vader;

C: tijdens de vakanties de omgangsregeling niet doorloopt en deze na de vakantie wordt hervat;

D: de ouders in onderling overleg kunnen afwijken en dat voor zover partijen geen overeenstemming hebben de regeling geldt;

E: het paspoort van [Kind] is bij de ouder bij wie zij staat ingeschreven. Deze ouder verstrekt het paspoort aan de andere ouder ten behoeve van een vakantie. Na de vakantie geeft die ouder het paspoort onverwijld terug;

subsidiair

althans een vakantieregeling vast te leggen die het hof juist acht;

II. ten aanzien van de toestemming voor reizen naar het buitenland

primair

partijen geen nadere toestemming nodig hebben om met [Kind] op vakantie naar het buitenland te gaan;

subsidiair

partijen geen nadere toestemming nodig hebben om met [Kind] op vakantie te gaan naar het buitenland, althans naar alle landen waarvoor het ministerie van buitenlandse zaken geen negatief reisadvies heeft afgegeven;

meer subsidiair

partijen geen nadere toestemming nodig hebben om met [Kind] op vakantie te gaan voor reizen binnen Europa, althans reizen naar landen naar welke met een geldige identiteitskaart mag worden gereisd;

althans een reistoestemming te bepalen die het hof juist acht.

4.3

De vader voert verweer en verzoekt het hof de verzoeken van de moeder af te wijzen. De vader heeft zijn voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingetrokken bij voormeld journaalbericht van 24 oktober 2018.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan - voor zover hier van belang - een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten.

5.2

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er in een voorkomend geval toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de afweging van belangen.

regeling voor de vakanties en feestdagen

5.3

Het hof is van oordeel dat de door de moeder voorgestelde vakantie- en feestdagenregeling niet meer adequaat is, nu de rechtbank bij voormelde beschikking van 5 oktober 2018 een co-ouderschapsregeling in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken heeft vastgesteld. De ouders hebben zelf tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat zij het niet wenselijk vinden dat het zou kunnen voorkomen dat [Kind] door de co-ouderschapsregeling in combinatie met de uitvoering van de vakantieregeling bijvoorbeeld tijdens de herfstvakantie in totaal drie weken bij één en dezelfde ouder zal verblijven.

5.4

De vertegenwoordiger van de raad heeft tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat dat niet wenselijk is. [Kind] heeft twee ouders die voor haar zorgen en daarom zal zij zich bij beiden veilig voelen. Het maakt voor haar daarom niet veel uit bij welke ouder zij verblijft. Voor [Kind] is het, gelet op haar leeftijd, alleen van belang dat zij geen te druk programma heeft en niet te lang aaneengesloten bij de ene ouder verblijft en de andere ouder dan niet ziet. Een verblijf voor een aaneengesloten periode van twee weken is het maximale dat [Kind] aankan. Dat is een wezenlijke beperking totdat zij vijf jaar oud is. De ouders staan op de wachtlijst voor ouderschapsbemiddeling bij Youké en zij zullen daar stappen met elkaar moeten gaan zetten. Zij hebben verschillende opvoedstijlen, waartoe [Kind] zich zal leren te verhouden. In verband met die verschillende opvoedstijlen is het begrijpelijk dat de ene ouder meer behoefte heeft aan structuur dan de andere ouder, maar eigenlijk maakt het niet zoveel uit, aldus de vertegenwoordiger van de raad.

5.5

Het hof is van oordeel dat in plaats van de door de moeder verzochte regeling voor de vakanties en feestdagen, zoals de kerstvakantie, Goede Vrijdag tot en met Pasen, Pinksteren en vanaf het moment dat [Kind] leerplichtig is, ook de herfst-, de voorjaars- en de meivakantie, de door de rechtbank vastgestelde co-ouderschapsregeling beter kan doorlopen. Dit zorgt voor duidelijkheid en een evenredige verdeling van de zorg voor [Kind] . Indien de co-ouderschapsregeling vanaf het moment dat [Kind] naar school toe gaat, ertoe leidt dat [Kind] gedurende een schooljaar meer vakantiedagen bij de ene ouder dan bij de andere verblijft, hoort het bij de ouderlijke verantwoordelijkheid dat de ouders hiervoor in onderling overleg een compensatie of een extra wisseling afspreken. Het hof acht het verder niet nodig om een expliciete regeling te treffen voor de verjaardagen van de ouders en [Kind] en voor Vader- en Moederdag. De vader heeft geen bezwaren naar voren gebracht tegen deze verzoeken van de moeder. Kennelijk bestaat hierover overeenstemming en daarom gaat het hof ervan uit dat de ouders in onderling overleg regelen dat [Kind] op de verjaardag van haar moeder en op Moederdag bij de moeder en op de verjaardag van de vader en op Vaderdag bij de vader zal verblijven. Ook oordeelt het hof het wenselijk en vanzelfsprekend dat [Kind] op haar verjaardag de ouder bij wie zij op dat moment niet verblijft kan bellen of zien.

Wat betreft de vakanties heeft de moeder verder ook verzocht te bepalen dat [Kind] maximaal één vakantie met een duur van maximaal twee aaneengesloten weken, en vanaf het moment dat [Kind] vijf jaar is maximaal drie aaneengesloten weken, bij iedere ouder verblijft. Ook hiertegen zijn geen specifieke bezwaren gebleken. De uitvoering van een vakantieperiode van twee, respectievelijk drie vakantieweken, bij beide ouders brengt wel een wezenlijke afwijking van de co-ouderschapsregeling mee, en daarom zal het hof dit als een expliciete bepaling opnemen.

5.6

Op grond van het vorenstaande slaagt de grief van de moeder gedeeltelijk. Het hof zal mede in verband met het feit dat de rechtbank na de bestreden beschikking een gewijzigde zorgregeling heeft vastgesteld, de verzoeken van de moeder onder A, B, C, en D afwijzen, en bepalen dat [Kind] in aanvulling op de door de rechtbank vastgestelde co-ouderschapsregeling eenmaal per jaar een aaneengesloten vakantieperiode van maximaal twee weken en vanaf het moment dat [Kind] vijf jaar oud is maximaal drie weken, bij iedere ouder zal verblijven, in onderling overleg door de ouders nader af te spreken.

5.7

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben de ouders afgesproken dat de moeder het paspoort van [Kind] bewaart en dat de vader daarnaast een identiteitskaart voor [Kind] onder zich kan hebben. Het hof zal het verzoek van de moeder op dit punt onder E daarom afwijzen.

toestemming voor reizen naar het buitenland

5.8

De moeder heeft het hof verzocht te bepalen dat de ouders geen nadere toestemming nodig hebben om met [Kind] op vakantie naar het buitenland te gaan. Zij stelt dat de toestemmingsverklaring voor reizen naar het buitenland geen vormvereisten heeft. Het formulier dat daarvoor is ontwikkeld is niet verplicht maar zorgt voor snellere grenscontrole. Omdat overleg tussen partijen vaak tot discussies leidt is de moeder bevreesd dat haar verzoeken om met [Kind] naar het buitenland te kunnen reizen tot onenigheid tussen de ouders zal leiden en dat de vader de van hem benodigde toestemming zal gaan inzetten als een machtsmiddel.

5.9

De vader voert verweer en stelt dat voor de uitvoering van het gezamenlijk gezag overleg tussen de ouders is vereist en dat dit ook geldt voor het reizen naar het buitenland. In uiterste gevallen, als de ouders niet tot consensus kunnen komen over de opvoeding en verzorging van [Kind] , kunnen zij de rechter vragen hun geschil te beslechten. Tot nu toe is dat niet nodig geweest en volgens de vader is ook niet te verwachten dat dit zal gaan gebeuren.

5.10

Het hof is van oordeel dat het primaire, subsidiaire en meer subsidiaire verzoek van de moeder niet voor toewijzing vatbaar is. De wetgever hanteert als uitgangspunt dat de ouders na een echtscheiding of na hun uiteengaan het gezamenlijk gezag over hun kinderen voortzetten. Beoogd wordt dat de ouders beiden een wezenlijk aandeel in de opvoeding en verzorging van de kinderen houden, dat zij aangelegenheden in het kader van de opvoeding en verzorging van hun kinderen met elkaar afstemmen dan wel elkaar tijdig informeren en dat zij belangrijke besluiten over hun kinderen in onderling overleg nemen. In dat licht bezien, dienen de ouders voor iedere reis naar het buitenland die zij met [Kind] willen ondernemen, met elkaar in overleg te treden en tot consensus te komen. Of dat door middel van een toestemmingsverklaring moet, is voor de beoordeling van het onderhavige verzoek niet zozeer van belang. Toewijzing van het verzoek van de moeder, waardoor het benodigde ouderlijke overleg voorafgaand aan een eventuele reis naar het buitenland niet meer noodzakelijk zou zijn, stemt niet overeen met hetgeen de wetgever heeft bedoeld. Daarom is het hof van oordeel dat de tweede grief van de moeder faalt en zal het hof de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.

5.11

Zoals hiervoor reeds overwogen, dienen partijen voor iedere vakantie naar het buitenland in overleg met elkaar te treden. Indien zij een vakantie willen ondernemen op dagen waarop zij niet de zorg voor [Kind] hebben in het kader van de co-ouderschapsregeling, is het noodzakelijk dat zij daarover in onderling overleg afspraken (kunnen) maken. In dit kader overweegt het hof dat beide ouders hebben aangegeven dat het overleg over de verzorging en opvoeding van [Kind] zeer moeilijk verloopt. Daarbij is gebleken dat de vader zich onvoldoende serieus genomen voelt door de moeder in zijn rol als opvoeder en dat de moeder de vader onvoldoende vertrouwt. Het is daarom prijzenswaardig dat zij toch in staat blijken te zijn om de co-ouderschapsregeling uit te voeren, ook al wordt daarbij uitsluitend afgestemd over het hoogst noodzakelijke. Het hof hoopt en verwacht dat de ouders tijdens de ouderschapsbemiddeling bij Youké, die op korte termijn zal worden gestart, leren om afstand te nemen van elkaar als ex-partner en leren hun rol als ouder van [Kind] voorop te stellen. Het hof acht hen daartoe in staat. Een verbetering op dit punt is noodzakelijk om een stabiele en evenwichtige situatie voor [Kind] te creëren waarin [Kind] ongestoord nauwe banden met beide ouders kan onderhouden.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 27 februari 2018, voor zover deze de verdeling van de vakanties en feestdagen betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt in aanvulling op de door de rechtbank bij beschikking van 5 oktober 2018 vastgestelde zorgregeling, in het kader van de verdeling van de vakanties en feestdagen dat [Kind] een vakantieperiode met een duur van maximaal twee aaneengesloten weken, en vanaf het moment dat [Kind] vijf jaar is maximaal drie aaneengesloten weken, in onderling overleg door de ouders nader af te spreken, bij iedere ouder verblijft;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 27 februari 2018, voor zover deze betrekking heeft op de afwijzing van het verzoek van de moeder dat partijen geen nadere toestemming nodig hebben voor vakanties naar het buitenland, althans de afwijzing om aan de moeder vervangende toestemming te verlenen om met [Kind] voor vakantie naar het buitenland te gaan;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, A. Smeeïng-van Hees en G.J. Rijken, bijgestaan door de griffier, en is op 10 januari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.