Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:1726

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-02-2019
Datum publicatie
05-03-2019
Zaaknummer
200.031.198/01 en 200.037.623/01 en 200.037.625/01 en 200.085.417/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Waardering onderneming: DCF-methode en/of liquidatiewaarde. Deskundigenrapport.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.031.198/01, 200.037.623/01, 200.037.625/01 en 200.085.417/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 93160 FA RK 07-595)

beschikking van 21 februari 2019

in de zaak onder nummer 200.031.198/01 van:

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: verweerder,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. S.A. Wortmann, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: verzoekster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. F.B. Flooren, kantoorhoudend te Groningen;

in de zaak onder nummer 200.037.623/01 van:

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verzoekster in het (deels voorwaardelijk) principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: verzoekster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. F.B. Flooren, voornoemd,

tegen

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verweerder in het (deels voorwaardelijk) principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: verweerder,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. S.A. Wortmann, voornoemd;

in de zaak onder nummer 200.037.625/01 van:

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verzoekster in het (deels voorwaardelijk) principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: verzoekster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. F.B. Flooren, voornoemd,

tegen

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verweerder in het (deels voorwaardelijk) principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: verweerder,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. S.A. Wortmann, voornoemd;

en in de zaak onder nummer 200.085.417/01 van:

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verzoekster ,

in eerste aanleg: verzoekster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. F.B. Flooren, voornoemd,

tegen

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verweerder ,

in eerste aanleg: verweerder,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. S.A. Wortmann, voornoemd.

Het hof neemt hier over hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikkingen van

10 september 2015 en 8 augustus 2017.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- een akte met producties van 29 januari 2016 van mr. Wortmann;

- een brief met producties van 29 februari 2016 van mr. Flooren;

- een deskundigenbericht van 8 december 2017 van de door het hof benoemde deskundige drs. [C] ;

- een brief van 7 februari 2018 met bijlagen van mr. Flooren;

- een akte na deskundigenbericht van 8 februari 2018 van mr. Wortmann;

- een brief van 14 maart 2018 met bijlagen van mr. Flooren;

- een antwoordakte van 15 maart 2018 van mr. Wortmann.

2 De motivering van de beslissing

De waarde van de onderneming(en) van de man (zaaknummer 200.086.417/01):

2.1

In de beschikking van 27 januari 2015 is drs. [C] RA tot deskundige benoemd teneinde een onderzoek in te stellen en schriftelijk bericht uit te brengen omtrent de volgende vragen:

- wat is de waarde van de eenmanszaak van de man per 28 maart 2007, berekend aan de hand van de DCF-methode?

Hierbij kan worden meegewogen het feit dat één dag na de peildatum de eenmanszaak is omgezet in een werkmaatschappij [D] B.V. en een holding [E] B.V.;

- is in de berekende waarde verdisconteerd de waarde van de in de jaarstukken 2006 en/of 2007 genoemde garage aan de [a-straat] , de auto van het merk Volkswagen, type Phaeton, kenteken [00-YY-YY] , de geluidsinstallatie Sound Gallery en het saldo van de spaarrekening bij de Rabobank nummer [00000] ?

- heeft de omstandigheid dat het hof in het kader van de alimentatievaststelling heeft geoordeeld dat de man vanaf 1 oktober 2008 € 12.500,- per jaar aan dividend heeft kunnen onttrekken aan [E] B.V. invloed op de berekening van de waarde van de eenmanszaak van de man en zo ja is daarmee rekening is gehouden bij de berekende waarde?

- moet bij een verrekening van de waarde van de eenmanszaak rekening worden gehouden met een (latente) belastingclaim en zo ja, hoe hoog is die claim?

- geeft het onderzoek overigens nog aanleiding tot het maken van opmerkingen, die in verband met de beslissing van dit geschil van belang zouden kunnen zijn?

2.2

De deskundige heeft in het deskundigenrapport, bij de behandeling van de eerste vraag, de waarde van de onderneming van de man per 31 maart 2007 bepaald op € 278.712,-. Van het ondernemingsvermogen maakten op de peildatum deel uit een auto, merk Volkswagen Phaeton, kenteken [01-YY-YY] , een geluidinstallatie Sound Gallery en het saldo op de spaarrekening bij de Rabobank nummer [00000] . Daarmee heeft de deskundige rekening gehouden bij de vaststelling van de waarde van de onderneming. Verder heeft de deskundige geconstateerd dat de garage aan de [a-straat] toen niet tot het vermogen van de onderneming behoorde en dat de auto, Volkswagen Phaeton, kenteken [00-YY-YY] in 2006 is gedesinvesteerd. De deskundige heeft bij de vraag over de (latente) belastingclaim (vraag 4 in het deskundigenrapport) meegedeeld dat rekening moet worden gehouden met een latente inkomstenbelastingverplichting van 25 % in box 2 over de waarde van [E] B.V., onder aftrek van de oorspronkelijke verkrijgingsprijs van [E] B.V. ten bedrage van € 18.000,-. Bij de berekening van de hoogte van die claim heeft de deskundige de hiervoor genoemde waarde van de onderneming niet juist overgenomen. Uitgaande van de door de deskundige genoemde berekeningswijze bedraagt de (latente) belastingclaim dan (waarde onderneming van € 278.712,-, minus de verkrijgingsprijs van € 18.000,- = ) € 65.178,-.

2.3

De deskundige heeft bij de vaststelling van de waarde van de eenmanszaak van de man de omstandigheid dat die onderneming met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 is gedreven in de vorm van een besloten vennootschap op zodanige wijze laten meewegen dat hij per saldo de waarde van de aandelen in die besloten vennootschap heeft berekend. Het hof ziet in de stellingen van de vrouw geen aanleiding om te concluderen dat de deskundige de waarde niet op die wijze heeft kunnen berekenen. Uit het deskundigenrapport blijkt immers dat de man al ruim voor het uiteengaan van partijen is aangevangen met de voorbereidingen om de eenmanszaak om te zetten in een besloten vennootschap, waardoor het redelijk is rekening te houden met de financiële gevolgen die aan de omzetting zijn verbonden. Ook is de deskundige gebleven binnen de aan hem gegeven onderzoeksopdracht, nu hem daarin de mogelijkheid is gegeven rekening te houden met het feit dat de eenmanszaak is omgezet in een besloten vennootschap. De keuze van de deskundige is begrijpelijk en wordt door het hof onderschreven, zodat daaraan niet kan afdoen dat deze keuze niet de gunstigste voor de vrouw is. Verder heeft de deskundige de door de man verstrekte gegevens van de onderneming, hoewel niet volledig, wel voldoende plausibel geacht om een onderzoek naar de waarde van de onderneming te kunnen uitvoeren. Het hof acht hetgeen de vrouw over de onvolledigheid van de door de man verstrekte stukken en over de inhoud daarvan heeft gesteld, in het licht van de antwoorden van de deskundige dienaangaande op de vragen van de vrouw, onvoldoende onderbouwd om van het deskundigenrapport af te wijken.

2.4

De deskundige heeft de waarde van de onderneming van de man berekend volgens de DCF-methode. Daarbij is van belang wat op de peildatum bekend is over de na de peildatum te verwachten kasstromen binnen een onderneming. Gegevens die na de peildatum bekend worden behoren niet te worden meegewogen, ook niet wanneer daaruit blijkt dat een op de peildatum aanwezige verwachting niet is uitgekomen. Uit het deskundigenrapport blijkt dat op de peildatum een substantieel deel van de omzet van de onderneming van de man werd verkregen van de Stichting [F] (hierna: [F] ), uit hoofde van een overeenkomst die liep tot 1 juli 2008. Op 12 maart 2007, kort voor de peildatum van 28 maart 2007, heeft een overleg van gedeputeerden van de deelnemende provincies met [F] plaatsgevonden. Volgens de deskundige blijkt uit de notulen van dit overleg dat op de peildatum niet kon worden verwacht dat de overeenkomst met [F] per 1 juli 2008 zou worden verlengd. De deskundige heeft mede op grond daarvan aannemelijk geacht dat de overeenkomst met [F] per 1 juli 2008 niet zou worden voortgezet. Wat de vrouw daartegen heeft aangevoerd is niet voldoende om te concluderen dat de deskundige niet tot die aanname heeft kunnen komen, ook al omdat de vrouw geen concrete gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat op de peildatum voorzienbaar was dat het contract met [F] per 1 juli 2008 zou worden verlengd. De deskundige heeft, uitgaande van de verwachting dat de overeenkomst met [F] per 1 juli 2008 niet zou worden verlengd, het vrijwel uitgesloten geacht dat een rationeel handelend derde op de peildatum bereid zou zijn de onderneming te kopen. Het hof is van oordeel dat dit in het deskundigenrapport voldoende is toegelicht aan de hand van berekeningen over de te verwachten bedrijfsresultaten van de onderneming in de periode tot 1 juli 2008 en in de periode daarna, waaruit blijkt dat de onderneming na het wegvallen van de omzet die van [F] werd verkregen geen of weinig winst zou kunnen realiseren. De deskundige heeft - anders dan de vrouw meent - daarmee voldoende onderbouwd dat op de peildatum een liquidatie van de onderneming per 1 juli 2008 het meest voor de hand liggende scenario was om de te verrekenen waarde vast te stellen en dat de waarde van de onderneming dan ook gesteld moet worden op de liquidatiewaarde per 1 juli 2008. Dat daardoor per saldo slechts over een beperkte periode, namelijk tot 1 juli 2008, de DCF methode wordt toegepast doet daaraan niet af. De man is op zijn beurt van mening dat de waarde van de onderneming niet op basis van liquidatie per 1 juli 2008 moet worden genomen, maar dat de liquidatiewaarde per peildatum geldt, omdat zijn onderneming toen al niet verkoopbaar was. Het hof volgt hem daarin niet. De deskundige is, zoals ook uit het voorgaande blijkt, uitgegaan van de waarde van de onderneming op de peildatum. Op die datum was de onderneming niet verkoopbaar, maar zou nog wel tot 1 juli 2008 voordeel kunnen hebben van de omzet uit de overeenkomst met [F] , wat een liquidatie per de peildatum niet de meest aangewezen keuze doet zijn. De deskundige heeft er daarom redelijkerwijs van kunnen uitgaan dat de onderneming tot 1 juli 2008 zou worden voortgezet en dat de vrije geldstromen die dat tot dat moment met zich bracht, mede de waarde op de peildatum bepaalden. Het hof acht een waardevaststelling op basis van het op de peildatum aanwezig eigen vermogen van de onderneming, zonder een waarde toe te kennen aan de tot 1 juli 2008 bestaande overeenkomst met [F] , zoals de man voorstaat, dan niet redelijk. Ook wat de man verder heeft aangevoerd geeft het hof geen aanleiding om anders te beslissen.

2.5

De man stelt dat het op de peildatum voorzienbaar was dat met gebruik van de liquide middelen een dividenduitkering naar privé zou plaatsvinden en dat de deskundige ten onrechte van deze kasstroom heeft geabstraheerd. Het hof volgt echter de deskundige. Een toekomstige dividenduitkering naar privé betreft immers geen voorzienbare uitgave voor de bedrijfsvoering en is daarmee geen kasstroom die op de peildatum de waarde van de onderneming hoort te beïnvloeden. Indien daarover anders zou moeten worden geoordeeld zou het ervoor moeten worden gehouden dat op de peildatum al een recht op een dividenduitkering aanwezig was, waarvan de waarde als overgespaarde inkomsten van de man in de verrekening zou moeten worden betrokken.

De man betoogt verder dat het reëel is om rekening te houden met een uitkering vanwege afvloeiingskosten personeel van € 75.000,- en dat de deskundige er ten onrechte van is uitgegaan dat geen afvloeiingskosten verschuldigd zouden zijn geweest. Op de peildatum was volgens de man duidelijk dat [F] als grootste opdrachtgever zou wegvallen en dat daarna alleen in afgeslankte vorm zou kunnen worden doorgegaan. De arbeidsovereenkomst met diverse personeelsleden zou daardoor moeten worden beëindigd. De man stelt dat het in die periode, rond 2007/2008, gebruikelijk was dat ter vermijding van kennelijk onredelijke ontslagprocedures een vaststellingsovereenkomst werd gesloten ter beëindiging van een dienstverband waarvan een ontslagvergoeding deel uit maakte. De man betoogt dat uit statistieken blijkt dat die vergoeding in 2007 gemiddeld 0,82 maanden per dienstjaar bedroeg. De man heeft dit echter onvoldoende onderbouwd. Daarnaast zijn geen gegevens overgelegd betreffende het personeel dat zou moeten afvloeien waaruit blijkt dat dit zou leiden tot een ontslagvergoeding van enige substantie. Het hof ziet daarom geen aanleiding om rekening te houden met kosten voor ontslagvergoedingen.

2.6

De man stelt dat bij de waardering van de onderneming geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat het hof er in het kader van de vaststelling van de alimentatieverplichtingen van is uitgegaan dat hij van 1 oktober 2008 tot en met 2012 jaarlijks een dividend van € 12.500,- aan zich kon doen uitkeren en dat deze dividenduitkering niet past bij het scenario dat de onderneming per 1 juli 2008 wordt geliquideerd. Volgens de man wordt de vrouw daardoor dubbel bevoordeeld. De man wenst dat de partneralimentatie over de periode van 1 oktober 2008 tot en met 2012 wordt gecorrigeerd, dan wel dat de te verrekenen waarde van de onderneming wordt gematigd met het bedrag van de teveel betaalde alimentatie. Het hof acht voor een wijziging van de bij beschikking van 24 juni 2014 voor de periode tot en met 2012 vastgestelde alimentatie in deze procedure geen plaats. Het gaat daarbij immers om in het dictum vastgelegde eindbeslissingen waartegen beroep in cassatie mogelijk is (geweest), dan wel om beslissingen waarvan wijziging bij de rechtbank behoort te worden verzocht. Verder ziet het hof geen aanleiding om de te verrekenen waarde van de onderneming te matigen, omdat de dividenduitkeringen zijn meegenomen voor de periode vanaf 1 oktober 2008. Op dat moment was sprake van een gewijzigde situatie omdat de onderneming haar gebruikelijke werkzaamheden na 1 juli 2008 heeft voortgezet. Daardoor was voor wat betreft de beoordeling van de vraag welke inkomsten de man vanaf 1 oktober 2008 redelijkerwijs kon verwerven sprake van een andere situatie dan waarmee bij de waardering van de waarde van de onderneming van de man per peildatum rekening moet worden gehouden en ook is gehouden.

2.7

Het hof gaat voorbij aan de stellingen van de vrouw dat in verband met de Volkswagen Phaeton, kenteken [00-YY-YY] , nog een bedrag moet worden meegenomen. Uit de stukken blijkt dat de auto in 2006, na een ongeval, total loss is verklaard. Daarvoor is een schadevergoeding verkregen. Deze vergoeding zal, nu niet anders is gebleken, in de bedrijfsmiddelen zijn gevloeid waarmee bij de waardevaststelling van de onderneming van de man rekening is gehouden. Er is niet voldoende onderbouwd dat er op de peildatum sprake was van een uit de auto verkregen of te verkrijgen vermogen van partijen dat nog voor afzonderlijke verrekening in aanmerking komt.

2.8

De Sound Gallery geluidsinstallatie behoort tot het vermogen van de onderneming van de man. De deskundige heeft de waarde van deze installatie ten tijde van de (fictieve) liquidatie van de onderneming bij de waardering meegenomen. Dat dit tegen een te lage waarde is gebeurd is door de vrouw niet voldoende onderbouwd, zodat er geen aanleiding is de bevindingen van de deskundige op dit punt te corrigeren. De omstandigheid dat de man de geluidsinstallatie in privé heeft gebruikt leidt niet tot een ander oordeel.

2.9

Het saldo op de spaarrekening bij de Rabobank nummer [00000] behoort volgens het rapport van de deskundige toe aan de onderneming van de man. De stellingen van de vrouw dat in 2006 van die rekening een bedrag is opgenomen, is niet relevant voor de waarde van de onderneming. Daarvoor is het saldo op de peildatum van belang, welk saldo bij de vaststelling van de waarde is meegenomen.

2.10

De onderneming van de man werd enige tijd gedreven vanuit de woning van de man aan de [b-straat] te [A] . De onderneming heeft daarvoor aanpassingen aan en rond de woning gedaan. Zo zijn een tuinhuis en serredeuren geplaatst. Deze zaken vertegenwoordigen voor de onderneming van de man geen (verkoop)waarde meer, nu zij deel zijn gaan uitmaken van de woning van de man. Het is dan, anders dan de vrouw stelt, redelijk om bij de vaststelling van de waarde van de onderneming aan de investering in de woning van de man geen waarde toe te kennen. Het kan zijn dat de man, als eigenaar van de woning, voordeel heeft van de door de onderneming gedane investeringen, maar nu het een investering van de onderneming betreft en niet een investering uit verrekenbare inkomsten van de man, komt dit voordeel niet voor afzonderlijke verrekening in aanmerking. Dit voordeel maakt thans deel uit van de waarde van de woning van de man en over wat de vrouw met betrekking tot die woning toekomt heeft het hof al beslist. Het hof zal voor de serredeuren en het tuinhuis dan ook geen waarde in de verrekening betrekken.

2.11

De vrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door de deskundige gehanteerde liquidatiewaarde van de Volkswagen Phaeton kenteken [01-YY-YY] geen reële waarde is. Door de deskundige is, gezien punt 4. op bladzijde 22 van het deskundigenrapport, een bedrag van € 30.909,- aan de materiële vaste activa toegekend, waartoe de genoemde auto behoort, en wel conform de toelichting van de man. Die toelichting is neergelegd in de aan het deskundigenrapport gehechte brief van 30 juni 2017 van mr. Wortmann en daaruit blijkt dat de auto voor een bedrag van € 13.430,- is meegeteld. De vrouw heeft niet voldoende onderbouwd dat de verkoopwaarde op de peildatum hoger was. Aan de door de vrouw genoemde vraagprijs van € 5.900,- in 2015 kan dat laatste in ieder geval niet worden ontleend.

2.12

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de deskundige volgt en de waarde van de onderneming van de man op de peildatum vast stelt op € 278.712,-. Nu bij liquidatie daarover 25% belasting verschuldigd zou zijn, dient in het kader van de verrekening rekening te worden gehouden met een belastinglatentie van dat percentage. Dan is de verschuldigde belasting te stellen op € 278.712,- min de verkrijgingsprijs van € 18.000,- =

€ 260.712,- keer 25% = € 65.178,-. Te verrekenen is dan € 278.712,- min 65.178,- =

€ 213.534,-. De vrouw komt daarvan de helft, ofwel € 106.767,- toe.

2.13

De vrouw heeft voorts in de zaak met nummer 200.085.417/01 in grief 6 en in de daarmee samenhangende vordering te kennen gegeven dat zij aanspraak maakt op wettelijke rente over haar aandeel in de waarde van de onderneming van de man vanaf de peildatum (28 maart 2007) tot aan de dag der voldoening, omdat zij een dergelijke vergoeding gezien de tijd die sinds de peildatum is verstreken, redelijk vindt.

De man verzet zich daartegen. Hij meent dat de redelijkheid en billijkheid geen redenen zijn om wettelijke rente toe te kennen en voor het geval het hof meent dat wettelijke rente verschuldigd is, beroept hij zich op matiging. Volgens de man is de lange duur van de procedure veroorzaakt door de gedragingen van de vrouw. Verder heeft hij in de ter zitting van 27 september 2012 voorgedragen pleitnota betoogd dat geen sprake is van verzuim.

2.14

Vast staat dat partijen tijdens hun huwelijk geen uitvoering hebben gegeven aan het in artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden overeengekomen verrekenbeding. Dit verrekenbeding is als gevolg daarvan omgezet in een finale verrekening. Mede gelet op art. 1:141 lid 2 BW moet daarom worden aangenomen dat de verrekenvordering is ontstaan op het in art. 1:142 lid 1, aanhef en onder b, BW vermelde tijdstip waarop ook de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen worden bepaald, namelijk op 28 maart 2007. Gezien art. 6:38 BW is deze vordering opeisbaar geworden op het moment van haar ontstaan. Voor de nakoming van de periodieke verrekenplichten zijn partijen overeengekomen dat de verrekening na afloop van ieder kalenderjaar dient plaats te vinden. Daarmee is een termijn als bedoeld in art. 6:83, aanhef en onder a, BW overeengekomen. Daardoor treedt, anders dan de man meent, het verzuim ter zake van de door omzetting ontstane finale verrekenplicht aanstonds en zonder ingebrekestelling in op 28 maart 2007, zodat in beginsel vanaf die datum wettelijke rente verschuldigd is (vgl. ECLI:NL:HR:2011:BU6591). Op die wettelijke rente is de algemene regel van artikel 6:109 BW inzake de matiging van een eventuele schadevergoeding van toepassing. Echter, omdat artikel 6:119 BW nu juist tot doel heeft de hoogte van de vertragingsschade bij een tekortkoming in de nakoming van een verplichting tot betaling van een geldsom te fixeren, dient de rechter terughoudend gebruik te maken van zijn matigingsbevoegdheid. Het hof is van oordeel dat er geen feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken die maken dat het door de man aan de vrouw verschuldigd worden van wettelijke rente vanaf 28 maart 2007 tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zal leiden. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om tot matiging over te gaan. Het is weliswaar zo dat er is sinds de peildatum ruim elf jaren zijn verstreken, maar dat dit in overwogene de mate aan gedragingen van de vrouw te wijten is heeft de man onvoldoende onderbouwd. Het hof zal daarom over het aan de vrouw toekomende deel van de waarde van de onderneming(en) van de man, wettelijke rente toekennen vanaf 28 maart 2007.

In de zaken nummer 200.031.198/01 en 200.037.625/01:

2.15

De vrouw had op de peildatum (28 maart 2007) ook een onderneming. Uit de jaarstukken over 2005 en 2006 blijkt dat de onderneming in die jaren per 31 december een kapitaal bezat van respectievelijk € 25.265,65 en € 20.404,03 en dat in 2005 een winst is behaald van € 12.892,14 en in 2006 een verlies van € 22.889,81. Het hof heeft eerder aangekondigd dat de waarde van deze onderneming zou worden berekend op dezelfde wijze als de waarde van de onderneming van de man. Het hof ziet echter aanleiding om daarop terug te komen. De onderneming van de vrouw genereerde op de peildatum geen inkomsten van enige substantie. Verder is het, gelet op de stellingen van de vrouw en de overgelegde winst- en verliesrekening over 2008/2007, aannemelijk dat dit nadien niet noemenswaardig is verbeterd. Dit geeft een sterke aanwijzing dat dit op de peildatum niet anders zal zijn geweest. Het komt het hof daarom redelijk voor om ervan uit te gaan dat de onderneming op de peildatum niet meer waard was dan wat bij liquidatie kon worden verkregen en dat die waarde in de verrekening moet worden betrokken. De man wil uitgaan van een waarde van

€ 20.000,-. De vrouw stelt dat de waarde nihil is, mede omdat haar onderneming een vordering op de onderneming van de man heeft van € 11.900,- die onbetaald is gelaten. De man heeft het bestaan van die vordering echter bestreden en de vrouw heeft niet voldoende gegevens verstrekt waaruit het bestaan van die vordering blijkt. Het hof gaat er daarom vanuit dat de in de jaarstukken 2006 genoemde vorderingen op debiteuren van € 12.714,05 worden gevormd door vorderingen op derden. Dit in samenhang bezien met de boekwaarde eind 2006 van de vaste activa van € 10.760,- en een bedrag aan liquide middelen van

€ 1.489,82, maakt dat een waarde bij liquidatie van € 20.000,- niet onredelijk hoog is. Het hof zal die waarde aan de onderneming toekennen. Aan de man komt de helft daarvan toe.

2.16

De garage aan de [a-straat] is op 25 januari 2007 aan de man geleverd. Daarvoor is een bedrag van € 24.000,- voldaan. De deskundige heeft te kennen gegeven dat die garage op de peildatum niet tot het vermogen van de onderneming van de man behoorde. De man heeft dit niet betwist, zodat het hof ervan uit moet gaan dat de garage niet tot het vermogen van de onderneming van de man behoort. Het hof laat, ondanks wat is overwogen onder 81.1 van de tussenbeschikking van 22 december 2011, in het midden of de koopsom door de onderneming of door de man in privé is voldaan. De garage is tijdens huwelijk gekocht en er is niet gebleken dat voor de financiering daarvan vermogen is gebruikt dat buiten verrekening moet blijven, zodat de waarde daarvan op enigerlei wijze zal moeten worden verrekend. Dat is niet via de waarde van de onderneming gebeurd. Het hof zal daarom, zoals ook was overwogen in rechtsoverweging 82 van de beschikking van 22 december 2011, de garage voor een waarde van € 24.000,- in de verrekening betrekken.

2.17

Gezien het voorgaande en wat in de overige beschikkingen is beslist heeft de man, afgezien van de waarde van zijn onderneming, op de peildatum een te verrekenen vermogen van:

- € 24.000,- voor de garage aan de [a-straat] ;

- € 2.353,- negatief, bestaande uit de saldi op de bankrekening bij de Postbank nummer [00001] van € 289,- negatief en bij de Friesland Bank nummer [00002] van € 2.064,- negatief (overweging 103.2 onder 2* in de beschikking van 22 december 2011).

- € 14.382,42 voor de beleggingsverzekering bij Interpolis nr. [00003] (overweging 103.2 onder 3*, c, in de beschikking van 22 december 2011) ;

- € 4.530,- voor de levensverzekering Aegon, polisnummer [00004] (overweging 103.2 onder 3*, d, in de beschikking van 22 december 2011);

De man heeft daarmee te verrekenen een bedrag van € 40.559,42, waarvan de helft aan de vrouw toekomt, of wel € 20.279,71.

2.18

De vrouw heeft jegens de man dan, afgezien van haar aandeel in de waarde van de onderneming van de man, aanspraak op:

- € 20.279,71 uit hoofde van de in rechtsoverweging 2.17 genoemde posten;

- € 40.000,- in verband met de waarde verrekening van de woning aan de [b-straat] (overweging 44 in de beschikking van 22 december 2011);

- € 12.000,- uit hoofde van premie betalingen voor de op naam van de man gestelde polis levensverzekering bij Fortis ASR nr. [00005] (overweging 49 in de beschikking van 22 december 2011);

- € 3.381,- onder meer in verband met door de vrouw gedane investeringen voor de [c-straat] (overweging 2.20 in de beschikking van 24 juni 2014).

Dat is totaal € 75.660,71.

2.19

De vrouw heeft een te verrekenen vermogen van :

- € 20.000,-- als waarde van haar onderneming;

- € 4.618,25, bestaande uit de saldi op de bankrekeningen bij de ABN/Amrobank nummer [00006] en [00007] ; (overweging 97 in de beschikking van 22 december 2011, overweging 6 in de beschikking van 29 mei 2012 en overweging 2.26 in de beschikking van 24 juni 2014) );

- € 4.000,- als waarde van de auto, Fiat Spider (overweging 29 in de beschikking van 22 december 2011).

Dat is in totaal € 28.618,25, waarvan de helft aan de man toekomt, of wel € 14.309,12.

2.20

Per saldo zal de man in het kader van de verrekening € 75.660,71 minus € 14.309,12 = € 61.351,59 aan de vrouw dienen te voldoen en een bedrag van € 106.767,- voor haar aandeel in de waarde van de onderneming van de man. Dat is in totaal € 168.118,59.

2.21

Buiten de verrekening blijft de aan de man toebehorende garage aan de [d-straat] te [A] en het deel van € 30.857.- van de lening bij de Frieslandbank met een hoofdsom van € 250.000,-, waarvan het hof heeft geoordeeld dat dit is aangewend voor de financiering van die garage en voor rekening en risico van de man moet komen (zie overweging 57 en 58 in de beschikking van 22 december 2011). Voor zover de vrouw in haar akte van 29 februari 2016 onder F. wenst dat het hof daarvan terugkomt, gaat het hof daaraan voorbij. Het door de vrouw gestelde is daarvoor niet voldoende. Het hof zal daarom op dit punt beslissen als na te melden. Verder dienen over het saldo van de aan de man toekomende bankrekening nummer [00008] geen beslissingen meer te worden gegeven nu dit saldo al is verrekend (zie rechtsoverwegingen 99 en 100 van de beschikking van 22 december 2011).

2.22

Buiten verrekening blijven voorts de aan de vrouw toebehorende saldi op de bankrekeningen bij de Rabobank met de nummers [00009] en [00010] en [00011] (overweging 7.1.in de beschikking van 29 mei 2012), alsmede het saldo op de bankrekening nummer [00012] (overweging 103.2 in de beschikking van 22 december 2011).

2.23

Over de wijze van verdeling van de inboedel zal het hof beslissen als in overweging 26 en 27 van de beschikking van 22 december 2011 is overwogen.

2.24

Dit brengt het hof, gezien het in de tussenbeschikking van 10 september 2015 onder 2.7 overwogene, bij de vragen tegen welke waarde het pand aan de [c-straat] 5 te [A] moet worden verdeeld en of de vrouw in staat is om het aandeel van de man in dit pand over te nemen. Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen om gedurende veertien dagen na de dagtekening van deze beschikking een makelaar te zoeken en om deze gezamenlijk opdracht te geven de vrije verkoopwaarde van het pand aan de [c-straat] per taxatiedatum vast te stellen. Partijen zullen binnen een maand daarna het hof moeten berichten of zij er in zijn geslaagd een makelaar te vinden en zo niet wat de reden daarvan is, dan wel het hof moeten berichten wat de bevindingen van de makelaar zijn en welke gevolgen daaraan huns inziens moet worden verbonden voor de verdeling van het pand, alles gestaafd met bewijsstukken.

In de zaak onder nummer 200.037.623/01:

2.25

Het hof heeft in de beschikking van 10 september 2015 de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van

1 augustus 2015 voorlopig vastgesteld op € 1.691,- per maand en de beslissing over de definitieve bijdrage aangehouden.

De man heeft in de akte van 29 januari 2016 verzocht die bijdrage per 1 januari 2016 nader te bepalen. De man stelt daartoe dat zijn salaris per die datum met 20% is verlaagd naar

€ 105.000,- en dat hij daarom vanaf 1 januari 2016 in staat is om € 391,50 per maand aan de vrouw te voldoen. De vrouw heeft de door de man genoemde inkomstenverlaging weersproken.

Het hof geeft partijen in overweging om een regeling voor de bijdrage ten behoeve van de vrouw te treffen. Voor het geval partijen daarin niet slagen zal het hof partijen gelegenheid geven om aan te geven of er sinds 1 augustus 2015 (anderszins) nog relevante wijzigingen zijn opgetreden in hun financiële omstandigheden, waaronder begrepen de inkomsten van de man uit arbeid en mogelijke andere bronnen, zoals het familiekapitaal en de garageboxen, en de inkomsten van de vrouw, inclusief een opgave van het verloop van de positie van de vrouw op de arbeidsmarkt, een en ander gestaafd met bewijsstukken.

In alle zaken

2.26

Het hof zal, nu wat betreft de [c-straat] 5 te [A] en de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw nadere inlichtingen moeten worden verstrekt, nog geen eindbeslissingen in het dictum opnemen over de punten waarover hiervoor en in de overwegingen van de beschikkingen van dit hof van 22 december 2011, 29 mei 2012, 30 oktober 2012, 24 juni 2014, 7 januari 2015, 10 september 2015 en 8 augustus 2017 is beslist.

Het hof is echter voornemens om wat betreft die punten als volgt te beslissen.

In de zaken met de nummers 200.037.623/625 zal de vrouw niet ontvankelijk worden verklaard in haar voorwaardelijk ingesteld hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank van 24 maart 2009, met uitzondering van het voorwaardelijk hoger beroep betreffende de hypothecaire lening bij de Rabobank.

Bij beschikking van 24 juni 2014 is in de zaken met de nummers 200.037.623/625 de beschikking van de rechtbank van 24 maart 2009 al deels vernietigd en deels bekrachtigd. Het hof zal in de zaken met de nummers 200.031.198, 200.037.625 en 200.085.417, nu dat doelmatig voorkomt, de bestreden beschikkingen van 13 januari 2009, 26 mei 2009 en 11 januari 2011 geheel vernietigen en als volgt opnieuw beslissen:

de wijze van verdeling zal als volgt worden gelast en/of de wijze van verrekening zal als volgt worden bepaald:

I. aan de man zullen worden toebedeeld de inboedelgoederen die hem ingevolge de lijst van 11 april 2008 (productie 2 bij de brief van 29 oktober 2008 van de advocaat van de man) toekomen en de overige in die lijst genoemde goederen zullen aan de vrouw worden toebedeeld, een en ander zonder nadere verrekening van de waarde;

II. de vrouw zal worden veroordeeld tot afgifte aan de man van de op de lijst van

11 april 2008 genoemde goederen die de man nog niet heeft verkregen;

III. aan de man zullen worden toebedeeld de inboedelgoederen die zich in zijn (voormalige) woning aan de [e-straat] te [A] bevinden/hebben bevonden, zonder nadere verrekening van de waarde;

IV. ** aan de man zal voorts worden toebedeeld:

a. de op zijn naam gestelde woning aan de [b-straat] te [A] , onder de verplichting om de drie hypothecaire leningen waarvoor hypotheek op die woning is gevestigd - namelijk een lening bij Fortis ASR afgesloten in 1989 met een hoofdsom van € 87.125,-, een lening bij Fortis ASR afgesloten in 1999 met een hoofdsom van € 15.882,-, en een lening bij de Friesland Bank afgesloten in 2004 met een hoofdsom van € 90.000,- - voor zijn rekening en risico te nemen en als eigen schuld te voldoen, onder vrijwaring van de vrouw en onder de verplichting voor de man om de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid terzake van die leningen indien een dergelijke aansprakelijkheid bestaat;

b. de polis levensverzekering bij Fortis ASR nummer [00005] , die is gekoppeld aan de hypothecaire lening bij Fortis ASR die in 1989 is aangegaan;

c. de garage aan de [d-straat] 28 te [A] , zonder verrekening van de waarde, onder de verplichting voor de man om van de hypothecaire lening bij de Frieslandbank met een hoofdsom van € 250.000,-, een deel van € 30.857,- voor zijn rekening en risico te nemen en dit deel van de lening als eigen schuld te voldoen onder vrijwaring van de vrouw;

d. de beleggingsverzekering bij Interpolis, polis nummer [00003] ;

e. de levensverzekering bij Aegon, polis nummer [00004] ;

f. de garage aan de [a-straat] te [A] ;

g. de bankrekeningen bij:

* de Postbank nummer [00001] ;

* de Friesland Bank nummer [00002] en

* de Rabobank nummer [00008] ;

h. de eenmanszaak c.q de aandelen van de ondernemingen van de man, [D] B.V. en [E] B.V., en de tot de onderneming(en) behorende bankrekeningen, waaronder de rekening bij de Rabobank nummer [00000] , de tot de onderneming behorende geluidsinstallatie Sound Gallery en de auto, merk Volkswagen Phaeton, kenteken [01-YY-YY] ;

i. de (rest)schuld op de lening bij de Postbank die in 2003 is aangegaan voor de financiering van de auto, merk Saab, in die zin dat de man deze schuld voor zijn rekening zal moeten nemen, zonder verrekening van de waarde;

** aan de vrouw zal voorts worden toebedeeld:

- de auto, Fiat Spider;

- de bankrekeningen bij de ABN/Amrobank nummers [00006] en [00007] ;

- de bankrekeningen bij de Rabobank nummers [00009] , [00010] , [00011] en [00012] , zonder verrekening van de waarde;

- de bankrekening bij ABN/Amrobank nummer [00013] ;

- haar eenmanszaak;

V. verder zal worden bepaald dat de man ter zake van voorgaande verrekening en/of wijze van verdeling, conform de huwelijkse voorwaarden, aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 168.118,59, te vermeerderen met wettelijke rente over een bedrag van € 106.767,- vanaf 28 maart 2007 tot de dag van algehele voldoening.

De kosten van de deskundige

2.27

Partijen hebben aan voorschotten betaald:

- het bij beschikking van 29 mei 2012 vastgestelde voorschot van € 9.000,-;

- het bij beschikking van 30 oktober 2012 vastgestelde voorschot van € 6.050,-;

- het bij beschikking van 27 januari 2015 vastgestelde voorschot van € 13.612,50;

- en het bij beschikking van 8 augustus 2017 vastgestelde aanvullend voorschot van

€ 6.050,-.

2.28

In de begrotingsbeschikking van 11 februari 2014 is de aanspraak van de deskundige voor zijn declaratie van 22 augustus 2013, ad € 12.645,77 inclusief BTW, voorlopig begroot op € 9.000,-, inclusief BTW, en is verstaan dat dit laatste bedrag ten laste van het gestorte voorschot aan de deskundige wordt betaald. Daarbij is de beslissing over het resterend deel van het gedeclareerde bedrag, groot € 3.645,77, aangehouden. Tevens is in die beschikking verstaan dat de deskundige aanspraak heeft op het op 3 december 2013 gedeclareerde bedrag van € 2.276,01, inclusief BTW, en dat dit bedrag ten laste van het voorschot aan de deskundige zal worden betaald.

Bij begrotingsbeschikking van 20 maart 2018 is de aanspraak van de deskundige voor zijn declaratie van 8 december 2017 begroot op € 19.563,90 inclusief BTW en verstaan dat dit bedrag laste van de in 2017 vastgestelde voorschotten, van (€ 13.612,50 en € 6.050,- =)

€ 19.662,50, aan de deskundige wordt betaald. Verder is verstaan dat het restant van deze voorschotten, ad € 98,60 aan partijen, ieder voor de helft, zal worden terug betaald.

2.29

Het hof zal derhalve nog moeten beslissen op de vraag of de deskundige aanspraak kan maken op genoemd bedrag van € 3.645,77. Met dit bedrag is, zoals de vrouw stelt, het eerste voorschotbedrag van € 9.000,- overschreden. Echter het in oktober 2012 vastgestelde voorschotbedrag van € 6.050,- is niet volledig benut, nu daaruit slechts € 2.276,01 aan de deskundige is uitbetaald. Daarvan resteert derhalve nog € 3.773,99. Dat is voldoende om het bedrag van € 3.645,77 aan de deskundige te betalen. Nu dat zo is en de overige bezwaren van de vrouw niet voldoende zwaar wegen om anders te beslissen, zal het hof verstaan dat de aanspraak van de deskundige voor zijn declaratie van 22 augustus 2013 definitief wordt begroot op € 12.645,77, inclusief BTW en dat het daarvan nog verschuldigde bedrag van

€ 3.645,77 ten laste van het restant van de gestorte voorschotbedragen aan de deskundige zal worden betaald. Dan blijft nog € 128,22 van het voorschot over dat aan partijen, ieder voor de helft, moet worden uitbetaald. Het hof zal dit oordeel hierna in het dictum vastleggen.

2.30

De deskundigenkosten bedragen derhalve in totaal € 34.485,68. Het hof is van oordeel dat partijen deze kosten ieder voor de helft moeten dragen.

3 De slotsom

3.1

Het hof zal, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, partijen gelegenheid geven om nadere inlichtingen te verstrekken met betrekking tot de woning aan de [c-straat] 5 te [A] en om gegevens te verstrekken die van belang zijn voor de nog te geven beslissingen over de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, op de wijze als hierna te vermelden. Verder zal het hof overeenkomstig rechtsoverweging 2.29 beslissen over de kosten van de deskundige.

4 De beslissing

Het gerechtshof:

In de zaken met de nummers 200.131.198/01, 200.037.625/01 en 200.085.417/01 :

stelt partijen in de gelegenheid om binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking een makelaar aan te zoeken en deze gezamenlijk opdracht te geven om de vrije verkoopwaarde van het pand aan de [c-straat] 5 te [A] per taxatiedatum vast te stellen. Partijen zullen ieder de helft van de daaraan verbonden kosten moeten dragen.

bepaalt dat partijen uiterlijk op 4 april 2019 het hof moeten berichten of zij er in zijn geslaagd een makelaar te vinden en zo niet wat de reden daarvan is, dan wel het hof moeten berichten wat de bevindingen van de makelaar zijn en welke gevolgen daaraan huns inziens moeten worden verbonden, alles gestaafd met bewijsstukken;

In de zaak nummer 200.037.623/01:

stelt partijen verder in de gelegenheid om uiterlijk op 4 april 2019 nadere financiële gegevens te verstrekken als bedoeld in rechtsoverweging 2.25;

begroting deskundigenkosten.

begroot de aanspraak van de deskundige, drs. [C] , voor zijn bij declaratie

d.d. 22 augustus 2013 gedeclareerde werkzaamheden definitief op € 12.645,77 inclusief BTW, wegens loon en schadeloosstelling;

verstaat dat de griffier van dit hof het nog verschuldigde deel van dit bedrag, groot

€ 3.645,77 inclusief BTW, ten laste van de gestorte voorschotten aan de deskundige betaalt op nummer [00014] ten name van drs. [C] , onder vermelding van cliëntnummer [00015] en factuurnummer [00016] ;

verstaat dat het resterende bedrag van € 128,22 aan partijen (ieder voor de helft) zal worden teruggestort;

In alle zaken:

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.D.S.L. Bosch, voorzitter, mr. W. Breemhaar en

mr. B.J.H. Hofstee, leden, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 21 februari 2019.