Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:1720

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-02-2019
Datum publicatie
25-02-2019
Zaaknummer
21-000095-18
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:6739, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Meermalen steken met een mes. Vrijspraak moord. Veroordeling doodslag. Beroep op (putatief) noodweer(exces) verworpen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000095-18

Uitspraak d.d.: 25 februari 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 22 december 2017 met parketnummer 05-740172-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1975] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans verblijvende in PI Achterhoek - Gevangenis Ooyerhoekseweg te Zutphen .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 11 februari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen namens de verdachte door zijn raadsvrouw, mr. C.H.W. Janssen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Bij het vonnis waarvan beroep is aan de verdachte ter zake van doodslag opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar met aftrek van voorarrest.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 20 april 2017 te Wageningen [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, in het (boven)lichaam te steken met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp;

subsidiair:
hij op of omstreeks 20 april 2017 te Wageningen [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, in het (boven)lichaam te steken met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Evenals de verdediging en de advocaat-generaal heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder dat het uit de wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging heeft bekomen dat de verdachte, zoals primair ten laste gelegd, met voorbedachten rade heeft gehandeld.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair:
hij op of omstreeks 20 april 2017 te Wageningen [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, in het (boven)lichaam te steken met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Kwalificatie

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen geslaagd beroep op (putatief) noodweer(-exces) kan doen. Er was wel sprake van een noodweersituatie, gelet op het onmiddellijk dreigende gevaar van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door de aanwezigheid en het gedrag van [slachtoffer] bij de woning, in het licht van de kort daaraan voorafgaande bedreiging door [slachtoffer] . De handelingen van de verdachte waren echter niet geboden door een noodzakelijke verdediging. Met andere woorden: de verdachte had zich aan de dreigende aanranding moeten onttrekken en kon dat ook doen door, bijvoorbeeld, niet naar buiten te gaan. De verdachte heeft desondanks zelf de confrontatie met [slachtoffer] opgezocht.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft op dit punt geen verweer gevoerd. Het verweer van de raadsvrouw zal hierna in het kader van de strafbaarheid van de verdachte worden besproken.

Oordeel van het hof

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft na zijn aanhouding tijdens het overbrengen naar het politiebureau verklaard dat hij hoorde dat [slachtoffer] zich in de steeg naast de woning van [betrokkene] bevond. De verdachte pakte toen snel een mes en ging naar buiten.

Tijdens zijn verhoor bij de politie heeft de verdachte verklaard dat er iets tegen de ruiten van de woning werd gegooid. Dit past bij het aantreffen van zand en onkruid, vermoedelijk afkomstig van de naast en achter de garage van de woning gelegen brandgang, bij de ramen en in de tuin van de woning. Vervolgens zou [betrokkene] naar buiten zijn gegaan en zou de zoon van de verdachte haar zijn gevolgd. Als [betrokkene] vervolgens de poort opendoet en [slachtoffer] ziet zou ze dit naar de verdachte hebben geroepen. [betrokkene] en de zoon van de verdachte zijn vervolgens naar binnen gegaan en als [slachtoffer] de poort zou willen binnengaan, zou de verdachte hem buiten hebben weten te houden, waarna ook de verdachte naar binnen kon. Vervolgens zou de verdachte zijn mes hebben gepakt en weer naar buiten zijn gegaan. Bij de poort zou de verdachte [slachtoffer] hebben aangetroffen en heeft de verdachte zwaaiende bewegingen met het mes gemaakt. Nadat de verdachte [slachtoffer] duwde en naar hem zwaaide met het mes, zou [slachtoffer] naar achteren, zo’n twee meter uit de poort, zijn gestrompeld en is de verdachte weer naar binnen gegaan.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat [slachtoffer] de poort door was en bij de achterdeur van de woning stond, dat hij (de verdachte) de achterdeur dicht probeerde te houden en vervolgens meerdere keren door [slachtoffer] op zijn gezicht en achterhoofd werd geslagen. Nadat hij [slachtoffer] buiten de poort had gekregen is de verdachte weer naar binnen gegaan en heeft hij een mes gepakt. Toen [slachtoffer] weer door de poort kwam is de verdachte opnieuw naar buiten gegaan, heeft hij [slachtoffer] weggeduwd en met het mes gezwaaid.

Het hof acht deze laatste verklaring van de verdachte niet geloofwaardig, omdat hij ter zitting van de rechtbank pas voor het eerst heeft verklaard dat [slachtoffer] bij de achterdeur van de woning stond en geweld tegen hem zou hebben gebruikt. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het moeilijk voor te stellen is dat de verdachte niet in een eerder stadium over zulke wezenlijke gebeurtenissen zou hebben verklaard als deze wél zouden hebben plaatsgevonden. Deze latere verklaring van de verdachte wordt ook niet ondersteund door objectieve bewijsmiddelen. Het hof wijst in dit verband op de constatering van een politieambtenaar dat kort na het incident op het lichaam van de verdachte geen uiterlijke verwondingen en/of ander letsel zichtbaar waren.

De eerste verklaring van de verdachte wordt daarentegen ondersteund door de verklaringen van enkele omwonenden.

Zo heeft getuige [getuige 1] verklaard dat [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) uit het steegje kwam lopen, achter de schutting naast de oprit van [betrokkene] . Hij liep richting de schuttingdeur de oprit op. Toen kwam de verdachte naar buiten door de schuttingdeur. Het was de verdachte die de schuttingdeur openmaakte en niet [slachtoffer] . [slachtoffer] liep naar achteren naar de straat en daar gingen [slachtoffer] en de verdachte om elkaar heen draaien. [slachtoffer] en de verdachte hebben niet echt gevochten op de oprit. Ze stonden drie à vier meter uit elkaar.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat één persoon van de oprit van nummer [nummer] kwam en dat hij heel opgewonden was. Een tweede persoon kwam uit de steeg tussen nummer [nummer] en nummer [nummer] lopen. Deze man leek heel rustig. De tweede persoon liep de oprit op. Ze stonden op een afstand van elkaar dat ze elkaar net niet konden raken. [getuige 2] heeft de mannen niet zien vechten. De tweede persoon is de man die uiteindelijk is overleden.

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) luidruchtig was en ‘kankerhoer’ en ‘kutwijf’ riep. [getuige 3] heeft gezien dat [slachtoffer] en de verdachte midden op straat dicht bij elkaar stonden. Ze heeft niet precies gezien wat ze deden. Ze had de indruk dat [slachtoffer] weg probeerde te lopen. Vervolgens zag zij [slachtoffer] richting de stoep lopen of strompelen en in elkaar zakken.

Gelet op het voorgaande acht het hof het later ter terechtzitting in eerste aanleg door de verdachte geschetste scenario niet aannemelijk. Uit het dossier is niet gebleken dat [slachtoffer] zich in de buurt van de poort of zelfs de achterdeur van de woning bevond als verdachte met het mes naar buiten gaat. Het hof gaat daarom uit van de situatie dat [slachtoffer] zich ophield in de steeg naast en achter de woning, vanuit die steeg zand of steentjes tegen de ramen gooide, luidruchtig was en zich mogelijk ook dreigend uitliet.

Bij de beoordeling van de situatie weegt het hof mee dat [slachtoffer] eerder de tuin van [betrokkene] had vernield en bedreigingen richting [betrokkene] en de verdachte had geuit. De verhoudingen waren dusdanig dat de politie het nodig vond een zogenaamde ‘afspraak op locatie’ maken, waardoor men meteen ter plaatse zou gaan in het geval van een melding.

Uitgaande van de hiervoor weergegeven situatie moet het hof beoordelen of sprake is geweest van noodweer. Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat het door de verdachte meermalen steken met een mes in het bovenlichaam van [slachtoffer] was geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn eigen of iemand anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Van een “ogenblikkelijke” aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een dergelijke wederrechtelijke aanranding.

Naar het oordeel van het hof kan het gedrag van [slachtoffer] – mede in het licht van de eerdere vernieling en bedreigingen – worden aangemerkt als een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. Met de verdediging is het hof dan ook van oordeel dat verdachte op zich in redelijkheid kon vrezen dat [slachtoffer] de verdachte, zijn (verdachtes) zoon of [betrokkene] iets aan zou doen.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of het noodzakelijk was dat de verdachte zich tegen die dreigende aanranding verdedigde. Dat is niet het geval als de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken.

De verdachte, zijn zoon en [betrokkene] bevonden zich binnen in huis. [slachtoffer] was niet bij de schuttingdeur en zeker niet bij de achterdeur. De politie was bovendien al gebeld. In dat licht is het hof van oordeel dat de verdachte, door binnen te blijven en de deur gesloten te houden, zich aan de dreigende aanranding had kunnen onttrekken. Dat kon in dit geval ook van hem worden verwacht. In plaats daarvan heeft de verdachte een mes gepakt en is hij naar buiten gegaan om de confrontatie met [slachtoffer] op te zoeken.

Gelet op het voorgaande komt de verdachte geen geslaagd beroep op noodweer, of noodweerexces toe. Het bewezen verklaarde is daarmee strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsvrouw heeft namens de verdachte primair een beroep op putatief noodweer(exces) gedaan. Voor een geslaagd beroep op putatief noodweer(exces) is vereist dat de verdachte zich verontschuldigbaar het dreigende gevaar heeft ingebeeld of de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. Met andere woorden: de verdachte meende zich te moeten verdedigen tegen een dreigend gevaar dat er niet is, maar die vergissing kan hem niet worden aangerekend.

Zoals hiervoor weergegeven, is het hof echter van oordeel dat er wel degelijk sprake was van een dreigende aanranding. De verdachte heeft het bestaan van de dreiging op zich terecht ervaren, maar hij heeft er ten onrechte voor gekozen om zich niet aan die dreiging te onttrekken maar de confrontatie aan te gaan. Om die reden verwerpt het hof het beroep op putatief noodweer(exces).

Gelet op het voorgaande is de verdachte strafbaar aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank Gelderland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsvrouw heeft het hof – in het geval van een bewezenverklaring – verzocht aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar met aftrek van voorarrest op te leggen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat rekening dient te worden gehouden met de gemoedstoestand van de verdachte tijdens het bewezen verklaarde, zijn persoonlijke omstandigheden en zijn kwetsbare persoonlijkheid.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en mede gelet op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft iemand van het leven beroofd. Hij heeft de ongewapende [slachtoffer] meermalen gestoken met een mes, waardoor deze ter plaatste is overleden.

De steekpartij vond plaats op de openbare weg en enkele omwonenden, waaronder minderjarigen, zijn getuige geweest van het incident.

Uit het dossier is duidelijk geworden dat de verhouding tussen verdachte en [betrokkene] aan de ene kant en [slachtoffer] aan de andere kant op z’n zachtst gezegd gespannen was. Bij het ontstaan en voortduren van die situatie hebben ook het gedrag en de dreigende uitlatingen van [slachtoffer] een rol gespeeld. Dit rechtvaardigt echter niet dat de verdachte het recht in eigen hand heeft genomen.

In het door drs. A.C.M. Kleinsman in samenwerking met drs. I. Wessels opgestelde pro justitia rapport van het psychiatrisch onderzoek van verdachte van 16 augustus 2017 is beschreven dat bij de verdachte sprake is van een stoornis in het gebruik van cannabis in een gecontroleerde omgeving (detentie) en een stoornis in het gebruik van cocaïne in remissie. Verder is er in het verleden mogelijk kortdurend een psychotische stoornis geweest. Er zijn afhankelijke persoonlijkheidskenmerken gezien, maar een persoonlijkheidsstoornis werd niet gediagnosticeerd. Wel is zwakbegaafdheid vastgesteld. Er is geen duidelijk verband tussen het ten laste gelegde en de stoornissen, de afhankelijke persoonlijkheidskenmerken en de zwakbegaafdheid. Volgens de deskundigen wordt het handelen van de verdachte bij het ten laste gelegde gezien als voortkomend uit invoelbare angst, niet als voortkomend uit een psychiatrische stoornis.

In het door drs. A.J. de Groot opgestelde pro justitia rapport van het psychologisch onderzoek van de verdachte van 14 september 2017 is vermeld dat sprake is van een stoornis in het gebruik van cannabis. Het ten laste gelegde kan niet vanuit de stoornis in het gebruik van cannabis of de vastgestelde onrijpe persoonlijkheid worden verklaard. Het ten laste gelegde lijkt vooral te verklaren te zijn vanuit contextuele en situatieve factoren. Geadviseerd wordt daarom gedragskundig om het ten laste gelegde, indien bewezen, de verdachte volledig toe te rekenen.

Het hof neemt deze conclusies van de deskundigen over en maakt deze tot de zijne.

Via het e-mailbericht van 7 februari 2019 van de raadsvrouw van de verdachte heeft het hof kennisgenomen van een schriftelijke verklaring van de verdachte, van de brief van de heer [naam] , sociaal psychiatrisch verpleegkundige bij het [instelling] en van een brief van de geestelijk verzorger van de PI [naam PI] , de heer [naam] . Daaruit blijkt onder meer dat de verdachte niet bij de terechtzitting in hoger beroep aanwezig heeft kunnen zijn omdat dit teveel stress en angst oproept, waardoor hij uitvalsverschijnselen krijgt.

De maximale gevangenisstraf voor doodslag is vijftien jaar. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf past bij de ernst van het bewezen verklaarde feit. Het hof hecht belang aan de conclusies van de deskundigen dat de verdachte volledig toerekeningsvatbaar was. Het hof kent bij de straftoemeting evenwel wat meer gewicht toe aan het aandeel van [slachtoffer] in het geheel, vooral in de aanloop naar het bewezen verklaarde feit, dan de rechtbank heeft gedaan. Gelet op het voorgaande komt het hof tot de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar met aftrek van voorarrest.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. M. Keppels, voorzitter,

mr. C.M.E. Lagarde en mr. A. van Maanen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.W.P. Soons, griffier,

en op 25 februari 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 25 februari 2019.

Tegenwoordig:

mr. F.A.M. Bakker, voorzitter,

mr. J.W.M. Grimbergen, advocaat-generaal,

mr. R. Hermans, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.