Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:1700

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-02-2019
Datum publicatie
28-02-2019
Zaaknummer
21-002148-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling door aangever met een fles op zijn hoofd te slaan. Het beroep op noodweer wordt, anders dan in eerste aanleg, verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002148-18

Uitspraak d.d.: 21 februari 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 12 april 2018 met parketnummer 18-003904-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegemeente] op [1985] ,

wonende te [adres 1] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 februari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte voor het primair tenlastegelegde tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van honderdvijftig uren subsidiair vijfenzeventig dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. M. Rosema, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte vrijgesproken van het primair tenlastegelegde en van het subsidiair tenlastegelegde, nu zij het beroep op noodweer ten aanzien van de mishandeling heeft toegewezen.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen. Het hof zal opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep- tenlastegelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 5 januari 2018 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een (gevulde) fles, althans een hard voorwerp, tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen en/of een (gevulde) fles, althans een hard voorwerp, tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen/gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:


hij op of omstreeks 5 januari 2018 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door een (gevulde) fles, althans een hard voorwerp, tegen het gezicht/hoofd van voornoemde [slachtoffer] te slaan en/of een (gevulde) fles tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer] te gooien.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs ten aanzien van het primair tenlastegelegde

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Verdachte betwist met klem dat hij een fles heeft vast gehouden. Er is geen fles aangetroffen. Als verdachte met een fles had geslagen, was die fles kapot gegaan en had er glas moeten liggen. De verklaringen van aangever [slachtoffer] en getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] zijn op elkaar afgestemd. De hoofdwond van aangever kwam misschien doordat hij de voordeur tegen zijn hoofd aan gekregen heeft.

Oordeel van het hof

Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van de aangifte en de getuigenverklaringen te twijfelen. De raadsvrouw heeft geen omstandigheden naar voren gebracht waaruit zou moeten blijken dat de verklaringen van getuigen op elkaar zijn afgestemd zoals door de verdediging betoogd. Gelet op de inhoud van de verklaringen en op andere omstandigheden die uit het dossier naar voren komen is niet aannemelijk geworden dat sprake is van afstemming van de verklaringen.

Op grond van het dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 5 januari 2018 hoorde aangever van getuige [getuige 2] dat zijn vriendin, [getuige 3] , bij verdachte thuis was (aan de [adres 2] te [plaats] ) en dat zij aan [getuige 2] berichten had gestuurd dat verdachte haar dood zou maken. Daarop is aangever, samen met zijn zoon [getuige 1] en [getuige 2] , naar het huis van verdachte gegaan.1 Aangever had een tafelpoot meegenomen, die hij op de grond heeft gelegd voordat hij naar de voordeur van verdachte liep.2


Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat, nadat aangever schreeuwde dat zij naar buiten moest komen, verdachte een fles pakte en naar de voordeur liep.3 Uit de verklaring van aangever blijkt dat hij zijn vriendin (getuige [getuige 3] ) riep en dat vervolgens de deur open ging. Aangever verklaart dat hij een fles naar zijn hoofd kreeg.4 Zowel de zoon van aangever als getuige [getuige 2] hebben gezien dat verdachte met een fles in zijn handen - in de richting van - aangever sloeg.5 In het dossier bevindt zich een foto van het letsel van aangever.6

Gezien bovenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever met een fles op zijn hoofd heeft geslagen.

Het hof ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de handelingen van verdachte zijn aan te merken als een poging tot zware mishandeling.

Voor een veroordeling ter zake van een poging tot zware mishandeling is bij gebrek aan bewijs voor vol opzet onder meer vereist dat het voorwaardelijk opzet van verdachte gericht was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – in dit geval het zwaar lichamelijk letsel - is aanwezig indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.7Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Door aangever met een fles op zijn (voor)hoofd te slaan heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij aangever zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Naar algemene ervaringsregels roept het slaan met een fles op het voorhoofd van een slachtoffer de aanmerkelijke kans in het leven dat dat slachtoffer zwaar lichamelijk letsel oploopt, nu in dit gebied meerdere belangrijke slagaders/bloedvaten lopen en dat zich in het hoofd de hersenen bevinden die kwetsbaar zijn. Nu het algemene ervaringsregels betreft heeft een ieder - en dus ook verdachte - wetenschap van het bestaan van deze aanmerkelijke kans. Het op deze wijze en onder deze omstandigheden slaan met de fles door verdachte is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat hieruit volgt dat verdachte die aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken.

Gelet op het voorgaande verwerpt het hof het vrijspraakverweer ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 5 januari 2018 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een fles tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ter zitting subsidiair gepleit voor vrijspraak van verdachte op grond van noodweer. Aangever, een - in het begin voor verdachte onbekende - man kwam rond 23.00 uur 's avonds aan de deur. Aangever stond klaar om uit te halen. Verdachte mocht zich met een fles verdedigen tegen die aanval. Onttrekken was niet mogelijk, omdat aangever met twee anderen, vergezeld van een tafelpoot, verdachte kwam opzoeken in zijn eigen huis. Verdachte heeft zelf de confrontatie niet opgezocht. Een fles als wapen was niet disproportioneel. De deur dicht laten was geen optie, aangezien gedreigd werd om de ramen eruit te gooien. Verdachte wilde weten wat er aan de hand was.

Oordeel van het hof

Aangezien het hof de primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling bewezen heeft verklaard, zal een geslaagd beroep op noodweer niet tot vrijspraak leiden, maar tot ontslag van alle rechtsvervolging.

Het hof gaat uit van de hierboven omschreven feiten en omstandigheden. Hieruit volgt dat aangever met zijn zoon en getuige [getuige 2] naar de woning van verdachte is gegaan omdat hij had gehoord dat zijn vriendin, getuige [getuige 3] , zich daar bevond en hij haar daar weg wilde halen. Aangever had een tafelpoot meegenomen. Aangever en zijn zoon hebben verklaard dat aangever, voordat hij naar de woning van verdachte liep, de meegebrachte tafelpoot op de grond heeft neergelegd.

Waar de raadsvrouw uitgaat van andere feiten voor het beroep op noodweer mist het beroep feitelijke grondslag en wordt het beroep verworpen.

Verdachte is strafbaar aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 5 januari 2018 schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Aangever kwam, vergezeld door twee anderen, laat in de avond naar het huis van verdachte en riep naar binnen. Vervolgens heeft verdachte de voordeur opengedaan en heeft hij aangever met een fles op zijn hoofd geslagen. Aangever is hierdoor gewond geraakt.

Uit een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 januari 2019 blijkt dat hij eerder met politie in justitie in aanraking is gekomen, maar niet voor een soortgelijk feit.

Het hof houdt rekening met de informatie over verdachte in het reclasseringsrapport van 29 maart 2018 en het rapport van het Leger des Heils van 6 december 2018. Het incident vond plaats in het kader van de relatieproblemen die verdachte had met zijn vriendin. Deze relatie is inmiddels beëindigd.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof – evenals de advocaat-generaal - oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden en een taakstraf van honderdvijftig uren subsidiair vijfenzeventig dagen hechtenis passend en geboden. Met de voorwaardelijke gevangenisstraf brengt het hof de ernst van het bewezenverklaarde feit tot uitdrukking en beoogt het hof bovendien dat verdachte niet opnieuw een strafbaar feit pleegt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. T.H. Bosma, voorzitter,

mr. K. Lahuis en mr. J. Hielkema, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.R. Sotthewes-de Jonge, griffier,

en op 21 februari 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 6 januari 2018, nummer [nummer 1] , opgenomen op pagina 21 e.v. van het dossier met nummer [nummer 2] .

2 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 6 januari 2018, nummer [nummer 1] , opgenomen op pagina 21 e.v. van het dossier met nummer [nummer 2] en een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] van 7 januari 2018, nummer [nummer 2] -14, opgenomen op pagina 26 e.v. van het onder 1 genoemde dossier.

3 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [getuige 3] van 7 januari 2018, nummer [nummer 2] -13, opgenomen op pagina 24 e.v. van het onder 1 genoemde dossier.

4 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 6 januari 2018, nummer [nummer 1] , opgenomen op pagina 21 e.v. van het onder 1 genoemde dossier.

5 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] van 7 januari 2018, nummer [nummer 2] -14, opgenomen op pagina 26 e.v. van het onder 1 genoemde dossier en een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] van 23 februari 2018, nummer [nummer 2] -21, opgenomen op pagina 28 e.v. van het onder 1 genoemde dossier.

6 Een foto van aangever, opgenomen op pagina van het onder 1 genoemde dossier.

7 vgl. HR 23 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG4265.