Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:170

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-01-2019
Datum publicatie
24-04-2019
Zaaknummer
200.222.911 en 200.222.913
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2017:2634
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Echtscheiding, partneralimentatie, afwikkeling huwelijkse voorwaarden, verdeling/verkoop appartement in Frankrijk, vergoedingsrechten, financiële afwikkeling woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.222.911 en 200.222.913

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 425249 en 431663)

beschikking van 10 januari 2019

inzake

[Verzoekster] ,

wonende te [Woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. L.F. Bögemann te Amsterdam,

en

[Verweerder] ,

domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat,
verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: voorheen mr. O. Hammerstein te Amsterdam, thans mr. Y.A.E. Vlassenroot te Haarlem.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 2 juni 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 31 augustus 2017 met producties 12-36;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties A-B;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties 36-60;

- een journaalbericht van mr. Bögemann van 31 mei 2018 met producties 61-71;

- een faxbericht van mr. Vlassenroot van 14 juni 2018 met producties 1-15.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 14 juni 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.3

Artikel 1.4.4 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

2.4

Mr. Bögemann heeft tijdens de mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen overlegging van het faxbericht mr. Vlassenroot van 14 juni 2018 met producties. Daarop heeft mr. Vlassenroot zijn eerder schriftelijk gedane (en door het hof afgewezen) verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak herhaald. Het hof heeft beslist dat mr. Vlassenroot in de gelegenheid wordt gesteld uiterlijk 12 juli 2018 een schriftelijke toelichting te geven op de bij voormeld faxbericht ingekomen producties 1 tot en met 15 en dat mr. Bögemann in de gelegenheid wordt gesteld uiterlijk 9 augustus 2018 schriftelijk te reageren op die toelichting. Tevens is mr. Bögemann in de gelegenheid gesteld haar verzoek ten aanzien van (de achterstand in) de hypothecaire betalingen in verband met de woning te Amersfoort binnen één week na de mondelinge behandeling schriftelijk te wijzigen dan wel aan te vullen en is mr. Vlassenroot de gelegenheid geboden uiterlijk 12 juli 2018 (tegelijk met zijn toelichting op voormelde producties) schriftelijk te reageren op dat gewijzigde verzoek.

2.5

Na de mondelinge behandeling zijn ingekomen:

- een journaalbericht van mr. Bögemann van 15 juni 2018 met bijlage (een aanvullend verzoek);

- een journaalbericht van mr. Vlassenroot van 12 juli 2018 met bijlage (een akte houdende reactie op aanvullend verzoek/wijziging van eis en toelichting producties);

- een journaalbericht van mr. Bögemann van 7 augustus 2018 met bijlagen (een brief van 7 augustus 2018 en een reactie op de toelichting en de producties 1-15 van de man).

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn op 7 juli 2005 met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden, die zij op 6 juli 2005 bij notariële akte hebben vastgelegd en die – voor zover hier van belang – luiden als volgt:

1 Gebruikte begrippen.

(…)

b. Kosten van de huishouding

Onder de kosten van de huishouding worden in ieder geval begrepen:

- de uitgaven voor voeding en kleding;

- de uitgaven voor ontwikkeling en ontspanning;

- de kosten van verzorging en opvoeding van de tot het gezin behorende kinderen;

- de belastingen die drukken op inkomen uit werk en woning en de belastingen die drukken op inkomen uit aanmerkelijk belang, met uitzondering van de belastingen over de winst en de voordelen als bedoeld in artikel 8 lid 5 van deze huwelijkse voorwaarden;

- de premies volksverzekeringen, en

- de kosten van huisvesting;

- verzekeringspremies en kosten van vervoer.

Premies van een spaarverzekering in verband met een aan beide partijen toebehorende woning behoren tot de kosten van de huishouding, tenzij partijen onderling uitdrukkelijk anders overeenkomen.

In verband met de uitsluiting van de wettelijke pensioenverevening zullen de door ieder van de echtgenoten betaalde pensioenpremies niet als kosten van de huishouding worden beschouwd en ook niet in mindering kunnen strekken op de inkomsten.

Onder de kosten van de huishouding wordt niet begrepen datgene wat op grond van overlijdensrisicoverzekeringen verschuldigd is.

2. Uitsluiting gemeenschap van goederen

De echtgenoten zijn gehuwd buiten elke gemeenschap van goederen.

3. Kosten van de huishouding

1. De kosten van de gemeenschappelijk gevoerde huishouding moeten door beide echtgenoten worden betaald naar evenredigheid van hun inkomens. Voor zover die inkomens ontoereikend zijn, komen die kosten ten laste van de vermogens, naar evenredigheid van die vermogens.

Een en ander geldt niet, voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.

2. 2. Wanneer een van partijen meer heeft betaald dan waartoe deze volgens het

in het vorige lid bepaalde verplicht was, ontstaat een recht om het te veel betaalde te vorderen. Dit vorderingsrecht vervalt drie jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de verrekening betrekking heeft. Schriftelijke schuldigerkenning aan de wederpartij wordt als verrekening aangemerkt.

Het recht op verrekening vervalt in ieder geval zes maanden na het einde van het huwelijk. (...)

10. Vergoedingen

Voor zover niet anders wordt overeengekomen moeten de echtgenoten elkaar vergoeden datgene wat wordt onttrokken aan het vermogen van een echtgenoot ten behoeve van de ander. Hieronder is onder meer te begrijpen het geval dat de ene echtgenoot belastingen, premies, heffingen en dergelijke betaalt die betrekking hebben op het vermogen van de ander.

Het belastingvoordeel dat voor een echtgenoot ontstaat door de toerekening van een vermogens- of inkomensbestanddeel, moet ook worden verrekend. (...)

3.2

De man heeft op 14 oktober 2016 een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank Midden-Nederland ingediend. Blijkens het journaalbericht van mr. Bögemann van 7 augustus 2018 is de echtscheidingsbeschikking inmiddels ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken tussen partijen, bepaald dat de man aan de vrouw € 750,- dient te voldoen, zijnde de helft van de gemeentelijke belastingen over 2015 gekoppeld aan de woning aan de [Adres] te [Plaatsnaam] (verder: de woning), dat hij totdat de woning is verkocht de helft van de gemeentelijke belastingen dient te voldoen en dat hij de belastingaanslagen op naam van de vrouw over de jaren 2013 tot en met 2015 dient te vergoeden (voor zover die aanslagen betrekking hebben op inkomen en vermogen van de man). De rechtbank heeft daarbij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard behalve ten aanzien van de echtscheiding, het meer of anders verzochte afgewezen en de proceskosten gecompenseerd.

4.2

De vrouw is met zes grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Grief 1 ziet op de partneralimentatie (behoefte en draagkracht) en grief 2 op (de draagplicht voor) de hypothecaire betalingen. De grieven 3 en 4 zien op (de verdeling van) het appartement te [Plaatsnaam in Frankrijk] (verder: het appartement). Grief 5 ziet op (de vergoeding van) belastingaanslagen en grief 6 op het uitspreken van de echtscheiding.

De vrouw verzoekt het hof in hoger beroep na wijziging/aanvulling (kort weergegeven):

- het echtscheidingsverzoek af te wijzen;

- te bepalen dat de man met ingang van 28 december 2016 € 14.241,- bruto per maand aan partneralimentatie dient te voldoen;

- primair te bepalen dat de man volledig draagplichtig is voor de aflossing van de hypotheekachterstand van de woning van € 45.306,72 + p.m. en, subsidiair, dat de man volledig draagplichtig is voor de aflossing van de hypotheekachterstand vanaf 19 april 2017;

- te bepalen dat de man volledig draagplichtig is voor de ontstane hypotheekachterstand aangaande de hypotheek verbonden aan het appartement vanaf 19 april 2017;

- primair te bepalen dat de man de vrouw € 1.110,- dient te vergoeden dan wel (het hof begrijpt: subsidiair) te bepalen dat de man volledig draagplichtig is voor de aanslag van € 1.100,- alsmede de aanslagen die nog worden opgelegd totdat het appartement is verkocht en geleverd aan een derde;

- de vrouw vervangende toestemming te verlenen om tot het verstrekken van de verkoopopdracht aan de makelaar over te gaan, alsmede vervangende toestemming te verlenen aan de vrouw om tot verkoop en levering van het appartement over te kunnen gaan dan wel een machtiging in de zin van artikel 3:300 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aan de vrouw te verstrekken;

- te bepalen dat de man de vrouw haar kleding, twee designer tassen, haar laptop en haar twee schilderijen dient terug te geven onder verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- voor ieder(e) dag(deel) dat de man hier geen gevolg aan geeft dan wel, subsidiair, dat hij aan haar bij wijze van vervangende schadevergoeding € 11.321,- dient te voldoen;

- te bepalen dat de man de sleutel van het appartement aan de vrouw moet verstrekken onder verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per dag(deel) dat de man dit nalaat en te bepalen dat het de man is verboden na het verstrekken van de passende sleutel de sloten te vervangen onder verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per dag(deel) dat de man dit verbod niet

naleeft;

- te bepalen dat de man op grond van artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden de belastingaanslagen op naam van de vrouw over de jaren 2009 tot en met het einde van het fiscaal partnerschap van partijen dient te vergoeden voor zover die aanslagen betrekking hebben op inkomen en vermogen van de vrouw, tot heden in ieder geval:

a. over 2009 een nader vast te stellen bedrag,

b. over 2010 een bedrag van € 192.089,-,

c. over 2011 een nader vast te stellen bedrag,

d. over 2012 een bedrag van € 138.116,-,

e. over 2013 een bedrag van € 324.377,-,

f. over 2014 een bedrag van € 138.039,-,

g. over 2015 tot einde fiscaal partnerschap een bedrag van € 138.116,-,

totaal: € 192.089,- + € 138.116,- + € 324.377,- + € 138.039,-,+ p.m.;

- te bepalen dat de man de kosten die de vrouw heeft moeten maken om de belastingaangiften te pogen te corrigeren van € 15.030,02 aan haar te vergoeden.

4.2

De man is op zijn beurt met twee grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. Grief 1 ziet op de rekening en verantwoording van de verhuur van de woning en grief 2 op de kosten van huisvesting en woonlasten.

De man verzoekt – in het principaal hoger beroep – de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken dan wel deze af te wijzen en, subsidiair, de behandeling van die verzoeken aan te houden totdat de man weer door de FIOD in het bezit is gesteld van voldoende gegevens om zijn stellingen te onderbouwen, kosten rechtens, en – in het incidenteel hoger beroep – (aanvullend) te bepalen dat de vrouw rekening en verantwoording aflegt ter zake van de verhuur van de woning en dat zij € 63.000,- aan de man dient te betalen op grond van artikel 1 onder b van de huwelijks voorwaarden.

4.2

De vrouw voert verweer en zij verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken in het incidenteel hoger beroep dan wel deze af te wijzen.

4.3

Bij voormeld journaalbericht van 15 juni 2018 heeft de vrouw het hof verzocht (verkort weergegeven):

- te bepalen dat de man uit hoofde van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw € 83.555,01 (de hypotheeklasten van de woning tot verkoop) dient te voldoen dan wel dat de man aan de vrouw naar rato van hun beider inkomens het door hem te dragen deel dient te vergoeden dan wel op basis van de redelijkheid en billijkheid de helft van € 83.555,01 (€ 41.777,51) dient te vergoeden dan wel een bedrag dat het hof juist acht;

- te bepalen dat de man uit hoofde van artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw dient te vergoeden € 21.536,35 (€ 544.835,92 (koopsom woning gefinancierd door de vrouw) minus € 501.763,21 (aflossing hypotheek door verkoopopbrengst woning) gedeeld door twee) dan wel een bedrag dat het hof juist acht.

Evenals de man begrijpt het hof dat deze verzoeken in de plaats komen van het verzoek van de vrouw (primair) te bepalen dat dat de man volledig draagplichtig is voor de aflossing van de hypotheekachterstand van de woning en (subsidiair) dat de man volledig draagplichtig is voor de aflossing van de hypotheekachterstand vanaf 19 april 2017.

4.4

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Het hof stelt allereerst vast dat de vrouw een grief heeft aangevoerd tegen het uitspreken van de echtscheiding. Nu de vrouw ter zitting desgevraagd naar voren heeft gebracht dat zij zich niet wenst te verzetten tegen de door de rechtbank uitgesproken echtscheiding en haar grief niet wenst te handhaven, zal het hof de vrouw in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek.

Ten aanzien van de partneralimentatie

5.2

Met haar eerste grief richt de vrouw zich tegen het oordeel van de rechtbank dat zij onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat zij – naast de betaling door de man van een deel van de woonlasten – geen behoefte heeft aan partneralimentatie. Zij stelt haar behoefte op € 8.802,- netto per maand en voert daartoe aan dat de man is gestopt met de betaling van een bijdrage in de woonlasten van de woning, dat haar werkgever, [Werkgever verzoekster] , door het handelen van de man in staat van faillissement is komen te verkeren en dat zij daardoor haar inkomen van € 5.000,- bruto per maand is kwijtgeraakt en dat zij na het feitelijke uiteengaan van partijen steeds € 1.000,- per maand contant van de man ontving als bijdrage voor haar levensonderhoud. Nu is zij arbeidsongeschikt en lijdt zij aan PTSS en depressies omdat zij jarenlang slachtoffer is geweest van de man, aldus de vrouw. Voorts stelt zij dat niet aannemelijk is dat zij op grond van haar opleiding en ervaring een functie zal kunnen vervullen die gelijkwaardig is aan die van HR-manager bij [Werkgever verzoekster] en dat bij- of omscholing nu niet mogelijk is door haar ziekte. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist.

5.3

Het hof stelt het volgende voorop. De hoogte van behoefte van de vrouw is mede gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten – en gelet op de welstand redelijke – kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald.

5.4

Het hof overweegt in dit kader dat vast staat dat partijen reeds sinds 2011 gescheiden wonen en vanaf dat moment ieder een eigen huishouding hebben gevoerd. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de vrouw sinds die tijd met haar inkomen van € 5.000,- bruto per maand zelf in de kosten van haar levensonderhoud heeft kunnen voorzien, met uitzondering van de lasten verbonden aan de woning en het appartement van partijen, die de man voor zijn rekening heeft genomen. Nu de man niet langer bijdraagt in de lasten van de woning kan de hoogte van de behoefte van de vrouw worden gesteld op haar (vroegere) inkomen, te vermeerderen met de helft van de bruto (hypothecaire) lasten van de woning (de helft van € 26.782,- per jaar). Per maand is dat in totaal (€ 5.000,- + € 1.115,90 =) € 6.115,90 bruto. Dat de man haar ook nog maandelijks € 1.000,- betaalde voor de aanschaf van luxe goederen heeft de vrouw, tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, niet nader onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

5.5

Gezien de leeftijd van de vrouw (thans 46 jaar), haar opleidingsniveau en werkervaring als bestuurder/HR-manager bij [Werkgever verzoekster] en het feit dat zij in beginsel full-time beschikbaar is voor de arbeidsmarkt acht het hof, evenals de rechtbank, de vrouw redelijkerwijs in staat om binnen afzienbare tijd een vergelijkbaar salaris te verdienen als zij als bestuurder/HR-manager bij [Werkgever verzoekster] ontving, ongeveer € 5.000,- bruto per maand. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de vrouw, zoals de man heeft gesteld en zij ook zelf heeft aangevoerd, al voordat zij de man leerde kennen en in dienst trad bij [Werkgever verzoekster] beschikte over een zakelijk netwerk en ondernemingen heeft helpen opzetten. Weliswaar ontvangt de vrouw nu een Ziektewetuitkering, maar dat zij langere tijd arbeidsongeschikt zou zijn heeft zij – ook in hoger beroep – onvoldoende onderbouwd. Hieruit volgt dat de aanvullende behoefte van de vrouw aan een door de man te betalen partneralimentatie € 1.115,90 bruto per maand bedraagt.

5.6

Wat betreft de draagkracht van de man voert de vrouw aan dat de man zeer vermogend is, dat hij leiding geeft aan een internationaal concern van tientallen bedrijven in meer dan zestien landen waaronder een trustkantoor. Het door de FIOD gelegde beslag op activa en de administratie van de ondernemingen van de man in Nederland heeft geen invloed op de bedrijfsactiviteiten van de man. Daarnaast heeft hij nieuw personeel aangenomen en een miljoen Engelse ponden gestort voor het verkrijgen van een bankvergunning in Engeland, aldus de vrouw.

5.7

De man stelt dat hij geen draagkracht heeft voor het betalen van partneralimentatie. Hij voert daartoe aan dat hij een aantal goedlopende ondernemingen had opgebouwd, maar dat zijn ondernemingsactiviteiten in elkaar zijn gestort als gevolg van de aangifte van de vrouw, zijn aanhouding door de FIOD en de negatieve publiciteit die daarop is gevolgd. De FIOD heeft onder meer beslag gelegd op gelden die niet aan de onderneming van de man, het trustkantoor, toebehoren, maar aan derden. Zijn verzoek tot opheffing van de beslagen is afgewezen. De man stelt verder dat hij alleen nieuwe medewerkers op onmisbare posities heeft aangenomen en hij betwist dat hij een bankvergunning in Engeland heeft.

5.8

De man heeft in zijn toelichting op producties 1 tot en met 15 (bij voormeld journaalbericht van 12 juli 2018) nog verzocht nadere stukken in het geding te mogen brengen ten aanzien van (onder meer) zijn inkomen en winst uit onderneming. Het hof zal de man hiertoe niet in de gelegenheid stellen, nu dat in dit stadium van de procedure in strijd is met de goede procesorde. De man heeft voldoende gelegenheid gehad de volgens hem relevante stukken in het geding te brengen. Dat de samenwerking met zijn voormalige advocaat pas op 6 juni 2018 werd beëindigd komt voor zijn rekening en risico en is geen reden om anders te beslissen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het de man heeft toegestaan in afwijking van de hoofdregel van artikel 1.4.4 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven voormelde producties 1 tot en met 15 te overleggen en daarop een toelichting te geven.

5.9

Het hof is van oordeel dat de man zijn stelling dat hij geen draagkracht heeft voor het betalen van partneralimentatie, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet, althans onvoldoende, heeft onderbouwd en dat hij voorts onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie. De door de man overgelegde stukken geven geen volledig overzicht van zijn ondernemingsactiviteiten en/of zijn niet afdoende onderbouwd. Vast staat dat de man in verschillende landen tientallen ondernemingen heeft opgericht, die zich (onder meer) richten op vermogens- en vastgoedbeheer. Dat de resultaten van al deze ondernemingen negatief zijn en dat hij geen draagkracht heeft om te voldoen aan zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw acht het hof niet aannemelijk. De door de FIOD gelegde beslagen op de activa van (de ondernemingen van) de man in Nederland doen daaraan niet af en ontslaat de man niet van zijn verplichting gegevens met betrekking tot zijn huidige inkomen en vermogen te verstrekken. Ook met betrekking tot zijn (maandelijkse) lasten heeft de man geen bescheiden overgelegd. Daarbij komt dat de man de met bescheiden onderbouwde stelling van de vrouw dat hij zijn luxe levensstijl weet te handhaven evenmin gemotiveerd weersproken. Naar eigen zeggen woont hij in Italië bij (de familie van) zijn huidige echtgenote, met wie hij tijdens de echtscheidingsprocedure van de man en de vrouw is getrouwd, en wordt hij door haar onderhouden. Gebleken is echter dat de man het afgelopen jaar ook afwisselend heeft verbleven in Monaco, St. Tropez en Dubai, waardoor een beeld ontstaat dat hij een levensstijl heeft waarbij hij kan beschikken over meer middelen dan hij stelt te hebben. Ook de door de door de vrouw overgelegde belastingaangiften en aanslagen geven een indicatie dat de man heeft kunnen en kan beschikken over zodanige inkomsten en/of een zodanig vermogen dat hij in staat moet worden geacht te kunnen voorzien in de aanvullende behoefte van de vrouw aan partneralimentatie van € 1.115,90 bruto per maand. Grief 1 van de vrouw slaagt daarom in zoverre.

Ten aanzien van het appartement

5.10

Tijdens de mondelinge behandeling hebben de man en de vrouw beiden verklaard dat het appartement moet worden verkocht. Volgens de man staat het appartement inmiddels ook in de verkoop. Gebleken is echter dat partijen niet erin slagen gezamenlijk uitvoering te geven aan de verkoop. De vrouw heeft het hof bericht dat de man zich niet heeft gehouden aan zijn ter zitting gedane toezegging om binnen twee weken een sleutel van het appartement aan de vrouw te doen toekomen.

Het hof ziet voldoende aanleiding het verzoek van de vrouw haar te machtigen het appartement te verkopen en alle handelingen te verrichten die daarvoor noodzakelijk zijn, toe te wijzen onder de navolgende bepalingen.

Het hof zal bepalen dat het appartement zal worden verkocht aan een derde via de door de man reeds ingeschakelde makelaar Interservices JMD te Cannes (Frankrijk). Deze makelaar zal voor partijen bindend bepalen: de vraag- en laatprijs en de verdere bepalingen waaronder de koop en de levering plaatsvinden, waarbij de makelaar aan de passerende notaris vraagt reeds een akte van levering voor te bereiden, die bij het sluiten van de koopovereenkomst kan worden doorgenomen. Partijen dienen een eventuele overwaarde, te weten het bedrag waarvoor het appartement wordt verkocht minus de hypothecaire lening(en) minus alle kosten die verbonden zijn aan de eigendomsoverdracht (inclusief de eventuele notaris- en kadasterkosten voor zijn werkzaamheden, voor zover deze ten laste van de verkoper komen), bij helfte te delen. Partijen dienen ieder de helft van een eventuele restschuld voor hun rekening te nemen.

Deze uitspraak van het hof zal, voor zover deze betrekking heeft op de verkoop van het appartement en de uitvoering daarvan, op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treden van de medewerking van de man aan zowel de overeenkomst van koop en verkoop als van de notariële akte van levering indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

- wat betreft de koopovereenkomst:

a. de makelaar heeft partijen uitgenodigd de door hem opgestelde koopovereenkomst (met de bindende koopsom en verdere bepalingen) op zijn kantoor te ondertekenen, heeft daartoe een tijdstip vastgesteld en heeft aan hen ten minste een week voor dit tijdstip een ontwerp van deze overeenkomst en van de daarbij horende conceptakte van levering toegezonden; en

b. de man werkt niet uiterlijk op het door de makelaar vastgestelde tijdstip mee aan de ondertekening van deze overeenkomst;

- wat betreft de akte van levering:

a. de notaris heeft partijen uitgenodigd de akte van levering op zijn kantoor te ondertekenen, heeft daartoe een tijdstip vastgesteld en heeft aan hen ten minste een week voor dit tijdstip een ontwerp van deze akte en een afrekening toegezonden; en

b. de man werkt niet uiterlijk op het door de notaris vastgestelde tijdstip mee aan de ondertekening van deze akte.

Indien in Frankrijk de eigendomsoverdracht op andere wijze plaatsvindt dan hierboven is beschreven, dient het bovenstaande zodanig te worden gelezen dat deze uitspraak van het hof in de plaats zal treden van de medewerking van de man aan de akte(n) waarmee de eigendomsoverdracht wordt bewerkstelligd, mits de daarbij betrokken ambtenaren of andere personen aan wie de bewerkstelliging van de eigendomsoverdracht is opgedragen, partijen heeft uitgenodigd de door hem opgestelde akte(n) op zijn kantoor te ondertekenen en daartoe een tijdstip heeft vastgesteld en aan de man en de vrouw ten minste een week voor dit tijdstip een ontwerp van deze akte(n) heeft toegezonden, en de man niet uiterlijk op het vastgestelde tijdstip meewerkt aan de ondertekening van deze akte(n).

5.11

Uit het voorgaande volgt dat het (subsidiaire) verzoek van de vrouw te bepalen dat de man volledig draagplichtig is voor de (gemeentelijke) aanslag van € 1.100,- alsmede de aanslagen die nog worden opgelegd totdat het appartement is verkocht en geleverd aan een derde zal worden toegewezen.

5.12

Het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man – voor zover hij dat (nog) niet heeft gedaan – een sleutel van het appartement aan haar moet verstrekken, ligt voor toewijzing gereed, zij het dat het hof een dwangsom zal vaststellen van € 1.000,- per dag(deel) dat de man dit nalaat tot een maximum van € 100.000,-.

Het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man haar kleding, twee designer-tassen, haar laptop en haar twee schilderijen dient terug te geven dan wel te bepalen dat de man in dat verband een vervangende schadevergoeding dient te betalen, zal het hof afwijzen. De vrouw heeft haar stellingen dat de man die zaken onder zich heeft – tegenover de gemotiveerde betwisting door de man – onvoldoende (nader) onderbouwd en evenmin een gespecificeerd bewijsaanbod gedaan. In zoverre falen de grieven 3 en 4 van de vrouw.

Ten aanzien van de vergoedingsrechten

5.13

Met grief 5 in het principaal hoger beroep betoogt de vrouw dat haar – in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar onder meer belastingontduiking door de man – diverse belastingaanslagen zijn opgelegd op basis van het fiscaal partnerschap van partijen, waarbij vermeende vermogensbestanddelen van de man aan haar zijn toegerekend. Op grond van artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden dient de man haar die belastingen, die betrekking hebben op zijn vermogen, te vergoeden, aldus de vrouw. De man betwist dat en stelt dat die belastingaanslagen zijn gebaseerd op valse verklaringen van de vrouw waaraan de FIOD aanvankelijk veel waarde heeft gehecht en dat zij daarmee in eigen voet heeft geschoten.

5.14

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden volgt dat de vrouw, voor zover komt vast te staan dat de belastingaanslagen betrekking hebben op het inkomen en vermogen van de man en voor zover zij belastingaanslagen heeft betaald die betrekking hebben op dat inkomen en vermogen, recht heeft op vergoeding door de man van die door haar betaalde bedragen. In zoverre zal het hof het daartoe strekkende verzoek van de vrouw over de periode van 2009 tot aan het moment van beëindiging van het fiscaal partnerschap in 2015 toewijzen.

5.15

De vrouw verzoekt in dit verband te bepalen dat de man de door haar gemaakte kosten voor het inschakelen van een fiscalist naar aanleiding van de bevindingen van de belastingdienst en de opgelegde aanslagen (ten bedrage van € 15.030,02 plus p.m.) dient te vergoeden. Nu deze kosten zijn gemaakt om inzicht te verkrijgen in hoeverre die aanslagen betrekking hebben op het inkomen en vermogen van de man, zal het hof dit verzoek in zoverre toewijzen dat de man zal worden verplicht de helft van deze kosten te vergoeden. Uit het voorgaande volgt dat grief 5 gedeeltelijk slaagt.

Ten aanzien van de woning

5.16

Zowel de gewijzigde tweede grief van de vrouw als de incidentele grieven van de man zien op de financiële afwikkeling van de woning. In de woning, die aan beiden partijen toebehoorde, ieder voor de onverdeelde helft, heeft de vrouw vanaf 2011 afzonderlijk van de man gewoond. De hypothecaire lening stond alleen op naam van de vrouw. Gedurende een aantal jaren heeft de man de hypothecaire lasten betaald. Vanaf juli 2016 is daarin een achterstand opgetreden. De vrouw heeft de woning in november 2016 verhuurd en de huurovereenkomst op 1 december 2016 beëindigd. De woning is op 3 oktober 2017 executoriaal verkocht en nadien geleverd aan de koper. De vrouw verzoekt te bepalen dat de man de hypothecaire lasten tot aan de levering dient te voldoen en de man te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 21.536,35. De man verzoekt de vrouw te veroordelen om rekening en verantwoording af te leggen en tot betaling van de helft van de door hem in de laatste drie jaar betaalde woonlasten, een bedrag van € 63.000,-.

5.17

Wat betreft het verzoek van de man te bepalen dat de vrouw rekening en verantwoording aflegt ter zake van de verhuur van de woning overweegt het hof dat de vrouw meerdere malen rekening en verantwoording heeft afgelegd en dat gebleken is dat de woning sedert december 2016 niet meer is verhuurd. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen. De eerste grief van de man in het incidenteel hoger beroep faalt dan ook.

5.18

De man baseert zijn verzoek te bepalen dat de vrouw ter verrekening van de woonlasten € 63.000,- aan hem dient te betalen op artikel 1 onder b van de huwelijkse voorwaarden. Hij stelt dat hij bij wijze van voorschot alle kosten heeft voldaan en dat de vrouw over de afgelopen drie jaar de helft daarvan dient te voldoen. De vrouw betwist de stelling van de man en beroept zich op de afspraak dat de man die lasten zou voldoen.

5.19

Het hof stelt voorop dat het voor de beantwoording van de vraag wat partijen ten aanzien van de woonlasten zijn overeenkomen in het kader van het vertrek van de man uit het huis aankomt op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, Haviltex). Omdat partijen elkaar tegenspreken en geen van hen de gestelde afspraken met stukken heeft onderbouwd, zal het hof bijzondere waarde toekennen aan de gedragingen van partijen, waarbij de meest in het oog springende gedraging is dat, zoals al is overwogen in rechtsoverweging 5.4, de man gedurende een langere tijd, ongeveer vijf jaren na het feitelijk uiteengaan van partijen in 2011, de lasten verbonden aan de woning van partijen heeft voldaan, waaronder het deel van de vrouw in de hypotheekrente. Het hof neemt op grond daarvan aan dat de betaling van deze lasten is geschied overeenkomstig een al dan niet stilzwijgende afspraak tussen partijen.

5.20

Vorenstaande betekent ook dat het – gewijzigde – verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man de achterstallige hypotheeklasten dient te betalen voor toewijzing in aanmerking komt.

5.21

De vrouw heeft verzocht, op grond van artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden, de man te veroordelen aan haar te betalen de helft van het verschil tussen de door de vrouw betaalde koopsom voor de woning en de uit de opbrengst afgeloste hypothecaire lening. Het gaat om een bedrag van € 43.072,70 / 2 = € 21.536,35. Nu het huis aan beide partijen toebehoorde, ieder voor de onverdeelde helft, en de vrouw onbetwist heeft gesteld dat zij het verschil tussen de opbrengst en de financiering heeft voldaan, zal het hof het verzoek van de vrouw toewijzen. De grief slaagt.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de vrouw niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek met betrekking tot de echtscheiding en de bestreden beschikking aanvullen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot afwijzing van het verzoek van de man strekkende tot echtscheiding;

vult de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 2 juni 2017 aan als volgt:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 1.115,90 per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

gelast partijen over te gaan tot verkoop en levering van het appartement, dan wel het appartementsrecht aan de [Adres] te [Plaatsnaam] (Frankrijk) als hiervoor in de rechtsoverweging 5.10 is bepaald;

bepaalt dat deze uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op de verkoop en levering van het appartement en de uitvoering daarvan, op de voet van artikel 3:300 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek in de plaats zal treden van de medewerking van de man op de wijze en onder de voorwaarden als hiervoor onder 5.10 is bepaald;

bepaalt dat de man volledig draagplichtig is voor de (gemeentelijke) aanslag van € 1.100,- alsmede de aanslagen die nog worden opgelegd totdat het appartement is verkocht en geleverd aan een derde;

veroordeelt de man tot afgifte van een sleutel van het appartement aan de vrouw binnen veertien dagen na heden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag of dagdeel dat zij aan deze veroordeling niet zal voldoen, tot een maximum van € 100.000,-;

bepaalt dat – voor zover komt vast te staan dat de belastingaanslagen over de periode 2009 tot aan het moment van beëindiging van het fiscaal partnerschap in 2015 betrekking hebben op het inkomen en vermogen van de man en voor zover de vrouw belastingaanslagen heeft betaald die (gedeeltelijk) betrekking hebben op dat inkomen en vermogen – de man de door de vrouw betaalde bedragen dient te vergoeden;

bepaalt de man aan de vrouw € 7.515,01 dient te vergoeden ter zake van de kosten een fiscalist;

bepaalt dat de man aan de vrouw de hypothecaire lasten verbonden aan de woning tot aan de levering van de woning dient te voldoen;

bepaalt dat de man aan de vrouw € 21.536,35 dient te vergoeden ter zake van de onderwaarde van de woning;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, M.H.H.A. Moes en R.E. Brinkman, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is op 10 januari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.