Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:1624

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
24-07-2019
Zaaknummer
200.251.885/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorsingsverzoek en voorlopige voorziening. Recht in woning te blijven wonen en bijbehorende zaken en inboedel te blijven gebruiken. Geen noodzaak voor schorsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.251.885/02

(zaaknummers rechtbank Gelderland 327139 en 333445)

beschikking van 19 februari 2019 op het verzoek tot schorsing en tot het treffen van een provisionele voorziening

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. S.M. Diepeveen-Goldhoorn te Arnhem,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. W. van de Velde te Lent, gemeente Nijmegen.

1 Het geding in eerste aanleg in de hoofdzaak

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg in de hoofdzaak naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 2 november 2018, uitgesproken onder voormelde zaaknummers (verder: de bestreden beschikking).

2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing en tot het treffen van een provisionele voorziening

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift tevens houdende verzoek tot schorsing en tot het treffen van een provisionele voorziening voortgezet verblijf in de woning met producties 1 tot en met 12, ingekomen op 21 december 2018;

  • -

    het verweerschrift tegen het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad en tegen de provisionele voorziening voortgezet verblijf in de woning met producties 1 en 2;

  • -

    een journaalbericht van mr. Diepeveen-Goldhoorn van 24 januari 2019 met productie 13;

  • -

    een journaalbericht van mr. Diepeveen-Goldhoorn van 31 januari 2019 met de ontbrekende producties 5, 6 en 11, en

  • -

    een journaalbericht van mr. Diepeveen-Goldhoorn van 1 februari 2019 met als bijlage het aanvullend hoger beroepschrift.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 4 februari 2019 plaatsgevonden. De vrouw is

in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A. Oosterhuis-Boeve, als waarneemster van

mr. Diepeveen-Goldhoorn. De man is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn op [huwelijksdatum] 1998 met elkaar gehuwd. Bij verzoekschrift van 28 september 2017 heeft de vrouw aan de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem - onder andere - verzocht de echtscheiding uit te spreken. Beide partijen hebben in die procedure aan de rechtbank verzocht om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning gelegen te [adres] (verder: de echtelijke woning).

3.2

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 23 november 2017 is, voor zover thans van belang, aan de vrouw het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toegekend, met bevel dat de man die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden.

3.3

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking - onder andere - de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking was ten tijde van de mondelinge behandeling nog niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank ook bepaald dat de man tegenover de vrouw gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking het recht heeft in de echtelijke woning te verblijven en de zaken die bij die woning en tot de inboedel daarvan behoren te blijven gebruiken, op voorwaarde dat de man op het ogenblik van de inschrijving in de echtelijke woning woont. De rechtbank heeft dit onderdeel van haar beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Aan de orde is het verzoek van de vrouw schorsing te bevelen van de werking van de bestreden beschikking, voor zover het de onder 1 genoemde beslissingen betreft.

Verder verzoekt de vrouw te bepalen dat zij tot aan de beslissing in hoger beroep bij wijze van provisionele voorziening het recht heeft in de echtelijke woning te blijven wonen en de inboedelgoederen te gebruiken bij uitsluiting van de man.

De man voert gemotiveerd verweer tegen beide verzoeken.

Rechtsmacht

4.2

Partijen noch de rechtbank hebben zich uitgelaten over de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter in de onderhavige zaak. Het hof begrijpt dat zij ervan zijn uitgegaan dat met betrekking tot het verzoek tot voortgezet gebruik van de echtelijke woning de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt, hetgeen het hof onderschrijft nu de echtelijke woning is gelegen in Nederland.

Schorsing

4.3

Hoger beroep schorst de werking van een rechterlijke beslissing, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking daarvan schorsen.

4.4

Het hof stelt het volgende voorop onder verwijzing naar HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688 en HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012.

  • -

    i) De verzoeker moet belang hebben bij de door hem verzochte schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking.

  • -

    ii) Bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een beschikking moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van de verzoeker bij behoud van de bestaande toestand tot op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van zijn wederpartij bij (voortzetting van) de tenuitvoerlegging van de beschikking. Indien de beslissing de veroordeling tot betaling van een geldsom betreft, is het belang van de schuldeiser bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in beginsel gegeven.

  • -

    iii) Bij deze belangenafweging moet worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het hoger beroep in beginsel buiten beschouwing.

  • -

    iv) Indien de rechtbank in eerste aanleg een gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zal de verzoeker die wijziging van deze beslissing wenst, aan zijn verzoek ten grondslag moeten leggen een kennelijke juridische of feitelijke misslag in de bestreden uitspraak dan wel feiten en omstandigheden die bij die beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

  • -

    v) Indien de rechtbank in eerste aanleg geen gemotiveerde beslissing heeft gegeven op het verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad geldt de hiervoor onder (iv) vermelde eis niet en moet worden beslist met inachtneming van het hiervoor onder (i) tot en met (iii) vermelde.

4.5

Het hof is van oordeel dat de vrouw geen belang heeft bij haar verzoek tot schorsing. De rechtbank heeft immers in de bestreden beschikking bepaald dat de man gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking het recht heeft in de woning gelegen te [adres] te blijven wonen en de zaken die bij die woning en tot de inboedel daarvan behoren te blijven gebruiken, op voorwaarde dat de man op het ogenblik van de inschrijving in deze woning woont. Nu de vrouw op basis van de voorlopige voorziening de woning bewoont en de man de woning dus niet zal bewonen op het moment van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, kan de man de bestreden beschikking op dit punt niet met succes executeren. Een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking is derhalve niet nodig om te bewerkstelligen dat de vrouw in de woning kan blijven wonen. Een voorlopige voorziening als door de vrouw verzocht is op dit moment niet nodig, nu zij op grond van de onder 3.2 vermelde beschikking gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning en deze beschikking eerst haar werking verliest indien de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven.

Het hof gaat voorbij aan de stelling van partijen dat het de bedoeling van de rechter is geweest om de man onder alle omstandigheden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking de woning te laten bewonen nu het dictum van de bestreden beschikking anders luidt en artikel 1:165 van het Burgerlijk Wetboek ook de voorwaarde stelt dat de echtgenoot die het gebruik wil voortzetten van een woning die aan de andere echtgenoot uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, ten tijde van de inschrijving van de beschikking in de woning woont.

Het hof gaat eveneens voorbij aan de stelling van de man dat hij het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning heeft willen verzoeken in plaats van het voortgezet gebruik daarvan, nu de regeling van artikel 822 Rv slechts van toepassing is in de voorlopige voorzieningenprocedure en dus niet in de echtscheidingsprocedure, zoals die door het hoger beroep aan het hof is voorgelegd.

Provisionele voorziening

4.6

Op basis van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de vrouw thans evenmin belang heeft bij haar verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening.

5 De slotsom

5.1

Op grond van het vorenstaande zal het hof de verzoeken van de vrouw afwijzen.

5.2

Het hof zal de proceskosten compenseren, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn en het hof geen aanleiding ziet hierover anders te oordelen.

6 De beslissing

Het hof,

beslissende op het verzoek tot schorsing en tot het treffen van een provisionele voorziening:

wijst de verzoeken van de vrouw af;

compenseert de kosten van dit geding in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. de Groot, A. Smeeïng-van Hees en R. Krijger, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. A. Smeeïng-van Hees en is op 19 februari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.