Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:1602

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
22-02-2019
Zaaknummer
200.225.721
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geldlening, onverschuldigde betaling of schenking? Bewijslast en bewijswaarding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.225.721

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 409450)

arrest van 19 februari 2019

in de zaak van

[Appellant] ,

wonende te [Woonplaats] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [Appellant] ,

advocaat: mr. A.H.J. Emmen,

tegen:

[Geïntimeerde] ,

wonende te [Woonplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [Geïntimeerde] ,

advocaat: mr. G.A.E.M. van Zinnicq Bergmann.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 20 april 2016, 22 juni 2016 en 24 mei 2017 die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 23 augustus 2017,

- de memorie van grieven (met een productie),

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.3 van het vonnis van 22 juni 2016.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

[Appellant] heeft in eerste aanleg – samengevat – gevorderd dat [Geïntimeerde] wordt veroordeeld om aan haar te betalen een bedrag van € 48.000,- vermeerderd met rente en (buiten)gerechtelijke kosten. [Appellant] stelt dat zij € 48.000,- (hierna: het bedrag) aan [Geïntimeerde] heeft geleend en dat [Geïntimeerde] op eerste verzoek van [Appellant] het bedrag moet terugbetalen. Subsidiair stelt [Appellant] , voor zover niet komt vast te staan dat [Appellant] het bedrag aan [Geïntimeerde] heeft geleend, dat het bedrag door [Appellant] onverschuldigd is betaald aan [Geïntimeerde] en om die reden moet worden terugbetaald. [Geïntimeerde] heeft in eerste aanleg het bestaan van de geldlening betwist en betwist dat het bedrag onverschuldigd aan haar is betaald. Zij voert aan dat het bedrag aan haar is geschonken. De rechtbank heeft, na bewijslevering, de vorderingen van [Appellant] afgewezen en daartoe zakelijk samengevat overwogen dat [Appellant] niet heeft bewezen dat het voor beide partijen duidelijk was dat sprake was van een geldlening en evenmin dat de betaling van het bedrag zonder rechtsgrond is geschied. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen, zoals opgenomen in de vonnissen van 22 juni 2016 en 24 mei 2017, heeft [Appellant] een grief gericht. Voor zover het hoger beroep zich ook richt tegen het tussenvonnis van 20 april 2016, zal [Appellant] daarin niet-ontvankelijk worden verklaard. Tegen dat vonnis staat op grond van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen hoger beroep open.

4.2

Waar [Appellant] zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde geldleningsovereenkomst en de daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting voor [Geïntimeerde] , rust op haar - op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering - de stelplicht en, gelet op de gemotiveerde betwisting door [Geïntimeerde] , de bewijslast (en daarmee het bewijsrisico) van het bestaan van een dergelijke overeenkomst. Dat [Geïntimeerde] zich, in het kader van haar betwisting, op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een schenking, brengt niet met zich dat zij daarvan de bewijslast heeft. Deze bewijslastverdeling geldt ook voor zover [Appellant] zich, subsidiair, heeft beroepen op onverschuldigde betaling. Het is dan, eveneens volgens de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, aan [Appellant] om te stellen en, gezien de gemotiveerde betwisting door [Geïntimeerde] , te bewijzen dat er voor de betaling geen rechtsgrond bestaat.

4.3

Met de rechtbank is ook het hof van oordeel dat [Appellant] in dat bewijs niet is geslaagd. De getuigen hebben tegenstrijdig verklaard en het hof ziet geen aanleiding om aan de verklaringen van [Appellant] en [Getuige 1] meer geloof te hechten dan aan de verklaringen van [Geïntimeerde] en [Getuige 2] . Ook de schriftelijke bewijsmiddelen bieden daarvoor onvoldoende steun. In hoger beroep is niets aangevoerd dat tot een andere conclusie leidt.

4.4

Voor zover [Appellant] heeft aangeboden om zichzelf en [Getuige 1] als getuigen te doen horen, heeft zij daarbij nagelaten aan te geven in hoeverre zij en [Getuige 1] meer of anders zouden kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan. Dat had van haar in hoger beroep wel verlangd mogen worden. Ook voor het overige is het bewijsaanbod onvoldoende concreet en specifiek. Het hof ziet daarom geen aanleiding, ook niet ambtshalve, om [Appellant] tot nadere bewijslevering in de gelegenheid te stellen.

4.5

De slotsom is dat het hoger beroep faalt. De bestreden vonnissen van 22 juni 2016 en 24 mei 2017 zullen worden bekrachtigd. [Appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [Geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 716,-

- salaris advocaat € 1.959,- (1 punt x tarief IV)

zoals gevorderd te vermeerderen met de nakosten en wettelijke rente, zoals hierna vermeld.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [Appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover gericht tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 20 april 2016;

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 22 juni 2016 en 24 mei 2017;

veroordeelt [Appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [Geïntimeerde] vastgesteld op € 716,- voor verschotten en op € 1.959,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [Appellant] in de nakosten, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [Appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.J.P. Lock, J. Beuving en J.H. Steverink, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2019.