Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:1596

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
22-02-2019
Zaaknummer
200.219.187
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadeplichtigheid lastgever jegens koper na faillissement lasthebber/verkoper.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.219.187

(zaaknummer rechtbank Overijssel, locatie Enschede, 5233372)

arrest van 19 februari 2019

in de zaak van

[Appellant] ,

wonende te [Woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [Appellant] ,

advocaat: mr. V.M.D. de Fuyk-Bruyn,

tegen:

1 [Geïntimeerde] ,

2. [Geïntimeerde],

beiden wonende te [Woonplaats] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna: [Geïntimeerde]

advocaat: mr. D. Warnink.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van
21 maart 2017 dat de kantonrechter (rechtbank Overijssel, team kanton en handelsrecht, locatie Enschede) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 20 juni 2017,

- het anticipatie exploot van 7 juli 2017,

- de memorie van grieven, houdende wijziging van eis,

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

[Appellant] vordert in hoger beroep dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, samengevat, bij arrest, indien en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de koopovereenkomst van de boot zal ontbinden en [Geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling van de door [Appellant] geleden schade van € 3.700,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2016 tot de dag van volledige betaling, en tot betaling van de proceskosten in beide instanties, te voldoen binnen veertien dagen na dit arrest en – voor het geval voldoening niet binnen bedoelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, alsmede de nakosten.

3 De vaststaande feiten

3.1

Op 13 november 2015 heeft [Geïntimeerde] een aan hem in eigendom toebehorende boot (van het type Corsiva 470 Classic, compleet met cabrio kap en Suzuki buitenboordmotor 8 pk langstaart en elektrische start; hierna: de boot) in consignatie gegeven aan Watersport Giethoorn met de bedoeling dat Watersport Giethoorn de boot voor een bedrag van tenminste € 4.000,- zou verkopen, waarbij de opbrengst boven dat bedrag voor Watersport Giethoorn zou zijn.

3.2

Op 17 januari 2016 heeft [Appellant] de boot gekocht bij Watersport Giethoorn voor een bedrag van € 5.400,- exclusief btw. De koopprijs is op 21 januari 2016 voldaan door een bancaire overboeking op de rekening van Watersport Giethoorn en tegen inlevering van een andere boot (Wato) ter waarde van € 1.700,- exclusief BTW.

3.3.

Tussen [Appellant] en Watersport Giethoorn is op het moment van verkoop afgesproken dat de boot een opknapbeurt zou krijgen door middel van een beschermlaag aan de buitenkant (blauwe antifouling). Deze werkzaamheden zouden op 1 maart 2016 afgerond zijn. De boot is vanwege de door Watersport Giethoorn uit te voeren werkzaamheden bij Watersport Giethoorn gebleven.

3.4

Op 5 februari 2016 is Watersport Giethoorn in staat van faillissement verklaard en zijn alle werkzaamheden gestaakt. Watersport Giethoorn had op dat moment nog niet de afgesproken werkzaamheden aan de boot uitgevoerd.

3.5

Na de faillietverklaring werd [Appellant] bekend dat [Geïntimeerde] de oorspronkelijk eigenaar was van de door hem gekochte boot.

3.6

Bij brief van 31 maart 2016 heeft [Appellant] bij de curator van Watersport Giethoorn (hierna: de curator) afgifte gevorderd van de boot. De curator heeft geweigerd de boot aan [Appellant] af te geven. Volgens hem heeft geen leveringshandeling plaatsgevonden, waardoor [Appellant] geen eigenaar is geworden van de boot. De curator heeft de boot aan [Geïntimeerde] afgegeven, waarna [Geïntimeerde] de boot heeft verkocht aan een derde.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[Appellant] heeft in eerste aanleg, kort gezegd, primair gevorderd dat [Geïntimeerde] de boot, op straffe van verbeurte van een dwangsom, aan [Appellant] zal leveren. Subsidiair heeft [Appellant] ontbinding van de koopovereenkomst gevorderd, evenals schadevergoeding en vergoeding van buitengerechtelijke kosten, beide te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
16 juni 2016. Daarnaast heeft [Appellant] gevorderd dat [Geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.2

De kantonrechter heeft bij vonnis van 21 maart 2017 de vorderingen van [Appellant] afgewezen en [Appellant] veroordeeld in de proceskosten.

5 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1

[Appellant] woont in Duitsland. Het geschil heeft derhalve internationale aspecten, zodat allereerst moet worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is er kennis van te nemen. Dat is het geval: het geschil betreft een burgerlijke en handelszaak als bedoeld in artikel 1 van de EU-verordening nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I-bis Verordening). Nu [Geïntimeerde] woonplaats heeft in Nederland heeft de Nederlandse rechter ingevolge artikel 4 van deze verordening rechtsmacht.

5.2

Aan de vordering ligt een overeenkomst ten grondslag. Deze is gesloten op
17 januari 2016. Het op de overeenkomst toepasselijke recht dient derhalve te worden bepaald aan de hand van de EU-verordening nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 (hierna: Rome I-Verordening). Van een rechtskeuze als bedoeld in
artikel 3 van de Rome I-Verordening blijkt niet. Volgens [Appellant] bestaat tussen hem en
[Geïntimeerde] een koopovereenkomst, waardoor sprake is van een overeenkomst als bedoeld in artikel 4 lid 1 van de Rome I-Verordening, op grond waarvan het recht van toepassing is van het land waar de verkoper zijn gewone verblijfsplaats heeft. Omdat [Geïntimeerde] woonplaats heeft in Nederland, is Nederlands recht op de vordering van toepassing. Beide partijen hebben hun stellingen ook op de toepasselijkheid van Nederlands recht gebaseerd.

5.3

Onder aanvoering van vier grieven heeft [Appellant] , kort gezegd, gevorderd dat het hof het vonnis van 21 maart 2017 zal vernietigen en zijn subsidiaire vordering zoals weergegeven onder rov. 4.1, met uitzondering van de buitengerechtelijke kosten, alsnog zal toewijzen met veroordeling van [Geïntimeerde] tot betaling van een schadevergoeding van € 3.700,-, te vermeerderen met wettelijke rente, alsmede met veroordeling van [Geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente en nakosten.

5.4

In de kern spitst dit geschil zich toe op de vraag wie contractueel gezien de verkoper van de boot is: Watersport Giethoorn of [Geïntimeerde] Daarnaast twisten partijen over de vraag of [Appellant] eigenaar is geworden van de boot. Ten slotte verschillen partijen van mening over de vraag of [Geïntimeerde] jegens [Appellant] schadeplichtig is geworden. De grieven houden alle verband met de hiervoor geformuleerde vragen en lenen zich daarom voor gezamenlijke behandeling.

5.5

Het antwoord op de vraag of iemand jegens een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam – dat wil zeggen als wederpartij van die ander – is opgetreden, hangt af van hetgeen hij en die ander daaromtrent jegens elkander hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden
(HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877).

5.6

Tussen partijen is niet in geschil dat [Appellant] de boot feitelijk heeft gekocht bij Watersport Giethoorn en dat [Appellant] pas na de faillietverklaring van Watersport Giethoorn bekend werd met het feit dat [Geïntimeerde] de oorspronkelijk eigenaar was van de boot. [Appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat [Geïntimeerde] , als eigenaar van de boot, de verkoper was van de boot en daarom partij is bij de koopovereenkomst. Watersport Giethoorn zou niet zichzelf, maar [Geïntimeerde] (als eigenaar, tevens verkoper) aan de overeenkomst hebben gebonden. Dit laatste blijkt volgens [Appellant] uit de tussen [Geïntimeerde] en Watersport Giethoorn overeengekomen consignatieovereenkomst op grond waarvan Watersport Giethoorn de boot voor [Geïntimeerde] heeft verkocht.

5.7

[Geïntimeerde] heeft gemotiveerd betwist contractspartij te zijn bij de koopovereenkomst. In dat kader heeft [Geïntimeerde] eveneens gewezen op het bestaan van een consignatieovereenkomst tussen haar en Watersport Giethoorn op grond waarvan Watersport Giethoorn de boot van [Geïntimeerde] voor een bedrag van minimaal € 4.000,-, volgens
in eigen naam, mocht verkopen. [Geïntimeerde] heeft voorts aangevoerd dat zij voorafgaand aan en ten tijde van de verkoop van de boot geen enkel contact heeft gehad met [Appellant] noch op enige wijze heeft onderhandeld over de aankoopvoorwaarden. Dat Watersport Giethoorn contractueel gezien de verkoper is, blijkt volgens [Geïntimeerde] ook uit de orderbevestiging (productie 2 bij dagvaarding) die niet alleen is gedrukt op het briefpapier van Watersport Giethoorn, maar waarop bovendien niet staat vermeld dat [Geïntimeerde] de verkopende partij is. Bovendien is de in het kader van de verkoop verstuurde factuur (productie 3 bij dagvaarding) afkomstig van Watersport Giethoorn.

5.8

Nu [Geïntimeerde] het bestaan van een overeenkomst tussen hem en [Appellant] gemotiveerd heeft betwist en [Appellant] degene is die zich op de rechtsgevolgen van de overeenkomst beroept, is het gelet op artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aan [Appellant] om zijn standpunt – dat [Geïntimeerde] contractspartij is bij de overeenkomst – te bewijzen. Het ligt op de weg van [Appellant] om feiten en/of omstandigheden te stellen op grond waarvan hij ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst heeft gemeend of heeft mogen menen, een koopovereenkomst met [Geïntimeerde] te sluiten (zie hiervoor rov. 5.3). [Appellant] heeft daartoe aangevoerd dat [Geïntimeerde] eigenaar van de boot was en dat hij daarom als verkoper diende te worden aangemerkt. Ook heeft [Appellant] gewezen op het bestaan van een consignatieovereenkomst. Echter, gesteld noch gebleken is dat Watersport Giethoorn, bijvoorbeeld, aan [Appellant] heeft meegedeeld de boot in opdracht van een ander te verkopen of dat Watersport Giethoorn de indruk heeft gewekt de boot niet in eigen naam te verkopen. Mede gelet op de gemotiveerde betwisting van [Geïntimeerde] , zoals weergegeven onder rov. 5.7, heeft [Appellant] naar het oordeel van het hof dan ook onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat [Geïntimeerde] – en niet Watersport Giethoorn – contractspartij was bij de koopovereenkomst. Daardoor kan [Appellant] niet op grond van een beweerdelijke tekortkoming in de nakoming van uit die overeenkomst voortvloeiende verbintenissen ontbinding van de koopovereenkomst vorderen. Het hof zal die vordering daarom in zoverre afwijzen. Uit het voorgaande volgt eveneens dat de grondslag van de door [Appellant] gevorderde schadevergoeding niet kan worden gevonden in een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een tussen [Appellant] en [Geïntimeerde] bestaande koopovereenkomst.

5.9

De stellingen van [Appellant] impliceren dat hij ook schadevergoeding wenst op een andere rechtsgrond dan de door hem aan het slot van de memorie van grieven gestelde ontbindingsgrond. Daarom rest de vraag of [Geïntimeerde] op grond van een andere grondslag, namelijk vanwege het bestaan van de consignatieovereenkomst tussen [Geïntimeerde] en Watersport Giethoorn, schadeplichtig is jegens [Appellant] . Zoals [Appellant] heeft gesteld, heeft hij immers schade geleden als gevolg van het feit dat Watersport Giethoorn of [Geïntimeerde] de boot niet (meer) aan hem kan afgeven. Naar het oordeel van het hof dient die vraag bevestigend te worden beantwoord. Immers, de consignatieovereenkomst dient, zoals ook [Appellant] heeft aangevoerd (onder 10 e.v. bij memorie van grieven), te worden gekwalificeerd als een overeenkomst tot lastgeving in de zin van artikel 7:414 BW, waarbij [Geïntimeerde] als lastgever is opgetreden en Watersport Giethoorn als lasthebber. In dit geval heeft Watersport Giethoorn overeenkomstig het bepaalde in lid 2 van artikel 7:414 BW in eigen naam, maar in opdracht van [Geïntimeerde] , een overeenkomst gesloten met [Appellant] . Vanwege het bestaan van de met [Geïntimeerde] gesloten consignatieovereenkomst was Watersport Giethoorn bevoegd de boot te verkopen (en te leveren) en de door [Appellant] betaalde koopsom te innen. Of de boot al dan niet daadwerkelijk aan [Appellant] is geleverd doet in beginsel niet ter zake. In artikel 7:421 BW is bepaald dat indien een lasthebber die in eigen naam een overeenkomst heeft gesloten met een derde, failleert, de derde – na schriftelijk mededeling aan de lasthebber en de lastgever – zijn rechten uit de overeenkomst tegen de lastgever kan uitoefenen. Dit brengt mee, dat [Appellant] na het faillissement van Watersport Giethoorn zijn rechten uit de koopovereenkomst tussen hem en Watersport Giethoorn tegen [Geïntimeerde] kon uitoefenen. Artikel 7:421 BW brengt niet mee dat [Geïntimeerde] moet worden geacht, in plaats van Watersport Giethoorn, contractspartij te zijn (geworden) bij de koopovereenkomst. [Appellant] kan daarom niet jegens [Geïntimeerde] ontbinding van een volgens [Appellant] tussen hem en [Geïntimeerde] tot stand gekomen overeenkomst vorderen. Ook op die grond is de vordering tot ontbinding van een dergelijke overeenkomst niet toewijsbaar. Het voorgaande staat de aansprakelijkheid van [Geïntimeerde] voor de door [Appellant] geleden schade echter niet in de weg. Het hof overweegt in dat kader als volgt. Aanvankelijk heeft [Appellant] bij brief van 2 juni 2016 levering van de boot gevorderd. [Geïntimeerde] heeft, blijkens zijn e-mail van 6 juni 2016, geweigerd de boot aan [Appellant] af te geven en heeft de boot aan een derde verkocht, waardoor levering aan [Appellant] onmogelijk is geworden. Hiermee is [Geïntimeerde] toerekenbaar tekort geschoten in zijn op grond van artikel 7:421 BW bestaande verplichtingen jegens [Appellant] . [Geïntimeerde] is daarom gehouden de schade te vergoeden die [Appellant] daardoor lijdt. De hoogte van de schade heeft [Geïntimeerde] niet bestreden zodat de vordering tot vergoeding van de schade toewijsbaar is tot het gevorderde bedrag.

5.10

Gelet op het voorgaande is de vordering tot ontbinding van de koopovereenkomst van de boot terecht afgewezen, omdat [Geïntimeerde] geen contractspartij is (geworden) bij de koopovereenkomst en Watersport Giethoorn geen partij is in deze procedure. Doordat [Geïntimeerde] jegens [Appellant] toerekenbaar is tekort geschoten in zijn op grond van artikel 7:421 BW bestaande verplichtingen, zal op die grond de schadevergoedingsvordering van [Appellant] worden toegewezen.

6 De slotsom

6.1

De grieven slagen, voor zover daarmee wordt betoogd dat de kantonrechter de vordering tot vergoeding van de schade ten onrechte heeft afgewezen. Het bestreden vonnis zal daarom in zoverre worden vernietigd en voor zover de kantonrechter [Appellant] heeft veroordeeld in de kosten van de procedure en die veroordeling uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. Voor het overige zal het vonnis worden bekrachtigd.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [Geïntimeerde] in de kosten van beide instanties veroordelen. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [Appellant] zullen worden vastgesteld op € 177,02 (€ 98,02 aan explootkosten en € 79,- aan griffierecht) en op € 500,- aan salaris advocaat conform het toen geldende liquidatietarief. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [Appellant] zullen worden vastgesteld op
€ 412,21 aan verschotten (€ 99,21 aan explootkosten en € 313,- aan griffierecht) en op
€ 759,- (1 punt x tarief I) aan salaris advocaat conform het huidige liquidatietarief.

6.3

Als niet weersproken zal het hof ook de nakosten en de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Enschede van 21 maart 2017, voor zover de kantonrechter de schadevergoedingsvordering van [Appellant] heeft afgewezen en voor zover de kantonrechter [Appellant] heeft veroordeeld in de proceskosten en die veroordeling uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard, en doet opnieuw recht;

veroordeelt [Geïntimeerde] om aan [Appellant] als schadevergoeding te betalen een bedrag van
€ 3.700,-, verhoogd met wettelijke rente vanaf 16 juni 2016;

veroordeelt [Geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [Appellant] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 177,02 (€ 98,02 aan explootkosten en
€ 79,- aan griffierecht) en op € 500,- aan salaris advocaat conform het toen geldende liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 412,21 aan verschotten (€ 99,21 aan explootkosten en € 313,00 aan griffierecht) en op € 759,- aan salaris advocaat conform het huidige liquidatietarief te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter voor zover hij de vordering tot ontbinding heeft afgewezen;

veroordeelt [Geïntimeerde] in de nakosten, begroot op € 157,- met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [Geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, P.L.R. Wefers Bettink en W.C. Haasnoot en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2019.