Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:1583

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
28-02-2019
Zaaknummer
200.206.834
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHARL:2019:3117
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanneming van werk, oplevering, meer- en minderwerk, schadevergoeding, partijwisseling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.206.834/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, sector kanton, locatie Utrecht, 4956783 UC EXPL 16-5443)

arrest van 19 februari 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Appellant] ,

gevestigd te [Woonplaats] ,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

rechtsopvolgster van eiser in conventie tevens verweerster in reconventie in eerste aanleg,

hierna: [Appellant] ,

advocaat: mr. M.L.A. Verleun,

tegen:

1 [Geïntimeerde 1] ,

2 [Geïntimeerde 2] ,

beiden wonende te [Woonplaats] ,

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: verweerders conventie, eisers in reconventie,

hierna gezamenlijk: [Geïntimeerden] ,

advocaat voorheen: mr. M. Verkuijl thans mr. D.J. Brugge,

op het bij exploot van dagvaarding van 3 januari 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 5 oktober 2016 door de rechtbank Midden-Nederland, sector kanton, locatie Utrecht, gewezen tussen [Natuurlijk persoon appellant] , handelend onder de naam [Appellant] , (hierna: [Appellant] ) als eiser in conventie, verweerder in reconventie en [Geïntimeerden] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 18 mei 2016 en 5 oktober 2016 die de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, sector kanton, locatie Utrecht) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 3 januari 2017,

- de memorie van grieven tevens voorwaardelijke wijziging van eis (met productie),

- de memorie van antwoord tevens incidenteel hoger beroep (met producties),

- een antwoordakte op het beroep op procesonbevoegdheid, tevens memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep.

2.2.

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De ontvankelijkheid van het hoger beroep

3.1.

[Geïntimeerden] hebben als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat [Appellant] niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep omdat [Appellant] in eerste aanleg geen procespartij was en alleen [Appellant] van grieven heeft gediend. Volgens [Geïntimeerden] bestaat er tussen [Geïntimeerden] en [Appellant] geen enkele rechtsverhouding, aangezien op grond van art. 6:159 BW een partij alleen de rechtsverhouding kan overdragen aan een derde indien de wederpartij, in deze [Geïntimeerden] , aan deze overdracht meewerkt middels een akte. [Geïntimeerden] is echter op geen enkele wijze betrokken bij een overdracht van de overeenkomst en was zelfs tot het moment waarop de memorie van grieven is uitgebracht, niet op de hoogte van de vermeende overname, aldus [Geïntimeerden] Voor zover er gesproken kan worden van een overdracht, dient er vermoedelijk gesproken te worden over een overdracht onder bijzondere titel, aldus [Geïntimeerden]

3.2.

[Appellant] heeft hiertegen aangevoerd dat [Geïntimeerden] hebben ingestemd met de contractsovername aangezien zij onvoorwaardelijk incidenteel hoger beroep hebben ingesteld tegen de besloten vennootschap, en niet tegen [Natuurlijk persoon appellant] als privépersoon, al was het maar omdat [Natuurlijk persoon appellant] als privé persoon niet op een juiste wijze in de procedure is betrokken. Voor zover geen sprake zou zijn van rechtsopvolging onder algemene titel heeft volgens [Appellant] het volgende te gelden. De overdracht van de vordering van [Natuurlijk persoon appellant] op [Geïntimeerden] maakt deel uit van een overdracht van meerdere vorderingen. Van die overdracht is mededeling gedaan in de memorie van grieven, derhalve ook aan [Geïntimeerden] Daarmee is voldaan aan alle vereisten van cessie van vorderingen - thans ook inclusief de mededelingsplicht - en heeft de besloten vennootschap volledige procesbevoegdheid.

3.3.

Het hof neemt het volgende in aanmerking. De kantonrechter heeft het vonnis waartegen dit hoger beroep zich richt gewezen tussen [Natuurlijk persoon appellant] , handelend onder de naam [Eenmanszaak appellant] (hierna ook: de eenmanszaak) en [Geïntimeerden] De eenmanszaak is bij dagvaarding van 3 januari 2016 tijdig in hoger beroep gekomen van dit vonnis. De memorie van grieven is vervolgens op naam gesteld van [Appellant] waarbij zij inleidend opmerkt dat de eenmanszaak (onderneming) van [Natuurlijk persoon appellant] is ingebracht in deze besloten vennootschap zodat laatstgenoemde als rechtsopvolger van de eenmanszaak, in het hoger beroep voortaan als procespartij heeft te gelden.

3.4.

Het hof overweegt als volgt. Art. 332 lid 1 Rv bepaalt dat het hoger beroep alleen kan worden ingesteld door de partijen uit de vorige instantie. Dat is hier met het uitbrengen van de hoger beroep dagvaarding van 3 januari 2017 op naam van de eenmanszaak, gebeurd.

3.5.

Het hof leest in de memorie van grieven van [Appellant] een verzoek tot wijziging van de procespartij in de procedure. In geval van een vergissing in de aanduiding van een partij en bij een partijwisseling is een verzoek tot wijziging toelaatbaar, tenzij de wederpartij stelt, en bij betwisting aannemelijk maakt, dat zij daardoor onredelijk in haar belangen wordt geschaad (vgl. HR 13 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1881).

[Geïntimeerden] hebben weliswaar gesteld dat geen enkele rechtsverhouding bestaat met [Appellant] en verder dat zij pas bij memorie van grieven op de hoogte gesteld is van het feit dat [Appellant] de vordering op [Geïntimeerden] van de eenmanszaak heeft overgenomen, maar hieruit volgt niet dat zij door voortzetting van de procedure op naam van [Appellant] onredelijk in hun belangen worden geschaad. Het verzoek van [Appellant] tot wijziging van de partijaanduiding wordt daarom toegestaan. Dit betekent dat de procedure in hoger beroep wordt gevoerd door [Appellant] en dat het ontvankelijkheidsverweer wordt verworpen.

4 De vaststaande feiten

4.1.

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.15 van het (bestreden) vonnis van 5 oktober 2016 aangezien hiertegen geen grieven zijn gericht. Aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, gaat het om het volgende.

4.2.

Op basis van een door [Natuurlijk persoon appellant] uitgebrachte offerte van 19 juni 2015, hebben [Geïntimeerden] als opdrachtgevers en [Natuurlijk persoon appellant] als opdrachtnemer een overeenkomst gesloten voor binnen- en buitenschilderwerk aan de woonboerderij aan de [Adres] te [Woonplaats] . In de offerte zijn de volgende werkzaamheden genoemd:

“Binnen:

Ontvetten, geheel machinaal schuren, kale delen gronden, uitstoppen / bijplamuren / kitten waarnodig, overgronden en dekkend afschilderen, in zijdeglans, in de kleur Ral 9010, van:

Plafonds en balken in de woonkamer, opkamer, keuken, kantoor en de entree € 9.750.00

Gevelkozijnen, ramen en de voordeur in woonkamer, opkamer, keuken.

kantoor, zolder, kelder en de entree € 2.100,00

14 stuks deuren (schuifdeuren) incl. kozijnen in de woonkamer, opkamer,

keuken, kantoor en de entree €3.475.00

Lambrisering in de keuken, 2 opstapjes en de schouw in de woonkamer € 425,00

Plinten in de woonkamer, opkamer, keuken, kantoor en de entree € 575,00

Afdekken waarnodig, repareren van kleine oneffenheden, isoleren, fixeren, kitten en dekkend latexen, in een n.t.b. lichte kleur, van:

Wanden in de woonkamer, opkamer, keuken, kantoor en de entree € 2.750,00

Buiten:

Ontvetten, losse delen verwijderen door middel van schrappen, geheel schuren,

kale delen gronden, compleet overgronden en dekkend afschilderen, in hoogglans,

in de kleuren Ral 9001 en 7022 van:

Gevelkozijnen, ramen, deuren, boeidelen, overstekken, luiken, luikklemmen.

muurankers en de hemelwaterafvoeren van het woonhuis € 7.275,00

Afdekken waarnodig, repareren van oneffenheden, kitten en dekkend latexen,

met Caparol Amphisilan (vocht regulerende buitenkwaliteit latex), in een n.t.b.

donkere grijze kleur, van:

Lambrisering rondom de woning en de betonnen vensterbanken € 575,00”

4.3.

De overeengekomen ('afgeronde') aanneemsom is € 27.000,- inclusief btw.

Door [Geïntimeerden] is in drie termijnen van € 8.480,- een bedrag van € 25.440,- in totaal voldaan.

4.4.

In een e-mail van 25 september 2015 heeft [Natuurlijk persoon appellant] aan [Geïntimeerden] het volgende geschreven:

“(...) Hierbij hetgeen gisteren besproken op papier.

De schuifraam latten blijven rechts vast

Beschadigingen op kozijnen, deuren, vensterbanken, plinten en bij veersystemen worden bijgewerkt en in coulance onder regie naar bouwbedrijf [Bouwbedrijf] berekend.

Muren van het toilet en de entree worden onder regie door ons uit geprepareerd en vlakker geschuurd

Toilet kasten en plafond onder regie afwerken met blanke lak

Beschadigingen op de vloer van de opkamer worden doorons met [Extern bedrijf] opgelost.

Onderzijde vensterbanken buiten worden in de grijzekleur meegedaan

Latten in de kelder boven de nieuwe gevelkozijnen worden geschilderd

Schraagje word afgewerkt met blanke lak.

Luiken worden hoogglans afgespoten door bouwbedrijf [Bouwbedrijf] in de kleur SN. 02.17 rekening gaat naar ons.”

4.5.

Op 25 september 2015 heeft [Natuurlijk persoon appellant] een meerwerkfactuur (factuurnummer [factuurnummer] ) gezonden voor een bedrag van € 5.947,73.

4.6.

Op 12 oktober 2015 is [Natuurlijk persoon appellant] bij [Geïntimeerden] langsgekomen en hebben zij gezamenlijk het werk bekeken. Hierbij zijn verschillende zaken besproken waarover [Geïntimeerden] nog niet tevreden waren.

4.7.

Op 16 oktober 2015 heeft [Natuurlijk persoon appellant] een tweede meerwerkfactuur gestuurd voor een bedrag van € 1.992,80 (factuurnummer [factuurnummer] ). Voor het van de oorspronkelijke aanneemsom nog resterende bedrag van € 1.560,- inclusief btw is door [Natuurlijk persoon appellant] op 16 oktober 2015 ook een eindafrekening gestuurd (factuurnummer [factuurnummer] ).

4.8.

In een e-mail van 2 november 2016 hebben [Geïntimeerden] aan [Natuurlijk persoon appellant] geschreven:

“Bedankt voor de mooie bos bloemen die wij hebben ontvangen.

...maar nog even terugkomen op de offerte zie pagina 2, luiken/luikklemmen hemelwaterafvoer deze werkzaamheden vallen buiten de offerte wij zien hier graag een creditnota van tegemoet. (...)”

4.9.

Op 3 november 2015 is door [Natuurlijk persoon appellant] in een creditnota een bedrag van € 344,50 op de eindafrekening in mindering gebracht in verband met niet geleverde hemelwaterafvoeren,

luikklemmen en haakjes. Hij heeft in de begeleidende e-mail het volgende aan [Geïntimeerden] geschreven:

“(...) Je hebt helemaal gelijk, als er sprake is van minderwerk moet dat ook verrekend worden.

De luiken van het woonhuis zijn gespoten door [Bouwbedrijf] en dat betaal ik.

Dat betekent dat we de klemmen, haakjes en hemelwaterafvoeren nog moeten verrekenen. (...) “

4.10.

Op de vraag van [Geïntimeerden] wat [Natuurlijk persoon appellant] heeft gerekend voor de luiken, wat de prijs daarvoor was en hoeveel uren werk dat zou zijn geweest, heeft [Natuurlijk persoon appellant] niet willen antwoorden. Aan het verzoek van [Geïntimeerden] om de rekening van [Bouwbedrijf] aan haar door te sturen zodat zij kon zien wat de kosten van het spuiten van de luiken waren, heeft [Natuurlijk persoon appellant] geen gehoor gegeven.

4.11.

Van het totaalbedrag dat door [Natuurlijk persoon appellant] in rekening is gebracht, hebben [Geïntimeerden] € 9.156,03 onbetaald gelaten.

4.12.

Op 25 november 2015 hebben [Geïntimeerden] in reactie op een aanmaning van de rechtsbijstandsverzekeraar van [Natuurlijk persoon appellant] geschreven:

“Wij vinden het een vreemde manier van zaken dat Unive ons aanmaant zonder dat er berichtten van de heer [Natuurlijk persoon appellant] zijn geweest omtrent openstaande facturen.

Nog steeds wachten wij op een deugdelijke oplevering van de heer [Natuurlijk persoon appellant] , inzake het door hem geoffreerde werk.

Tijdens onze schoonmaak/inrichting van ons huis, hebben wij punten waargenomen die nog gecorrigeerd moeten worden, die in onze ogen niet deugdelijk geschilderd zijn.

Graag maken wij een afspraak met de heer [Natuurlijk persoon appellant] hieromtrent. (... )”

4.13.

In een e-mail van 14 december 2015 hebben [Geïntimeerden] aan de rechtsbijstandsverzekeraar van [Natuurlijk persoon appellant] een aantal foto's opgestuurd, met omschrijving in een Excel sheet, van de zaken die zij nog graag afgewerkt zouden zien. Zij hebben zich tevens bereid verklaard een gedeelte van de vordering van [Natuurlijk persoon appellant] te betalen, maar hebben de tweede meerwerkfactuur betwist omdat deze volgens hen werkzaamheden bevat die dubbel in rekening zijn gebracht.

4.14.

Bij e-mail van 28 december 2015 heeft de advocaat van [Natuurlijk persoon appellant] de overeenkomst ontbonden, wegens de in de visie van [Natuurlijk persoon appellant] bestaande toerekenbare niet-nakoming door [Geïntimeerden]

4.15.

Bij brief van 4 januari 2016 heeft de gemachtigde van [Geïntimeerden] onder meer het volgende aan [Natuurlijk persoon appellant] geschreven:

“(...) Het moge duidelijk zijn dat uw cliënte tot op heden ernstig in gebreke blijft. Namens cliënten verzoek ik - en voor zover nodig sommeer ik - uw cliënte om binnen 10 dagen na dagtekening van dit schrijven een afspraak in te plannen voor de afronding van het werk. Tevens verzoek ik uw cliënte binnen de vermelde termijn de verzochte creditnota 's op te maken. Bij gebreke waarvan cliënten zich vrij achten om het werk door een derde te laten herstellen en de kosten op uw cliënte te verhalen.”

4.16.

Op 2 mei 2016 is, in opdracht van de rechtsbijstandsverzekeraar van [Geïntimeerden] ,

door ZNEB Expertise en Taxatie B.V. (hierna: ZNEB) een expertiserapport met 49 foto's uitgebracht over het door [Natuurlijk persoon appellant] verrichte schilderwerk. Hierin wordt geconcludeerd dat [Natuurlijk persoon appellant] niet naar de eisen van goed en deugdelijk werk heeft gepresteerd, omdat meerdere technische en esthetische gebreken op diverse onderdelen zijn geconstateerd die niet verwacht mogen worden van een deskundig schilder. De rapporteur heeft een raming gemaakt van de herstelkosten die nodig zouden zijn om de geconstateerde gebreken te herstellen en van het naar zijn mening bestaande minderwerk. Het totaal aan herstelkosten raamt de rapporteur op € 6.500,- inclusief btw en het minderwerk op € 2.992,80 (de tweede meerwerkfactuur en de kostenbesparing voor het spuiten in plaats van handmatig schilderen van de luiken).

4.17.

De vordering van de eenmanszaak is overgedragen aan [Appellant] Daarvan is mededeling gedaan aan [Geïntimeerden] in de memorie van grieven.

5 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

5.1.

[Natuurlijk persoon appellant] heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd een verklaring voor recht dat de overeenkomst tussen partijen op 28 december 2015 is ontbonden, met veroordeling van [Geïntimeerden] tot betaling aan [Natuurlijk persoon appellant] van € 10.065,80 aan schadevergoeding.

5.2.

[Geïntimeerden] hebben in eerste aanleg in reconventie gevorderd na verrekening van de schade die zij door toedoen van [Natuurlijk persoon appellant] hebben geleden met hetgeen zij – met inachtneming van het minderwerk – nog aan [Natuurlijk persoon appellant] verschuldigd waren, een bedrag van € 1.853,08.

5.3.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 5 oktober 2016 de vorderingen in conventie afgewezen omdat deze niet opeisbaar zijn geworden, aangezien sprake is van schuldeisersverzuim aan de zijde van [Natuurlijk persoon appellant] . De vorderingen in reconventie heeft de kantonrechter afgewezen omdat [Geïntimeerden] naar het oordeel van de kantonrechter per saldo nog een bedrag van € 4.405,07 aan [Natuurlijk persoon appellant] verschuldigd zijn.

6 De motivering van de beslissing in hoger beroep

in principaal en incidenteel appel

6.1.

[Appellant] vordert in principaal hoger beroep vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog toewijzing van de vorderingen in eerste aanleg en subsidiair – voor het geval het [Natuurlijk persoon appellant] niet vrij stond de ontbinding van de overeenkomst in te roepen – nakoming en hoofdelijke veroordeling van [Geïntimeerden] tot betaling van een bedrag van € 9.233,- te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 9.156,03 vanaf 17 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, en voorts tot betaling van een bedrag van € 832,80 aan buitengerechtelijke incassokosten, alsmede in de kosten van de procedure van beide instanties.

[Geïntimeerden] vorderen in incidenteel appel veroordeling van [Appellant] tot betaling van € 6.500,0 aan herstelkosten en € 758,16 voor de vaststelling van de schade verrekend met € 6.163,23 zijnde het bedrag dat [Geïntimeerden] volgens hen nog aan [Appellant] verschuldigd zijn. [Geïntimeerden] vorderen over het resterende bedrag van € 1,094,93 de wettelijke rente en veroordeling van [Appellant] in de proceskosten in beide instanties.

6.2.

Hoewel in appel twee grondslagen worden aangevoerd, te weten vervangende schadevergoeding na ontbinding en nakoming, ziet de vordering op betaling van de nog openstaande facturen waaronder de eindafrekening en de tweede meerwerknota. De grieven 2 en 3 zien op deze facturen zodat het hof deze grieven eerst zal bespreken.

minderwerk

6.3.

Grief 2 in principaal appel klaagt dat de kantonrechter ten onrechte de door [Geïntimeerden] ingeschakelde deskundige heeft gevolgd en het minderwerk ten aanzien van de oude luiken op € 1.000,- heeft geschat.

6.4.

Voor zover de stelling van [Geïntimeerden] , dat het minderwerk in mindering moet worden gebracht op de eindafrekening, in eerste aanleg niet kan worden gezien als een verweer tegen de vordering van [Natuurlijk persoon appellant] in conventie, hebben [Geïntimeerden] dit verweer tegen de vordering van [Appellant] in hoger beroep alsnog aangevoerd. Het primaire standpunt van [Appellant] dat de kantonrechter de vordering van [Geïntimeerden] in reconventie ten aanzien van de post minderwerk luiken had behoren af te wijzen en in conventie de vordering van [Natuurlijk persoon appellant] op dit deel had moeten toewijzen aangezien er in eerste aanleg in conventie ter zake van dit onderdeel geen verweer is gevoerd, behoeft dan ook geen bespreking.

Ook het standpunt van [Appellant] dat een andere uitvoering van werkzaamheden geen invloed heeft op de aanneemsom tenzij partijen dat zijn overeengekomen, faalt. Volgens de offerte zouden de oude luiken worden geschuurd, geplamuurd en met de hand geschilderd. Partijen zijn gedurende de werkzaamheden overeengekomen om de oude luiken te vervangen voor nieuwe en [Natuurlijk persoon appellant] zou deze luiken door [Bouwbedrijf] laten spuiten. Dit is ook bevestigd door [Natuurlijk persoon appellant] in de e-mail van 3 november 2015. Daarin erkent [Natuurlijk persoon appellant] tevens dat als er sprake is van minderwerk dit ook verrekend moet worden. Ten aanzien van de luikklemmen, haakjes en hemelwaterafvoeren is dit ook gebeurd. In het licht van deze e-mail mochten [Geïntimeerden] er dan ook op vertrouwen dat ook het minderwerk ten aanzien van het spuiten van de luiken in mindering zou worden gebracht. [Geïntimeerden] hebben met het rapport van ZNEB Expertise onderbouwd dat het spuiten van de luiken een besparing van € 1.000,- oplevert. ZNEB Expertise heeft daarvoor een inschatting gemaakt van de kosten. Hoewel [Appellant] stelt dat voor het totale schilderwerk van de luiken een bedrag van € 977,50 was opgenomen en de totale kosten voor het spuiten zijn uitgekomen op € 737,96 (€ 641,10 + € 96,26), laat [Appellant] ook in hoger beroep na dit nader te onderbouwen. Zo heeft [Natuurlijk persoon appellant] ook in hoger beroep de rekening voor het spuiten niet overgelegd. [Appellant] heeft daarmee de stelling van [Geïntimeerden] onvoldoende gemotiveerd weersproken. Om die reden wordt deze stelling gepasseerd en komt het hof niet toe aan het bewijsaanbod van [Appellant] De grief faalt dan ook.

meerwerk

6.5.

Met grief 3 in principaal appel komt [Appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de verschuldigdheid van de tweede meerwerknota niet is komen vast te staan.

6.6.

[Appellant] heeft betwist dat de tweede meerwerknota dezelfde werkzaamheden bevat dan die al op de offerte waren opgenomen. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst [Appellant] naar een e-mail van 25 september 2015 waarin wordt verwezen naar een bespreking tussen partijen op 24 september 2015. De werkzaamheden zijn dus niet eerder dan op 24 september 2015 overeengekomen, waardoor het dus ook voor [Geïntimeerden] kenbaar moet zijn geweest dat het niet om werkzaamheden ging die in de offerte waren opgenomen, aldus [Appellant] Uit de omschrijving “beschadigingen op kozijnen, deuren, vensterbanken, plinten en bij veersystemen worden bijgewerkt en in coulance onder regie naar bouwbedrijf [Bouwbedrijf] berekend” blijkt dat de werkzaamheden aanvankelijk voor rekening van bouwbedrijf [Bouwbedrijf] zouden komen. Nadat [Bouwbedrijf] de werkzaamheden had uitgevoerd, wilde [Geïntimeerden] dat de werkzaamheden op een andere afwijkende wijze zouden worden uitgevoerd, onder meer vanwege ander raam- en deurbeslag. Het aanbrengen daarvan leidde tot min of meer dezelfde schade die uit de aard van de werkzaamheden niet valt te voorkomen, maar wel voor risico voor [Geïntimeerden] komen, aldus [Appellant]

6.7.

[Geïntimeerden] stellen zich op het standpunt dat er wel sprake is van overlap. Daarvoor voeren zij het volgende aan. Op 24 september 2015 is inderdaad gesproken over het werk. Besproken is toen welk werk onder andere nog uitgevoerd diende te worden. Meerwerk, maar ook werk dat al eerder was overeengekomen. Uitdrukkelijk wordt betwist, dat het om werk ging dat niet eerder was overeengekomen. Dat het niet alleen werk betrof dat toen was overeengekomen, volgt ook uit de eerste meerwerkfactuur. Op deze factuur staan immers ook posten vermeld die ook terugkomen op de tweede meerwerkfactuur, zoals de latten gevelkozijnen incl. wijziging vensterbanken, drempels en houtwerk toilet incl. plafond. Nog steeds laat [Appellant] na te onderbouwen dat van een overlapping van dezelfde posten op de meerwerkfacturen geen sprake is. [Geïntimeerden] blijven derhalve uitdrukkelijk de juistheid van de tweede meerwerkfactuur betwisten en verwijzen kortheidshalve naar hetgeen zij daaromtrent in eerste aanleg hebben gesteld.

6.8.

Het hof overweegt als volgt. Op de eerste meerwerknota met datum 25 september 2015 heeft [Natuurlijk persoon appellant] onder andere de volgende werkzaamheden in rekening gebracht:

“(…)

Latten gevelkozijnen incl. wijziging vensterbanken uur 3,5

(…)

Drempels uur 3,0

Houtwerk toilet incl. plafond uur 3,5

Garderobe vloerkast uur 7,5

(…)”

De tweede meerwerknota bedraagt € 1.992,80. Op deze meerwerknota met datum 16 oktober 2015 worden in totaal 47 uren gerekend voor de volgende werkzaamheden:

“Beschadigingen aan deuren, kozijnen, plinten, latten gevelkozijnen incl. uur 38,5

wijzigingen vensterbanken en drempels.

- Houtwerk toilet incl. plafond. uur 7,5

- Garderobe vloerkast. uur 1,0”

De omschrijving van de werkzaamheden ten aanzien van de posten houtwerk toilet en garderobe vloerkast is op beide facturen exact hetzelfde, maar ook staan er op beide facturen werkzaamheden aan de latten gevelkozijnen, vensterbanken en drempels beschreven. Enkel het aantal uren verschilt. Partijen twisten over de vraag of dit werkzaamheden zijn die pas op 24 september 2015 zijn overeengekomen en bovenop de eerste meerwerknota komen of dat deze werkzaamheden al eerder zijn overeengekomen en door betaling van de eerste meerwerknota zijn betaald. [Appellant] heeft geen inzicht gegeven in de exacte werkzaamheden die hebben plaatsgevonden ten aanzien van de toilet en vloerkast. [Appellant] heeft ten aanzien van deze werkzaamheden enkel gesteld dat deze niet in de offerte waren opgenomen. Daarmee geeft [Appellant] echter geen verklaring voor het feit dat deze posten ook op de eerste meerwerknota zijn opgenomen. Aangezien op de tweede meerwerkfactuur dezelfde werkzaamheden zijn vermeld als op de eerdere factuur, had het op de weg van [Appellant] gelegen om inzichtelijk te maken op welke andere werkzaamheden die tweede meerwerkfactuur ziet. Dat inzicht heeft [Natuurlijk persoon appellant] niet verschaft. Bij gebrek aan een voldoende gemotiveerde onderbouwing van [Appellant] is het hof dan ook van oordeel dat de verschuldigdheid van de posten houtwerk toilet en garderobe vloerkast op de tweede meerwerknota niet zijn komen vast te staan. In zoverre faalt de grief dan ook.

6.9.

Ook ten aanzien van de post beschadigingen op kozijnen, deuren, vensterbanken, plinten en veersysteem zijn partijen het niet eens of [Geïntimeerden] deze werkzaamheden dienen te vergoeden. In de e-mail van 25 september 2015 staat over de werkzaamheden op de tweede meerwerknota het volgende geschreven:

“(…)

Beschadigingen op kozijnen, deuren, vensterbanken, plinten en bij veersystemen worden bijgewerkt en in coulance onder regie naar bouwbedrijf [Bouwbedrijf] berekend.

Muren van het toilet en de entree worden onder regie door ons uitgeprepareerd en vlakker geschuurd

Toilet kasten en plafond onder regie afwerken met blanke lak

(…).”

Hieruit valt af te leiden dat de werkzaamheden voor rekening van [Bouwbedrijf] zouden komen. Dat is volgens [Appellant] ook gebeurd. [Appellant] heeft onweersproken gesteld dat de werkzaamheden twee keer (de tweede keer op afwijkende wijze) moesten worden uitgevoerd, waarvan de kosten de tweede keer voor rekening van [Geïntimeerden] zouden komen aangezien [Geïntimeerden] een gewijzigde uitvoering van de werkzaamheden wilden waardoor nagenoeg dezelfde beschadigingen zijn opgetreden. [Geïntimeerden] hebben in het licht daarvan onvoldoende gemotiveerd betwist waarom deze door [Natuurlijk persoon appellant] verrichte werkzaamheden dan niet bij [Geïntimeerden] in rekening kunnen worden gebracht. Het hof zal deze post op de tweede meerwerknota (38,5 manuren) dan ook toewijzen. Grief 3 slaagt daardoor deels.

6.10.

Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat van de tweede meerwerknota [Geïntimeerden] een bedrag van € 1.632,40 (€ 1.880,- gedeeld door 47 uur = € 40,-. 40 x 38,50 = 1.540 + 6% btw = € 1.632,40) aan [Appellant] verschuldigd zijn. Daarbij gaat het hof dus uit van het in de factuur gehanteerde uurloon van € 40,- per uur plus 6% btw.

kunnen [Geïntimeerden] aanspraak maken op schadevergoeding?

6.11.

Grief 4 in het principaal appel en de grieven 1 en 2 in incidenteel appel zien op de vraag of [Geïntimeerden] aanspraak kunnen maken op schadevergoeding wegens het niet deugdelijk uitvoeren van de overeenkomst. Voor beantwoording van die vraag is het van belang of het werk op 12 oktober 2015 is opgeleverd. Indien immers sprake is van een oplevering is de aannemer ingevolge art. 7:758 lid 3 BW ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever ten tijde van de oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken. Ook grief 1 in principaal appel ziet hierop.

oplevering

6.12.

Grief 1 in principaal appel komt op tegen het oordeel van de kantonrechter dat [Natuurlijk persoon appellant] niet de bevoegdheid had om de overeenkomst te ontbinden aangezien niet is komen vast te staan dat het werk door [Natuurlijk persoon appellant] is opgeleverd. [Appellant] betoogt dat [Natuurlijk persoon appellant] – anders dan de kantonrechter aanneemt – aan [Geïntimeerden] wel degelijk kenbaar heeft gemaakt, dat naar zijn oordeel het werk gereed was om te worden opgeleverd en hij het werk met [Geïntimeerden] om die reden wilde nalopen. Hij heeft dat naar eigen zeggen mondeling kenbaar gemaakt, en niet schriftelijk. Evenmin is gebruik gemaakt van een schriftelijk opleveringsrapport. In zoverre kon de communicatie volgens [Appellant] duidelijker, maar naar haar oordeel kon er bij [Geïntimeerden] geen enkel misverstand bestaan over het doel van de bijeenkomst, en haar oordeel dat het werk gereed was. Dat is tijdens de bijeenkomst ook herhaaldelijk aan de orde gekomen, aldus [Appellant] Daarnaast blijkt volgens [Appellant] uit de volgende omstandigheden dat het werk door [Natuurlijk persoon appellant] als opgeleverd werd beschouwd. [Natuurlijk persoon appellant] heeft dezelfde middag de punten laten herstellen die uit het opleveringsoverleg naar voren waren gekomen, hij heeft de eindafrekening naar [Geïntimeerden] gestuurd en er zijn geen mensen van of namens [Natuurlijk persoon appellant] meer op het werk verschenen. Ook heeft [Natuurlijk persoon appellant] nog bloemen gestuurd, als dank voor de prettige samenwerking. Daar komt bij dat [Natuurlijk persoon appellant] en [Geïntimeerden] eerder met elkaar samenwerkten, zodat het [Geïntimeerden] bekend was op welke wijze de oplevering plaatsvond. Volgens [Appellant] hebben [Geïntimeerden] pas op 25 november 2015 voor het eerst melding gemaakt dat er niet zou zijn opgeleverd, nadat tussen partijen een discussie ontstond over de facturen en het voor [Geïntimeerden] duidelijk werd dat [Natuurlijk persoon appellant] het er niet bij liet zitten.

6.13.

[Geïntimeerden] betwisten dat het werk op 12 oktober 2015 is opgeleverd en voeren daartoe het volgende aan. [Natuurlijk persoon appellant] heeft ter zitting in eerste aanleg erkend dat het doel van de bijeenkomst op 12 oktober 2015 niet duidelijk is geweest. Gezien deze erkenning is het volgens [Geïntimeerden] dan ook niet aannemelijk dat [Natuurlijk persoon appellant] zou hebben gezegd dat het werk gereed was en dat dit herhaaldelijk aan de orde is gekomen op 12 oktober 2015. Bovendien spraken partijen vaker met elkaar over de uitvoering van het werk. [Geïntimeerden] verwijzen daarvoor naar de e-mail van 25 september 2015 (productie 4 bij de inleidende dagvaarding). [Geïntimeerden] gingen er dan ook vanuit dat de bijeenkomst van 12 oktober 2015 een zelfde karakter had als de voorgaande bijeenkomsten. Op 25 november 2015 hebben [Geïntimeerden] ook melding gemaakt van het ontbreken van een oplevering. Maar pas na de brief van 2 december 2015 van Univé Rechtshulp (productie 9 bij inleidende dagvaarding) werd het [Geïntimeerden] duidelijk dat [Natuurlijk persoon appellant] meende dat de oplevering op 12 oktober 2015 had plaatsgevonden. Mocht al sprake zijn van oplevering dan is de oplevering in elk geval niet deugdelijk geweest aangezien het werk nimmer akkoord is bevonden door [Geïntimeerden] en hebben zij een beroep gedaan op hun opschortingsrecht.

6.14.

Het hof stelt het volgende voorop. Uitgangspunt is dat ingevolge artikel 7:758 BW het werk als opgeleverd wordt beschouwd na de aanvaarding daarvan door de opdrachtgever. De aannemer kan de oplevering niet eenzijdig tot stand brengen door het werk ter beschikking te stellen van de opdrachtgever. Om tot oplevering te komen is tevens nodig dat komt vast te staan dat de opdrachtgever het werk heeft aanvaard. Indien de aannemer te kennen heeft gegeven dat het werk klaar is om te worden opgeleverd en de opdrachtgever het werk niet binnen redelijke termijn keurt en al dan niet onder voorbehoud aanvaardt dan wel onder aanwijzing van de gebreken weigert, wordt de opdrachtgever geacht het werk stilzwijgend te hebben aanvaard. Over de vraag wat in dit verband onder een redelijke termijn moet worden verstaan, is in de memorie van toelichting (MvT, Kamerstukken II 1992/1993, 23095, p. 28) het volgende opgemerkt: “Welke termijn redelijk is, zal afhangen van de omstandigheden van het geval en van hetgeen ter zake gebruikelijk is. Voor werken die makkelijk gecontroleerd kunnen worden op het ogenblik van levering, kan die termijn kort zijn of zelfs ontbreken. Het werk is stilzwijgend aanvaard wanneer de opdrachtgever nalaat binnen een redelijke termijn het werk te aanvaarden of op een andere wijze te reageren”.

6.15.

Vast staat dat er op 12 oktober 2015 een bijeenkomst is geweest en dat er over het werk is gesproken. [Appellant] heeft ook erkend dat er op dat moment punten naar voren zijn gekomen waarover [Geïntimeerden] nog niet tevreden waren. De vraag is of [Geïntimeerden] zich toen hadden moeten realiseren dat er sprake was van een oplevering. [Geïntimeerden] betwisten dat sprake is geweest van een oplevering en dat gesignaleerde gebreken die dag allemaal zijn hersteld. Op [Natuurlijk persoon appellant] , die zich beroept op de rechtsgevolgen van de oplevering, namelijk dat hij niet meer aansprakelijk is voor gebreken die [Geïntimeerden] op het tijdstip van de oplevering redelijkerwijs hadden moeten ontdekken, rust de stelplicht en bij voldoende gemotiveerde betwisting door [Geïntimeerden] de bewijslast. Hoewel [Natuurlijk persoon appellant] heeft gesteld dat tijdens de bijeenkomst van 12 oktober 2015 aan [Geïntimeerden] kenbaar is gemaakt dat het werk klaar was en hij het werk om die reden met [Geïntimeerden] wilde nalopen, heeft [Appellant] niet gesteld dat [Geïntimeerden] dit ook als zodanig hebben begrepen en het werk hebben aanvaard. [Appellant] heeft immers zelf aangevoerd dat de communicatie duidelijker kon al kon er volgens [Appellant] geen misverstand over bestaan over het doel van de bijeenkomst. Uit het feit dat tijdens die bijeenkomst punten zijn gesignaleerd die nog moesten worden hersteld, kan echter niet worden afgeleid dat [Geïntimeerden] op dat moment het werk ook hebben aanvaard. [Appellant] heeft nog aangevoerd dat ook uit andere feiten en omstandigheden voortvloeit dat sprake is geweest van een oplevering. Zij verwijst daartoe naar de toegezonden eindafrekening en dat zij een bloemetje heeft gestuurd aan [Geïntimeerden] en daarvoor een bedankje heeft ontvangen. Daaruit volgt niet dat [Geïntimeerden] , die geen professionele opdrachtgevers zijn, het werk op 12 oktober 2015 ook hebben aanvaard met alle verstrekkende gevolgen van dien. In het licht daarvan had [Appellant] nader dienen te onderbouwen dat sprake was van een oplevering door [Appellant] en een aanvaarding van het werk door [Geïntimeerden] Nu die nadere onderbouwing ontbreekt, komt het hof niet toe aan bewijslevering.

6.16.

Het hof komt dan toe aan de stellingen van [Geïntimeerden] dat sprake is van een tekortkomingen in de nakoming van het schilderwerk en merkt ten aanzien van de schade het volgende op.

gebrekkig schilderwerk en schade aan de vloer

6.17.

Grief 4 in principaal appel en grief 1 in incidenteel appel zijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat (slechts) uit een gedeelte van de foto’s duidelijk gebreken in het schilderwerk blijken. Grief 2 in incidenteel appel komt op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de schade van [Geïntimeerden] kan worden begroot op € 1.000,-. De grieven lenen zich dus voor gezamenlijke behandeling.

schilderwerk

6.18.

Grief 4 in principaal appel betoogt dat de kantonrechter ten onrechte overweegt dat sprake is van gebreken in de afwerking die niet van een professionele schilder hoeven te worden verwacht en op basis van vlekken op een houten vloer. [Appellant] stelt dat ten aanzien van de foto’s 17, 18, 20 tot en met 24 en 34 niet kan worden volgehouden dat de gebreken onvoldoende gemotiveerd door [Appellant] zijn betwist. [Appellant] verwijst daarvoor naar hetgeen is gesteld in de conclusie van antwoord in reconventie onder het binnenwerk “streep 9 tot en met 12”. Daar heeft [Natuurlijk persoon appellant] – voor zover hier van belang – het volgende gesteld:

Strakke lijn langs de glaslijn van de ramen:

“9.1. Het is met handwerk onmogelijk om een strakke lijn langs het glaswerk te schilderen. Er wordt uit de hand geschilderd. Afplakken van de overgang tussen glas en glaslatten is geen optie, omdat bij het verwijderen van het afplakmateriaal tevens een opening tussen het glas en de glaslat wordt gecreëerd, waar het vocht in kan. De verf moet dus enigermate op het glas komen om een volledige vochtafsluiting te garanderen. Ook hier is dus geen sprake van een tekortkoming.”

Zakkers:

“5.1. Het is juist dat op de foto's zakkers zijn te zien. Dat kan door meerdere oorzaken plaatsvinden.

5.2.In de eerste plaats wordt er uit de hand geschilderd, met een kwast. Dat houdt in, dat er sprake is van handwerk, en alleen al op die grond zakkers niet altijd zijn te voorkomen, of niet worden opgemerkt.

5.3.

Het tweede probleem is de ondergrond. Er was al een oude verflaag, en door [Geïntimeerden] werd besloten dat er in hoogglans moest worden geverfd. Het nadeel daarvan is, dat werkelijk alles is te zien, van oude butsen in het hout tot en met oude zakkers. [Natuurlijk persoon appellant] heeft geadviseerd geen hoogglans te gebruiken.

5.4.

Tegen de achtergrond van het vorenstaande valt [Natuurlijk persoon appellant] niets te verwijten. Enerzijds hoort het een beetje bij de aard van het werk, en anderzijds is het maar de vraag of het ook door [Natuurlijk persoon appellant] is veroorzaakt.”

Gedeelten niet dekkend behandeld

“11.2. Overigens merkt [Natuurlijk persoon appellant] op, dat de constatering slecht valt te beoordelen op foto 23. Zo op het eerste gezicht lijkt er inderdaad sprake te zijn van niet-dekkend schilderwerk, maar dat zou dan toch van een zodanig aard zijn, dat dit bij oplevering - en overigens ook tijdens het werk - zou zijn opgevallen. [Natuurlijk persoon appellant] kan zich niet voorstellen, dat hij het werk heeft achtergelaten zoals de foto suggereert.

11.3.

Het is dus de vraag of de foto de werkelijke situatie weergeeft of dat deze wordt beïnvloed door bijkomende omstandigheden, zoals een ongelukkige lichtinval. Daarnaast is het de vraag wat zich na het vertrek van [Natuurlijk persoon appellant] heeft voorgedaan, en in hoeverre dat het werk heeft aangetast.

11.4.

Als [Natuurlijk persoon appellant] daarop was gewezen toen de overeenkomst nog bestond, had hij dat uiteraard zonder mankeren willen herstellen, indien [Geïntimeerden] haar verplichtingen was nagekomen. In zoverre beroept [Natuurlijk persoon appellant] zich op opschorting van zijn verplichtingen.”

Donkere coating aangebracht op de lichte coating

“Foto: 24.

12.1.

Deze constatering valt op de foto niet goed waar te nemen, gelet op de slechte kwaliteit ervan. De foto is met tegenlicht genomen, met als gevolg dat er niet veel te zien is. [Natuurlijk persoon appellant] kan slechts opmerken dat dit aspect met de oplevering niet aan de orde is gekomen, en dat er ook nog andere schilders zijn geweest. Uit niets blijkt dus dat het hier om een aan [Natuurlijk persoon appellant] verwijtbare tekortkoming gaat.”

6.19.

Het hof overweegt als volgt. [Geïntimeerden] hebben een professionele schilder ingeschakeld. Daarvan mag worden verwacht dat hij deugdelijk werk levert. Op de foto’s 17, 18, 20 tot en met 24 en 34 zijn gebreken zichtbaar die volgens ZNEB niet van een professionele schilder hoeven te worden verwacht. Ook in hoger beroep laat [Appellant] na deze gebreken voldoende gemotiveerd te betwisten. Zonder nadere motivering die ontbreekt, is het voor het hof niet duidelijk waarom van een professionele schilder niet hoeft te worden verwacht dat hij een strakke lijn langs de glaslijn van de ramen zet al dan niet door het afplakken van de ramen en zakkers weet weg te werken. Het feit dat er met hoogglans wordt geschilderd mag voor een professionele schilder geen verschil maken. Aangezien [Geïntimeerden] hebben betwist dat andere schilders schilderwerkzaamheden aan de woning hebben uitgevoerd, valt het niet-dekkend schilderen en het feit dat donkere coating op de lichte coating is aangebracht [Appellant] toe te rekenen. Grief 4 van het principaal appel faalt in zoverre dan ook.

Vloer

6.20.

[Appellant] heeft zich ten aanzien van de schade aan de parketvloer op het standpunt gesteld dat zij de beschadigingen op de vloer met [Extern bedrijf] zouden regelen en dat [Extern bedrijf] aan [Appellant] bevestigd heeft dat de vlekken ook daadwerkelijk verwijderd zijn.

6.21.

[Geïntimeerden] bevestigt dat [Appellant] heeft toegezegd [Extern bedrijf] in te schakelen, maar volgens [Geïntimeerden] is [Extern bedrijf] nooit geweest in opdracht van [Natuurlijk persoon appellant] om de vloer te herstellen. [Geïntimeerden] stellen dat zij zelf [Extern bedrijf] hebben ingeschakeld om de vloer te herstellen en hebben ter onderbouwing daarvan de factuur van [Extern bedrijf] overgelegd.

6.22.

Het hof overweegt als volgt. De door [Geïntimeerden] overgelegde factuur van [Extern bedrijf] is van 17 september 2015. Partijen zijn echter pas op 24 september 2015 overeengekomen dat [Appellant] de schade aan de vloer met [Extern bedrijf] zou regelen, zo blijkt uit de e-mail van 25 september 2015. De door [Geïntimeerden] overgelegde factuur lijkt dan ook geen betrekking te hebben op de schade aan de vloer. Daarmee is echter nog niet gezegd dat [Appellant] de schade aan de vloer dus ook door [Extern bedrijf] heeft laten herstellen. [Appellant] heeft haar stelling ook niet nader (met stukken) onderbouwd. Het rapport van ZNEB van 2 mei 2016 vermeldt dat er op 1 maart 2016 op de vloer van [Geïntimeerden] grijze vlekken aanwezig waren. De vraag blijft of – gezien de stellingen van partijen en het rapport van ZNEB – [Extern bedrijf] de vloer heeft hersteld en zo ja wanneer dat is gebeurd. [Appellant] heeft van haar stellingen bewijs aangeboden door het horen van getuigen waaronder medewerkers van [Extern bedrijf] . Het hof zal [Appellant] toelaten tot levering van dat bewijs.

6.23.

Voor zover [Geïntimeerden] in incidenteel appel betogen dat er naast de gebreken op foto’s 17, 18, 20 tot en met 24 en 34 meer schilderwerk is dat gebreken vertoont en zij daarvoor aanvullende foto’s in het geding hebben gebracht, verwerpt het hof die stelling nu zonder nadere toelichting die ontbreekt onvoldoende inzichtelijk is wat er niet deugdelijk is aan het werk en waarom [Appellant] hiervoor aansprakelijk is. Grief 1 van het incidenteel appel faalt dan ook.

6.24.

Dit leidt ertoe dat de schade ten aanzien van de gebreken op de foto’s 17, 18, 20 tot en met 24 en 34 moet worden toegewezen en de schade aan de vloer vooralsnog niet is komen vast te staan.

6.25.

De kantonrechter heeft de schade bestaande uit de gebreken aan het schilderwerk en de schade aan de vloer vastgesteld op € 1.000,-. Grief 2 in incidenteel appel komt tegen dit oordeel van de kantonrechter op. [Geïntimeerden] zijn van oordeel dat het onbegrijpelijk is hoe de kantonrechter tot dit bedrag is gekomen vooral omdat bij herstel van schilderwerk veelal grote oppervlakten weer moeten worden geschuurd en opnieuw geschilderd. Ter vaststelling van de schade verwijzen [Geïntimeerden] naar een offerte van [Schilderbedrijf] .

6.26.

[Appellant] heeft betwist dat het bedrag van € 1.000,- onbegrijpelijk is en wijst erop dat de kantonrechter heeft ingeschat dat het herstel van de gebreken zoals onder 4.13 van het vonnis in twee mandagen kan gebeuren. Voor het tarief heeft de kantonrechter aansluiting gezocht bij de door [Geïntimeerden] ingeschakelde deskundige.

6.27.

Het hof overweegt als volgt. Partijen strijden over de vaststelling van de hoogte van de schade. De vraag die moet worden beantwoord is wat de kosten zijn voor het herstel van de gebreken aan het schilderwerk op de foto’s 17, 18, 20 tot en met 24 en 34. [Geïntimeerden] stellen wel dat hun schade groter is dan € 1.000,- aangezien in geval van schilderwerk veelal grote oppervlakken weer moeten worden geschuurd en opnieuw geschilderd maar geven niet aan welke oppervlakken gezien de foto’s 17, 18, 20 tot en met 24 en 34 het in dit geval betreffen, hoe groot die oppervlakken zijn, hoeveel tijd het kost om het schilderwerk te herstellen en tegen welk tarief. Ook uit de door [Geïntimeerden] overgelegde prijsopgaaf van [Schilderbedrijf] valt dit niet af te leiden. Bij gebrek aan concretere aanknopingspunten zal het hof de hoogte van de schade schatten. Het hof zal de schade voor zover betrekking hebbend op het schilderwerk schatten op € 1.000,--. Daarbij gaat het hof uit van ongeveer 2 mandagen aan schilderwerk inclusief materiaalkosten.

6.28.

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden in afwachting van bewijslevering ten aanzien van het herstel van de vloer zoals hiervoor in 6.22 overwogen. Het hof geeft partijen in overweging om met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen en beslist en gelet op het beperkte belang waarover het hof nog een beslissing dient te nemen om te bezien of een regeling tussen partijen mogelijk is.

7 De beslissing

Het hof:

- laat [Appellant] toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat en wanneer [Extern bedrijf] de vloer heeft hersteld op kosten van [Appellant] ;

- bepaalt, voor het geval partijen of één van hen bewijs door getuigen wil leveren, dat het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. P.P.M. Rousseau, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

- bepaalt dat [Appellant] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de roldatum 5 maart 2019, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

- houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. Rousseau, O.G.H. Milar en R.F. Groos, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2019.