Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:1567

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
04-04-2019
Zaaknummer
200.160.345
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant sluit leaseovereenkomsten voor B.V. in oprichting. De B.V. wordt niet opgericht zodat geen bekrachtiging volgt. Appellant beroept zich op een door een derde afgegeven garantieverklaring. Daaruit volgt echter niet dat appellant niet persoonlijk aansprakelijk is. Beroep op verjaring wordt verworpen omdat deze verjaring tijdig is gestuit. De contractuele rente over het verschuldigde wordt alsnog toegewezen waarbij het beroep op vernietigbaarheid op het rentebeding wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/303
JOR 2019/154 met annotatie van mr. drs. C.J. Groffen
JONDR 2019/595
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.160.345

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 2789446)

arrest van 19 februari 2019

in de zaak van

[Appellant] ,

wonende te [Woonplaats] ,

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in het incidentele appel,

in eerste aanleg: oorspronkelijk gedaagde partij, eisende partij in het verzet,

hierna: [Appellant] ,

advocaat: mr. O. Planten,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RCI Financial Services B.V. h.o.d.n. Renault Business Finance,

gevestigd te Schiphol-Rijk, gemeente Haarlemmermeer,

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in het incidentele appel,

in eerste aanleg: oorspronkelijk eisende partij, gedaagde partij in het verzet,

hierna: RCI,

advocaat: mr. J.C. Meijroos.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 16 januari 2018 hier over.

1.2.

Het verdere verloop blijkt uit:

  • -

    de met een H-formulier op 8 januari 2019 overgelegde brief met producties 12 tot en met 16 van [Appellant] ;

  • -

    de comparitie van partijen van 23 januari 2019.

1.3.

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Het hof gaat uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.3. van het (bestreden) vonnis van 13 augustus 2014.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

het principaal hoger beroep

3.1.

In augustus en september 2005 zijn zes leaseovereenkomsten gesloten tussen Air Cargo Logistics Holland B.V. i.o. (ACLH i.o.) en RCI. [Appellant] heeft deze overeenkomsten voor ACLH i.o. getekend. [Appellant] is daarom, tenzij anders “bedongen”, hoofdelijk verbonden totdat ACLH i.o., na haar oprichting, de rechtshandelingen zou bekrachtigen (artikel 2:203 lid 2 BW). ACLH i.o. is niet opgericht zodat bekrachtiging van deze rechtshandelingen, te weten het aangaan van de leaseovereenkomsten, niet plaatsvond. (artikel 2:203 lid 1 BW).

3.2.

[Appellant] betoogt met grief 4 dat [Bertrokkene] (hierna: [Bertrokkene] ) namens ACLH i.o. de aanvraag voor de leaseovereenkomsten heeft ingediend maar niet als bevoegd bestuurder stond ingeschreven en daarom in overleg met RCI aan [Appellant] heeft verzocht om namens ACLH i.o. te contracteren. [Appellant] was (pas) bereid de overeenkomsten te ondertekenen nadat RCI en [Bertrokkene] een garantieverklaring van Gemis Group Ltd. (een in Zwitserland gevestigde maatschappij van [Bertrokkene] ) zijn overeengekomen. [Appellant] heeft de leaseovereenkomsten ondertekend onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat hij niet persoonlijk (hoofdelijk) aansprakelijk zou zijn als het niet tot een bekrachtiging in voornoemde zin zou komen. Op deze gronden moet, aldus [Appellant] , de vordering van RCI worden afgewezen.

Bij memorie van antwoord is door RCI bedoelde garantieverklaring overgelegd. De garantiegever, Gemis Group Ltd, verklaart daarin bij monde van [Bertrokkene] , “zich hierbij jegens Renault Business Finance onherroepelijk hoofdelijk garant te stellen voor de betalingen van al hetgeen Renault Business Finance ter zake van de huidige en eventuele toekomstige lease-overeenkomst(en) van de Lessee te vordering heeft of in de toekomst zal hebben, (…)” Uit de tekst van deze garantieverklaring blijkt niet dat [Appellant] niet persoonlijk aansprakelijk is maar slechts dat Gemis Group Ltd hoofdelijk aansprakelijk is voor de nakoming van de uit de leaseovereenkomsten voortvloeiende verplichtingen. Ook anderszins is niet van de gestelde voorwaarde gebleken. Dit betekent dat grief 4 faalt en de nakomingsvordering in beginsel toewijsbaar is.

3.3.

Met de grieven 1 tot en met 3 en 5 stelt [Appellant] dat de vordering van RCI is verjaard. De verjaring is volgens hem op 28 januari 2006 aangevangen en op 28 januari 2011 voltooid. In deze periode heeft [Appellant] geen aanmaningen of sommaties ontvangen, althans hij kan zich dat niet meer herinneren.

3.4.

Op grond van artikel 3:307 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Deze verjaring wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW). Erkenning van het recht tot welks bescherming een rechtsvordering dient, stuit de verjaring van de rechtsvordering (tegen hem die het recht erkent) eveneens (artikel 3:318 BW).

3.5.

Tussen partijen staat voldoende vast dat de verjaring van de rechtsvordering van RCI (tot nakoming van de zes leaseovereenkomsten) is aangevangen op 28 januari 2006. Verder staat vast dat RCI op enig moment deurwaarder [Deurwaarder] (hierna: [Deurwaarder] ) heeft ingeschakeld en dat [Appellant] van hem – in enige vorm – bericht heeft gehad over de vordering van RCI. De neef van [Appellant] , [Neef van de appellant] , heeft daarna bij brief van 2 oktober 2008 aangeboden om in acht termijnen € 16.000 aan RCI te betalen tegen finale kwijting. Daarbij is aangegeven dat op geen enkele manier enige vorm van aansprakelijkheid wordt erkend. Op (onder andere) 10 en 19 mei 2009 heeft [Appellant] per e-mail gereageerd op een brief van 7 april 2009 van deurwaarder [Deurwaarder] . Uit het door RCI overgelegde overzicht (productie 8 bij memorie van grieven) blijkt dat met deze brief een betalingsregeling met [Appellant] is bevestigd. Op 14 juli 2009 mailt de deurwaarder aan [Appellant] : “ Ik denk dat wij iets te coulant zijn geweest in deze kwestie. Is uw eerste betaling niet omgaan in ons bezit dan zal ik andere maatregelen nemen.” [Appellant] antwoordt eveneens per e-mail op 12 augustus 2009 dat hij bezig is de zaak te organiseren en dat hij meer tijd nodig heeft. Bij e-mail van 14 augustus 2009 bericht de deurwaarder dan dat de zaak al ruim een jaar loopt, er meerdere afspraken zijn gemaakt en dat deze geen van alle zijn nagekomen en geen enkele betaling is ontvangen en verder: “De dagvaarding zal één dezer dagen aan u worden betekend.” Het hof is van oordeel dat deze laatste mededeling, mede in het licht van de daaraan voorafgaande communicatie tussen [Appellant] en [Neef van de appellant] enerzijds en de deurwaarder van RCI anderzijds heeft te gelden als een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Dit betekent dat de verjaring op 14 augustus 2009 is gestuit en dat toen een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar is gaan lopen. Deze nieuwe verjaringstermijn is tijdig gestuit met – in elk geval – de dagvaarding van [Appellant] door RCI van 8 november 2013 (die tot deze procedure heeft geleid). De conclusie is dat de grieven 2, 3 en 5 falen. De vraag of [Appellant] de vordering in zijn bespreking met deurwaarder [Deurwaarder] op 17 maart 2009 heeft erkend (grief 1) kan daarmee in het midden blijven.

in het incidenteel appel

3.6.

RCI heeft betaling van de contractuele vertragingsrente van 1,5% per maand gevorderd. De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen (en de wettelijke handelsrente toegewezen). Toepassing van het desbetreffende contractuele beding is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar geacht omdat het hoog oplopen van de rentevordering door de verstreken tijd voor een relevant deel ook aan RCI is te wijten.

RCI komt hier in incidenteel appel tegen op. Zij is tot begin 2008 doende geweest het haar toekomende bij ACLH i.o. en/of [Bertrokkene] dan wel Gemis Group Ltd te innen hetgeen (ook) in het belang van [Appellant] was. Gemis Group Ltd is in september 2008 in liquidatie komen te verkeren. Toen [Appellant] (in 2009) naar het buitenland vertrok en RCI daarbij niet van zijn nieuwe verblijfplaats op de hoogte stelde heeft RCI besloten om de kosten en moeite om [Appellant] in Curaçao te dagvaarden niet te willen maken mede omdat niet duidelijk was dat verhaal voor haar vordering kon worden gevonden. Pas toen in het najaar van 2013 RCI ter ore was gekomen dat [Appellant] weer in Nederland verbleef, is de zaak weer opgepakt. [Appellant] heeft deze gang van zaken niet bestreden. Het tijdsverloop brengt aldus – het handelen van RCI is als redelijk en prudent aan te merken – niet mee dat een beroep op de algemene voorwaarde betreffende de vertragingsrente naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat geldt te meer nu RCI haar vordering tot betaling van contractuele vertragingsrente in die zin heeft verminderd dat deze niet over de periode van 12 november 2010 tot 7 oktober 2013 wordt berekend.

In de verzetdagvaarding heeft [Appellant] aangevoerd dat het rentebeding, ondanks het feit dat hij de leaseovereenkomsten niet als consument heeft ondertekend, onredelijk bezwarend is in de gegeven specifieke situatie zodat toepassing achterwege dient te blijven. [Appellant] baseert deze stelling op de hoogte van de contractuele rente, maar die enkele omstandigheid brengt nog niet mee dat het rentebeding vernietigbaar is als zijnde onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233 onder a BW. Andere gronden voor het vernietigen of buiten toepassing laten van dit beding zijn niet gesteld of gebleken.

De conclusie is dat het incidenteel appel slaagt en de gevorderde contractuele rente alsnog wordt toegewezen (met dien verstande dus dat deze niet is verschuldigd over de periode van 12 november 2010 tot 7 oktober 2013).

4 De slotsom

4.1.

De grieven in het principaal appel falen en het incidenteel appel slaagt. [Appellant] heeft nog betoogd dat hij slachtoffer is geworden van (de praktijken van) [Bertrokkene] en dat hij (daardoor) in grote financiële problemen verkeert. Deze omstandigheden brengen echter niet mee dat het vonnis van 13 augustus 2014 toch zou moeten worden vernietigd (veranderd). In genoemde, bestreden vonnis is het eerder tussen partijen gewezen verstekvonnis van 15 januari 2014 gedeeltelijk vernietigd. Omwille van de duidelijkheid zal de vonnissen van 15 januari 2014 en 13 augustus 2014 worden vernietigd en zullen de beslissingen in hun geheel opnieuw worden weergegeven.

4.2.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [Appellant] in de kosten van zowel het principaal als het incidenteel hoger principaal beroep veroordelen:

- griffierecht € 704

- salaris advocaat principaal appel € 3.918 (2 punten x appeltarief IV)

- salaris advocaat incidenteel appel € 1.959 (1 punt x appeltarief IV)

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten (in hoger beroep) toewijzen zoals hierna vermeld.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt de vonnissen van de kantonrechter te Utrecht van 15 januari 2014 en van 13 augustus 2014 en opnieuw rechtdoende;

veroordeelt [Appellant] tegen bewijs van kwijting aan RCI te betalen:

- € 59.600,15 € 59.600,15 ter zake de operationele leaseovereenkomsten, te vermeerderen met de contractuele rente van 1,5% per maand over de hoofdsom ingaande veertien dagen na iedere factuurdatum tot 12 november 2010 alsmede vanaf 7 oktober 2013 tot de dag van de algehele voldoening;

- € 3.675, 74 € 3.675, 74 ter zake buitengerechtelijke incassokosten;

- de proceskosten (waaronder begrepen de beslagkosten) aan de zijde van RCI tot de uitspraak van het verstekvonnis begroot op € 3.441,88, waarin begrepen € 1.600 aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na 15 januari 2014 bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de 15e dag na 15 januari 2014;

- de proceskosten van de verzetprocedure aan de zijde van RCI, tot aan de uitspraak van 13 augustus 2014 begroot op € 800 aan salaris gemachtigde;

veroordeelt [Appellant] in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van RCI vastgesteld op € 704 voor verschotten en op € 3.918 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en van het incidenteel hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van RCI vastgesteld op € 1.959 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.J. Engberts, L.M. Croes en J.G.J. Rinkes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2019.