Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:1546

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
21-02-2019
Zaaknummer
200.183.533/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huurrecht. Ontruiming van een permanent bewoonde recreatie caravan nadat de huurovereenkomst voor de staplaats was geëindigd.

Op grond van artikel 13 van de toepasselijke Recron-voorwaarden was de camping eigenaar gemachtigd om de staplaats te ontruimen.

Geen schending van artikel 8 EVRM.

Wel overschrijding van redelijke kosten van stalling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.183.533/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland locatie Leeuwarden 3513688)

arrest van 19 februari 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in de reconventie van BBL,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. A.Z. van Braam,

tegen:

1 de publiekrechtelijke rechtspersoon
Bureau Beheer Landbouwgronden,

gevestigd te Utrecht,

hierna: BBL,

advocaat: mr. F. Sepmeijer,

2 De publiekrechtelijke rechtspersoon
gemeente Ooststellingwerf,

zetelend te Oosterwolde,
hierna: De Gemeente,
advocaat: mr. P. van Eijk,
geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden en BBL tevens eiseres in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van

29 september 2015 dat de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden (hierna: de kantonrechter) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 23 december 2015,

- de memorie van grieven tevens akte wijziging van eis met producties,

- de memorie van antwoord met producties van BBL,

- de memorie van antwoord van De Gemeente,

- het tussenarrest van 8 mei 2018 houdende bepaling van een comparitie van partijen,
- het proces-verbaal van de op 12 december 2018 gehouden comparitie van partijen.

2.2

Na afloop van de comparitie heeft het hof arrest bepaald op de voorafgaand aan de comparitie toegezonden gedingstukken, aangevuld met het proces-verbaal van de comparitie.

2.3

[appellant] vordert in het hoger beroep na wijziging van eis – samengevat – vernietiging van het vonnis van 29 september 2015, hoofdelijke veroordeling van geïntimeerden tot betaling van primair een bedrag van € 15.849,10 aan schadevergoeding, subsidiair een bedrag op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van ontruiming, afwijzing van de reconventionele vordering van BBL en veroordeling van geïntimeerden in de kosten in beide instanties.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.12. van het bestreden vonnis. Aangevuld met feiten die in hoger beroep eveneens vast staan, zijn de feiten, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt.

3.1

[appellant] heeft in de jaren 2002 tot en met 2005 van de rechtsvoorganger van BBL een seizoenplaats gehuurd op de camping ‘ [B] ’ te [C] . Aanvankelijk had [appellant] op de plaats alleen een caravan staan. Vanaf 2005 is [appellant] de plaats gaan huren als een vaste plaats en is hij die permanent gaan gebruiken. In maart 2005 heeft hij zich in de gemeentelijke basisadministratie laten inschrijven op het adres van de camping.
Inmiddels had [appellant] op het gehuurde inmiddels ook een paar schuurtjes geplaatst.

3.2

In april 2008 is BBL door aankoop eigenaar van de camping geworden. Het dagelijks beheer werd namens BBL uitgevoerd door de Dienst Landelijk Gebied (DLG).
De aankoop had plaats gevonden in het kader van een gezamenlijk voornemen van BBL, De Gemeente en de provincie Fryslân (hierna: De Provincie) om (onder andere) het gebied waarop zich het campingterrein bevond te gaan ontwikkelen tot natuurgebied.

3.3

Op de op BBL overgegane huurovereenkomst met [appellant] waren de zogenoemde Recron voorwaarden van toepassing. Die voorwaarden, voor zover van belang, luiden:

Artikel 1: Definities

in deze voorwaarden wordt verstaan onder:

a. kampeermiddel: (sta,) caravan, chalet, zomerhuisjes e. d.;

b. plaats: elke bij overeenkomst nader aan te geven plaatsingsmogelijkheid voor een kampeermiddel;

c. vaste plaats: een plaats die is ingericht om gedurende het gehele jaar een kampeermiddel te plaatsen (ongeacht de periode van gebruik echter zonder dat er van permanent verblijf sprake is;

d. ondernemer: het bedrijf, de instelling of vereniging die de plaats aan de recreant ter beschikking stelt;

e. recreant: eigenaar van het kampeermiddel, waarover met de ondernemer de overeenkomst inzake de plaats aangegaan is;

(… )

Artikel 2: Inhoud overeenkomst

1. De ondernemer stelt voor recreatieve doeleinden, dus niet voor permanente bewoning, aan de recreant de overeengekomen plaats ter beschikking. (...)

Artikel 3: Duur en afloop van de overeenkomst

1. De overeenkomst wordt voor de eerste maal aangegaan voor de duur van één jaar. (...) Zij wordt na afloop daarvan telkens automatisch voor de duur van een jaar verlengd onder de dan geldende voorwaarden.

(...)

Artikel 10: Beëindiging overeenkomst

(…)
3. De ondernemer kan de overeenkomst schriftelijk opzeggen;

(...)

c. indien overheidsmaatregelen de ondernemer noodzaken tot beëindiging van de overeenkomst,
d. indien de bedrijfsvoering ophoudt te bestaan. (..)

g. indien de ondernemer een herstructureringsplan voor het terrein tot uitvoering gaat brengen waarvoor vaste standplaatsen moeten worden opgeheven.

4. Opzegging door de ondernemer geschiedt schriftelijk met inachtneming van een termijn van drie maanden voor afloop van het lopende contractjaar. Voor opzegging wegens herstructurering zoals vermeld onder sub g van het vorige artikellid, geldt een opzegtermijn van minimaal achttien maanden.
(…)
Artikel 13: Ontruiming

1. Als de overeenkomst is geëindigd moet de recreant, uiterlijk op de laatste dag van de overeengekomen periode of uiterlijk op de dag waartegen is opgezegd, de plaats leeg en volledig opgeruimd opleveren.

2. Indien de recreant niet aan zijn ontruimingsverplichting voldoet, is de ondernemer gerechtigd, na schriftelijke sommatie en met inachtneming van een redelijke termijn, de plaats op kosten van de recreant te ontruimen.
Bij de schriftelijke sommatie dient de ondernemer de recreant te wijzen op het bepaalde in de leden 4 en 5.

3. (...)

4. In geval van ontruiming door de ondernemer ingevolge het in lid 2 bepaalde zijn de in redelijkheid gemaakte kosten van ontruiming en eventuele stalling voor rekening van de recreant.
5. Van al hetgeen zich na het verstrijken van de in lid 2 bedoelde termijn nog op de standplaats bevindt, wordt de recreant geacht afstand te hebben gedaan. Indien de waarde dat rechtvaardigt, is de ondernemer gerechtigd de betreffende zaken openbaar te laten verkopen (…). Indien de kosten van een openbare verkoop de geschatte opbrengst zouden overtreffen, is de ondernemer in plaats daarvan gerechtigd tot onderhandse verkoop. Indien en voorzover de betreffende achtergebleven zaken in redelijkheid niet te verkopen zijn, is de ondernemer gerechtigd deze als afval af te laten voeren en vernietigen.

(…)”

3.4

In een brief van 4 november 2008 heeft de DLG namens BBL voor het eerst aan [appellant] kenbaar gemaakt dat zij vanwege de voorgenomen ontwikkeling van het gebied tot natuurterrein de camping zou gaan sluiten.

3.5

In een brief van 26 mei 2009 heeft De Gemeente aan [appellant] bericht dat haar uit onderzoek was gebleken dat [appellant] permanent op de camping woonde, dat permanente bewoning niet was toegestaan volgens het bestemmingsplan en hem verzocht om de bewoning van de caravan binnen vier weken te beëindigen, onder aanzegging dat bij gebreke daarvan hem zal worden gelast de camping te verlaten onder oplegging van een dwangsom.
Aan het verzoek om te vertrekken heeft [appellant] geen gehoor gegeven.

3.6

In een brief van 30 december 2009 heeft DLG namens BBL, en mede namens De Gemeente en De Provincie, met het oog op de voorgenomen sluiting van de camping de overeenkomst met [appellant] opgezegd per 1 juli 2011.

3.7

Bij besluit van 14 september 2010 heeft De Gemeente [appellant] gelast de caravan met bijgebouwen voor 15 oktober 2010 te verwijderen onder het opleggen van een dwangsom. In het besluit wordt verwezen naar brieven van 26 mei 2009, 27 oktober 2009 en

11 augustus 2010 waarin aan [appellant] is meegedeeld dat het niet is toegestaan de camping permanent te bewonen. Verder wordt in het besluit vermeld dat op korte termijn de bestemming “camping” zal worden opgeheven en dat het gebied als natuurgebied zal worden ingericht.

3.8

[appellant] heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt en een verzoek tot het treffen van een

voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden.

Bij uitspraak van 28 oktober 2010 heeft de voorzieningenrechter het besluit van

14 september 2010 geschorst. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter was het besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. De Gemeente heeft het besluit van 14 september 2010 vervolgens op 1 december 2010 ingetrokken.

3.9

BBL heeft de huuropzegging per 1 juli 2012 niet geëffectueerd.
Bij brief van 19 juli 2012 heeft DLG namens BBL de overeenkomst met [appellant] nogmaals opgezegd, ditmaal tegen 1 november 2012 en hem daarbij aangezegd de door hem gehuurde plaats per die datum leeg en ontruimd op te leveren, onder mededeling dat de camping volledig is beëindigd en dat hij daarom geen standplaats meer kan hebben op de camping.

3.10

[appellant] heeft de standplaats niet ontruimd. Bij brieven van 4 december 2012 en

14 februari 2013 heeft DLG [appellant] hierover aangeschreven en hem in de gelegenheid gesteld om tot ontruiming over te gaan. Bij brief van 4 maart 2013 heeft de (toenmalig) gemachtigde van [appellant] kenbaar gemaakt dat [appellant] zich niet met ontruiming kan verenigen.

BBL is vervolgens op 13 maart 2013 tot ontruiming van de standplaats overgegaan. De caravan is door een bergingsbedrijf weggehaald en bij dit bedrijf in stalling gebracht. De bijgebouwde schuurtjes zijn gestald in een loods die voorheen bij de camping hoorde.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg in conventie – samengevat – primair vernietiging gevorderd van de huuropzegging en hoofdelijke veroordeling van BBL en De Gemeente tot herstel van de oude situatie, subsidiair het voor hun rekening creëren van een vergelijkbare plek op een vergelijkbare locatie, en meer subsidiair hoofdelijke veroordeling van BBL en De Gemeente tot betaling van een schadevergoeding op te maken bij staat.

Aan zijn vorderingen heeft [appellant] , samengevat, ten grondslag gelegd dat voor de huuropzegging geen redelijke grond was, dat hij recht heeft op huurbescherming, dat de ontruiming in strijd is met gemaakte afspraken en dat de ontruiming heeft plaatsgevonden zonder executoriale titel. Hij heeft verder gesteld dat BBL en De Gemeente steeds gezamenlijk zijn opgetreden ter uitvoering van een gemeenschappelijk plan en daarom hoofdelijk aansprakelijk zijn.

4.2

BBL heeft in eerste aanleg in reconventie – samengevat – gevorderd om [appellant] te veroordelen tot vergoeding van de kosten van ontruiming en opslag, en om op eigen kosten zijn caravan en spullen uit de opslag weg te halen.

4.3

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis de vorderingen van [appellant] in conventie afgewezen en de vorderingen van BBL in reconventie toegewezen. Aan kosten van

ontruiming en opslag is daarbij toegewezen een bedrag van € 15.896,98, te vermeerderen met € 15,- exclusief btw per dag vanaf 30 april 2015 tot de dag van verwijdering van de caravan uit de stalling. [appellant] is veroordeeld in de proceskosten van BBL (in conventie en in reconventie) en van De Gemeente (in conventie). [appellant] is verder veroordeeld in de na het vonnis ontstane kosten (salaris gemachtigde en explootkosten van betekening van het vonnis).

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1

[appellant] is in hoger beroep gekomen onder aanvoering van zes grieven, genummerd I tot en met VII (waarbij een grief genummerd VI ontbreekt).

5.2

Geen grieven zijn gericht tegen de oordelen van de kantonrechter (a) dat geen sprake is geweest van huur van woonruimte en [appellant] daarom geen beroep op huurbescherming van woonruimte toekwam, en (b) dat de huurovereenkomst door rechtsgeldige opzegging op grond van artikel 10 van de Recron-voorwaarden is geëindigd op 11 november 2012. In deze procedure is derhalve thans uitgangspunt dat de huurovereenkomst tussen BBL en [appellant] partijen na opzegging rechtsgeldig is geëindigd op 11 november 2012.

t.a.v. de vorderingen van [appellant] jegens BBL

5.3

[appellant] heeft in hoger beroep zijn vorderingen jegens BBL beperkt tot (de in eerste aanleg alleen meer subsidiair gevorderde) schadevergoeding, door hem (inmiddels) begroot op € 15.849,10.

5.4

[appellant] betoogt in grief I dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat BBL op grond van artikel 13 van de Recron-voorwaarden bevoegd was om tot daadwerkelijke ontruiming over te gaan.
Hij voert aan dat BBL niet beschikte over een executoriale titel die haar de bevoegdheid tot ontruiming verschafte, waarmee sprake was van verboden eigenrichting. Verder beschikte BBL ook niet over een machtiging tot binnentreden. Wat geldt voor het binnentreden van een woning geldt a fortiori voor het afbreken en ontruimen van een woning. De ontruiming zonder machtiging maakte daarmee tevens inbreuk op zijn in artikel 12 van de Grondwet, de Algemene wet op het binnentreden en artikel 8 van het EVRM beschermde woonrecht.

5.5

Het hof overweegt dat op grond van artikel 13 lid 1 Recron-voorwaarden (zie rov. 3.3) [appellant] als huurder verplicht was de standplaats uiterlijk op de laatste dag van de huurovereenkomst leeg en volledig ontruimd op te leveren. [appellant] heeft aan die verplichting niet voldaan. Op grond van artikel 13 lid 2 van de Recron-voorwaarden was BBL (de ondernemer) gemachtigd de standplaats op kosten van [appellant] te ontruimen na [appellant] nog een schriftelijke sommatie en een redelijke termijn tot ontruiming te hebben gegeven. De in

redelijkheid gemaakte kosten van ontruiming en eventuele stalling komen daarbij op grond van artikel 13 lid 4 Recron-voorwaarden voor rekening van [appellant] (de recreant).

5.6

[appellant] heeft de toepasselijkheid van de Recron-voorwaarden op de rechtsverhouding met BBL niet betwist en heeft ook geen beroep gedaan op de nietigheid of vernietigbaarheid van artikel 13 van die voorwaarden. Het hof is niet gebleken van een grond om ambtshalve te oordelen dat die bepaling niet rechtsgeldig is; van een oneerlijk beding in de zin van de Richtlijn 1993/13/EU betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten en/of een onredelijk bezwarend beding als bedoeld in artikel 6:236 BW is naar het oordeel van het hof geen sprake. Het hof merkt daarbij nog op dat de Recron-voorwaarden (in artikel 17)

voorzien in een geschillenregeling die ook de uitvoering van de overeenkomst betreft en dat daarnaast [appellant] de mogelijkheid had om het voornemen van ontruiming te laten toetsen in kort geding. Beide mogelijkheden heeft [appellant] niet benut.

5.7

Het hof stelt vast dat BBL voorafgaand aan de ontruiming nog heeft gesommeerd en daarbij een redelijke termijn heeft gegeven om alsnog te ontruimen (zie rov 3.10). Artikel 13 van de Recron-voorwaarden schiep derhalve voor BBL in beginsel de bevoegdheid om het gehuurde te ontruimen. BBL behoefde daarvoor niet tevens een executoriale titel –naar het hof verstaat: een machtiging op de voet van artikel 3:299 BW.
Dat [appellant] voorafgaand aan de ontruiming aan BBL kenbaar had gemaakt (toch) niet in te stemmen met die ontruiming, maakt dat niet anders. [appellant] kon daarmee, zoals hij ook zelf heeft onderkend, niet eenzijdig de werking aan artikel 13 ontnemen.

5.8

BBL behoefde evenmin een machtiging tot binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner als bedoeld in (artikel 2 van) de Algemene wet op het binnentreden. Die wet richt zich tot de overheid en ziet op het binnentreden in woningen door overheidsfunctionarissen in de uitoefening van hun publieke functie. Hoewel BBL op zichzelf is te beschouwen als een overheidsorgaan, heeft haar optreden plaatsgevonden binnen het kader van een privaatrechtelijke rechtsverhouding (huurovereenkomst) en betrof de ontruiming niet de uitvoering van een publiekrechtelijke taak.

Dat wordt niet anders doordat BBL de camping heeft aangekocht vanwege de voorgenomen realisering (samen met De Gemeente en De Provincie) van een natuurgebied en dat die realisering wel de uitvoering van een publiekrechtelijke taak betreft. BBL heeft bij de ontruiming ook geen publiekrechtelijke (dwang)middelen ingezet.

5.9

De ontruiming wordt evenmin bestreken door artikel 12 Grondwet. Dat artikel beoogt bescherming te bieden tegen binnentreden door een overheidsfunctionaris. Die bescherming is nader uitgewerkt in de Algemene wet op het binnentreden en hiervoor is al besproken dat de ontruiming van de standplaats niet onder de reikwijdte van die wet valt.

5.10

Tussen partijen is (terecht) niet in geschil dat het handelen van BBL wel getoetst dient te worden aan het bepaalde in artikel 8 EVRM. De ontruiming van de caravan en de schuurtjes vormt een inmenging in het door dat artikel beschermde recht op respect voor een woning van de bewoner. Inmenging is op grond van lid 2 van dat artikel toegestaan voor zover dat bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is. Voor de inmenging dient een dwingende maatschappelijke behoefte te bestaan, zij moet evenredig zijn aan het gewicht van het te dienen belang en een bewoner moet de evenredigheid van het verlies van zijn woonrecht door een rechter kunnen laten toetsen (o.m. EHRM 13 mei 2008, EHRC 2008/83 inzake McCann v. UK). In de inmenging in het woonrecht is in dit geval in het Nederlandse recht voorzien doordat, zoals hiervoor (rov. 5.6 en 5.7) al is overwogen, BBL op grond van de rechtsgeldig overeengekomen Recron-voorwaarden, contractueel de bevoegdheid tot ontruiming toekwam in het zich hier voordoende geval dat de huurovereenkomst (rechtsgeldig) is geëindigd, maar de huurder niet aan zijn contractuele ontruimingsverplichting voldoet (art. 13 van de Recron-voorwaarden). De evenredigheidstoets van artikel 8 EVRM vindt in een geval als het onderhavige in het Nederlandse vermogensrecht toepassing door middel van artikel 3:13 BW, met name lid 2 daarvan, dat onder meer verbiedt dat van een bevoegdheid een onevenredig gebruik wordt gemaakt. Van een onevenredig gebruik van haar bevoegdheid door BBL is naar het oordeel van het hof geen sprake. Het voortzetten door [appellant] van zijn bewoning van de caravan vormde een inbreuk op het eigendomsrecht van BBL en BBL kwam een (zwaarwegend) belang toe om aan die inbreuk een einde te maken. [appellant] heeft wel aangevoerd dat de vorige eigenaar in of omstreeks 2005 hem mondeling en schriftelijk toestemming had gegeven voor permanente bewoning van de standplaats, maar hij heeft die stelling niet onderbouwd. Verder is ook niet gesteld of gebleken dat die (beweerdelijke) toestemming heeft geleid tot een voor BBL kenbare aanpassing van de huurovereenkomst, die [appellant] een verdergaande aanspraak op gebruik van de standplaats gaf dan hij kon ontlenen aan de (oorspronkelijke) huurovereenkomst. Daarmee heeft in de rechtsverhouding tussen [appellant] en BBL onverkort te gelden dat [appellant] (alleen) een standplaats huurde waarop de Recron-voorwaarden van toepassing waren, en dat op grond van die voorwaarden geen aanspraak bestond op voortgezet gebruik van het gehuurde na beëindiging van de huurovereenkomst.
In die situatie kan [appellant] aan BBL niet een woonrecht tegenwerpen dat zwaarder dient te wegen dan het eigendomsrecht van BBL, in die zin dat BBL de voortgezette bewoning door [appellant] van zijn caravan op haar terrein zou hebben te dulden. Het hof merkt daarbij op dat de ontruiming op zichzelf ook niet het voortgezette gebruik van de caravan voor bewoning belette, maar alleen het gebruik daarvoor op het terrein van BBL. Verder wordt (nogmaals) opgemerkt dat [appellant] de mogelijkheid had om de rechtmatigheid van de voorgenomen ontruiming te laten toetsen door de (voorzieningen)rechter, maar dat hij die mogelijkheid onbenut heeft gelaten.

5.11

De slotsom is dat de stelling dat BBL door de ontruiming zich schuldig heeft gemaakt aan (verboden) eigenrichting en het woonrecht van [appellant] dient te worden verworpen. Grief I faalt daarmee.

5.12

Grief II behelst een opgave van de schade die [appellant] stelt te hebben geleden door de onrechtmatige ontruiming.

Voor zover de onrechtmatigheid van de ontruiming stoelt op de in grief I daarvoor aangevoerde gronden, geldt dat die gronden hiervoor zijn verworpen en dat [appellant] derhalve niet op die gronden aanspraak kan maken op een schadevergoeding.

In de toelichting op grief III (onder punt 38) stelt [appellant] daarnaast dat de opslag van zijn caravan onverwarmd en in de buitenlucht plaatsvond, en derhalve geen opslag betrof zoals een redelijk handelende ondernemer betaamt en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van BBL gevergd had mogen worden. Toen [appellant] in oktober 2015 de caravan en de inboedelgoederen wilde ophalen, waren deze, naar zijn zeggen, daardoor allemaal onbruikbaar geworden en restte hem niets anders dan deze af te voeren naar de vuilstort. Daarbij is volgens hem gebleken dat het dakraam was verwijderd waardoor het regenwater vrij naar binnen kon stromen.
heeft deze verwijten aan het adres van BBL geplaatst in de sleutel van zijn grief tegen de toewijzing van de stallingskosten aan BBL.
Voor het geval [appellant] beoogd mocht hebben deze verwijten ook ten grondslag te leggen aan zijn vordering tot schadevergoeding wordt het volgende overwogen.

BBL heeft gemotiveerd betwist dat zij ten aanzien van de (wijze van) opslag van de caravan niet de zorg van een goed huisvader in acht heeft genomen of (anderszins) een zorgplicht heeft geschonden. Zij voert aan dat zij de caravan heeft laten stallen in een overdekte ruimte met voortdurend cameratoezicht bij een erkende bewaarder en betwist dat daarbij schade aan de caravan is toegebracht.
[appellant] heeft tegenover die gemotiveerde betwisting zijn verwijten op geen enkele wijze nader onderbouwd (en daarvan ook geen bewijs aangeboden). Met betrekking tot het dakraam heeft hij tijdens de mondelinge behandeling nog wel foto’s getoond van de caravan waarop volgens hem valt te zien dat het dakraam ontbreekt. Daargelaten dat dit voor het hof op die foto’s niet zichtbaar was, blijkt uit de foto’s nog niet wanneer de beweerdelijke schade aan het dakraam zou zijn opgetreden en evenmin wat de gevolgen daarvan zouden zijn geweest voor de inboedel. De stelling dat BBL ten aanzien van de opslag van de caravan niet de van haar te verwachten zorgvuldigheid zou hebben betracht wordt derhalve als onvoldoende onderbouwd verworpen.

5.13

Het hof is daarmee niet gebleken van een grond om aansprakelijkheid van BBL te aanvaarden voor de schade die [appellant] door de ontruiming beweerdelijk heeft geleden.
Bespreking van de afzonderlijke schadeposten kan dan achterwege blijven.
Grief II faalt dus eveneens.

t.a.v. de vorderingen van BBL tegen [appellant]

5.14

Grief III is gericht tegen de toewijzing door de kantonrechter van de door BBL in reconventie gevorderde kosten van ontruiming en stalling.

5.15

Als eerste bezwaar tegen die toewijzing beroept [appellant] zich erop dat de ontruiming onrechtmatig was. Hij verwijst daarvoor (wederom) naar wat hij in de grieven I en II daarover heeft aangevoerd. In de verwerping van die grieven ligt besloten dat dit bezwaar faalt.

5.16

Als tweede bezwaar heeft [appellant] naar voren gebracht dat BBL op grond van artikel 13 lid 5 van de Recron-voorwaarden ervan mocht uitgaan dat hij afstand had gedaan van zijn caravan en inboedel, dat daarom geen bijzondere zorgplicht op BBL rustte en dat zij daarom geen aanspraak kan maken op vergoeding van de stallingskosten.
Als derde bezwaar heeft hij aangevoerd dat BBL op grond van artikel 13 lid 5 van de
Recron-voorwaarden tevens de bevoegdheid had om de caravan en de inboedelgoederen naar de stort te brengen, omdat de kosten van de stalling hoger waren dan de waarde van de caravan en inboedel. Ook om die reden zijn volgens hem de stallingskosten ten onrechte in rekening gebracht.

5.17

Deze beide (samenhangende) bezwaren acht het hof ongegrond. Zij gaan eraan voorbij dat de mogelijkheden die artikel 13 lid 5 van de Recron-voorwaarden aan BBL bood om de ontruimde goederen te verkopen of als afval te laten storten, haar wel bevoegdheden gaven, maar nog niet de verplichting oplegden om daarvan ook gebruik te maken. Het hof is niet gebleken van omstandigheden waaruit voortvloeit dat BBL in dit geval in redelijkheid wel gebruik had moeten maken van (een van) die bevoegdheden. Weliswaar heeft BBL in een brief van 14 mei 2013 aan [appellant] geschreven dat de caravan en de schuurtjes geen waarde vertegenwoordigen voor anderen dan [appellant] en dat zich daarmee de mogelijkheid van artikel 13 lid 5 voordoet, maar daar staat tegenover dat [appellant] in een ongedateerde aansprakelijkstelling uit mei 2013 zelf stelt dat zijn goederen een waarde van € 30.000,- vertegenwoordigen. Verder heeft de advocaat van [appellant] in een brief van 29 augustus 2013 laten weten dat [appellant] geen afstand doet van zijn eigendommen. Daarmee heeft [appellant] , ook nadat BBL hem had geïnformeerd over de hoogte van de stallingskosten, kenbaar gemaakt dat hij (in zijn visie) wel een aanmerkelijk belang had bij het behoud van zijn eigendommen en dat hij niet wenste dat BBL van haar bevoegdheden gebruik zou maken. Dat BBL dat (vervolgens) niet heeft gedaan kan [appellant] dan bezwaarlijk aan BBL tegenwerpen. Daar doet verder niet aan af dat het bedrag dat [appellant] thans vordert als schade voor het beweerdelijke verlies van zijn eigendommen (€ 5.567,75) beperkt is en (ruimschoots) minder bedraagt dan het door BBL aan stallingskosten gevorderde bedrag.

5.18

[appellant] heeft verder als bezwaar aangevoerd dat het stallingsbedrag, € 15,- per dag exclusief btw, onredelijk hoog is. Hij heeft in dat verband aangevoerd dat normale stallingskosten van een caravan op jaarbasis tussen de € 150,- en € 350,- bedragen en dat niet valt in te zien waarom BBL een caravan als de onderhavige niet heeft gestald bij een reguliere caravanstalling in plaats van bij een bergingsbedrijf.

5.19

Het hof overweegt met betrekking tot dat bezwaar dat op zichzelf te billijken is dat BBL na de ontruiming de caravan met inboedel eerst heeft gestald bij het bergingsbedrijf dat ook de ontruiming had uitgevoerd. Op BBL rustte een zorgplicht voor de caravan met inboedel en BBL heeft gemotiveerd gesteld dat de caravan bij dat bergingsbedrijf op een zorgvuldige wijze kon worden gestald. Bovendien mocht BBL bij de aanvang van de stalling nog aannemen dat [appellant] zijn caravan wel spoedig zou komen ophalen, zodat de stallingskosten beperkt zouden blijven.
Na verloop van tijd moet het BBL echter redelijkerwijs duidelijk zijn geworden dat [appellant] niet van plan was zijn caravan op te komen halen, althans niet tegen gelijktijdige voldoening van de ontruimings- en stallingskosten (zoals BBL onweersproken verlangde).

Vanaf dat moment had het BBL duidelijk behoren te zijn dat zo lang zij zich zou beroepen op haar retentierecht, het illusoir was dat [appellant] de caravan zou komen ophalen. Ter beperking van de redelijke kosten van die stalling lag het toen op de weg van BBL om de mogelijkheden van een adequate stalling tegen lagere kosten te onderzoeken.
Niet weersproken is dat stalling tegen een aanmerkelijk lager bedrag (€ 150,- tot € 350,- op jaarbasis) mogelijk was. Indien BBL een mogelijk (veel) goedkopere stallingsmogelijkheid gezien haar zorgplicht voor de eigendommen van [appellant] niet adequaat mocht hebben bevonden, had het in dat geval op haar weg gelegen om [appellant] daarover te informeren en de keus te laten. BBL heeft echter het een noch het ander gedaan. Het hoog opgelopen bedrag aan stallingskosten kan daarmee niet worden beschouwd als redelijk (als bedoeld in artikel 13 lid 5 van de Recron-voorwaarden).
Het hof is van oordeel dat de eerste drie maanden van stalling bij het bergingsbedrijf zonder meer als redelijk zijn te beschouwen. Vanaf dat moment had van BBL echter redelijkerwijs verlangd mogen worden te zoeken naar een plek bij reguliere caravanstalling. In aanmerking nemend dat daarmee enige tijd gemoeid zou zijn geweest en dat met het overbrengen van de caravan naar een ander adres ook kosten gemoeid zouden zijn geweest, is het hof van oordeel dat kosten ter hoogte van zes maanden van stalling bij het bergingsbedrijf en aansluitend, tot aan het moment van ophalen, de kosten van stalling bij een reguliere caravanstalling, redelijk zijn te achten in de zin van lid 5 van artikel 13 van de Recron-voorwaarden.
Uitgaande van het ophalen van de caravan door [appellant] in oktober 2017, en van stallingskosten van € 350,- op jaarbasis bij een reguliere caravanstalling, komt het hof uit op een bedrag van afgerond € 4.000,- aan redelijke stallingskosten die door [appellant] aan BBL vergoed dienen te worden. Daar komt bij het aan ontruimingskosten toegewezen en in hoger beroep niet aangevochten bedrag van € 2.102,98, zodat aan ontruimings- en stallingskosten in totaal toewijsbaar is een bedrag van € 6.102,98.

Grief III slaagt daarmee gedeeltelijk. Het bestreden vonnis voor zover in reconventie gewezen dient derhalve te worden vernietigd en er zal met betrekking tot de door BBL tegen [appellant] ingestelde vordering opnieuw recht worden gedaan.

5.20

In grief IV komt [appellant] op tegen de dwangsommen die zijn verbonden aan zijn veroordeling om zijn caravan en overige spullen binnen twee maanden na het vonnis te verwijderen.

[appellant] heeft zich daarvoor beroepen op de hiervoor al besproken en verworpen stellingen dat BBL onrechtmatig tot ontruiming is overgegaan en dat zij niet gehouden was om de goederen in opslag te nemen. De grief dat BBL daarom geen belang had bij haar vordering om een dwangsom te verbinden aan de veroordeling, dient derhalve te worden verworpen. Grief IV faalt dus.

t.a.v. de vorderingen van [appellant] jegens De Gemeente

5.21

[appellant] betoogt in grief V dat de kantonrechter ten onrechte De Gemeente niet hoofdelijk aansprakelijk heeft geoordeeld voor de door hem als gevolg van de ontruiming geleden schade. [appellant] beroept zich daarvoor op het bepaalde in artikel 6:166 BW over groepsaansprakelijkheid. Volgens [appellant] is sprake geweest van een zodanig nauw samenwerkingsverband tussen De Gemeente, BBL en De Provincie met betrekking tot het realiseren van de voorgenomen natuurontwikkeling op het campingterrein, dat van een groepsverband als bedoeld in art. 6:166 BW gesproken kan worden. Het onrechtmatig handelen van BBL dient binnen dat verband ook aan De Gemeente te worden toegerekend.

5.22

De Gemeente heeft gemotiveerd betwist dat zij op de voet van artikel 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk zou zijn voor de door [appellant] door de ontruiming beweerdelijk geleden schade, alleen al omdat zij op geen enkele wijze bij die ontruiming betrokken is geweest.

5.23

Aan een inhoudelijke beoordeling van de vraag of De Gemeente op basis van groepsaansprakelijkheid zoals bedoeld in artikel 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk is voor de door [appellant] door de ontruiming geleden schade komt het hof niet toe. Nu hiervoor is geoordeeld dat BBL voor die schade niet aansprakelijk is, is de grond aan een eventuele aansprakelijkheid van De Gemeente jegens [appellant] komen te ontvallen.
Grief V faalt dus eveneens.

proceskosten

5.24

Grief VII is gericht tegen de veroordeling in de proceskosten en de nakosten. Uit de op die grief gegeven toelichting blijkt dat aan die grief verder geen zelfstandige betekenis toekomt.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat [appellant] in eerste aanleg terecht is veroordeeld in de kosten van de procedure in conventie. In reconventie dient het vonnis weliswaar te worden vernietigd waar het betreft de hoogte van het aan BBL toegewezen bedrag aan ontruimings- en stallingskosten, maar de veroordeling tot betaling van dergelijke kosten blijft op zichzelf wel in stand. Ook blijft in stand de veroordeling tot het ophalen van de caravan en de overige spullen uit de berging en stalling. Daarmee blijft [appellant] in reconventie aan te merken als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij en is hij in eerste aanleg derhalve terecht veroordeeld in ook de kosten van het geding in reconventie.
Ook grief VII slaagt dus niet.

6 De slotsom

6.1

De grieven falen, behalve grief III die gedeeltelijk slaagt. Het bestreden vonnis in conventie zal worden bekrachtigd. Het vonnis in reconventie zal ook worden bekrachtigd, behalve voor zover het betreft de veroordeling van [appellant] tot betaling van een bedrag van
€ 15.896,98, te vermeerderen met € 15,00 per dag exclusief BTW vanaf 30 april 2015 tot aan de dag der algehele verwijdering van de caravan uit de stalling. In plaats daarvan zal [appellant] worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 6.102,98.
6.2 Het hof ziet in de uitkomst van de procedure aanleiding om in hoger beroep de proceskosten in het geding tussen [appellant] en BBL te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep dient te dragen.

In het geding tussen [appellant] en De Gemeente dient [appellant] te worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van De Gemeente zullen worden vastgesteld op € 1.937,- aan griffierecht en € 2.148,- ( 2 punten x tarief II) aan salaris advocaat.

6.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:


bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 29 september 2015, behoudens voor zover in reconventie [appellant] is veroordeeld om aan BBL te betalen een bedrag van € 15.896,98, te vermeerderen met € 15,00 per dag exclusief BTW vanaf 30 april 2015 tot aan de dag der algehele verwijdering van de caravan uit de stalling, vernietigt het vonnis in zoverre en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] tot betaling aan BBL van een bedrag van € 6.102,98;
compenseert in het geding tussen [appellant] en BBL de kosten van de procedure in hoger beroep, aldus dat iedere partij daarvan de eigen kosten draagt;

veroordeelt in het geding tussen [appellant] en De Gemeente [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van De Gemeente gevallen vastgesteld op € 1.937,- voor verschotten en op € 2.148,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. O.E. Mulder, mr. D.H. de Witte en mr. J. Smit, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

19 februari 2019.