Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:1536

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
200.244.248/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Omgang. omgang van dochter komt niet van de grond door angst moeder en ontkenning van die angst door vader. Dochter weet niet wie haar vader is. Tot nu toe heeft niets geholpen. Hof gaat over tot benoeming bijzondere curator met psychologische achtergrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.244.248/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/107310 / FA RK 14-2709)

beschikking van 14 februari 2019

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: voorheen mr. C.F. Roza te Zwolle,

thans mr. S.M. Wolff te Zwolle,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. H. Diepenveen te Meppel.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 28 januari 2015, 22 maart 2017 en 16 mei 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s) van de vader, ingekomen op 13 augustus 2018;

- het verweerschrift;

- een journaalbericht van mr. Roza van 22 augustus 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Roza van 19 september 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Roza van 24 november 2018 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 17 december 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad), opgeroepen in het kader van zijn adviserende taak, was niemand aanwezig.

3. De feiten

3.1

Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2010 te [B] (hierna [de minderjarige] ). De vader heeft [de minderjarige] op 13 november 2012 erkend met vervangende toestemming van de rechter. De moeder oefent het gezag over [de minderjarige] alleen uit.

3.2

Bij beschikking van 8 mei 2013 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het verzoek van de vader een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en [de minderjarige] afgewezen en bepaald dat de moeder de vader driemaandelijks schriftelijk dient te informeren over de ontwikkelingen van [de minderjarige] en hem halfjaarlijks recente foto's dient toe te sturen.

3.3

Op 15 oktober 2014 heeft de vader opnieuw verzocht een omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] vast te stellen.

3.4

De rechtbank heeft bij beschikking van 28 januari 2015 de raad opdracht gegeven om partijen te verwijzen naar het [C] voor oudergesprekken en om, na de statusvoorlichting aan [de minderjarige] , de omgang tussen haar en de vader op gang te brengen. Dit traject zou niet eerder moeten aanvangen dan na 1 mei 2015 om de moeder nog enige tijd te geven aan zichzelf en haar angsten te werken. Daarbij is aan de vader meegegeven moeder rust te geven en geen contact met haar te zoeken. De rechtbank heeft de raad voorts verzocht na het traject te rapporteren en te adviseren omtrent de verzochte omgangsregeling.

3.5

In de eindrapportage van [D] van 17 februari 2016 staat dat [D] de opdracht aan de rechtbank heeft teruggegeven. Na afzonderlijke gesprekken met ieder van de ouders en een gezamenlijk gesprek waarbij de moeder werd bijgestaan door haar psycholoog, heeft de moeder een vervolgafspraak, met als doel het maken van concrete afspraken voor begeleide omgang, afgezegd, omdat ze volgens eigen zeggen door het traject niet meer normaal kan functioneren. [D] heeft geconcludeerd dat de angst van de moeder regeert en grote invloed heeft op haar ouderschap. Deze angst beïnvloedt haar in de zorg van [de minderjarige] en belemmert haar bij [de minderjarige] ruimte te maken voor de andere ouder.

3.6

Vervolgens heeft de raad onderzoek gedaan waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport van 26 oktober 2016. De raad heeft geconcludeerd dat er geen contra-indicaties zijn voor het tot stand brengen van contact tussen [de minderjarige] en de vader. De angsten van de moeder zijn niet gebaseerd op (onderbouwde) feiten. De moeder onderkent dat [de minderjarige] recht heeft op contact met de vader. Er zijn verder geen kindproblemen bij [de minderjarige] . Wat betreft het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling adviseert de raad om de gecertificeerde instelling op te dragen een regeling te treffen die aansluit bij de belangen van [de minderjarige] .

3.7

Op basis van het onderzoek is de raad tot de conclusie gekomen dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] . De raad heeft daarom besloten een verzoek tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] in te dienen. Het verzoek om [de minderjarige] onder toezicht te stellen is bij beschikking van 7 december 2016 afgewezen.

3.8

Bij beschikking van 22 maart 2017 heeft de rechtbank partijen verwezen naar het hulpverleningstraject 'begeleide omgangsregeling' bij [D] waarbij de invulling van de begeleide contacten zal plaatsvinden onder regie van de medewerkers van [D] . Daarbij heeft de rechtbank gewezen op de inspanningsverplichting die op beide ouders rust om het traject bij [D] te doen slagen.

3.9

In de startbrief van [D] van 31 augustus 2017 zijn afspraken vastgelegd over de behandelfase bestaande uit systeemgesprekken gericht op het bereiken van contact tussen [de minderjarige] en de vader op een manier die passend is voor [de minderjarige] . Daarin is ook opgenomen dat wordt gewerkt aan een balans voor moeder in het leren omgaan met twijfel en spanning aangaande het contactherstel tussen vader en dochter. In de eindbrief van 5 januari 2018 staat dat [D] niet kan voldoen aan de opdracht van de rechtbank. De moeder kan [de minderjarige] nog onvoldoende geruststellen in het feit dat zij niets te vrezen heeft van de vader en dat maakt de haalbaarheid van het contactherstel tussen [de minderjarige] en de vader in de huidige context niet mogelijk.

3.10

Bij brief van 30 januari 2018 heeft de raad geadviseerd partijen te verwijzen naar forensische mediation. De raad heeft zorgen over de identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] omdat zij geen contact heeft met haar vader en acht een meer dwingender kader nodig om ouders met elkaar in gesprek te laten gaan.

3.11

De rechtbank heeft bij beschikking van 16 mei 2018 het verzoek van de vader om een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en [de minderjarige] afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen is in geschil de (invulling van) het recht op omgang van de vader met [de minderjarige] .

4.2

De vader is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grief beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De vader verzoekt de beschikking van 16 mei 2018 te vernietigen en een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en [de minderjarige] alsmede, met vermeerdering van zijn verzoek uit eerste aanleg, (ambtshalve) een ondertoezichtstelling uit te spreken.

4.3

De moeder voert verweer en zij verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep, althans dit beroep af te wijzen.

4.4

Wat betreft het verzoek van de vader in hoger beroep om ambtshalve een ondertoezichtstelling uit te spreken, heeft het hof reeds ter zitting aangegeven dat het hof daartoe niet bevoegd is, zodat het verzoek niet behandeld zou worden. Het hof verwijst naar artikel 1:255 lid 2 en lid 5 BW waarin is opgenomen in welke twee bijzondere gevallen de rechter ambtshalve de ondertoezichtstelling kan uitspreken. Geen van deze gevallen doet zich hier voor.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Een kind heeft ingevolge artikel 1:377a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Op grond van het tweede lid stelt de rechter, kort gezegd, op verzoek van de ouders of een van hen een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt het recht op omgang.

Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748).

5.2

Indien de rechter de gronden welke de met het gezag belaste ouder aanvoert om geen medewerking te verlenen aan de totstandkoming of de uitvoering van een omgangsregeling ongenoegzaam acht, dient hij op korte termijn alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen daaraan alsnog medewerking te verlenen. Van de rechter kan temeer een actieve opstelling worden verlangd naarmate voor de weigering van de met het gezag belaste ouder minder – of zelfs geen – goede en voldoende aannemelijk gemaakte gronden worden aangevoerd (HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:91).

5.3

Elke afwijzing van een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling en elke beslissing waarbij de omgang is ontzegd is tijdelijk van aard, in die zin dat de ouder wiens verzoek is afgewezen zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar opnieuw tot de rechter kan wenden teneinde een omgangsregeling te doen vaststellen.

5.4

De relatie van de ouders is geëindigd tijdens de zwangerschap van de moeder. De vader is aanwezig geweest bij de geboorte van [de minderjarige] en ook na de geboorte zijn er enkele contacten geweest tussen de vader en [de minderjarige] . Sinds december 2011 heeft de vader geen rol meer gespeeld in het leven van [de minderjarige] . [de minderjarige] kent haar vader niet. De vader kent [de minderjarige] alleen uit informatie die de moeder hem driemaandelijks verstrekt en de halfjaarlijkse recente foto's die zij stuurt, ter uitvoering van de door de rechter in 2013 opgelegde informatieplicht.

5.5

Zowel in de procedure die heeft geleid tot de beschikking van 8 mei 2013 als in de huidige procedure is meerdere malen getracht om door middel van bemiddelings- en hulpverleningstrajecten de communicatie tussen partijen te verbeteren en het onderling vertrouwen te herstellen om uiteindelijk te komen tot contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] en zo mogelijk tot (begeleide) omgangscontacten tussen beiden. Belemmeringen in deze trajecten zijn telkens geweest enerzijds de angstgevoelens van de moeder ten opzichte van de vader en anderzijds de ontkenning door de vader dat hier reden voor is en zijn gebrek aan erkenning van deze angsten.

5.6

Bij de (tweede) verwijzing naar [D] in haar beschikking van 22 maart 2017 heeft de rechtbank overwogen dat onvoldoende gebleken is van gronden (als bedoeld in artikel 1:377a lid 1 BW) om de omgang tussen [de minderjarige] en de vader te ontzeggen, met welk oordeel de rechtbank heeft aangesloten bij de conclusie van de raad in zijn rapport van 26 oktober 2016 dat er geen contra-indicaties zijn voor omgang. Daarbij heeft de rechtbank uitdrukkelijk gewezen op de (concrete) inspanningsverplichting die op beide ouders rust om het traject bij [D] te doen slagen. De vader is in dat verband uitdrukkelijk verzocht een stap te zetten om het vertrouwen van de moeder te herstellen door haar serieus te nemen in haar angsten en in overleg met haar en [D] concrete afspraken te maken over wat hij kan doen om het vertrouwen te herstellen, bijvoorbeeld door het volgen van een agressie-regulatietraining.

5.7

Uit de eindbrief van 5 januari 2018 van [D] komt naar voren dat de vader zich heeft gemeld bij GGZ met een vraag naar een agressie-regulatietraining maar dat GGZ geen training nodig heeft geacht. Verder blijkt dat de moeder na haar therapie weer een balans heeft gevonden om om te gaan met haar geschiedenis en dat zij weer een stabiele moeder is. De moeder geeft daarbij echter aan dat contact met de vader weer stress zal opleveren voor [de minderjarige] en haar persoonlijk. Uit het gesprek met [de minderjarige] is gebleken van een enorme spanning. Duidelijk is dat haar beeld van de vader negatief is en haar grote angst inboezemt. Ook de mogelijkheid om dat beeld bij te kunnen stellen door de vader te zien, leverde grote weerstand op. [D] heeft de rol van de moeder in het herstel van het contact tussen de vader en [de minderjarige] cruciaal genoemd. [de minderjarige] zal enkel op geleide van haar moeder het contactherstel durven aangaan. Zij voelt haar moeders angst voor de vader al haar hele leven, waardoor haar weerstand ten aanzien van de vader logisch is. De moeder kan [de minderjarige] onvoldoende geruststellen in het feit dat zij niets te vrezen heeft van de vader. [D] ziet hierin een gevaar voor de persoonlijkheidsontwikkeling van [de minderjarige] .

5.8

Ter zitting heeft het hof aangegeven het te betreuren dat de vader binnen het traject bij [D] niet heeft willen ingaan op het voorstel voor een gezamenlijk gesprek tussen ouders, zijnde een stap die [D] essentieel heeft geacht binnen het traject om te komen tot contactherstel. Hierdoor is het traject bij [D] voortijdig beëindigd. De hierdoor ontstane vertraging is niet in het belang van [de minderjarige] . Vervolgens heeft het hof met partijen opnieuw gesproken over de (on)mogelijkheden om tot contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] te komen en daaraan voorafgaand, gezien de visie van [D] , tot contactherstel tussen de ouders onderling. Het hof heeft benadrukt dat uit de eindbrief van [D] van 5 januari 2018 naar voren komt dat de ouders vooral samen de angst bij [de minderjarige] weg kunnen nemen en dat contactherstel tussen de ouders hierin een eerste stap is. Niet alleen kan dit een aanzet zijn tot verbetering van de onderlinge communicatie en verstandhouding, maar meer in het bijzonder laat de moeder hiermee [de minderjarige] zien en voelen dat zij vertrouwen heeft in de vader en dat [de minderjarige] niets te vrezen heeft van de vader. Op die wijze kan vervolgens ruimte ontstaan voor contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] .

5.9

Met partijen is in dat kader onder meer gesproken over de mogelijkheden een bijzondere curator in te zetten met een psychologische achtergrond om hen en [de minderjarige] hierin te begeleiden.

5.10

Op grond van artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, voor wie een zaak aanhangig is, ambtshalve een bijzondere curator benoemen om (de belangen van) een minderjarige te vertegenwoordigen, zowel in als buiten rechte. De rechter kan tot deze benoeming overgaan wanneer in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige de belangen van de met het gezag belaste ouders in strijd zijn met die van de minderjarige, en de benoeming in het belang van de minderjarige noodzakelijk wordt geacht, daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking genomen.

5.11

Gegeven de omstandigheden heeft het hof partijen voorgehouden dat zij en [de minderjarige] gebaat zouden kunnen zijn bij benoeming van een bijzondere curator voor [de minderjarige] . De bijzondere curator kan in kaart brengen wat er nodig is om te komen tot verdere stappen naar contactherstel en daarin een bemiddelende rol trachten te vervullen. Het hof spreekt de hoop uit dat partijen onder begeleiding van deze bijzondere curator hun onderlinge communicatie weten te verbeteren en het onderling vertrouwen voldoende weten te herstellen, zodat een onbelast contact tussen de vader en [de minderjarige] mogelijk wordt. Daarbij dient voldoende oog te zijn voor wat (ook) [de minderjarige] nodig heeft voor contactherstel.

5.12

De ouders hebben ieder verklaard hiervoor open te staan en ingestemd met de benoeming van een bijzondere curator.

5.13

Mevrouw [E] , kantoorhoudend te [F] , is bereid gevonden om in deze procedure als bijzondere curator op te treden en zal hiertoe door het hof worden benoemd. Deze bijzondere curator is tijdens de mondelinge behandeling door de moeder voorgesteld, zij het dat zij daarbij forensische mediation op het oog had. Van de zijde van de vader zijn toen geen bezwaren tegen de voorgestelde persoon naar voren gebracht. Gelet hierop, alsmede gelet op het feit dat de te benoemen bijzondere curator een psychologische achtergrond heeft, zoals ter zitting besproken en wenselijk werd geacht, gaat het hof ervan uit dat geen van partijen bezwaar heeft tegen benoeming van genoemde [E] als bijzondere curator.

5.14

Het hof verzoekt de bijzondere curator bij haar werkzaamheden de Leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:250 BW in acht te nemen, te raadplegen via www.rechtspraak.nl, en derhalve ook de (primaire) bemiddelende rol van de bijzondere curator op zich te nemen (waarbij door middel van gesprekken met de ouders en [de minderjarige] wordt getracht het conflict in der minne op te lossen). Daarnaast acht het hof het van belang dat de bijzondere curator ervoor zorgt dat de belangen van [de minderjarige] zo goed mogelijk worden belicht en dat zij zich gehoord voelt. Het hof verzoekt de bijzondere curator in dit verband om te onderzoeken hoe het met [de minderjarige] is, wat de gevolgen voor haar (zullen) zijn van (ontbreken van) contactherstel tussen haar en de vader nu en in de (nabije) toekomst, wat haar mening is over dit contactherstel en wat zij daarvoor nodig heeft zowel van haar vader als van haar moeder. Het hof verzoekt de bijzondere curator ook, indien dit mogelijk is en dit in het belang van [de minderjarige] wordt geacht, het contactherstel tot stand te brengen. Het hof verzoekt de bijzondere curator tot slot om, gelet op de verzoeken die aan het hof voorliggen, vanuit het belang van [de minderjarige] , te adviseren welke beslissing het hof dient te nemen over de omgangsregeling tussen haar en de vader.

5.15

Het hof zal de bijzondere curator verzoeken om haar rapport vóór 15 mei 2019 aan het hof te doen toekomen. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld om binnen twee weken na toezending van dit rapport door de griffier schriftelijk hun reactie op het rapport te geven. In beginsel zal de zaak daarna schriftelijk op de stukken worden afgedaan tenzij het hof een nadere mondelinge behandeling aangewezen acht, ofwel op gemotiveerd verzoek van (een van) partijen ofwel ambtshalve. In het geval van een nadere mondelinge behandeling zal het hof ook de bijzondere curator oproepen om naar die mondelinge behandeling te komen.

5.16

Het hof verzoekt de advocaat van de vader om zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee weken na de datum van deze beschikking (een afschrift van) de processtukken ter beschikking van de bijzondere curator te stellen.

5.17

Gelet op de complexiteit van de onderhavige zaak en de omvang van de door de bijzondere curator te verrichten werkzaamheden zal het hof bepalen dat voor zover op basis van een te verkrijgen toevoeging een lager bedrag dan € 2.000,- (inclusief verschotten en omzetbelasting) aan de bijzondere curator wordt vergoed, het meerdere, tot een maximaal bedrag van € 2.000,- (inclusief verschotten en omzetbelasting), ten laste van het rijk zal komen. De bijzondere curator dient in dat geval te declareren aan de hand van een tijdsverantwoording en op basis van een uurtarief (of een gedeelte daarvan) van € 85,- per uur, exclusief omzetbelasting.

5.18

Indien voor de werkzaamheden van de bijzondere curator een toevoeging wordt verleend, gaat het hof ervan uit dat uit dien hoofde ook eventuele door de bijzondere curator te maken reiskosten voor vergoeding in aanmerking komen.

5.19

Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.
4. De beslissing

Het gerechtshof:

benoemt tot bijzondere curator over de minderjarige [de minderjarige] , geboren [in] 2010 te [B] :

mevrouw [E],

[a-straat 1] ,

[F]

Telefoonnummer: [00000]

E-mailadres: info@ [G] .nl,

om in deze procedure de belangen van de minderjarige te behartigen;

draagt de bijzondere curator op aan het hof te rapporteren vóór 15 mei 2019, althans vóór 15 mei 2019 schriftelijk bericht te geven over de voortgang van haar werkzaamheden;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van het rapport van de bijzondere curator aan partijen en de raad zal toezenden;

bepaalt dat partijen tot uiterlijk twee weken na toezending van het rapport van de bijzondere curator schriftelijk kunnen reageren, waarna het hof zal beslissen omtrent de wijze van verdere voortgang van de zaak;

bepaalt dat de advocaat van de vader zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee weken na de datum van deze beschikking (een afschrift van) de processtukken ter beschikking van de bijzondere curator zal stellen;


bepaalt dat de kosten van de bijzondere curator ten laste van 's Rijks kas zullen komen tot een maximaal bedrag van € 2.000,-, inclusief verschotten en omzetbelasting, een en ander met inachtneming van het hiervoor in rechtsoverweging 5.17 bepaalde;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr E.B.E.M. Rikaart-Gerard, I.A. Vermeulen en mr. J.L. Roubos, bijgestaan door mr. J. Robben als griffier, en is op 14 februari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.