Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:1535

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
200.241.250/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervanging bewindvoerder en mentor. Hof wijkt af van wettelijke voorkeur tot benoeming van een nabij familielid zoals opgenomen in 1:435, lid 3 en 1:452, lid 3 BW in verband met strijd in de familie en de negatieve invloed hiervan op betrokkene. De onafhankelijke bewindvoerder en mentor is geen rekening en verantwoording verschuldigd aan de familie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.241.250/01

(zaaknummer rechtbank 6336660 BM VERZ 17-1543 en 6336661 MS VERZ 17-315)

beschikking van 12 februari 2019

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoekster] ,

advocaat: mr. M. Withaar te Hoogeveen,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: [verweerster] of de huidige bewindvoerder en de mentor.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[C] ,

wonende te [D] ,

verder te noemen: de betrokkene.

[E] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: [E] of de echtgenoot van betrokkene.

Als informant is aangemerkt:

[F] ,

wonende te [G] ,
verder te noemen: [F] of de voorgesteld bewindvoerder en mentor.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Overijssel, sector kanton, zittingsplaats Zwolle) van 22 maart 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s) van [verzoekster] , ingekomen op 21 juni 2018;

- een journaalbericht van mr. Withaar van 3 juli 2018 met productie(s);

- een brief van 19 juli 2018 van [H] ;

- een brief van mevrouw [I] van 20 juli 2018;

- een brief van de huidige bewindvoerder en mentor van 10 augustus 2018 met productie(s);

- een brief van de huidige bewindvoerder en mentor van 10 oktober 2018.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 18 oktober 2018 plaatsgevonden. [verzoekster] en [verweerster] zijn in persoon verschenen. [verzoekster] werd bijgestaan door haar advocaat. [F] is aangemerkt als informant en was ter zitting aanwezig. De betrokkene en haar echtgenoot [E] zijn opgeroepen maar niet verschenen. Verder heeft het hof op verzoek en met instemming van [verzoekster] en [verweerster] op voorhand toegang verleend aan de echtgenoot en zoon van [verweerster] die de mondelinge behandeling hebben bijgewoond en aan de dochter van [verzoekster] die de mondelinge behandeling niet heeft bijgewoond.

2.3

Na de constatering ter zitting dat de betrokkene geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen en evenmin ter zitting is verschenen, heeft het hof aan de orde gesteld of de betrokkene nog in de gelegenheid gesteld dient te worden om haar mening kenbaar te maken, zo nodig door een gesprek met haar door een raadsheer-commissaris op haar verblijfplaats. Daarbij heeft het hof de aanwezigen de brief van [H] van 19 juli 2018 voorgehouden waarin is opgenomen dat de betrokkene wilsonbekwaam wordt geacht. De aanwezigen hebben ingestemd met de conclusie van het hof dat een gesprek met de betrokkene uit medisch oogpunt zinloos en niet verantwoord is. Er is dan ook afgezien van het horen van de betrokkene (op haar verblijfplaats).

2.4

Na de mondelinge behandeling is met toestemming van het hof ingekomen een brief van mr. Withaar van 30 oktober 2018 die is gecorrigeerd door een brief van 5 november 2018 op het punt van de naam van de betrokkene in de tweede alinea. Het hof heeft van deze brief kennisgenomen voor zover daaruit blijkt dat [verzoekster] niet akkoord is met de benoeming van Stichting [J] tot bewindvoerder en mentor.

2.5

Mevrouw [I] is als zus van de betrokkene door het hof aangemerkt als belanghebbende. Zij heeft om die reden een kopie van het beroepschrift ontvangen en is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Zij heeft daarop in haar brief van 20 juli 2018 kenbaar gemaakt dat zij niet verder als belanghebbende in de procedure betrokken wenst te worden. Het hof heeft haar dan ook niet opgeroepen voor de mondelinge behandeling en zij zal ook geen afschrift van de beschikking ontvangen.

3 De feiten

3.1

De betrokkene is geboren [in] 1938. Zij heeft twee zussen onder wie [verzoekster] , verzoekster in hoger beroep. [verweerster] , de huidige bewindvoerder en mentor is de schoonzus van de betrokkene (de echtgenote van een broer van de echtgenoot van betrokkene). [F] , de voorgestelde bewindvoerder en mentor is een neef van de betrokkene (tevens de zoon van [verzoekster] ).

3.2

De betrokkene is gehuwd met [E] . Zij is op 7 juli 2017 bij [H] gaan wonen in een instelling in [D] op een afdeling voor langdurige psychiatrische behandeling en zorg voor ouderen. Voordien woonde zij, eerst samen [E] , in een verzorgingshuis in [B] . [E] verblijft sinds 2016 in het verpleeghuis van de [K] te [B] .

3.3

Bij beschikking van 22 maart 2018 heeft de kantonrechter een bewind ingesteld over de goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan de betrokkene en is ook een mentorschap ingesteld ten behoeve van haar. Daarbij is [verweerster] benoemd tot bewindvoerder en mentor.

3.4

Bij beschikking van 2 januari 2019 heeft de kantonrechter een bewind ingesteld over de goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [E] en is ook een mentorschap ingesteld ten behoeve van hem. De stichting [J] te [A] is daarbij benoemd tot bewindvoerder en mentor.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de persoon van de bewindvoerder en mentor.

4.2

[verzoekster] is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 22 maart 2018. Deze grieven zien beide op de persoon van de bewindvoerder en mentor.

[verzoekster] verzoekt primair om [F] als bewindvoerder en mentor benoemen dan wel subsidiair een onafhankelijke derde of organisatie als bewindvoerder en mentor te benoemen, telkens kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Het hof stelt voorop dat in hoger beroep de noodzaak voor het instellen van een bewind en een mentorschap over de betrokkene niet in geschil is.

5.2

In geschil is enkel de persoon van de bewindvoerder en mentor. Daarbij staat vast dat de huidige bewindvoerder en mentor - [verweerster] - kenbaar heeft gemaakt deze taken niet langer te willen uitvoeren en dat zij reeds om die reden vervangen dient te worden. De klachten van [verzoekster] over de wijze waarop [verweerster] haar taken als bewindvoerder en mentor heeft verricht, behoeven dan ook geen inhoudelijke beoordeling.

5.3

In hoger beroep ligt voor wie tot (opvolgend) bewindvoerder en mentor moet worden benoemd.

5.4

Op grond van artikel 1:435 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt de rechter bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Wanneer de betrokkene gehuwd is, wordt op grond van het vierde lid van voornoemd artikel - tenzij het derde lid is toegepast bij voorkeur de echtgenoot tot bewindvoerder benoemd. Is het voorgaande niet van toepassing dan wordt bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot bewindvoerder benoemd. Een vergelijkbare regeling is in artikel 1:452 BW opgenomen voor de persoon van de mentor.

5.5

Van een uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene is in ieder geval in hoger beroep geen sprake. Verder is het hof ambtshalve gebleken dat de echtgenoot van betrokkene, die in verband met dementie is opgenomen in een verpleeghuis, niet benoembaar is nu zijn goederen (ook) onder bewind zijn gesteld.

5.6

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof duidelijk geworden dat de vraag naar de persoon van de bewindvoerder en mentor de (schoon)familie van de betrokkene al geruime tijd verdeeld houdt. Deze strijd gaat ook gepaard met spanningen voor de betrokkene die een negatieve invloed hebben op haar welbevinden, zo blijkt uit de brief van [H] van 19 juli 2018. [H] verhaalt over de onrust in de communicatie door de strijd tussen de familieleden en het gevoel van de betrokkene dat zij tussen twee vuren staat. Met het oog op de behandeling van de betrokkene en haar kwaliteit van leven komt [H] tot de conclusie dat het verstandig is om een onafhankelijke bewindvoerder en mentor aan te stellen.

5.7

Het hof onderkent dat de benoeming van een familielid tot bewindvoerder en/of mentor in beginsel de voorkeur heeft boven die van een professionele. Om die reden heeft de wetgever zowel in artikel 1:435 lid 3 BW betreffende het bewind als in artikel 1:452 lid 3 BW betreffende het mentorschap een wettelijke voorkeur van nabije familieleden - ouders, kinderen, broers of zusters - opgenomen. Het hof heeft in de onderhavige kwestie voldoende redenen om af te wijken van deze voorkeur, in welke kring dan ook bezien en ongeacht de deskundigheid en ervaring (van [F] ). De strijd tussen de familieleden is van dien aard dat deze een negatieve invloed heeft op de kwaliteit van leven van de betrokkene, en wel in zodanige mate dat de hulpverleners van [H] daarin aanleiding hebben gezien om het hof te berichten over de impact. Bij benoeming van een familielid tot bewindvoerder en/of mentor is voortzetting en mogelijk zelfs verdieping van de strijd een reëel risico waardoor de situatie voor de betrokkene zal verslechteren.

5.8

Het hof is dan ook van oordeel dat zowel de vermogensrechtelijke als de niet vermogensrechtelijke belangen van de betrokkene het meest gewaarborgd zijn bij benoeming van een onafhankelijk en professioneel bewindvoerder en mentor die onafhankelijk en objectief en met zekere deskundigheid de beslissingen kan nemen. [verweerster] heeft voorgesteld Stichting [J] tot bewindvoerder en mentor te benoemen. Het hof heeft contact opgenomen met de Stichting [J] en deze heeft zich telefonisch ook bereid verklaard tot benoeming als bewindvoerder en mentor.

5.9

[verzoekster] heeft bezwaar gemaakt tegen de benoeming van Stichting [J] - en heeft ter zitting de organisatie [L] genoemd als mogelijke onafhankelijk bewindvoerder en mentor - en heeft haar bezwaar in haar brief van 30 oktober 2018 gehandhaafd. Kern van de bezwaren is gelegen in de vrees dat zij dan wel de familie bij benoeming van Stichting [J] tot bewindvoerder en mentor door deze onvoldoende betrokken wordt bij de betrokkene en onvoldoende voorzien zal worden van informatie over de betrokkene, met name wat betreft de medische aangelegenheden, zoals het hof begrijpt. Daarmee heeft [verzoekster] echter een onjuist beeld van haar positie als familielid in de situatie dat er (een bewindvoerder en) een mentor is benoemd (ook wanneer dat [F] zou zijn). Zowel de mentor als de bewindvoerder hebben tot taak om beslissingen over de vermogensrechtelijke en niet vermogensrechtelijke belangen van de betrokkene zelfstandig te nemen, met vooropstelling van de belangen van de betrokkene, en zijn daarbij niet gehouden hierover in overleg te treden met de familieleden, laat staat tegenover de familieleden enige vorm van rekening en verantwoording voor de gemaakte keuzes af te leggen. Hieraan doet niet af dat het contact tussen de betrokkene en haar familieleden van belang is en bij kan dragen aan het welbevinden en de kwaliteit van leven van de betrokkene. In die zin is het mede de taak van de bewindvoerder om deze contacten mogelijk te maken.

5.10

Het hof acht de bezwaren van de [verzoekster] dan ook onvoldoende om niet Stichting [J] maar een andere derde tot bewindvoerder en mentor te benoemen. Daarbij heeft het hof laten meewegen dat het hof niet duidelijk is geworden of [L] beide beschermingsmaatregelen voor meerderjarigen uitvoert - bewind en mentorschap - en het hof van belang acht dat deze werkzaamheden in één persoon verenigd zijn. Daarbij komt dat Stichting [J] ook is voorgesteld als bewindvoerder en mentor van de echtgenoot van betrokkene (en naar het hof ambtshalve is gebleken, deze rechtspersoon inmiddels ook benoemd is tot bewindvoerder en mentor van de echtgenoot van betrokkene).

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven ten dele. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen dat Stichting [J] wordt benoemd tot bewindvoerder en mentor waarbij deze benoeming werking heeft de dag na (verzending van) deze uitspraak gelet op artikel 1:435 lid 10 respectievelijk artikel 1: 452 lid 10 BW.

6.2.

Gelet op de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke rechtsbetrekking tot elkaar staan en het geschil hieruit voortvloeit, zullen de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd. Ieder van partijen en belanghebbenden zal de eigen kosten dragen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 22 maart 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

benoemt tot bewindvoerder Stichting [J] te [A];

benoemt tot mentor Stichting [J] te [A];

bepaalt dat iedere partij en belanghebbende de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.D.S.L. Bosch, mr M.A.F. Holtvluwer en mr. M.E. Allegro, bijgestaan door mr. J. Robben als griffier, en is op 12 februari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.