Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:1465

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-02-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
WAHV 200.230.190
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid BOA. De bevoegdheid van de ambtenaar is beperkt tot stilstaand verkeer met uitzondering van het bepaalde in de daarna genoemde artikelen, waaronder artikel 62 van het RVV 1990 voor het de C-borden in relatie tot de openbare orde betreft. In dit geval gaat het om artikel 62 jo. bord E1 en betreft het stilstaand verkeer; immers een geparkeerd voertuig. De

ambtenaar was bevoegd tot oplegging van een sanctie. Vertrouwensbeginsel. Uit de beschikbare gegevens blijkt niet dat de betrokkene met toestemming

van de ambtenaren ter plaatse mocht parkeren. Proceskostenvergoeding. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en is tweemaal verschenen op de zitting van de kantonrechter. De kantonrechter had daarom 2,5 procespunt

moeten toekennen. Het hof vernietigt in zoverre de beslissing van de kantonrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.230.190

15 februari 2019

CJIB 192982363

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag

van 24 oktober 2017

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 123,75.Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “parkeren in strijd met parkeerverbod/parkeerverbodszone (bord E1)”, welke gedraging zou zijn verricht op

9 oktober 2015 om 15:34 uur in het Emmapark te 's-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de beslissing van de kantonrechter gebrekkig is gemotiveerd. De kantonrechter is, zo stelt de gemachtigde, niet ingegaan op de grond dat de bestuurder van het voertuig is uitgelokt om het voertuig ter plaatse te parkeren en dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. Het voertuig werd ten tijde van de gedraging bestuurd door de heer [D] , voorzitter van de [betrokkene] . Toen hij kwam aanrijden, zag hij meerdere verbalisanten staan. Hij heeft toen aan de verbalisant(en) gevraagd of hij ter plaatse mocht parkeren. Een verbalisant heeft, zo stelt hij, middels een hoofdknik bevestigd dat dit was toegestaan. De heer [D] ging dan ook ervan uit dat hij ter plaatse mocht parkeren. Gelet op deze omstandigheid is dan ook in strijd gehandeld met het vertrouwensbeginsel. De gemachtigde stelt zich voorts nog op het standpunt dat de inleidende beschikking vernietigd dient te worden, omdat deze onbevoegd is opgelegd. Hij betoogt dat de verbalisant enkel en alleen in verband met artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) bevoegd is tegen overtredingen die verband houden met C2-borden op te treden. De gemachtigde verwijst in dit verband naar artikel 3, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar handhaver bij de Dienst Stadsbeheer van de gemeente Den Haag 2014 juncto punt 2 en aanhef van bijlage A-I van de Circulaire Buitengewoon opsporingsambtenaar.

3. Met betrekking tot de bevoegdheid van de ambtenaar overweegt het hof als volgt. Het beroep van de gemachtigde op de onbevoegdheid van de buitengewoon opsporingsambtenaar om de sanctie op te leggen berust op een onjuiste lezing van het bepaalde in Bijlage A-1 Domeinlijst, aanhef en onder 2, bij de Circulaire Buitengewoon Opsporingsambtenaar. Hetgeen daar is vermeld heeft de betekenis, dat de bevoegdheid van de ambtenaar zich dient te beperken tot stilstaand verkeer met uitzondering van het bepaalde in de daarna genoemde artikelen, waaronder artikel 62 van het RVV 1990 voor zover het de C-borden in relatie tot de openbare orde betreft. In dit geval is een sanctie opgelegd voor een overtreding van artikel 62 van het RVV 1990 juncto bord E1. Het betreft hier stilstaand verkeer; immers een geparkeerd voertuig. De ambtenaar was derhalve bevoegd om voor de onderhavige gedraging een sanctie op te leggen.

4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

"Ik zag dat omschreven voertuig geparkeerd stond in strijd met bord E1 bijlage 1 RVV 1990. Ik zag gedurende 10 minuten geen laad/-en los activiteiten."

6. In een aanvullend proces-verbaal van 27 september 2016 verklaart de ambtenaar onder meer het volgende:

''Op vrijdag 9 oktober 2015 heb ik betrokkene niet gesproken en ook geen toestemming gegeven om in strijd met een parkeerverbod te parkeren om vervolgens een bekeuring uit te schrijven. Betrokkene geeft aan dat hij toestemming en verklaring heeft gekregen van parkeerwachters, wie dit geweest kunnen zijn, kan ik niet achterhalen. Bovendien zijn op de pleeglocatie zeven E1 verkeersborden geplaatst, wat inhoudt dat er niet geparkeerd mag worden. Dat een parkeerwachter toestemming geeft om daar toch te parkeren, wetende dat daar gehandhaafd wordt, lijkt mij hoogst onwaarschijnlijk.''

7. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de betrokkene de gedraging niet ontkent, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Vervolgens dient het hof, gelet op het gevoerde verweer, te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.

8. Het hof verwerpt het verweer van de betrokkene dat hij zijn voertuig met toestemming van de ambtenaren ter plaatse heeft geparkeerd. Deze bewering wordt weerlegd door de ambtsedige verklaring van de ambtenaar die op dat moment met de parkeercontrole was belast. Van uitlokking, zoals de gemachtigde stelt, is dan ook geen sprake. Het hof ziet dan ook geen aanleiding voor het achterwege laten van de sanctie of het matigen van het bedrag daarvan.

9. Uit de beslissing van de kantonrechter blijkt dat het standpunt van de gemachtigde, dat de betrokkene toestemming van een ambtenaar zou hebben gekregen om ter plaatse - in strijd met borden E1 - te parkeren, in diens oordeel is betrokken. Dit verweer heeft echter niet geleid tot het vernietigen van de inleidende beschikking, zoals valt te lezen in de op één na laatste alinea voor het dictum van de beslissing van de kantonrechter. Hoewel de kantonrechter niet expliciet is ingegaan op het standpunt van de gemachtigde dat de betrokkene is uitgelokt en dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, leidt dit er niet toe dat de beslissing gebrekkig is gemotiveerd. Door het standpunt te verwerpen dat de betrokkene toestemming zou hebben gekregen, heeft de kantonrechter impliciet het standpunt ten aanzien van de uitlokking en het vertrouwensbeginsel verworpen. Deze standpunten zitten immers ingekapseld in het standpunt dat de betrokkene toestemming zou hebben gekregen om ter plaatse te mogen parkeren. Naar het oordeel van het hof is van een gebrekkige motivering dan ook geen sprake.

10. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter op goede gronden heeft beslist.

11. De gemachtigde betoogt verder nog dat de kantonrechter de proceskostenvergoeding onjuist heeft berekend. De kantonrechter had twee en een halve punt moeten toekennen en niet één punt. Voorts klaagt de gemachtigde over de door de kantonrechter gehanteerde wegingsfactor. De kantonrechter heeft de wegingsfactor 0,25 (zeer licht) toegepast. De gemachtigde meent dat de wegingsfactor 0,5 (licht) had moeten worden toegepast.

12. Het hof ziet geen grond voor het oordeel dat de kantonrechter een hogere wegingsfactor had moeten toepassen. Artikel 13a, eerste lid, van de Wahv brengt mee dat de kantonrechter een zekere beoordelingsruimte heeft bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre een verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding moet worden ingewilligd. Het antwoord op de vraag welke wegingsfactor moet worden toegepast, is afhankelijk van het gewicht van de zaak. Het is bij uitstek de over het beroep oordelende kantonrechter die het gewicht van die zaak kan beoordelen. Deze beoordeling door de kantonrechter kan in hoger beroep slechts marginaal worden getoetst. Niet kan worden geoordeeld dat de kantonrechter in redelijkheid niet de wegingsfactor 0,25 (zeer licht) heeft kunnen toepassen.

13. Ten aanzien van het aantal toe te kennen punten stelt het hof vast dat de gemachtigde een beroepschrift heeft ingediend bij de kantonrechter en dat hij tweemaal is verschenen ter zitting bij de kantonrechter. Dit houdt in dat de kantonrechter twee en een halve punt had moeten toekennen. Dit brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding, zal worden vernietigd en het hof zal doen wat de kantonrechter had behoren te doen.

14. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht die voor vergoeding in aanmerking komen: het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter alsmede het tweemaal verschijnen ter zitting van de kantonrechter, derhalve twee en een halve punt. De waarde per punt bedraagt € 512,–. Dit betekent dat de advocaat-generaal zal worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten van de betrokkene tot een bedrag van € 320,- (=2,5 x € 512,- x 0,25 (de door de kantonrechter gehanteerde wegingsfactor)).

15. De proceskosten in hoger beroep komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het hoger beroepschrift en het verschijnen ter zitting dienen in totaal twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 512,- en omdat het geschil is beperkt tot de proceskostenvergoeding wordt de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 128,-.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding;

bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 448,-.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.