Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:142

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-01-2019
Datum publicatie
04-02-2019
Zaaknummer
200.212.766
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vraag of sprake is van een geldleningsovereenkomst. Art. 7A:1791 e.v. BW (oud). Aard geldleningsovereenkomst staat er niet aan in de weg dat verplichting tot terugbetaling voorwaardelijk wordt aangegaan (zie HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2228). Stelplicht en bewijslast van bestaan van aan terugbetalingsverplichting verbonden voorwaarde. Stelplicht en bewijslast van omstandigheid dat voorwaarde niet (langer) aan nakoming in de weg staat.

Vordering ex art. 843a Rv gedeeltelijk toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/221
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.212.766

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 4755459)

arrest van 8 januari 2019

in de zaak van

[Appellant] ,

wonende te [Woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [Appellant] ,

advocaat: mr. H. Grootjans,

tegen:

[Geïntimeerde] ,

handelend onder de naam: [Eenmanszaak],

wonende te [Woonplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [Geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.E.M. Oude Kempers.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 20 januari 2016, 13 april 2016 en 7 december 2016 die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 28 februari 2017,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.7 van het vonnis van 13 april 2016.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Het gaat in deze zaak om het volgende. [Geïntimeerde] exploiteert de eenmanszaak [Eenmanszaak] en heeft het fotoboek “ [X] ” samengesteld. Het fotoboek is gedrukt in een oplage van 2.000 exemplaren. Voor de realisatie van het fotoboek heeft [Geïntimeerde] in totaal een bedrag van € 33.000,- ontvangen van [Appellant] . Van dit bedrag heeft [Geïntimeerde] een bedrag van in totaal € 13.500,- terugbetaald. Dit bedrag is afkomstig uit de verkoopopbrengst van het boek en van een door “ [Y] ” beschikbaar gesteld bedrag van € 5.000,-.

Naar aanleiding van de vordering van [Appellant] tot terugbetaling van het restant heeft de kantonrechter hem in het tussenvonnis van 13 april 2016 in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat hij met [Geïntimeerde] een overeenkomst van geldlening (artikel 7A:1791 e.v. BW (oud) heeft gesloten inhoudende dat [Appellant] aan [Geïntimeerde] € 33.000,- heeft geleend (welk bedrag door [Geïntimeerde] (geheel) terugbetaald dient te worden).

Na getuigenverhoren en conclusiewisseling heeft de kantonrechter in zijn eindvonnis de vordering van [Appellant] afgewezen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [Appellant] het bewijs dat sprake is van een overeenkomst van geldlening ex artikel 7A:1791 e.v. BW (oud) niet geleverd. De kantonrechter heeft geoordeeld dat niet is vast komen te staan dat [Geïntimeerde] de mededeling van [Appellant] bij de overmakingen (“lening”) en daarmee de terugbetalingsverplichting van het volledige bedrag heeft aanvaard of dat hij geacht moet worden deze te hebben aanvaard, aldus de kantonrechter. Tegen dat oordeel komt [Appellant] in hoger beroep met een aantal, niet genummerde grieven op.

4.2

Het hof is, anders dan de kantonrechter, van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat sprake is van een geldleningsovereenkomst tussen [Appellant] en [Geïntimeerde] . Daartoe overweegt het hof dat uit de door [Appellant] overgelegde bankafschriften volgt dat [Appellant] op 19 oktober 2012 een bedrag van € 20.000,- en op 25 maart 2013 een bedrag van € 13.000,- heeft overgemaakt naar de bankrekening van de eenmanszaak van [Geïntimeerde] onder vermelding van respectievelijk “lening ivm [X] ” en “lening ivm boek”. [Geïntimeerde] heeft erkend dat hij de bedragen van [Appellant] heeft ontvangen. Ook staat voldoende vast dat er - ook in de visie van [Geïntimeerde] - een verplichting tot terugbetaling bestaat, nu [Geïntimeerde] inmiddels een bedrag van in totaal € 13.500,- aan [Appellant] heeft terugbetaald. [Geïntimeerde] betoogt dat geen sprake is van een geldleningsovereenkomst, aangezien is overeengekomen dat het geldbedrag slechts behoeft te worden terugbetaald voor zover de verkoopopbrengst dit toe zou laten. Dat betoog faalt. De aard van de overeenkomst van geldlening staat er immers niet aan in de weg dat de verplichting tot terugbetaling voorwaardelijk kan worden aangegaan (zie Hoge Raad 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2228).

4.3

De stelling van [Geïntimeerde] dat aan de verplichting tot terugbetaling van de lening een voorwaarde is verbonden - te weten dat uitsluitend de inkomsten uit de verkoop van het boek moesten worden terugbetaald - die aan de vordering tot nakoming in de weg staat, is een bevrijdend verweer waarvan de stelplicht en bewijslast rusten op degene die zich daarop beroept (zie Hoge Raad 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2228). Naar het oordeel van het hof staat de door [Geïntimeerde] gestelde voorwaarde dat hij uitsluitend de inkomsten uit de verkoop van het boek aan [Appellant] dient terug te betalen, bij gebrek aan een voldoende gemotiveerde betwisting hiervan door [Appellant] , voldoende vast. [Appellant] heeft onvoldoende weersproken dat [Geïntimeerde] hem meerdere malen heeft medegedeeld dat hij het risico van een onvoldoende verkoopopbrengst niet kon dragen en dat [Appellant] daarop telkens heeft geantwoord in de zin van “Maak je niet druk, het komt allemaal goed” en dat hij wel zou zien “wat er terugkwam”. Van belang is voorts dat sprake is geweest van actieve bemoeienis van [Appellant] bij de uitgifte van het boek. Ter zitting bij de kantonrechter heeft [Appellant] gesproken over “participeren” in het project van [Geïntimeerde] . [Appellant] heeft [Geïntimeerde] geadviseerd de boeken in een oplage van 2.000 te laten drukken in plaats van in de door [Geïntimeerde] voorgestelde oplage van 1.000. Daarbij heeft [Appellant] volgens zijn verklaring ter zitting bij de kantonrechter de woorden gebruikt: “Dan kun je beter de hogere oplage (…) bestellen, dan kun je mij wel terugbetalen”. Ook deze verklaring van [Appellant] duidt erop dat aan de verplichting tot terugbetaling de door [Geïntimeerde] bedoelde voorwaarde is verbonden.

4.4

De stelling van [Appellant] dat [Geïntimeerde] op basis van artikel 7A:1798 BW (oud) de rechter wat betreft zijn terugbetalingsverplichting om een termijn of om vaststelling van de gestelde voorwaarden had moeten vragen, wordt niet gevolgd. De in artikel 7A:1798 BW (oud) besloten liggende bevoegdheid van de rechter past immers niet indien, zoals in het onderhavige geval, sprake is van een opschortende voorwaarde, omdat dan de werking van de verbintenis tot terugbetaling afhankelijk is gesteld van een toekomstige, objectief onzekere gebeurtenis (zie Hoge Raad 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2228).

4.5

Uitgaande van het bestaan van de in rechtsoverweging 4.3 bedoelde voorwaarde, rusten op [Appellant] als de partij die nakoming verlangt, de stelplicht en bewijslast dat de voorwaarde niet (langer) aan nakoming in de weg staat (zie Hoge Raad 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2228). Ten aanzien hiervan overweegt het hof dat [Appellant] weliswaar heeft aangevoerd dat het boek nog steeds wordt verkocht en dat [Geïntimeerde] dit tijdens het getuigenverhoor bij de kantonrechter heeft erkend maar naar het oordeel van het hof heeft [Appellant] daartegen onvoldoende onderbouwd aangevoerd dat de verkoop van het boek minimaal zoveel heeft opgebracht als de geleende bedragen. Daarmee is de primaire vordering van [Appellant] niet toewijsbaar.

4.6

Gelet op het falen van de primaire vordering, komt het hof toe aan de subsidiaire vordering. Met [Geïntimeerde] kwalificeert het hof het eerste deel van deze vordering als een vordering in de zin van artikel 843a Rv. [Appellant] vordert immers inzage in de volledige administratie van [Geïntimeerde] met betrekking tot de kosten en opbrengsten van het uitgegeven boek tot en met heden. Daarnaast vordert [Appellant] dat [Geïntimeerde] halfjaarlijks een overzicht van de opbrengsten en verkopen van het boek, onderbouwd met stukken, aan [Appellant] verstrekt, onder gelijktijdige betaling van de opbrengsten aan [Appellant] .

4.7

Ten aanzien van de vraag of een vordering tot overlegging van of inzage in bescheiden voor toewijzing in aanmerking komt, stelt het hof voorop dat artikel 843a Rv niet voorziet in een onbeperkt recht op inzage van bescheiden jegens degene die deze te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, maar dat deze bepaling dat recht afhankelijk stelt van een aantal cumulatieve vereisten. Op grond van het eerste lid van artikel 843a Rv moet de eiser een rechtmatig belang hebben bij de inzage, en moet het daarbij gaan om inzage van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn.

Ook indien aan voormelde vereisten is voldaan, kan de vordering desondanks worden afgewezen wegens gewichtige redenen of omdat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat ook zonder de gevorderde gegevens een behoorlijke rechtsbedeling is gewaarborgd.

4.8

Het hof stelt vast dat de door [Appellant] genoemde bescheiden voldoende concreet zijn en betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij [Appellant] en [Geïntimeerde] partij zijn, te weten de overeenkomst van geldlening. [Appellant] heeft een rechtmatig belang bij zijn vordering voor zover dit betreft de inzage in de administratie met betrekking tot de kosten en opbrengsten van het uitgegeven boek tot en met heden. [Appellant] kan door middel van deze administratie immers controleren of de door [Geïntimeerde] opgegeven verkoopopbrengsten van het boek juist zijn.

Naar het oordeel van het hof heeft [Appellant] ook rechtmatig belang bij de verstrekking door [Geïntimeerde] van een halfjaarlijks overzicht van de opbrengsten en verkopen van het boek, onder gelijktijdige betaling van de opbrengsten, maar deze voor [Geïntimeerde] geldende verplichting zal moeten worden beperkt in de tijd. Aannemelijk is immers dat de verkoop van het boek terugloopt; [Geïntimeerde] heeft tijdens het getuigenverhoor bij de kantonrechter verklaard dat nog slechts sporadisch boeken worden verkocht. Teneinde hieromtrent inlichtingen te verkrijgen en opdat kan worden onderzocht of partijen het ten aanzien van dit resterende deel van de subsidiaire vordering met elkaar eens kunnen worden, zal het hof een comparitie van partijen gelasten. [Geïntimeerde] dient voorafgaand aan deze comparitie een afschrift van de administratie met betrekking tot de kosten en opbrengsten van het uitgegeven boek tot en met heden in het geding te brengen.

5 De slotsom

5.1

Het hof zal een comparitie van partijen gelasten teneinde inlichtingen te verkrijgen en een regeling te beproeven.

5.2

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bepaalt dat partijen in persoon samen met hun advocaten zullen verschijnen voor het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. C.J.H.G. Bronzwaer, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een nader door deze te bepalen dag en tijdstip, voor het in rechtsoverweging 4.8 omschreven doel;

bij deze comparitie bestaat geen gelegenheid om pleitnotities voor te dragen;

bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten over de periode van februari 2019 tot en met juni 2019 zullen opgeven op de roldatum 22 januari 2019, waarna dag en uur van de comparitie door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

deelt partijen mee dat, nu is bepaald dat de comparitie zal worden gehouden ten overstaan van een raadsheer-commissaris, partijen gelegenheid hebben om op dezelfde roldatum te verzoeken dat de comparitie zal worden gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen (zie Hoge Raad 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:976); bij voornoemd verzoek dienen tevens de verhinderdata van beide partijen over de periode van juli 2019 tot en met december 2019 te worden opgegeven;

bepaalt dat [Geïntimeerde] een afschrift van de stukken als bedoeld in rechtsoverweging 4.8 in het geding dient te brengen en dat [Geïntimeerde] ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van die stukken hebben ontvangen;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van de comparitie van partijen nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat de raadsheer-commissaris en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, C.J.H.G. Bronzwaer en H.N. Schelhaas en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2019.