Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:1405

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-02-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
WAHV 200.213.642
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeerverbodszone. Bord E1. Aan het onderbord 'verboden op of aan de weg containers te plaatsen APV 2.1.5.1' komt niet de betekenis toe dat het parkeerverbod slechts gelding heeft voor containers. Onderborden kunnen bij verkeersborden die een gebod of verbod aanduiden een beperking van de werkingssfeer van die verkeersborden inhouden. Dat is hier niet het geval.

Er was geen sprake van een zodanige verwarrende situatie dat de betrokkene in redelijkheid geen verwijt kan worden gemaakt van deze gedraging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.213.642

13 februari 2019

CJIB 189020476

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant

van 11 november 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] .

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 28 november 2018 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Op 14 december 2018 is aanvullende informatie ontvangen van de advocaat-generaal.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren.

Hiervan is bij brief van 7 januari 2019 gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld op de zitting van 30 januari 2019. De betrokkene is verschenen.
De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [B] .

Beoordeling

1. Op grond van de inhoud van het tussenarrest zal het hof de beslissingen van de kantonrechter vernietigen. Gelet hierop behoeven de overige bezwaren tegen de beslissingen van de kantonrechter geen bespreking meer. Vervolgens zal het hof het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.

2. Aan de betrokkene is als kentekenhouder een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “parkeren in strijd met parkeerverbod/parkeerverbodszone (bord E1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 1 april 2015 om 13:15 uur op de Heivelden te Heeze met het voertuig met het kenteken [0-YYY-00] .

3. De betrokkene voert in hoger beroep aan dat de situatie ter plekke erg verwarrend is. Hij heeft zijn voertuig, een camper, in afwachting van herstel door een garage, geparkeerd op een groot plein. Het plein is ongeveer 50 bij 50 meter groot en wordt aan drie zijden omringd door loodsen. Zijn camper stond aan de andere, de vierde, zijde geparkeerd. Deze zijde gaat over in gras. Hier stonden, zo stelt de betrokkene, meerdere voertuigen geparkeerd. Hij heeft ook een verklaring overgelegd van ene [C] . Uit deze verklaring volgt dat ook [C] ter plekke heeft geparkeerd en dat ook die persoon van mening is dat situatie ter plekke verwarrend is. Ook heeft de betrokkene bij zijn hoger beroepschrift een foto bijgesloten van de locatie waar hij zijn camper heeft geparkeerd. De betrokkene is van mening dat de inrichting van het plein het parkeerverbod niet ondersteunt. Onduidelijk is welk deel privéterrein is en welk deel openbaar terrein. Bovendien wordt volgens hem de werking van het bord E1 beperkt door het onderbord met de tekst: ''verboden op of aan de weg containers te plaatsen (APV 2.1.5.1).'' Tot slot voert hij aan dat meerdere voertuigen zonder sanctie zijn gebleven.

4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

5. Het dossier bevat een aanvullend proces-verbaal van 24 juni 2015. Hierin verklaart de ambtenaar - voor zover van belang - het volgende:

''Op 1 april 2015, omstreeks 13.15 uur, bevond ik mij, verbalisant, [D] , op de voor de openbaar verkeer openstaande weg Heivelden te Heeze. (…)

Op bovengenoemde datum en tijdstip zag ik een camper, van het merk Fiat, type Hymercamp, kleur wit en voorzien van het kenteken [0-YYY-00] op de bovengenoemde weg geparkeerd staan. Voorts was er te zien dat eerder genoemde straat binnen een parkeerverbodszone valt. Welke is vermeld in de bijlage van het RVV 1990 onder bord E1 van de bijlage 1 van het RVV 1990 in ''zone'' uitvoering als bedoeld in art. 66 van het RVV 1990 aangegeven. Ik verbalisant heb per vergissing de locatie Heiveld gebruikt in plaats van Heivelden. Ik verbalisant heb na een eerdere klacht bij de gemeente de desbetreffende eigenaar van de garage en zijn buurman al eerder gewaarschuwd dat het niet is toegestaan om op de gemeentegrond aanhangers en voertuigen te parkeren. Ik verbalisant heb op de pleegdatum de garagehouder weer hierop aangesproken en hem medegedeeld dat ik de voertuigen die op gemeentegrond en in een parkeerverbodszone geparkeerd stonden ging verbaliseren. Ik verbalisant heb de garagehouder nog wel de gelegenheid gegeven om de voertuigen van zijn klanten op zijn grond te parkeren. Ik verbalisant heb daarna meerdere voertuigen geverbaliseerd waaronder het bovengenoemde voertuig voor parkeren in een parkeerverbodszone. De parkeerverbodszone was op het moment dat deze beschikking is uitgeschreven sluitend. Door de gemeente zijn er geen uitgeschreven verbalen geseponeerd. (…)''

6. In geding is allereerst de vraag of de plaats waar het betreffende voertuig zich bevond tot de openbare weg behoort en of de wegenverkeerswetgeving van toepassing is.

7. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) moet onder het begrip wegen worden verstaan:

''alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.''

8. Voor de beantwoording van de vraag of een (particulier) terrein als een voor het openbaar verkeer openstaande weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid aanhef en onder b, van de WVW 1994 moet worden aangemerkt, is beslissend of het terrein feitelijk voor het openbaar verkeer openstaat. Daarvoor zijn van belang de feitelijke omstandigheden, zoals of door de rechthebbende(n) wordt geduld dat het algemene verkeer gebruik maakt van het terrein (vgl. HR 8 april 1997, VR 1998, 2).

9. Uit de foto's in het dossier, alsmede de foto's uit Google Maps Streetview die door de advocaat-generaal in hoger beroep zijn overgelegd, leidt het hof het volgende af. De Heivelden te Heeze is een korte, met grijze klinkers bestraatte doodlopende straat. Na circa 200 meter maakt deze straat een bocht naar links. Vervolgens kun je niet verder; de straat loopt dood. Aan de linkerzijde staat een bedrijfsloods en aan de rechterzijde is een grasveld waarneembaar. De weg is daar redelijk breed. De camper van de betrokkene stond, gelet op de door hem zelf overgelegde foto, geparkeerd op de met grijze klinkers bestraatte weg naast het grasveld.

10. Het hof stelt vast dat de plaats waar het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd feitelijk voor het openbaar verkeer openstond, nu de beheerder van dit terrein niet de feitelijke mogelijkheid heeft geschapen om desgewenst weggebruikers de toegang tot deze plaats te ontzeggen (vgl. Hoge Raad 16 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9494, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl). Het gedeelte waar de betrokkene zijn voertuig had geparkeerd was vanaf de weg toegankelijk en was niet afgesloten voor het verkeer. Dit brengt mee dat de bij en krachtens de WVW 1994 geldende geboden en verboden aldaar onverkort gelden en gehandhaafd kunnen worden, hetgeen als gevolg heeft dat de Wahv eveneens van toepassing is op gevallen als de onderhavige.

11. Onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) jo. bord E1. Artikel 62 van het RVV 1990 houdt in:

''Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.''

Het bord E1 uit bijlage 1 van het RVV 1990 duidt een algeheel parkeerverbod aan.

12. Artikel 66, eerste lid, van het RVV 1990 luidt als volgt:

''Indien boven een verkeersbord het woord “zone” is aangebracht en een aanduiding van het gebied van de zone is toegevoegd, geldt het verkeersbord in het aldus aangeduide gebied.''

13. Het hof ziet in hetgeen de betrokkene aanvoert geen reden te twijfelen aan de juistheid van de waarneming van de ambtenaar dat het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd in strijd met een parkeerverbod. Niet is betwist dat ter plaatse een (zone)bord E1 is geplaatst. Ten aanzien van het onderbord overweegt het hof dat de op het onderbord weergegeven tekst "verboden op of aan de weg containers te plaatsen (APV 2.1.5.1)" naar het oordeel van het hof niet de door de betrokkene aangedragen betekenis kan dragen. Het valt niet in te zien waarom aan deze tekst de betekenis zou toekomen dat het parkeerverbod slechts gelding heeft voor containers. Het onderbord ziet, zoals de vertegenwoordiger van de advocaat-generaal ook in het verweerschrift heeft opgemerkt, op een verbod uit hoofde van een heel andere norm. Gelet op artikel 8, tweede lid onder b, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer kunnen onderborden bij verkeersborden die een gebod of verbod aanduiden een beperking van de werkingssfeer van die verkeersborden inhouden. In dit geval is er, gelet op het vorenstaande, geen sprake van een beperking van de werkingssfeer van het bord E1. De betrokkene heeft derhalve zijn voertuig in strijd met een parkeerverbod geparkeerd.

14. Vervolgens dient het hof, gelet op het verweer van de betrokkene, te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen (vgl. artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv).

15. Gelet op de foto's van de pleeglocatie was er naar het oordeel van het hof geen sprake van een zodanig verwarrende situatie dat de betrokkene in redelijkheid geen verwijt kan worden gemaakt van deze gedraging.

16. Evenmin bestaat aanleiding de inleidende beschikking te vernietigen wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel. Voor zover de andere voertuigen die ter plaatse geparkeerd stonden om welke reden dan ook geen sanctie opgelegd hebben gekregen brengt dit niet mee dat ook de betrokkene, die de gedraging heeft verricht, daarvan gevrijwaard zou moeten blijven. Immers, van schending van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de betrokkene zou slechts dan sprake zijn indien zonder (juridisch) geldige reden ten nadele van de betrokkene zou zijn afgeweken van het met betrekking tot gedragingen als de onderhavige geldende beleid (vgl. Hof Leeuwarden 8 oktober 2003, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHLEE:2003:AM5326). Daarvan is niet gebleken.

17. Gelet op het voorgaande ziet het hof in hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd geen omstandigheden die het opleggen van een sanctie niet billijken dan wel matiging daarvan rechtvaardigen.

18. De slotsom is dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie - gelet op het voorgaande - ongegrond is.

19. Het hof acht termen aanwezig om een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de reiskosten die de betrokkene heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting in hoger beroep. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden reiskosten vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Ingevolge die bepaling wordt een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Dit komt neer op een bedrag van € 51,40 ( [A] - Leeuwarden v.v. per trein).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissingen van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 51,40.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.