Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:1311

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-02-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
WAHV 200.233.160
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zekerheidstelling. Draagkrachtverweer. De draagkracht van de betrokkene dient te worden beoordeeld op het moment dat de betrokkene zekerheid moet stellen. De kantonrechter had in dit geval niet in redelijkheid tot het besluit kunnen komen om het draagkrachtverweer te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2019/116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.233.160

12 februari 2019

CJIB 199658125

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag

van 22 december 2017

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. In hoger beroep is niet bestreden dat de betrokkene niet binnen de door de kantonrechter gestelde termijn het door de kantonrechter bepaalde bedrag aan zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en de administratiekosten.

2. Namens de betrokkene is - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat het stellen van zekerheid in de onderhavige zaak strijd oplevert met het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), nu van de betrokkene gelet op zijn financiële situatie niet verlangd mocht worden dat zekerheid werd gesteld en hij derhalve wordt belemmerd in zijn recht op een vrije toegang tot een onafhankelijke rechter. De kantonrechter heeft geen acht geslagen op hiertoe aangedragen stukken. De betrokkene ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet maar deze uitkering is stopgezet en hij heeft derhalve in het geheel geen inkomsten meer.

3. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een zekerheidstelling ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: Wahv) in het algemeen niet in de weg zal staan aan de toegang tot de rechter.

4. Op het voorgaande dient een uitzondering te worden gemaakt, indien de hoogte van het gevraagde bedrag aan zekerheid gelet op de financiële omstandigheden van de betrokkene een zodanige belemmering oplevert, dat toepassing van het stelsel van zekerheidstelling in het onderhavige geval zou neerkomen op een ontoelaatbare beperking van het in artikel 6 van het EVRM gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie.

5. Dit brengt, ook gelet op het arrest van het hof van 17 februari 2014 (gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2014:1139) mee dat, indien een betrokkene in de procedure bij de kantonrechter met redenen omkleed aanvoert dat hij niet (terstond) in staat is zekerheid te stellen tot het totale van hem verlangde bedrag, de kantonrechter, tenzij hij het daaromtrent aangevoerde reeds aanstonds aannemelijk acht, de betrokkene in de gelegenheid zal moeten stellen op een openbare zitting te worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht.

6. Acht de kantonrechter het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht gegrond, dan zal hij het bepaalde in artikel 11, derde lid (oud), van de Wahv in zoverre buiten toepassing moeten laten als in overeenstemming is met de draagkracht van de betrokkene. Zonodig zal aan de betrokkene een nadere termijn moeten worden gegund waarbinnen hij alsnog de door de kantonrechter vastgestelde zekerheid kan stellen.

7. Acht de kantonrechter het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht ongegrond, dan dient de kantonrechter de betrokkene een nadere termijn te gunnen om alsnog het volledige bedrag van de zekerheidstelling te voldoen.

8. Uit het dossier blijkt het volgende. Bij brief van 4 oktober 2017 heeft de griffier van de rechtbank, in reactie op het gevoerde draagkrachtverweer, de gemachtigde van de betrokkene opgeroepen voor een zitting op 8 november 2017. In die brief is aan de gemachtigde meegedeeld dat hij ter zitting de gelegenheid krijgt de financiële situatie van de betrokkene nader te onderbouwen. Uit het proces-verbaal volgt dat de gemachtigde en de betrokkene ter zitting zijn verschenen. De kantonrechter heeft vervolgens geoordeeld dat er onvoldoende aanleiding bestaat om het bedrag van de door de betrokkene te stellen zekerheid te verlagen. Aan de betrokkene is voorts tot 30 november 2017 de tijd gegeven om dit bedrag te voldoen. Betaling is echter uitgebleven. De kantonrechter heeft vervolgens bij de op

22 december 2017 gegeven beslissing het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen zekerheid is gesteld.

9. Voorafgaand aan de zitting van de kantonrechter van 8 november 2017 heeft de gemachtigde enkele stukken overgelegd die betrekking hebben op de financiële situatie van de betrokkene. Onder deze stukken bevinden zich onder meer bankafschriften. Ter zitting heeft de gemachtigde naar voren gebracht dat de betrokkene geen inkomsten meer uit werk heeft en dat zijn aanvullende Werkloosheidsuitkering is stopgezet. De kantonrechter heeft vervolgens het draagkrachtverweer verworpen en daarbij -naast de hoogte van de sanctie- in overweging genomen dat de betrokkene op het moment van het indienen van het beroep bij de kantonrechter inkomsten uit werk had, dat hij thuiswonend is en dat hij ter zitting heeft verklaard niet tot betaling van zekerheid te zijn overgegaan omdat hij de sanctie onterecht vindt.

10. De door de kantonrechter gebruikte motivering kan zijn beslissing niet dragen. De kantonrechter dient, naar aanleiding van het gevoerde draagkrachtverweer, te beoordelen of en zo ja in hoeverre de betrokkene financieel in staat is om zekerheid te stellen en wel binnen de door de kantonrechter te stellen termijn. Daartoe is niet relevant dat de betrokkene op het moment van indienen van het beroep inkomsten uit werk had of dat de betrokkene niet tot betaling is overgegaan omdat hij de sanctie onterecht vindt. Dat de betrokkene thuiswonend is, kan er op wijzen dat hij geen woonlasten heeft, maar brengt op zichzelf niet mee dat zekerheid kan worden gesteld. Het aan zekerheid te stellen bedrag bedraagt hier € 99,-. Gegeven de omstandigheid dat betrokkene ten tijde van de beoordeling van het draagkrachtverweer geen inkomsten had en uit de overgelegde bankafschriften geen enkele financiële ruimte voor het stellen van zekerheid blijkt, heeft de kantonrechter niet in redelijkheid tot het besluit kunnen komen om het draagkrachtverweer te verwerpen en te bepalen dat de betrokkene uiterlijk op 30 november 2017 zekerheid moet hebben gesteld.

11. Het voorgaande brengt mee dat de bestreden beslissing niet in stand kan blijven. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en de zaak ingevolge het bepaalde in artikel 20d, tweede lid, van de Wahv terugwijzen naar de rechtbank.

12. De proceskosten in hoger beroep komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient een procespunt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 512,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 256,-.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank Den Haag ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 256,-.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.