Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:1306

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-02-2019
Datum publicatie
16-05-2019
Zaaknummer
200.227.157
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geding na cassatie/verwijzing HR 14 juni 2017. Brand veroorzaakt door gevaarzettend (nalaten) handelen. Schadevergoeding o.g.v. onrechtmatige daad.

In dit geding na cassatie/verwijzing HR 14 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1353 gaat het om de juridische nasleep van de oorzaak van een brand. Anders dan het hof ’s Hertogenbosch oordeelt het hof Arnhem-Leeuwarden dat bewezen is dat de brand is veroorzaakt door gevaarzettend handelen van geïntimeerde (zonder toezicht pannen op het vuur laten staan). Het verwijzingshof komt dan voorts toe aan het bepalen van de omvang van de schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0750
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.227.157

(zaaknummer Hoge Raad: 16/01947, gerechtshof ’s-Hertogenbosch: HD 200.122.476, rechtbank Breda: 214938)

arrest na verwijzing van 12 februari 2019

in de zaak van

1 [appellant 1] ,

2. [appellant 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten in het principale appel,

geïntimeerden in het incidentele appel,

in eerste aanleg: eisers,

verder te noemen: [appellanten ] ,

advocaat: mr. J.P. de Man,

tegen

[geïntimeerde] , weduwe van [x] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principale appel,

appellante in het incidentele appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

verder te noemen: [geïntimeerden]

advocaat: mr. M. Bouman.

1 Het procedurele verloop van het geding na verwijzing

1.1

In het tussenarrest van 3 april 2018 heeft het hof een (meervoudige) comparitie van partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2018. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waaraan is gehecht de pleitnota van mr. De Man. Het proces-verbaal is aan partijen verzonden.

1.2

Partijen hebben ter gelegenheid van deze comparitie de stukken overgelegd (procedures bij rechtbank, hof en Hoge Raad en de stukken na verwijzing, zoals opgenomen onder 2. van het tussenarrest van 3 maart 2018). Partijen hebben arrest gevraagd en het hof heeft arrest bepaald.

2 De beoordeling

Feitenrelaas

2.1

Het gaat in dit geding, verkort weergegeven, om het volgende. Op 28 november 2007 heeft een brand gewoed in een (gedeelte van het) pand te [woonplaats] , dat in eigendom toebehoort aan [appellanten ] en dat toen (voor dat gedeelte) bewoond (en gehuurd) werd door [geïntimeerden] met haar echtgenoot. De beide echtparen bewoonden ieder een gedeelte van het pand (als twee woningen onder een kap). [appellanten ] waren tegen het risico van brandschade verzekerd bij Delta Lloyd en voorafgaande aan de brand bezig met een omvangrijke verbouwing/renovatie van het gehele pand. Door de brand is het gehele (verbouwde/gerenoveerde) pand verwoest en bij de afwikkeling van de (brand)schade bleek sprake te zijn van een flinke onderverzekering. Daarop hebben [appellanten ] [geïntimeerden] en wijlen haar echtgenoot aansprakelijk gesteld voor de overige niet door de verzekeraar vergoede schade; [geïntimeerden] en haar echtgenoot hebben vervolgens hun WA-verzekeraar Interpolis hiervoor ingeschakeld. Daarna hebben verzekeraars van partijen ieder hun eigen experts ingezet om de oorzaak van de brand, die begon in de keuken van [geïntimeerden] , te kunnen achterhalen; dezen hebben gerapporteerd in december 2007 (onderzoeker [onderzoeker Delta Lloyd] ) en januari 2008 (schade-expert [schade-expert] ). In maart en augustus 2009 zijn getuigen gehoord in het kader van een voorlopig getuigenverhoor. Tot slot heeft op verzoek van Delta Lloyd een analyse plaatsgevonden van het dossier door [maker analyse voor Delta Lloyd] ; hiervan is een rapport opgemaakt van 26 mei 2009.

De rechtbank- en hofprocedure voor verwijzing

2.2

Met de inleidende dagvaarding van 22 januari 2010 hebben [appellanten ] de procedure gestart tegen [geïntimeerden] (en wijlen haar echtgenoot) en een verklaring voor recht gevorderd dat [geïntimeerden] (en wijlen haar echtgenoot) aansprakelijk is (zijn) voor de schade als gevolg van de brand en haar (hen) te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 598.109,- met nevenvorderingen. De rechtbank heeft de vorderingen bij eindvonnis van 7 november 2012 grotendeels toegewezen. Daarop hebben [appellanten ] (principaal) hoger beroep ingesteld en [geïntimeerden] (inmiddels weduwe geworden) heeft op haar beurt incidenteel hoger beroep ingesteld. In het tussenarrest van 17 juni 2014 heeft het hof ’s-Hertogenbosch in rechtsoverweging (rov.) 4.8 geoordeeld dat het door de rechtbank gehanteerde uitgangspunt dat het aan [appellanten ] is om de toedracht van de brand te bewijzen juist is en dat, wanneer komt vast te staan dat [geïntimeerden] het vuur [van het gasfornuis in de keuken] heeft laten aanstaan en dat hierin de oorzaak van de brand is gelegen, zij daardoor jegens [appellanten ] onrechtmatig heeft gehandeld, dat dit aan haar kan worden toegerekend en dat zij in dat geval gehouden is de daardoor ontstane schade aan [appellanten ] te vergoeden. Voorts heeft het hof het wenselijk geacht om een deskundige in te schakelen ter beantwoording van de vraag of op basis van de stukken (verklaringen, rapporten, foto’s), kort gezegd, de brand is veroorzaakt door (het gedrag van) [geïntimeerden] . Daarna is als deskundige benoemd de heer M. Brugman, verbonden aan I-TEK B.V.; deze heeft een rapport opgesteld van 26 mei 2015. In het tussenarrest van 29 september 2015 heeft het hof in rov. 10.3 verwezen naar de uitgangspunten zoals verwoord in de rechtsoverwegingen 4.10 en 4.11 van het tussenarrest van 17 juni 2014 en in de bevindingen van de deskundige Brugman geen grond gezien om deze uitgangspunten te verlaten. In rov. 10.4 is het hof tot de slotsom gekomen dat de oorzaak van de brand niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld, zodat ook de aansprakelijkheid van [geïntimeerden] daarvoor niet is komen vast te staan. In het eindarrest van 12 januari 2016 heeft het hof zijn slotsom herhaald, met als consequentie dat de grondslag aan de vorderingen van [appellanten ] is komen te ontvallen en daarmee afgewezen moesten worden (rov. 13.5). Ten slotte heeft het hof (in rov. 13.6) de grieven (in principaal appel) van [appellanten ] verworpen en de grieven (in incidenteel appel) van [geïntimeerden] laten slagen. Met vernietiging van de bestreden vonnissen en opnieuw recht doende heeft het hof de vorderingen van [appellanten ] afgewezen.

Het geding in cassatie

2.3

[appellanten ] hebben tegen de genoemde arresten van het hof ’s-Hertogenbosch (principaal) cassatieberoep ingesteld; [geïntimeerden] heeft op haar beurt voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. [appellanten ] zijn met (cassatie)middel I opgekomen tegen het oordeel van het hof in rov. 4.8 van het tussenarrest van 17 juni 2014, rov. 10.4 van het tussenarrest van 29 september 2015 en de rov. 13.5 en 13.6 van het eindarrest van 12 januari 2016. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 14 juli 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1353) hierover het volgende geoordeeld:

“4.2 Bij de beoordeling van het middel dienen, mede in het licht van hetgeen het hof heeft overwogen naar aanleiding van het rapport van de deskundige, de volgende omstandigheden in aanmerking te worden genomen:

(i) het gaat hier om een brand die in de keuken is ontstaan;

(ii) [geïntimeerden] was in die keuken eten aan het koken toen zij het huis verliet;

(iii) er bestaat geen discussie over de juistheid van de bevinding van onderzoeker [onderzoeker Delta Lloyd] dat drie gaskranen (deels) openstonden;

(iv) volgens de door het hof benoemde deskundige is de meest aannemelijke oorzaak van de brand dat de vlam is geslagen in een pan met jus, vet of olie (waaraan hij nog heeft toegevoegd dat hiervan evengoed sprake kan zijn geweest in een pan met groente);

(v) de deskundige heeft opgemerkt dat een andere oorzaak van de brand niet geheel kan worden uitgesloten, maar blijkens zijn rapport ontbreken concrete aanwijzingen voor een andere oorzaak en bevat het rapport van deskundige [maker analyse voor Delta Lloyd] dienaangaande “slechts aannames”.

4.3

Het oordeel van het hof in zijn eerste [17 juni 2014, toev. hof Arnhem-Leeuwarden] en derde tussenarrest [29 september 2015, toev. hof Arnhem-Leeuwarden] komt erop neer dat ondanks de in 4.2 genoemde omstandigheden zoveel onzekerheid over het causaal verband is blijven bestaan dat dit verband niet kan worden aangenomen. Dat oordeel is zonder nadere motivering onbegrijpelijk, nu uit die omstandigheden zonder meer kan volgen dat de brand is veroorzaakt doordat de vlam is geslagen in een pan met brandbaar materiaal en het hof niet in de motivering van zijn oordeel heeft betrokken hoe waarschijnlijk het is dat de brand door een andere oorzaak is ontstaan. De op het voorgaande gerichte klachten van het middel treffen doel.”

De overige klachten van de middelen kunnen niet tot cassatie leiden, aldus de Hoge Raad in rov. 4.4. Omdat middel I in principaal beroep doel treft is de voorwaarde waaronder het incidenteel beroep is ingesteld vervuld en is ook dit middel door de Hoge Raad beoordeeld. Het middel in incidenteel beroep is gericht tegen rov. 4.8 van het tussenarrest van 17 juni 2014 (door dit verwijzingshof weergegeven onder rov. 2.2 van dit arrest). De Hoge Raad heeft de klachten van het middel in incidenteel beroep verworpen onder verwijzing naar artikel 81 lid 1 RO. Tot slot heeft de Hoge Raad de arresten van het hof ’s-Hertogenbosch van 17 juni 2014, 29 september 205 en 12 januari 2016 vernietigd en het geding verwezen naar dit hof ter verdere behandeling en beslissing.

Het geding na cassatie en verwijzing

2.4

Krachtens artikel 424 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt de behandeling van de zaak door dit verwijzingshof voortgezet en beslist met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad. Dat betekent dat dit verwijzingshof voor de beoordeling van de zaak ervan moet uitgaan dat het aan [appellanten ] is om de toedracht van de brand te bewijzen en dat, wanneer komt vast te staan dat [geïntimeerden] het vuur van het gasfornuis in de keuken heeft laten aanstaan en dat hierin de oorzaak van de brand is gelegen, zij daardoor jegens [geïntimeerden] onrechtmatig heeft gehandeld, dat dit aan haar kan worden toegerekend en dat zij in dat geval gehouden is de daardoor ontstane schade aan [appellanten ] te vergoeden (rov. 4.8 van het tussenarrest van 17 juni 2014). Voorts dient dit verwijzingshof de omstandigheden in acht te nemen die door de Hoge Raad in zijn arrest onder 4.2 zijn opgenomen (en weergegeven onder 2.3 van dit arrest).

De oorzaak van de brand – deskundigenrapporten/-onderzoeken/getuigenverhoren

2.5

De enige (brand)deskundige/technisch onderzoeker die ter plaatse daags na de brand onderzoek heeft verricht is [onderzoeker Delta Lloyd] geweest, in opdracht van Delta Lloyd. Hij heeft zijn bevindingen neergelegd in een e-mailbericht van 3 december 2007 en daarin onder meer geschreven: “Bij mijn onderzoek zag ik dat de brand in de keuken van de zus [dit is [geïntimeerden] , toev. hof] begonnen was en wel bij het gasfornuis. Ik zag dat enkele branders van het gasfornuis open stonden en dat er enkele pannen op het gas stonden, met aardappelen en groenten. Bij navraag bleek dat de zus tegen de vrouw van verzekerde had aangegeven dat ze het eten al had opgezet voordat ze boodschappen ging doen. (…) Het staat voor mij vast dat de brand in de keuken van de zus van verzekerde is ontstaan. Hoogstwaarschijnlijk is het vuur in de pan geslagen en zijn daarna de gordijnen, die op ongeveer 50 cm van het gasfornuis hingen, in brand geraakt. (…) Mijn advies is: Afwikkelen volgens de polisvoorwaarden.” [onderzoeker Delta Lloyd] is ook als getuige gehoord op 30 maart 2009 en heeft hierover onder meer nog het volgende verklaard: “Ik zie in mijn stukken dat ik 3 december 2007 intern gerapporteerd heb dat afgewikkeld kon worden conform de polisvoorwaarden. (…) [daarom] heb ik het rapport per e-mail intern verzonden. (…) Wat ik verder heb geconstateerd is dat er beneden in de keuken [van [geïntimeerden] , toev. hof] de enige plek was waar het vuur laag heeft gezeten. (…) Ik heb daar op dat gedeelte puin geruimd. (…) Toen ik het puin had verwijderd trof ik daaronder een 4-pits gasfornuis aan. (…) Ik trof op het gasfornuis één pan aan met het deksel erop. (…) In die pan bevonden zich gedeeltelijk verkoolde aardappelen. Het onderste gedeelte van die aardappelen waren verkoold en het bovenste gedeelte nog niet. Dit betekent dat de aardappelen vanaf de onderzijde te lang verwarmd zijn geweest. Bij een bepaalde temperatuur treedt zelfontbranding van de aardappelen op. (…) Dit betekent weer dat droogkoken heeft plaatsgevonden en de aardappelen in de pan zijn gaan branden. Dit betekent dat de aardappelen in het pannetje op een open vuur hebben gestaan, voordat het tot ontbranding kwam. Ik heb dit vervolgens nader onderzocht door het bovenste gedeelte van het fornuis los te maken van het gehele fornuis en mee te nemen voor nader onderzoek. Ik heb daarbij in het bijzonder gekeken naar de gaskraantjes op het fornuis. (…) Deze gaskraantjes waren van messing en ik kon daaraan goed zien dat 3 van de 4 kraantjes gedeeltelijk openstonden. (…) Of er meer pannen op het gasfornuis stonden kan ik mij nu niet meer precies herinneren (…). Ik kan mij wel herinneren dat ik nog wel in het puin heb gezocht rondom het gasfornuis en dat ik daar nog wel een of meerdere pannen heb gevonden maar die niet op foto heb vastgelegd. Al met al concludeer ik dat het navolgende de oorzaak was van de brand:

- dat er 3 gaskranen openstonden

- dat er op één van de geopende gaspitten een pan stond

- met in die pan aardappelen die aan de onderzijde waren verkoold en de aardappelen niet door andere omgevingshitte waren aangetast

- het brandbeeld was dusdanig, te weten inbranding in V-vorm naar boven, dat de brand bij het gasfornuis moet zijn ontstaan

- er verder in het pand niets gevonden is dat aanleiding voor de brand in het pand kon zijn.”

Op vragen van mr. De Man heeft [onderzoeker Delta Lloyd] verklaard dat hij nog steeds volledig achter de inhoud van zijn e-mail van 3 december 2007 staat, vooral omdat hij zijn bevindingen heeft geschreven kort nadat hij de woning had bezocht. “Voor alle duidelijkheid merk ik op dat daar waar ik heb geschreven dat de vlam in de pan is geslagen, dit betekent dat er sprake is van zelfontbranding van het product dat in de pan zat, in dit geval dus de aardappelen en dat dus de aardappelen in de pan van binnenuit zijn gaan branden. Dat wil dus niet zeggen dat vuur van de omgeving van buitenaf in de pan is geslagen.” Op vragen van mr. Bouman heeft [onderzoeker Delta Lloyd] nog verklaard dat het ook kan zijn dat ook op de andere twee pitten waar pannen op stonden de vlam in die pannen is geslagen, maar dat hij dat niet weet.

2.6

[appellant 1] (appellant sub 1 in het principaal appel) heeft als getuige op 23 maart 2009 onder meer verklaard dat het licht in de schuur waar hij toen werkte uit ging en dat hij buiten zag dat er rook uit het dak van woning kwam, dat hij de brandblusser pakte,

dat de houtkachel in zijn woongedeelte nog rustig brandde, dat zijn zuster op dat moment niet thuis was en dat zij nadien aan hem had verteld dat zij het eten op het fornuis had gezet voordat zij de woning verliet en boodschappen ging doen.

2.7

A. [lid vrijwillige brandweer 1] (lid van de vrijwillige brandweer), die ten tijde van de brand ter plaatse is geweest, heeft als getuige op 23 maart 2009 onder meer verklaard dat hij gezien had dat op het fornuis nog een pannetje stond met wat verkoolde aardappelen erin en dat hij zich kon herinneren dat er ook nog een pan naast het fornuis lag.

2.8

[lid vrijwillige brandweer 2] (lid van de vrijwillige brandweer) die ten tijde van de brand ter plaatse is geweest, heeft als getuige op 23 maart 2009 onder meer verklaard dat hij een pannetje op het fornuis heeft zien staan, dat [lid vrijwillige brandweer 1] de deksel van het pannetje haalde en dat zij zwart geblakerde aardappelen zagen. “Op de linkerpit stond iets wat volledig versmolten was. Ik denk een steelpannetje.”

2.9

[appellant 2] (appellante sub 2 in het principaal appel) heeft als getuige op 30 maart 2009 de verklaring van [appellant 1] in grote lijnen bevestigd. In een ongedateerde schriftelijke verklaring (overgelegd als prod. 3 bij akte na tussenarrest d.d. 27 oktober 2015) van haar hand staat onder meer geschreven dat [geïntimeerden] altijd op maandag-, dinsdag- en woensdagmorgen uitgebakken spek op had staan (de brand was op een woensdag), dat zij dat nog zo goed weet omdat zij een hekel had aan die geur en dat die speklappen altijd in een koekenpan werden gebakken. “Een koekenpan is een platte pan met een steel eraan waar je ook eieren en pannenkoeken in bakt.”

2.10

[geïntimeerden] (geïntimeerde in het principaal appel) heeft als getuige op 30 maart 2009 onder meer verklaard dat zij de aardappelen had opgezet voor de maaltijd en dat zij samen met haar man naar de supermarkt was gegaan. Of zij nog een pannetje op het vuur had gezet kon zij niet meer zeggen. Zowel in de woonkamer als in de keuken waren gaskachels aanwezig.

2.11

Op verzoek van mr. Bouman heeft [maker analyse voor Delta Lloyd] aan de hand van de stukken in het dossier (waaronder ook de processen-verbaal van de getuigenverhoren) de brand geanalyseerd. Hij heeft hiervan verslag gedaan in een (ongedateerd) rapport van vermoedelijk 26 mei 2009. Hij constateert dat het rapport van [onderzoeker Delta Lloyd] niet de onderzoekshandelingen vermeldt die normaliter worden verricht, zoals een omschrijving van situering/indeling/bouwaard van het pand, een omschrijving van het algemene brandbeeld (specifiek in de aanwezige ruimte van de brand), de mogelijkheid van meerdere brandoorzaken en illustrerende foto’s. [onderzoeker Delta Lloyd] heeft niet de gevelkachel onderzocht en evenmin de elektrische installatie (terwijl door een stroomstoring de brand werd ontdekt). Volgens [maker analyse voor Delta Lloyd] gaat het verdampen van (kook)water (in de pan met aardappelen) niet gepaard met vlamverschijnselen van enige omvang. Er zijn volgens [maker analyse voor Delta Lloyd] meerdere potentiële brandoorzaken aan te wijzen, namelijk de gevelkachel of de elektrische installatie in de keuken dan wel de daarop aangesloten stroomverbruikers. Ook is een mankement mogelijk in de gastoevoer van het kooktoestel of in de afzuigkap, waardoor de brand kan zijn ontstaan.

2.12

De door het hof ’s-Hertogenbosch benoemde deskundige Brugman, die net als [maker analyse voor Delta Lloyd] het dossier heeft bestudeerd, heeft in zijn rapport van 26 mei 2015 onder meer de volgende bevindingen geschreven. Allereerst constateert hij dat het door [onderzoeker Delta Lloyd] verrichte onderzoek ter plaatse vooral zag op de vraag of sprake was van een gedekt evenement en dat indien daarvan sprake is (zoals hier aanvankelijk het geval leek) dat dan verzekeraars/opdrachtgevers geen uitgebreid rapport behoeven en dat volstaan kan worden met een kort rapport van een paar pagina’s of een e-mailbericht met een verkorte weergave van de onderzoeksbevindingen. “Indien een verkort rapport of een e-mailbericht met onderzoeksbevindingen is opgesteld kan op basis daarvan niet worden geconcludeerd dat ter plaatse maar een beperkt onderzoek is ingesteld.” Het is daarbij dan wel van belang dat één en ander fotografisch wordt vastgelegd. Met een foto is de pan op het gasfornuis vastgelegd, maar niet de pannen rondom het gasfornuis waarover [onderzoeker Delta Lloyd] als getuige verklaarde. Uit de fotomap van Delta Lloyd blijkt dat een relatief beperkt aantal foto’s is gemaakt door [onderzoeker Delta Lloyd] en dat als er meerdere foto’s waren gemaakt van de keuken dat mogelijk meer duidelijkheid had kunnen verschaffen over het door hem verrichte onderzoek. Uit de brief van [onderzoeker Delta Lloyd] aan mr. De Man d.d. 4 juli 2013 blijkt dat [geïntimeerden] heeft verteld aan haar schoonzus [appellant 2] dat zij het eten had opgezet en dat het eten bestond uit pannen met aardappelen, groente en vlees. Wat het rapport van [maker analyse voor Delta Lloyd] betreft merkt Brugman op dat hij (ook) niet ter plaatse is geweest bij het door [onderzoeker Delta Lloyd] verrichte onderzoek en dat [maker analyse voor Delta Lloyd] slechts aannames doet over de aard en omvang van het onderzoek. Uit foto 11 van de fotomap blijkt overigens, anders dan [maker analyse voor Delta Lloyd] aanneemt, dat [onderzoeker Delta Lloyd] wel degelijk onderzoek heeft verricht naar het rookgasafvoerkanaal waarbij uit het onderschrift blijkt dat er geen bijzonderheden zijn aangetroffen. Brugman deelt wel de mening van [maker analyse voor Delta Lloyd] dat geen sprake kan zijn van een vlam in de pan met aardappelen (hij verwijst hiervoor verder naar paragraaf 6 waarin hij over de proef met aardappelen rapporteert). Brugman merkt over het rapport van [schade-expert] op dat het een summier rapport betreft (van een schade-expert) en dat de gedachte dat de brand mogelijk is ontstaan door een kortsluiting in een elektriciteitsleiding een aanname betreft van [schade-expert] die geen technisch onderzoek ter plaatse heeft verricht. Brugman concludeert aan de hand van de door hem bestudeerde stukken dat de brand in dan wel in de onmiddellijke omgeving van de keuken is ontstaan. Aan de hand van de door Brugman uitgevoerde “proef met de aardappelen” stelt hij dat het beslist onaannemelijk is dat de vlam in de pan met aardappelen is geslagen. “Uit kennis en ervaring is bekend dat wanneer er sprake is van ‘de vlam in de pan’ dit hoofdzakelijk ontstaat in een pan met vlees met vet/jus (…) die op het vuur wordt gezet.” In antwoord op de vragen van het hof (’s-Hertogenbosch) schrijft Brugman in zijn rapport: “Ondergetekende is van mening dat de meest aannemelijk oorzaak van de brand is gelegen in het feit dat de vlam in de pan is geslagen. Dat betreft echter niet de pan met aardappelen. Ondergetekende baseert het vorenstaande op het feit dat onder andere uit getuigenverklaringen (brandweer) is gebleken dat de brand in aanvang woedde in de keuken (…) en dat [onderzoeker Delta Lloyd] drie gaskranen van de gaskookplaat in de keuken in de (deels) geopende stand heeft aangetroffen. Gezien het feit dat er geen discussie bestaat over het feit dat er op de gaskookplaat een pan met aardappelen stond en er drie gaskranen (deels) open stonden, kan redelijkerwijs gezien worden gesteld dat er dan in totaal drie pannen op het vuur hebben gestaan. Een plausibele verklaring dat er slechts één pan met aardappelen op het vuur heeft gestaan en dat de twee andere gaskranen hebben opengestaan zonder dat op de brandende pitten een pan heeft gestaan, kan derhalve ook niet worden gegeven. Het meest aannemelijk is dan ook dat de vlam in de pan is geslagen met vlees met jus/vet/olie.” Voorts heeft Brugman nog een aantal opmerkingen geplaatst onder vraag 3 van het hof, waaronder: “Hoewel niet geheel kan worden uitgesloten dat de brand niet het gevolg is geweest van de vlam in een pan en dat een andere oorzaak ten grondslag ligt aan het ontstaan van de brand, blijft ondergetekende van mening dat ten tijde van de brand er wel degelijk drie kranen van de gaspitten (deels) hebben open gestaan. Ondergetekende komt uit een traditionele boerenfamilie. Daar was het gebruikelijk dat er ’s middags een warme maaltijd werd gebruikt. (…) Dat betroffen dan warme maaltijden bestaande uit aardappelen, vlees en groente. Het feit dat door [onderzoeker Delta Lloyd] drie gaskranen zijn aangetroffen die (deels) open hebben gestaan, maakt het zeer aannemelijk dat op de betreffende gaskookplaat ten tijde van de brand drie pannen, met aardappelen, vlees en groente op het vuur kunnen hebben gestaan.”

2.13

Gezien de hiervoor opgenomen verklaringen en onderzoeken, in onderlinge samenhang bezien, komt het hof tot het oordeel dat zeer waarschijnlijk de brand is ontstaan in een pan met spek/jus/vet of olie die op het gasfornuis stond. Het hof motiveert dit oordeel als volgt. [onderzoeker Delta Lloyd] is, zo staat onweersproken vast, als technisch (brand)onderzoeker ter plaatse geweest. [onderzoeker Delta Lloyd] vermeldt in zijn e-mailbericht van 3 december 2007 dat bij navraag (van hem) bleek dat [geïntimeerden] tegen [appellant 2] had verteld dat ze het eten had opgezet voordat zij vertrok om boodschappen te doen. [appellant 1] heeft als getuige verklaard dat [appellant 2] hem later had verteld dat zij het eten op het fornuis had gezet voordat zij de woning verliet en boodschappen ging doen. Als getuige verklaart [onderzoeker Delta Lloyd] dat hij zich nog kan herinneren dat hij in het puin rondom het gasfornuis heeft gezocht en dat hij nog één of meerdere pannen had gevonden maar die niet op foto had vastgelegd. Voorts verklaart hij aan de hand van het brandbeeld “te weten inbranding in V-vorm naar boven”, dat de brand bij het gasfornuis moet zijn ontstaan. [lid vrijwillige brandweer 1] , die ook ter plaatse is geweest, heeft als getuige verklaard dat hij zich kan herinneren dat er ook nog een pan naast het fornuis lag. [lid vrijwillige brandweer 2] , die ook ter plaatse is geweest, heeft als getuige verklaard dat hij niet alleen de zwart geblakerde aardappelen in het pannetje op het fornuis heeft zien staan, maar ook op de linkerpit een volledig versmolten “iets” waarvan hij denkt dat het een steelpannetje is geweest. [appellant 2] heeft als getuige verklaard dat [geïntimeerden] altijd op maandag-, dinsdag- en woensdagmorgen uitgebakken spek had staan in een koekenpan, welke pan zij omschrijft als een platte pan met een steel eraan. Zij heeft deze verklaring over het uitgebakken spek op die dagen ter zitting van 25 oktober 2018 bij dit verwijzingshof herhaald. Brugman heeft in zijn deskundigenrapport van 26 mei 2015 opgenomen dat hijzelf uit een traditionele boerenfamilie komt en dat het gebruikelijk was dat er ’s middags een warme maaltijd werd bereid, die bestond uit aardappelen, vlees en groente. Het hof onderschrijft zijn bevindingen dat er op de gaskookplaat in ieder geval een pan met aardappelen stond, dat er drie gaskranen (deels) open stonden en dat redelijkerwijs kan worden vastgesteld dat er dan in totaal drie pannen op het vuur hebben gestaan. Een plausibele verklaring dat er slechts één pan met aardappelen op het vuur heeft gestaan en dat de twee andere gaskranen hebben opengestaan zonder dat op de brandende pitten een pan heeft gestaan, kan niet worden gegeven. Het meest aannemelijk is dan ook dat de vlam in de pan is geslagen met vlees (spek) met jus/vet/olie.

Het betoog van de zijde van (de verzekeraar van) [appellanten ] dat het onderzoek ter plaatse door [onderzoeker Delta Lloyd] onvoldoende, althans summier is geweest gezien zijn (korte) e-mailbericht van 3 december 2007, volgt het hof niet. Zo schrijft deskundige Brugman in zijn rapport dat indien een verkort rapport of een e-mailbericht met onderzoeksbevindingen is opgesteld, dat op basis daarvan niet kan worden geconcludeerd dat ter plaatse maar een beperkt onderzoek is ingesteld, al is het dan wel van belang dat een en ander fotografisch wordt vastgelegd. Brugman beschrijft voorts in zijn rapport dat uit foto 11 van de fotomap volgt dat [onderzoeker Delta Lloyd] wel onderzoek heeft verricht naar het rookgasafvoerkanaal en dat bij die foto staat vermeld “geen bijzonderheden” aangetroffen; dit onderzoek staat bijvoorbeeld niet vermeld in het e-mailbericht van 3 december 2007.

De suggestie van [schade-expert] dat de brand mogelijk is ontstaan door een kortsluiting in een elektriciteitsleiding volgt het hof niet, nu deze suggestie op geen enkel kenbaar feit is gebaseerd. De brand is door [appellanten ] ontdekt nadat het licht bij hen in de schuur uitviel; de brand woedde dus al in de keuken/woning van [geïntimeerden] ( [appellanten ] zag immers rook uit het dak van de woning - van [geïntimeerden] - komen). Ook Brugman schrijft in zijn deskundigenrapport dat deze suggestie slechts een aanname is van [schade-expert] die niet ter plaatse is geweest.

Ook [maker analyse voor Delta Lloyd] is niet ter plaatse geweest en doet ook suggesties (gevelkachel, elektrische installatie of gastoevoer kooktoestel) die op geen enkele wijze zijn onderbouwd, ook wat betreft de aard en omvang van het onderzoek van [onderzoeker Delta Lloyd] , aldus ook Brugman in zijn rapport. Het hof hecht dan ook geen waarde aan deze niet onderbouwde, mogelijk ándere brandoorzaken waarvoor in de stukken geen aanknopingspunt is te vinden. Aan enig bewijs hieromtrent komt het hof dan ook niet toe. Terzijde merkt het hof op dat het pand net helemaal verbouwd/gerenoveerd was.

Concluderend oordeelt het hof dat met het voorgaande genoegzaam vaststaat dat de brand is veroorzaakt door het gevaarzettend handelen (nalaten) van [geïntimeerden] toen zij, nadat zij drie gaspitten had ontstoken met daarop pannen met eten (aardappelen, vlees, groente), vervolgens weg is gegaan (om boodschappen te doen) en aldus geen toezicht meer had op de brandende gaspitten met daarop de pannen voor het eten, waarna er brand bij het gasfornuis in de keuken is ontstaan; dit handelen (nalaten) van [geïntimeerden] is onrechtmatig jegens [appellanten ] en is aan de schuld van [geïntimeerden] te wijten. [geïntimeerden] is dan ook gehouden tot schadevergoeding. De grieven I, II en III in het incidenteel hoger beroep van [appellanten ] falen.

De omvang van de schade

2.14

Met het oordeel in de voorgaande rechtsoverweging komt het hof thans toe aan de beoordeling van de hoogte van de gevorderde schade. De grieven 1 tot en met 8 in het principaal hoger beroep van [appellanten ] en de grieven IV tot en met VII in het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerden] richten zich alle tegen onderdelen van de schadebegroting van de rechtbank in het eindvonnis van 7 november 2012. Het hof zal deze beoordelen per schadepost en de volgorde van de rechtbank aanhouden. Het hof neemt daarbij (ook) in aanmerking dat inmiddels herbouw van de woning heeft plaatsgevonden, en dat de herbouwde woning niet geheel op de plaats van de oude woning kon worden gebouwd in verband met de regels van het Bouwbesluit van de gemeente [woonplaats] , in het bijzonder de regels van het Waterschap inhoudende dat minimaal 0.75 meter vanaf de dijk moest worden gebouwd.

Voorts slaat het hof acht op het rapport van 1 mei 2012 van de door de rechtbank benoemde deskundige J.W. van Eijndhoven, verbonden aan Kwadrant B.V. en de conclusies na deskundigenbericht die door beide partijen zijn genomen. Ten overvloede en ter verduidelijking merkt het hof nog op dat de rechter niet gebonden is aan de conclusies van de deskundige, waarbij geldt dat de rechter ook acht moet slaan op hetgeen partijen hebben aangevoerd tegen de zienswijze/conclusies van de deskundige; zie o.a. HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3519.

Ter zitting van 25 oktober 2018 bij dit (verwijzings)hof hebben [appellanten ] een akte vermindering van eis genomen van € 25.151,75 (dit betrof de resterende feitelijk gemaakte kosten voor de cassatieprocedure).

De fictieve herbouwkosten

2.15

De rechtbank heeft de fictieve herbouwkosten begroot op € 344.593,- na verbetering van kennelijke rekenfouten. Hiertegen komen [appellanten ] op met grief 5. De deskundige neemt voor de fictieve herbouwkosten als uitgangspunt de gemiddelde m3 prijzen van het CBS met een toeslag van 40% voor een vrijstaande woning en een toeslag van 3% voor een rieten kap. Dit brengt de m3 prijs op € 463,32 (incl. btw). Het aantal m3 voor de begane grond en de verdieping bedraagt 730,88 m3, waardoor de fictieve herbouwwaarde komt op een afgerond bedrag van € 338.631,- Voor de kelder met een aantal m3 van 16,24 en prijsaanpassing voor duurder werk komt de deskundige op een prijs van

€ 10.779,96. De totale fictieve herbouwkosten komen dan op een bedrag van € 349.431,-.

Het hof oordeelt als volgt.

Uit de toelichting bij de berekening onder 11.9 van het deskundigenrapport (pag. 18) blijkt inderdaad dat een rekenfout is gemaakt voor de factor 1,5 voor een “2 onder 1 kap” woning: 1,5 x 485 = 727,50 en niet 631, zoals in het rekenstaatje staat opgenomen. Als met het juiste bedrag wordt “doorgerekend” dan komt de gemiddelde m3 prijs op (afgerond) € 457,- en niet € 447,50; 10% van € 457 = afgerond € 46 en niet € 45. De toeslag voor een vrijstaande woning is dan 630 : 46 = 13,70 (= 10%); 13,70 x 10% = 137 %. Een vrijstaande woning is dus (slechts) 37% duurder dan gemiddeld – en niet 40% duurder (zoals foutief staat vermeld in par. 11.9 en par 5.3 deskundigenbericht). Uitgaande van het gemiddelde CBS cijfer voor herbouw van € 321,30 per m3 (zie par. 5.2 deskundigenbericht), brengt een toeslag van 37% de m3 prijs op € 440,18 en niet op € 449,82. Met nog een toeslag van 3% op € 440,18 komt dan de fictieve herbouwwaarde op € 453,39 per m3 en niet € 463,32 per m3 (volgens par. 5.3 deskundigenbericht). € 453,39 x 740,88 (het aantal m3 voor begane grond en verdieping) = afgerond € 331.374 en niet € 338.631 (pag. 11 bovenaan deskundigenbericht). Met de fictieve herbouwkosten van de kelder van € 10.779,96 erbij opgeteld komen de totale fictieve herbouwkosten op een afgerond bedrag van € 342.154,- en dus niet het door de deskundige berekende bedrag van € 349.431,-. Dit hadden [appellanten ] overigens ook zelf kunnen doorrekenen. Nu de rechtbank echter een hoger bedrag heeft toegewezen, namelijk

€ 344.593,-, en [appellanten ] niet slechter mogen worden van hun eigen grief 5 (het verbod van reformatio in peius) sluit het hof zich aan bij het door de rechtbank vastgestelde bedrag. Grief 5 faalt.

De bijkomende kosten/bouwrente

2.16

De deskundige heeft de bijkomende (staart)kosten van de afgebrande woning berekend/begroot op een totaalbedrag van € 96.040,-, zoals weergegeven in par. 7.2.1-7.2.6 (pag. 13-14) van het deskundigenrapport. Onderdeel daarvan is de bouwrente (par. 7.2.6) die de deskundige begroot op 3,75% van € 429.370,- hetgeen neerkomt op € 16.101,-. De rechtbank heeft het laatstgenoemde bedrag niet meegenomen in de toekenning van de bijkomende kosten (van € 79.939,- in rov. 2.8), maar overwogen dat deze post betrokken zal worden bij de beoordeling van de gevorderde wettelijke handelsrente. Volgens [appellanten ] is dit niet gebeurd en daarop richten zich de grieven 4 en 6. De deskundige heeft in zijn rapport onder par. 11.8 uitgelegd/toegelicht dat in de (fictieve) bouwkosten niet de kosten zijn verdisconteerd die in de staartkosten in de deskundigenrapportage zijn opgenomen.

Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank ten onrechte de bouwrente niet meegenomen in de begroting van de fictieve herbouwkosten. Immers, de wettelijke (handels)rente die verschuldigd is over de vertraging in de voldoening van een geldsom is in de fictieve situatie niet van toepassing. Het verweer van [geïntimeerden] in de memorie van antwoord in principaal hoger beroep onder 19 dat bij herbouw van een woning geen sprake is van voorfinanciering door een aannemer (en dus geen bouwrente wordt berekend) gaat niet op, omdat het hier gaat om de fictieve herbouwkosten van de woning en niet om de werkelijk gemaakte kosten voor de herbouw. De grieven 4 en 6 slagen aldus.

De voordeelsverrekening

2.17

Volgens [geïntimeerden] dient voordeelsverrekening plaats te vinden omdat, kort gezegd, [appellanten ] met de nieuwe woning voordeel hebben behaald ten opzichte van de afgebrande woning uit 1984: alle elementen van de nieuwe woning hebben een langere levensduur, zij hebben thans vrij uitzicht en er is een besparing in de onderhoudskosten. Volgens [geïntimeerden] bedraagt het te verrekenen voordeel een bedrag van € 45.000,- zijnde het verschil in waarde tussen de oude woning van € 240.000,- en de nieuwe woning van

€ 285.000,-. De rechtbank heeft dit beroep op voordeelsverrekening verworpen. Hiertegen richt zich grief IV van [geïntimeerden] .

Het hof stelt het navolgende voorop. In het arrest van HR 7 mei 2014, ECLI:NL:HR:2004:AO2786 is geoordeeld:“ (…) vooropgesteld dat de eigenaar van een zaak die wordt beschadigd, door die beschadiging reeds voor en onafhankelijk van herstel daarvan in zijn vermogen een nadeel lijdt, gelijk aan de waardevermindering welke het desbetreffende vermogensbestanddeel heeft ondergaan, en dat, indien het een zaak betreft waarvan herstel mogelijk en verantwoord is, het geldsbedrag waarin deze waardevermindering kan worden uitgedrukt, in het algemeen gelijk zal zijn aan de - naar objectieve maatstaven berekende - kosten, welke met het herstel zullen zijn gemoeid (HR 16 juni 1961, NJ 1961, 444).

Is de onrechtmatig beschadigde zaak een gebouw, dan is in beginsel ervan uit te gaan dat de eigenaar daarvan aanspraak erop heeft in de gelegenheid te worden gesteld tot herstel. Zulk herstel kan ook verantwoord zijn indien de daarmee gemoeide kosten het bedrag van de als gevolg van de toegebrachte schade opgetreden waardevermindering overtreffen. Of dat het geval zal zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de functie van de zaak voor de eigenaar, de mogelijkheid om - aangenomen dat afbraak en herbouw ter plaatse in verband met de daaraan verbonden kosten in ieder geval niet in aanmerking komen - elders een zaak te verwerven die voor wat betreft gebruiksmogelijkheden, ligging, prijs en andere relevante factoren als gelijkwaardig aan de zaak - in onbeschadigde toestand - kan worden beschouwd, alsmede de mate waarin de kosten van herstel in de oude toestand het bedrag van de waardevermindering overtreffen. Omstandigheden als hiervoor aangeduid kunnen meebrengen dat, hoewel de herstelkosten de waardevermindering overtreffen, toch van de getroffen eigenaar in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij, ter wille van de belangen van de schadeveroorzaker, zijn aanspraak beperkt tot het bedrag van de waardevermindering (HR 1 juli 1993, nr. 15070, NJ 1995, 43).

Het vorenoverwogene heeft in beginsel ook te gelden indien het desbetreffende gebouw niet slechts is beschadigd, maar door een onrechtmatige daad geheel en al verloren is gegaan.

Niet in debat is dat [appellanten ] genoodzaakt zijn geweest hun door brand verwoeste woning af te breken en te herbouwen. Voorts is niet betwist dat zij op grond van (bouw)voorschriften genoodzaakt zijn geweest de nieuwe woning te verplaatsen, anders in te delen (zie onder 2.14) en – in de hoogte – te vergroten (conclusie na tussenvonnis van 1 december 2010 pag. 6); de nieuwe woning is dan ook in volume groter (218 m3) dan de oude woning.

Bij de toepassing van voordeelsverrekening op de voet van artikel 6:100 BW gaat het erom dat het genoten voordeel, voor zover dit redelijk is, mede in rekening (mindering) moet worden gebracht bij de vaststelling van de omvang van de te vergoeden schade. Daarvoor dient wel eerst vast te staan dat er causaal verband bestaat tussen de normschending en het daaruit voortvloeiende voordeel. In de onderhavige zaak betekent dit dat vast moet komen te staan dat [appellanten ] door de nalatigheid van [geïntimeerden] ten gevolge waarvan brand is ontstaan waardoor hun woning is verwoest (de normschending van [geïntimeerden] ) ook voordeel hebben genoten door de bouw van de nieuwe woning. Niet bestreden is dat de woning van [appellanten ] vlak voor de brand was gerenoveerd/verbouwd. De sanitaire - en keukenvoorzieningen waren van recente datum. Het afwerkingsniveau van de nieuwe woning is zeer degelijk en hedendaags, maar de woning is niet voorzien van bijzondere luxe of comfort (deskundigenrapport pag. 23). Op de nieuwe woning van [appellanten ] liggen dakpannen en het dak van de oude woning van [appellanten ] was gedeeltelijk met riet bedekt. [geïntimeerden] is verzekerd voor aansprakelijkheid (WA-verzekeraar Interpolis) en zij behoeft de schade waarvoor zij aansprakelijk is gesteld aldus niet zelf te dragen (behoudens mogelijk een eigen risico). Het door [geïntimeerden] gestelde voordeel is gebaseerd op de taxatie van makelaar [makelaar] (in het deskundigenrapport opgenomen vanaf pag. 22) die gekeken heeft naar de marktwaarden van de oude en de nieuwe woning. Het verschil tussen beide marktwaarden van € 45.000,- betreft aldus geen feitelijk genoten voordeel, maar voordeel op papier (waarvan € 5.000,- voor het uitzicht). Al deze feiten en omstandigheden hier in aanmerking nemend oordeelt het hof dat het niet redelijk is om het (papieren) voordeel van € 45.000,- in mindering te brengen op de door [geïntimeerden] (lees: haar WA-verzekeraar Interpolis) te betalen schadevergoeding als gevolg van het onrechtmatig handelen van [geïntimeerden] . Grief IV van [geïntimeerden] faalt.

Schadevergoeding voor geleden ongemak

2.18

De rechtbank heeft de gevorderde schadepost van € 10.000,- afgewezen. Met grief 9 komen [appellanten ] hier tegen op. Zij voeren aan dat het niet gaat om immateriële schadevergoeding, maar om “geleden ongemak” (tijdsbesteding i.v.m. de brand/herbouw) en om verlies van diverse erfstukken. Zij verwijzen ook naar het deskundigenrapport (par. 10.5) waarin de deskundige adviseert om een vergoeding van € 10.000,- toe te kennen, omdat [appellanten ] aanzienlijke tijd hebben moeten besteden om een en ander te organiseren.

Het hof oordeelt met de rechtbank dat geen plaats is voor vergoeding van het gevorderde bedrag. Het door [appellanten ] omschreven “geleden ongemak” verstaat het hof als een vorm van immateriële schade die op de voet van artikel 6:106 BW niet voor toewijzing in aanmerking komt; “geleden ongemak” levert daarvoor onvoldoende grond(slag) op. Voor zover [appellanten ] stellen dat ook sprake is van verlies van diverse (erf)stukken, hebben zij deze erfstukken niet enige waarde toegekend en aldus hun vordering op dit punt niet onderbouwd; voor zover de vordering ziet op het emotionele belang van die (erf)stukken geldt hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen over de immateriële schadevergoeding. Aan enig bewijs van een niet onderbouwde stelling komt het hof niet toe. Kortheidshalve verwijst het hof voorts naar hetgeen de rechtbank over inboedelschade in rov. 2.36-2.38 heeft overwogen en beslist. Grief 9 faalt aldus.

Herbouwkosten schuur

2.19

De rechtbank heeft de vordering voor herbouw van de schuur van € 6.000,- van [appellanten ] afgewezen, omdat [appellanten ] onvoldoende hadden onderbouwd dat verplaatsing van de schuur noodzakelijk was als gevolg van de brand en herbouw van de woning. Met grief 1 komen [appellanten ] hier tegen op; zij hebben hun eis tot

€ 7.592,75 vermeerderd en hun vordering nader toegelicht. Zij verwijzen voor de noodzaak van de verplaatsing van de schuur naar de brief van hun architect [architect] van 19 juni 2012 (prod. 7 bij conclusie na deskundigenbericht). De deskundige Van Eijndhoven heeft over de sloop en herbouw van de schuur opgemerkt (par.11.2) dat als de nieuwe woning geplaatst was aan de rechter zijgevel van de afgebrande woning en de nieuwe woning niet breder zou zijn dan de afgebrande woning, er geen sprake zou zijn geweest van enige sloop; de deskundige verwijst hiervoor naar de bouwtekening van 30 mei 2008 van de architect. [appellanten ] stellen echter dat de sloop/verplaatsing noodzakelijk was in verband met de bouweis dat de woning 0,75 meter van de dijk moest worden gebouwd. Naar het oordeel van het hof hebben [appellanten ] onvoldoende onderbouwd dat de gehele schuur moest worden gesloopt en verplaatst als gevolg van de nieuwbouw van hun woning. In de brief van de architect van 19 juni 2012 wordt enkel gesproken over het verwijderen van een deel van de schuur. Door de opzet en constructie van de schuur is echter meer afgebroken, aldus de architect. Al met al ziet het hof onvoldoende onderbouwing voor deze schadepost, ook indien nog gelet zou moeten worden op de overgelegde foto’s van de oude situatie (prod. 1 memorie na cassatie en verwijzing). Aan enig bewijsaanbod voor een niet voldoende onderbouwde stelling komt het hof dan ook niet toe. Grief 1 faalt.

Omzetschade/inkomstenderving

2.20

[appellanten ] hebben een bedrag van € 19.200,- gevorderd als omzetschade, omdat als gevolg van de brand de witlofkwekerij acht weken heeft stil gelegen waardoor zij 24.000 kilo witlof niet hebben kunnen aanleveren. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen, waartegen [appellanten ] met grief 7 opkomen, waarin zij uitvoerig toelichten hoe zij dit bedrag aan gemiste omzet hebben begroot. Zij wijzen vooral op de door hen bestede tijd/uren in verband met het regelen van alle rompslomp rondom de brand.

Ter zitting in hoger beroep van dit (verwijzings)hof heeft [appellant 2] verklaard en uitgelegd dat de gevorderde inkomstenderving over twee maanden gefixeerd is: zij hebben wel geproduceerd in al die maanden na de brand, maar op halve kracht aldus nog steeds [appellant 2] . Zij werden vooral gehinderd doordat zij alle rompslomp hebben moeten regelen, wat veel tijd en moeite heeft gekost en waardoor zij zich slecht op de productie konden concentreren. Gelet op de niet weersproken stellingen omtrent de werkzaamheden die nodig waren (“alle rompslomp”) omdat hun hele woning was afgebrand zal het hof schattenderwijs deze schade in alle redelijkheid begroten op één maand inkomstenderving, dit is € 9.600,-. Grief 7 slaagt aldus.

De rentepost en notariskosten

2.21

[appellanten ] hebben een bedrag van € 52.971,- gevorderd voor renteschade per 31 december 2012. Zij hebben geld moeten lenen van derden om de herbouw van hun woning te kunnen bekostigen. Zij hebben ter onderbouwing van die leningen en die rentebetalingen rekeningafschriften overgelegd van Rabo OndernemersPakket op naam van de “fa. Gebr. [appellanten ] ”. Zij voeren primair aan dat zij aanspraak kunnen maken op de wettelijke handelsrente en subsidiair de werkelijk betaalde rente voor die geldleningen. De rechtbank heeft deze rentepost afgewezen en voorts geoordeeld dat [appellanten ] (enkel) recht hebben op de wettelijke rente over de vertraging in de betaling van een geldsom (ex artikel. 6:119 BW). Hiertegen zijn [appellanten ] opgekomen met grief 2, waarin zij overigens hun primaire vordering ter zake de wettelijke handelsrente (ex artikel 6:119a BW) hebben prijsgegeven; het hof zal deze primaire vordering daarom niet meer beoordelen. Wat de subsidiaire vordering betreft oordeelt het hof als volgt. [appellanten ] hebben geld moeten lenen van derden om hun woning te kunnen laten herbouwen, omdat de schadeuitkering van de zijde van [geïntimeerden] rechtens in debat was en zij aldus niet beschikten over de thans door dit (verwijzings)hof toegekende schadevergoeding. Dat betekent dat sprake is van vertraging in de betaling van een geldsom waarvoor in de wet (in artikel 6:119 en 6:120 lid 1 BW) een gefixeerde schadevergoeding is opgenomen in de vorm van de wettelijke rente; een en ander is ook vaste rechtspraak van de Hoge Raad. Ten overvloede vermeldt het hof dat hier geen sprake is van een hoger bedongen rente dan de wettelijke rente (artikel 6:119 lid 3 BW) nu de gevorderde contractuele rente een geldlening betreft met een derde en niet met de schuldenaar ( [geïntimeerden] ) is overeengekomen. Grief 2 slaagt dus niet. Hetzelfde lot treft grief 3, waarin [appellanten ] opkomen tegen de afwijzing van de schadepost van € 640,76 ter zake van de notariskosten voor vestiging van hypotheken ten behoeve van de geldleningen. Deze kosten, die overigens nauw samenhangen met de afgesloten, rentedragende particuliere geldleningen, staan in te ver verwijderd verband (in de zin van artikel 6:98 BW) met het onrechtmatig handelen van [geïntimeerden] , zodat deze kosten ook niet op die voet als te vergoeden schade kunnen worden toegerekend. Grief 3 faalt dan ook.

De inboedelschade

2.22

[appellanten ] hebben hiervoor een bedrag gevorderd van € 95.580,- en deze vordering (in eerste aanleg) gebaseerd op een door hen ingevulde “waardemeter inboedel” (onderdeel prod. 5 eerste aanleg). De rechtbank heeft hiervan 40% toegewezen (onder aftrek nieuw voor oud) zijnde een bedrag van € 38.232,-. Hiertegen richt zich grief V van [geïntimeerden] (de vordering is niet onderbouwd en zou moeten worden afgewezen/verminderd). Met grief 8 voeren [appellanten ] aan dat het toegekende bedrag geen recht doet aan de verloren gegane inboedel. Zij hebben ter onderbouwing hiervan een eigen inboedellijst samengesteld (prod. 4 memorie van grieven) die sluit op een totaalwaarde van € 112.544,-

en met vermelding (zonder waardering) van kwijtgeraakte zaken die niet meer te vervangen zijn, maar wel emotionele waarde hebben. Zij hebben hun eis echter niet aangepast aan het laatstgenoemde bedrag. Het hof zal beide grieven van partijen tezamen beoordelen en oordeelt als volgt. Vast staat dat de woning van [appellanten ] bewoond werd door zeven personen (ouders en vijf kinderen). Niet betwist is dat de totale inboedel van [appellanten ] vervangen moe(s)t worden als gevolg van de brand. Daaronder vallen niet alleen de “grotere” meubelstukken, maar ook de bedden, beddengoed, gordijnen, lampen, wasmachine/droger, stofzuiger, strijkijzer en een complete keukeninrichting zoals het hof constateert uit de opgestelde inboedellijst, die overigens verder niet is betwist wat de inhoud betreft. In dat licht bezien komt het door de rechtbank toegewezen bedrag (te) laag voor. Aan [appellanten ] kan niet verweten worden dat zij geen bankafschriften hebben overgelegd ter onderbouwing van de bedragen (de bonnetjes zijn ook door de brand verloren gegaan aldus [appellanten ] ) of bij diverse leveranciers geen navraag hebben gedaan. De inboedel is in de loop van (tientallen) jaren aangeschaft, zo begrijpt het hof. Het hof verlangt op dit punt dan ook geen nader concreet bewijs van aankoop van de diverse delen van de inboedel; in zoverre faalt grief V van [geïntimeerden] . Het hof zal daarom ook overgaan tot begroting van de inboedelschade (ex artikel 6:97, tweede volzin, BW). Gezien de door [appellanten ] opgestelde inboedellijst, rekening houdend met het gegeven dat de door brand verloren gegane zaken niet nieuw of recent waren gekocht (daarvoor heeft het hof geen aanknopingspunten gekregen), schat het hof de waarde van de inboedel op 2/3 van de vordering van € 95.580,- (€ 63.720,-); dit is dus (iets) meer dan het door de rechtbank geschatte bedrag, zodat grief 8 slaagt en grief V faalt.

De deskundigenkosten

2.23

De rechtbank heeft de vordering van [appellanten ] tot vergoeding van de door hen gemaakte kosten voor deskundigen (makelaar [makelaar 2] en aannemer [aannemer] ) van in totaal € 4.926,60 toegewezen op de voet van artikel 6:96 BW. Hiertegen richt zich grief VII van [geïntimeerden] . Het hof oordeelt hierover als volgt. Ingevolge artikel 6:96 lid 2 sub b BW komen de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking. Wat de omvang hiervan betreft geldt volgens vaste rechtspraak de zogeheten “dubbele redelijkheidstoets” die inhoudt dat in de gegeven omstandigheden de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren en dat de gemaakte kosten in naar hun omvang redelijk zijn (geweest). Makelaar [makelaar 2] heeft een declaratie ingediend van € 2.142,- gedateerd 2 maart 2010. Dit is kennelijk, zo heeft [geïntimeerden] onbestreden aangevoerd, een taxatie geweest van de nieuwe woning van [appellanten ] Het is het hof niet duidelijk geworden en gemaakt (door [appellanten ] ) op welke grond(slag) de factuur van [makelaar 2] als schadevergoeding van [geïntimeerden] kan worden gevorderd, bezien in de sleutel van artikel 6:96 lid 2 BW. Dit onderdeel van de vordering moet inderdaad sneuvelen. De andere declaratie van [aannemer] heeft het hof niet aangetroffen in het dossier en voorts hebben [appellanten ] onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd op welke grond(slag) deze declaratie van [aannemer] vergoed zou moeten worden. Dus ook dit onderdeel van de vordering sneuvelt. Grief VII van [geïntimeerden] slaagt.

Het reeds uitgekeerde bedrag aan schade

2.24

De rechtbank heeft in rov. 2.42 van het eindvonnis en in het dictum een bedrag van

€ 143.838,- van de toegekende schadevergoeding afgetrokken, zijnde het bedrag dat door [appellanten ] zou zijn ontvangen van Delta Lloyd. Dit is volgens grief VI van [geïntimeerden] onjuist: er is een bedrag van € 146.019,- aan [appellanten ] uitgekeerd. Deze vergissing wordt ook erkend door [appellanten ] en [appellanten ] hebben hun vordering met het verschil tussen beide bedragen (van € 2.179,-) dan ook verminderd. Grief VI slaagt.

De toewijsbare schadeposten

2.25

In navolging van de opsomming van deze schadeposten in het eindvonnis van de rechtbank van 7 november 2012 onder 2.42 komt het hof tot de volgende opsomming:

- de fictieve herbouwkosten € 344.593,-

- de bijkomende kosten € 79.939,-

- de bouwrente € 16.101,-

- vervangende woonkosten € 24.000

- omzetschade/inkomstenderving € 9.600,-

- waarde van de inboedel € 63.720,-

- kosten deskundigen nihil

Dat betekent dat in hoofdsom verschuldigd is een bedrag van € 537.953,-.

Hiervan moet nog worden afgetrokken het reeds door de verzekeraar uitgekeerde bedrag van € 146.019,-, zodat resteert een netto vordering van € 391.934,-.

Hierover dient dan de wettelijke rente betaald te worden vanaf de datum van het ontstaan van iedere schadepost tot de datum van betaling, zoals de rechtbank onbestreden heeft geoordeeld (in rov. 2.42 van het eindvonnis).

Partijen zullen met inachtneming van de imputatieregels in de artikelen 6:43-44 BW met elkaar moeten afrekenen.

3 De slotsom

3.1

De grieven 4, 6, 7 en 8 van [appellanten ] slagen, waardoor het bestreden eindvonnis deels vernietigd zal worden. De overige grieven van [appellanten ] falen. De grieven VI en VII van [geïntimeerden] slagen, waardoor het bestreden vonnis op die onderdelen vernietigd moet worden; de overige grieven I, II, III, IV en V falen. Dit betekent dat het hof het dictum onder 3.1 en 3.3 tot en met 3.6 van het eindvonnis van de rechtbank van 7 november 2012 zal bekrachtigen en het dictum onder 3.2 zal vernietigen en zal toewijzen als hierna onder 4. weergegeven.

3.2

Nu [appellanten ] op het punt van de aansprakelijkheid in het gelijk zijn gesteld en op enige onderdelen van de schadevergoeding ook in het gelijk zijn gesteld zal het hof [geïntimeerden] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het principaal hoger beroep (ook na verwijzing). Dit betreft voor de procedure bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch: de kosten dagvaarding € 92,81, het griffierecht

€ 1.553,-, de kosten voor deskundigenbericht van € 2.891,90, en het salaris advocaat in principaal hoger beroep van € 11.420,-. Voor de onderhavige procedure betekent dit:

2 punten x tarief V (nieuw) = € 6.322,-.

In het incidenteel hoger beroep is [geïntimeerden] deels in het gelijk gesteld, zodat het hof hier een compensatie van proceskosten op zijn plaats acht.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in principaal en incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt het eindvonnis van de rechtbank Breda van 7 november 2012 wat betreft het dictum onder 3.1 en 3.3 tot en met 3.6, vernietigt dit eindvonnis wat betreft het dictum onder 3.2 en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt [geïntimeerden] om aan [appellanten ] te betalen een bedrag van € 537.953,-, te verminderen met een bedrag van € 146.019,- en te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de hoofdsom van € 537.953,- vanaf de datum van ontstaan van ieder onderdeel van de vordering en rekening houdend met de ontvangst van eerdergenoemd bedrag van € 146.019,- tot aan de dag van voldoening;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten ] vastgesteld op € 1.645,81 voor verschotten (dagvaarding + griffierecht), de kosten voor deskundigenbericht van € 2.891,90 en op € 17.742,- voor salaris advocaat (hof ’s-Hertogenbosch + dit hof) overeenkomstig het liquidatietarief;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het incidenteel hoger beroep draagt;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, C.J.H.G. Bronzwaer en Jac. Hijma en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2019 .