Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:1301

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-02-2019
Datum publicatie
24-06-2019
Zaaknummer
200.215.089
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanspraak op weduwenpensioen. Uitleg pensioenbrief en latere overdracht pensioenverplichtingen aan pensioen BV. Verdeling van de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.215.089

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, 5576188)

arrest van 12 februari 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

advocaat: mr. P.H. Visser,

tegen

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[geïntimeerde 1] B.V. ,

gevestigd te [vestiginsplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[geïntimeerde 2] B.V.,

gevestigd te [vestiginsplaats] ,

3. [geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

advocaat: mr. A.W. Hooijen.

Partijen zullen hierna [appellant] en [geïntimeerden] c.s. , dan wel afzonderlijk [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] of [geïntimeerde 3] genoemd worden.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 24 april 2018 hier over.

1.2.

Het verdere verloop blijkt uit:

- de akte overlegging producties (1 tot en met 8) van [appellant] ;

- de met een H-formulier op 8 november 2018 overgelegde brief met producties 9 en 10 van [appellant] ;

- de met een H-formulier op 12 november 2018 overgelegde brief met productie 11 van [appellant] ;

- de met een H-formulier op 13 november 2018 overgelegde brief met producties (jaarstukken) van [geïntimeerden] c.s. ;

- de comparitie van partijen (hierna: de zitting) van 29 november 2018, waarbij akte is verleend van het in het geding brengen van voormelde stukken.

1.3.

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.6 van het (bestreden) vonnis van 8 maart 2017.

Daarnaast gaat het hof uit van de navolgende feiten:

2.2.

Op 31 december 1993 hebben [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 1] en [erflater] een schriftelijke overeenkomst getiteld “overdracht van pensioenverplichtingen” gesloten. [erflater] is de overleden echtgenoot van [appellant] . In het bestreden vonnis wordt hij erflater genoemd. De tekst van deze overeenkomst luidt onder meer als volgt:

“(…)

Artikel 1.

  1. Ondergetekende sub 1 ( [geïntimeerde 2] ) draagt per heden al haar verplichtingen uit hoofde van pensioentoezeggingen jegens de ondergetekende sub 3 ( [erflater] ) over aan de Pensioen B.V. ( [geïntimeerde 1] ),

  2. De inhoud van deze verplichtingen is vastgelegd in de aan de ondergetekende sub 3 verstrekte pensioenbrief.

Artikel 2.

De koopsom inzake de backservice voor de in artikel 1 geregelde overdracht wordt berekend op basis van het lineair bepaalde deel van de netto actuariële waarde van de verplichtingen op pensioendatum met 4% rekenrente, sterftetafel GBM/GBV 1985-1990.

Artikel 3.

De coming-service zal door middel van jaarlijks gelijkblijvende bijdragen worden voldaan.

Artikel 4.

De ondergetekende sub 1 zal de volgens artikel 2 bepaalde koopsom door boeking in rekening-courant met ondergetekende sub 2 voldoen.

Artikel 5.

Ondergetekende sub 3 verklaart uitdrukkelijk met de in deze overeenkomst geregelde overdracht accoord te gaan.”

2.3.

De besloten vennootschap [Bedrijf] B.V. (hierna: [Bedrijf] ) is directrice en aandeelhoudster van zowel [geïntimeerde 2] als [geïntimeerde 1] .

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1.

Deze zaak gaat over het weduwenpensioen van [appellant] . Dit pensioen bedraagt 70% van het ouderdomspensioen (hierna: weduwenpensioen) van haar in 2016 overleden echtgenoot, [erflater] . Het pensioen wordt aan [appellant] betaald door [geïntimeerde 1] . Haar vorderingen strekken ertoe dat dit pensioen steeds betaald wordt. In hoger beroep heeft [appellant] de bij de rechtbank ingestelde vorderingen gewijzigd en op de zitting (bij het hof) heeft zij haar vorderingen (iv en v) ingetrokken. De resterende drie vorderingen zijn, samengevat, (i) dat het hof [geïntimeerden] c.s. (hoofdelijk) veroordeelt tot betaling aan [appellant] van haar (bruto) weduwenpensioen, te verhogen met 2% per jaar, althans een verhoging op grond van artikel 3 lid 2 WVPS conform de loonontwikkeling, (ii) dat het hof voor recht verklaart dat [geïntimeerde 2] onrechtmatig tegenover [appellant] handelt door geen betalingen meer te doen aan [geïntimeerde 1] die benodigd zijn voor het op peil houden van het haar toekomende weduwenpensioen en (iii) dat [geïntimeerden] c.s. wordt veroordeeld de betaling van genoemd pensioen over te dragen aan een Nederlandse verzekeringsmaatschappij op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.2.

Met grief I betoogt [appellant] dat de duur van haar huwelijk een rol speelt in de zaak en dat zij onbezoldigd de drijvende kracht is geweest in de camping van [geïntimeerde 2] . Deze grief faalt reeds omdat niet is onderbouwd of toegelicht waarom, en zo ja op welke wijze, deze (gestelde) feiten van belang zijn voor de beoordeling van de (gewijzigde) vorderingen.

3.3.

Met grief II voert [appellant] aan dat bij de vaststaande feiten moet worden vermeld dat het laatst genoten ouderdomspensioen van [erflater] € 50.691 was omdat onder “De beslissing” van het bestreden vonnis is opgenomen “het laatst genoten ouderdomspensioen”.

[appellant] heeft geen belang bij deze grief omdat, zoals zij zelf ook opmerkt, in dat vonnis is vermeld dat partijen het er over eens zijn dat genoemd ouderdomspensioen € 50.691 per jaar bedroeg.

3.4.

Grief IV komt op tegen het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde 2] heeft voldaan aan al haar verplichtingen aan [geïntimeerde 1] . Tevens wordt de vordering onder ii onderbouwd. [appellant] beroept zich allereerst op de pensioenbrief (van 20 december 1993) en de goede trouw die de verhouding tussen partijen beheerst. Het pensioen is terug te voeren op de rechtsverhouding tussen [erflater] als directeur-groot aandeelhouder van [geïntimeerde 2] met deze vennootschap. Deze verhouding wordt beheerst door de verplichtingen van een goed werkgever tegenover haar werknemer. Als het pensioen in het kader van die verplichting wordt ondergebracht in een separate pensioen B.V. brengt deze verplichting ook met zich mee dat voldoende dotaties in die pensioen B.V. worden gestort. [appellant] is mede in de rechtsverhouding met [geïntimeerde 2] ter zake van de pensioenrechten betrokken. [appellant] stelt in dit kader dat [erflater] tot zijn overlijden bewerkstelligde dat [geïntimeerde 2] jaarlijks dergelijke afdrachten aan [geïntimeerde 1] deed. Dat [geïntimeerde 2] geen jaarlijkse afdrachten meer wil voldoen aan [geïntimeerde 1] is onrechtmatig jegens [appellant] . [geïntimeerden] c.s. voert gemotiveerd verweer.

3.5.

Het hof oordeelt als volgt. Voorafgaand aan de zitting heeft [appellant] een overeenkomst getiteld “Overdracht van pensioenverplichtingen” van 31 december 1993 overgelegd (rov. 2.2). Tussen partijen staat als (onvoldoende betwist) vast dat de in die overeenkomst genoemde “backservice” in de overgelegde jaarrekeningen van [geïntimeerde 1] is terug te vinden als de vordering in rekening-courant van [geïntimeerde 1] op [Bedrijf] . Het hof begrijpt dat de door [appellant] genoemde jaarlijkse dotatie door [geïntimeerde 2] aan [geïntimeerde 1] de in deze overeenkomst genoemde “coming service” betreft.

Voor zover [appellant] betoogt dat uit de tekst (van artikel 3) van de overeenkomst van 31 december 1993 volgt dat [geïntimeerde 2] gehouden is deze betalingen (steeds) te blijven doen, faalt dat betoog. Weliswaar wordt gesproken van een te betalen “coming service”, maar daaruit blijkt niet dat [geïntimeerde 2] deze ook na de pensionering van [erflater] dient te betalen aan [geïntimeerde 1] (zoals [appellant] stelt en [geïntimeerden] c.s. betwist).

De gestelde jaarlijkse betaling – na pensionering van [erflater] – aan [geïntimeerde 1] blijkt volgens [appellant] uit de jaarrekening van [geïntimeerde 1] over 2014. In die jaarrekening zijn voor de jaren 2013 en 2014 dotaties van respectievelijk € 44.646 en € 35.957 vermeld. Deze zijn gelijk aan de in de winst- en verliesrekeningen over die jaren vermelde bedragen voor personeelskosten. Daarnaast zijn echter, op pagina 11 van de jaarstukken/jaarrekening, bedragen aan ‘uitkering’ (over 2013 en 2014) ter hoogte van (ongeveer) het ouderdomspensioen van [erflater] vermeld terwijl de rekening-courantvordering op [Bedrijf] (waarover 4% rente, ongeveer € 12.000) werd ontvangen) in 2014 is afgenomen met ongeveer € 34.000. Aldus zijn naast een dotatie en post voor personeelskosten ook uitgaven voor pensioen en een vermindering van de rekening-courantvordering in de jaarrekening vermeld. Dit strookt met de door [geïntimeerden] c.s. gegeven verklaring voor de vermelding van dotaties inhoudende dat de betaling van pensioen als salaris werd geboekt door het betrokken ‘salarisbureau’, daarom in de winst- en verliesrekening is opgenomen en dat de accountant dat heeft ‘recht gepoetst’. De stelling dat ook na pensionering van [erflater] dotaties zijn gedaan, vindt dus geen steun in de jaarrekeningen. Ook overigens heeft [appellant] de gestelde jaarlijkse betalingen aan [geïntimeerde 1] onvoldoende gemotiveerd. Andere feiten of omstandigheden die tot de door [appellant] klaarblijkelijk voorgestane uitleg (Haviltex) van de overeenkomst van 31 december 1993 onderbouwen zijn niet gesteld of gebleken.

Zonder nadere toelichting die ontbreekt kan ten slotte, mede gezien de overeenkomst van 31 december 1993, niet worden aangenomen dat [geïntimeerde 2] op grond van de pensioenbrief en de door [appellant] genoemde goede trouw verplicht is dotaties aan [geïntimeerde 1] te betalen danwel dat [geïntimeerde 2] onrechtmatig handelt jegens [appellant] door dergelijke betalingen achterwege te laten. De tussenconclusie is dat grief IV faalt en dat de vordering onder ii zal worden afgewezen.

3.6.

Grief V heeft betrekking op de tegen [geïntimeerde 3] gerichte vorderingen. [appellant] vordert (onder i) dat zij, hoofdelijk met [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] , wordt veroordeeld tot betaling van het weduwenpensioen en – in het verlengde daarvan – om de (verplichting tot) betaling van dat pensioen over te dragen aan een verzekeringsmaatschappij. [appellant] stelt daartoe dat [geïntimeerde 3] als directeur-groot aandeelhouder van [Bedrijf] B.V. en daarmee als opvolgende (enig) bestuurder van [geïntimeerde 2] voor de nakoming van de verplichtingen van [geïntimeerde 2] aansprakelijk is te houden. Haar weigering om de pensioenuitkering op gepast niveau uit te betalen is onrechtmatig en zij is daarvoor persoonlijk aansprakelijk te achten.

Deze grief faalt reeds omdat de vordering tegen [geïntimeerde 2] wordt afgewezen.

3.7.

Het voorgaande betekent dat de grieven tegen de afwijzing van de vorderingen tegen [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] (vordering onder i) falen. De vordering tegen [geïntimeerde 1] is reeds in eerste aanleg toegewezen. Daartegen richten de grieven zich niet.

3.8.

Grief III komt op tegen de afwijzing van de vordering om de betaling van het weduwenpensioen over te dragen aan een Nederlandse verzekeringsmaatschappij onder betaling van de daarvoor nodige koopsom (vordering onder iii). [appellant] voert daartoe aan dat dit haar rust, zekerheid en stabiliteit in haar inkomen biedt en dat de verplichting tot afstorting voortvloeit uit de eisen van redelijkheid en billijkheid die de verhouding tussen echtgenoten beheersen en ook medebepalend zijn in de verhouding tussen een vereveningsgerechtigde echtgenoot en een pensioenvennootschap. Zij verwijst daarbij naar jurisprudentie inzake gescheiden echtgenoten waarbij een van de echtgenoten zijn of haar pensioen(verplichtingen) in een zogeheten pensioen B.V. heeft ondergebracht.

Het hof volgt [appellant] hierin niet reeds omdat haar belang bij de beoogde overdracht gezien voorgaand oordeel over de overige grieven, de huidige betaling van het (vrijwel) volledige pensioen en het beperkte vermogen van [geïntimeerde 1] (zeer) beperkt is.

3.9.

Grief VI ziet op de door de kantonrechter ten laste van [appellant] uitgesproken veroordeling in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] van € 2.219. Het hof begrijpt dat [appellant] erover klaagt dat de proceskosten (“salaris advocaat”) niet zijn verdeeld terwijl [geïntimeerden] c.s. gezamenlijk met één advocaat verweer heeft gevoerd en deze verweren verband met elkaar houden.

De grondslagen van de bij de kantonrechter ingestelde vorderingen op respectievelijk [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] waren niet gelijk(soortig) en evenmin de door hen gevoerde verweren. Daarom is er onvoldoende grond voor verdeling van de proceskosten. Bovendien zijn bij de proceskostenveroordeling van [geïntimeerde 1] in de proceskosten van [appellant] deze kosten ook niet verdeeld. [appellant] is veroordeeld om aan [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] griffierecht ad € 619 te betalen. Aangezien de procedure bij de kantonrechter is gevoerd waren zij geen griffierecht verschuldigd. In zoverre slaagt de grief.

4 De slotsom

4.1.

Alleen grief VI treft deels doel, de overige grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd behoudens de daarin uitgesproken proceskostenveroordeling.

4.2.

Als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 716

- salaris advocaat € 2.148 (twee punten x appeltarief II)

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen van 8 maart 2017, behoudens voor zover [appellant] is veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde 2] en [erflater] tot een bedrag van € 2.219 (rov. 5.3), vernietigt dit vonnis in zoverre en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding, gevallen aan de zijde van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] tot aan het vonnis (van 8 maart 2017) vastgesteld op € 1.600;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. vastgesteld op € 716 voor verschotten en op € 2.148 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.J. Engberts, L.J. de Kerpel-van de Poel en Chr.H. van Dijk en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2019.