Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:1285

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-02-2019
Datum publicatie
12-02-2019
Zaaknummer
200.249.685/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering in kortgeding tot betaling van een voorschot op schade vanwege bodembeweging door aardgaswinning. Een agrariër vordert betaling van een voorschot van ruim € 3.000.000,- vanwege de kosten van herstel (herbouw) van enkele stallen en een mestsilo die volgens hem ernstig zijn beschadigd door bodembeweging. De schade aan de stallen betreft vooral de mestkelders. Daarnaast is een van de stallen na een storm ingestort. NAM heeft bestreden dat de schade het gevolg is van – kort gezegd – de aardgaswinning. Beide partijen beroepen zich op uitgebreide rapporten van deskundigen. Het hof oordeelt dat het causaal verband tussen de gestelde schade en bodembeweging vanwege) de aardgaswinning niet zo duidelijk is dat toewijzing van de vordering in kortgeding gerechtvaardigd is. Wel toewijsbaar is de vordering tot vergoeding van de in het verleden vastgestelde kosten van herstel van diverse scheuren. Ook de vordering betreffende de herstelkosten van de bovenbouw van de ingestorte stal vindt het hof toewijsbaar. Op deze herstelkosten wordt een deel van de door de agrariër ontvangen verzekeringsuitkering vanwege stormschade als voordeel in mindering gebracht. Per saldo wijst het hof een bedrag van € 408.000,- toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.249.685/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/124141 / KG ZA 18-149)

arrest in kort geding van 12 februari 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. P.W. Huitema, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.,

gevestigd te Assen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: NAM,

advocaat: mr. P.A.Th. Kostwinder, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het verloop van de procedure in eerste aanleg

1.1

Het verloop van de procedure in eerste aanleg blijkt uit het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, afdeling civiel, locatie Groningen (hierna: de voorzieningenrechter) van 15 oktober 2018.

2 Het verloop van de procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- de dagvaarding in spoedappel (met producties), die ook de grieven bevat;
- de memorie van antwoord (met producties);
- het pleidooi van 18 januari 2019, waarbij de beide advocaten pleitnota's hebben overgelegd en waarbij namens [appellant] producties in het geding zijn gebracht.

2.2

Aan het slot van het pleidooi hebben partijen arrest gevraagd, waarna het hof een datum voor het arrest heeft bepaald.

2.3

De vorderingen van Huizinga in hoger beroep strekken ertoe dat het hof het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigt en NAM alsnog veroordeelt tot betaling aan hem van een voorschot op de door hem geleden schade van € 3.157.544,31, subsidiair € 2.991.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2018, een en ander met veroordeling van NAM in de proceskosten in beide instanties.

3
3. De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

3.2

[appellant] is eigenaar van een boerderij met meerdere opstallen, waaronder een woning, een jongveestal en werktuigenopslag uit 1968 (hierna ook te noemen: de jongveestal 1968), een jongveestal uit 1995 (hierna ook te noemen: de jongveestal 1995), een ligboxenstal uit 2009 en een mestsilo, gelegen aan de [a-straat 1] te [A] . Op dit adres wordt een melkveebedrijf uitgeoefend door [appellant] .

3.3

NAM is producent van aardgas. Sinds 1963 produceert NAM onder meer gas uit het 'Groningenveld' dat zich bevindt onder de gemeenten Appingedam, Bedum, Delfzijl, Eemsmond, Groningen, Hoogezand-Sappemeer, Loppersum, Menterwolde, Slochteren, Oldambt, Pekela, Ten Boer, Veendam en - gedeeltelijk - Bellingwedde en Haren. De gaswinning uit het Groningenveld veroorzaakt bodemdaling en aardbevingen in een omvangrijk gebied, waarin ook [A] ligt.

3.4

Medio 2013 heeft [appellant] een eerste schademelding gedaan bij NAM. De gemelde schade betrof scheurvorming in en aan de woning, de jongveestal 1968 en de jongveestal 1995. Conform het door NAM gehanteerde, destijds vigerende schadeprotocol heeft er - in opdracht en op kosten van NAM - onderzoek plaatsgevonden door de heer [B] (hierna: [B] ) van Vloedgraven Expertise. In zijn rapport van 15 oktober 2013 komt [B] tot het oordeel dat er, verkort weergegeven, sprake is van zogenoemde A- en B-schades. Een dergelijke classificering is gebaseerd op het door NAM gehanteerde schadeprotocol, waarbij A-schade ziet op schade die een rechtstreeks gevolg is van aardbeving(-en), B-schade betrekking heeft op schade die reeds aanwezig was voor, maar verergerd is ten gevolge van aardbeving(-en). (C-schade betreft schade die niet zelfstandig in verband kan worden gebracht met aardbeving(-en). [B] heeft de schade van [appellant] begroot op een bedrag van € 73.000,00 (inclusief btw), waar [appellant] zich mondeling akkoord mee heeft verklaard. In de begeleidende brief bij zijn rapport heeft [B] onder meer het volgende geschreven:
De stalroosters van de nieuwe stal [hof: de ligboxenstal] hebben extreem veel schade (combinatie gebouwd in 2012 en meeste zitten scheuren). Met claimant afgesproken om dit nauwkeurig te volgen tot volgend voorjaar en dit dan opnieuw bespreekbaar maken bij de NAM, tevens aangegeven dat dit wordt besproken met LTO. In de offerte van de pool is een stelpost mee genomen voor de kelder van € 2.500,00 deze werkzaamheden zijn inclusief btw € 6.000,00 als meerwerk € 3.500,00 meegenomen. Tevens dient de kap versterkt te worden hier een bedrag van € 1.643,18 meegenomen.

3.5

Op 28 oktober 2013 vond er een zware storm plaats in Nederland. Deze storm heeft

schade veroorzaakt op het bedrijf van [appellant] . Als gevolg van de storm is een deel van de jongveestal 1968 ingestort. Vervolgens is door een tweede storm op 5 december 2013 additionele schade ontstaan.

3.6

NAM heeft, nadat zij bekend was geworden met de stormschade en mede vanwege

de complexiteit van het dossier van [appellant] het Noordelijk Schade Taxatie Bureau

(verder: NSTB) ingeschakeld, met het verzoek om aanvullend onderzoek te doen naar de schade aan de woning en de jongveestalling 1968. Nam heeft ook Arcadis ingeschakeld om onderzoek te doen naar klachten over zettingen van de mestsilo de lekkage van de mestkelders van de ligboxenstal (door Arcadis aangeduid als 'Koestal'). Het rapport van Arcadis, gedateerd 28 mei 2018, vermeldt het volgende, voor zover van belang:

"Beoordeling constructie Koestal

Het is ons onbekend of en hoe er een grondverbetering is toegepast De gekozen funderingswijze is in elk geval gevoelig voor ongelijkmatige afdracht van gewichten in combinatie met een weinig draagkrachtige ondergrond.

Het is ons niet duidelijk of er voldoende dilataties toegepast zijn.

Op basis van de waarnemingen en de beschikbare informatie is hoogst aannemelijk dat de scheuren in de wanden hoofdzakelijk veroorzaakt zijn door krimp van het beton. Hierop kan de gekozen funderingswijze ook van duidelijke invloed geweest zijn. (…)
Beoordeling samenhang draagconstructie Silo

Gezien de sondering lijkt het onvermijdelijk dat de silo zettingsgedrag gaat vertonen. Het is daarbij mogelijk dat de zettingen ongelijkmatig zijn. Trillingen t.g.v. een aardbeving kunnen van marginale invloed zijn op de zettingen. De hoofdoorzaak blijft echter de geringe draagkracht van de ondergrond.".

Arcadis classificeert aan het slot van haar rapport de door haar geconstateerde scheuren in de wanden van de koestal en de scheefstand van de silo als C-schade. Bij die classificatie merkt ze ten aanzien van de scheuren op dat sprake is van “krimpscheuren (Mogelijk in kombinatie met spanningen in de betonwanden t.g.v. de gekozen funderingswijze)” en ten aanzien van de scheefstand van de silo: “Onvoldoende draagkrachtige ondergrond”.

3.7

Het rapport van NSTB, gedateerd 2 juni 2014, vermeldt het volgende, voor zover

van belang:

"Causaliteit:

Een deel van de door schademelder getoonde schade bevindt zich op een locatie waar doorgaans schade ten gevolge van trilling ontstaat. Gelet op het feit dat deze schade van recente aard is en rekening houdend met de afstand tot het epicentrum, acht ik het oorzakelijke verband aangetoond. Schade die mijns inziens niet ten gevolge van de trilling is, heb ik ten aanzien van de schadevaststelling buiten beschouwing gelaten. In dit taxatierapport heb ik deze wel gerapporteerd en vastgelegd in de categorie C. Onder het kopje schadevaststelling wordt verder ingegaan op de mogelijke oorzaken van deze schades.

(...)

Schadevaststelling:

Beide schuren zijn verloren gegaan, of dienen als verloren beschouwd te worden. De oorzaak voor het verloren gaan van beide schuren is het bezwijken van de gelamineerde spanten. Het bezwijken van deze spanten is veroorzaakt door ouderdom in combinatie met vocht. De spanten zijn aan de spantvoet verrot, waardoor meerdere spanten vanuit de spantvoet zijn gespleten. Waarschijnlijk is ook de relatief vroege toepassing van deze verlijmingstechnologie mede debet aan de matige basiskwaliteit van de spanten.

De verloren gegane schuur (Schuur 3) is uiteindelijk tijdens een storm bezweken. In het kader van het veiligstellen van de bestaande situatie is constructief advies ingewonnen waaruit is gebleken dat herstel van de schuur niet zinvol is. Door middel van stutwerk en andere maatregelen kan het instortingsgevaar van de gehele constructie worden teruggebracht, waarbij echter het gevaar van gedeeltelijke instorting nagenoeg niet weg valt

te nemen anders dan door sloop.

Voordat de ene schuur (3) bezweek en er voor wat betreft de andere schuur (2) werd vastgesteld dat deze als verloren beschouwd dient te worden, is aan de schuren beving-gerelateerde schade geconstateerd. Zoals hierboven al aangegeven, is het verloren gaan van de beide schuren niet gerelateerd aan deze geconstateerde schade. Nu beide schuren door andere oorzaken verloren zijn gegaan of als zodanig beschouwd dienen te worden, is er ook geen sprake meer van nut of noodzaak van herstel van deze schade en ligt het dus niet in de

rede om de herstelkosten ten aanzien van deze schade als geleden schade vast te stellen. Daarnaast hebben de schuren door het verloren gaan ervan wegens andere oorzaken geen economische waarde meer. De materiele schadevaststelling ten aanzien van een object kan redelijkerwijs niet meer bedragen dat de economische waarde het onderhavige object, waardoor ook vanuit deze invalshoek in redelijkheid geen schade kan worden vastgesteld.
Ik stel de geleden materiële schade aan de in dit rapport besproken schuren (schuur 2 en 3

op bovenstaand overzicht van de verschillende opstallen) ten gevolge van geïnduceerde aardbevingen ten gevolge van gaswinning vast als nihil (€0,-) ".
Met “schuur 2” en “schuur 3” wordt de jongveestal 1968 bedoeld. Volgens NSTB is de situatie ter plaatse zodanig gevaarlijk dat op zeer korte termijn beheersmaatregelen dienen te worden genomen. NTSB heeft de kosten hiervan begroot op € 9.908,80 en geeft aan dat NAM bereid is deze voor haar rekening te nemen.

3.8

[appellant] heeft zich niet akkoord verklaard met dit rapport van NTSB.

3.9

De verzekeraar van [appellant] , Achmea, heeft onderzoek gedaan naar de schade

als gevolg van de stormen op 28 oktober 2013 en 5 december 2013. Het schaderapport van

Achmea van 23 juni 2014 vermeldt het volgende, voor zover van belang:

"Op 29 oktober 2013 ben ik daags na de storm op het schadeadres geweest. Ter plaatse bleek dat meerdere spantbenen aan de zuidzijde van de ligboxenstal gescheurd waren. In feite waren de gelamineerde lagen hout van elkaar gekomen. Doordat de spanten gescheurd waren was de nok plaatselijk naar beneden gedrukt. Toen we in de stal stonden hoorden we de spanten kraken. In overleg met slopersbedrijf Steenhuis is meteen opdracht gegeven om de nok te onderstempelen om verdere schade te beperken. Op dat moment waren alleen de spantbenen kapot, de platen waren nog intact.

Een dag later belde de verzekerde al met de mededeling dat de stal in zijn geheel in elkaar gezakt was.

Er was geen tijd geweest om de noodmaatregelen tussentijds te regelen. De gehele opbouw van de ligboxenstal is naar beneden gestort. Op dat moment lag er één zieke koe in de stal, deze is door de dierenarts afgemaakt, aangezien het onmogelijk was om de koe uit de puinresten te verwijderen.

Vanwege het aanwezige asbest heb ik goedkeuring gegeven aan het asbestsaneerbedrijf om met enige spoed het asbest en de restanten te verwijderen.

Door het asbestsaneerbedrijf en sloopbedrijf Steenhuis is vervolgens de opbouw van de ligboxenstal verwijderd.

Omdat de ligboxenstal haaks tegen de werktuigenloods is aangebouwd liep men hier tegen problemen aan met de sloop op/bij de scheiding van de twee schuren. De kap van de ligboxenstal liep door in de kap van de werktuigenberging. Besloten is om deze kap opbouw eerst te laten zitten en de ontstane opening dicht te zetten met houten palen. Al deze werkzaamheden zijn uitgevoerd voor 5 december 2013.

Op 5 december 2013 is er opnieuw een hevige storm geweest in dit gebied. Opnieuw is er schade ontstaan op dit adres. Nu is er schade aan de werktuigenloods ontstaan. Ook hier was al schade aan de spanten ontstaan ten gevolge ven de bevingen. Een deel van de achtermuur is naar buiten gedrukt en ook hier zijn de spanten naar buiten gedrukt, dit echter in veel mindere mate dan bij de ligboxenstal. Toch heeft de storm van 5 december 2013

meer schade veroorzaakt aan deze werktuigenloods. Deels is dit te verklaren doordat de stevigheid van de loods sterk is verminderd door het verwijderen van de haaks op de loods gebouwde ligboxenstal. Verzekerde heeft geen tijd gehad om te herbouwen, zelfs niet om eventuele voorzorgsmaatregelen te treffen. De beide stormen kwamen in dit geval te snel na elkaar.

Door de storm van 5 december 2013 is er ernstige schade ontstaan aan twee van de in totaal 5 houten gelamineerde spanten van de werktuigenbouwloods. Dit betekend wel dat 4 spantvakken met gordingen en asbesthoudende platen verwijderd en vervangen moeten worden om weer één geheel te kunnen krijgen.
Verzekerde was van mening dat de loods dusdanige klappen had opgelopen dat deze feitelijk ook totaal verlies zou zijn.

Ik was deze mening niet toegedaan en heb feitelijk maar 50% schade aangehouden voor de werktuigenloods.

Uiteraard was het resterende deel niet meer zo best, deels ten gevolge van bevingsschaden. Hierdoor waren er veel scheuren in het metselwerk ontstaan, en ook zou de loods nog wel klappen krijgen bij eventueel meerdere stormen, aangezien het verband voorlopig niet meer aanwezig zou zijn.

Toch heb ik mijn standpunt gehandhaafd dat ik van mening was dat 50% schade van de werktuigenloods een verder gevolg was van de twee eindejaars stormen. De meerdere schade moet verzekeraar maar indienen bij de NAM als gevolg van de bevingschaden.

(...)

De uiteindelijke schade van beide stormdagen 28 oktober 2013 en 5 december 2013 heb ik vastgesteld op € 465.957,75 exclusief btw.

(...)

Noot 3: In verband met de bevingschade en de causaliteit tussen storm en bevingschade heb ik de situatie laten beoordelen door een constructeur. Uiteindelijk is vast komen te staan dat beide oorzaken naast elkaar kunnen bestaan. Een causaliteit tussen beide schade is niet aan te geven.".

Tot uitkering is het - nog - niet gekomen, omdat er volgens de voorwaarden van de

verzekering pas wordt uitgekeerd als de herbouwplannen en facturen gereed zijn.
Achmea heeft in het boekjaar 2014/2015 van [appellant] een bedrag van € 232.978,- (de helft van het vastgestelde schadebedrag) uitgekeerd.

3.10

De mestkelder onder de ligboxenstal is onderzocht in het kader van een door NAM

geïnitieerd onderzoeksproject naar de gevolgen van de gaswinning voor dergelijke objecten. Daarbij zijn ook diverse andere mestkelders in het aardbevingsgebied onderzocht.

Grontmij heeft dit onderzoek verricht, in samenwerking met derden en op 5 december 2014

gerapporteerd. Het onderzoek naar de mestkelder onder de ligboxenstal is in het rapport aangeduid als “pilot 3”. Dat rapport vermeldt het volgende, voor zover van belang:

"1.1 Inleiding
(…)
pilot 3: Bestaand schadegeval, kelder van gewapend beton uit jaren ’00 – ‘09
Het verschil met de andere pilots is dat kelders uit deze periode zijn gebouwd conform meer recente inzichten ten aanzien van krimp, kruip en andere invloeden welke scheurvorming en/of zettingen en zettingsverschillen kunnen veroorzaken. Van deze kelders mag worden verwacht dat ze, mits gebouwd conform de geldende richtlijnen en behoudens wat beperkte scheurvorming welke conform deze richtlijnen is toegestaan, geen lekkages zullen vertonen.
(…)
2.2.7. Inspectie kelderdek en bovenbouw

Gezamenlijk met de schade melder is een inspectieronde rondom het te onderzoeken object

uitgevoerd. De schade melder en de inspecteur hebben hierbij gezamenlijk de locaties bekeken waar zichtbare schade aan de bovenbouw is opgetreden. Uit de inspectie blijkt dat:

• De wanden van de stal schade vertonen.

• Het erf rondom de stal schade vertoont.

• De onderheide funderingsplaat waarop voorheen een voersilo is geplaatst zettingsverschillen vertonen.

• De bovenbouw van de stal uit prefab betonpanelen bestaat. Deze vertonen geen zichtbare

scheurvorming, maar wel onderlinge scheefstand in het vlak van de gevel.

• De zichtbare scheuren in de kelderwand zijn tot een praktisch uitvoerbaar niveau met handkracht vrij gegraven. Hierbij is geconstateerd dat deze scheuren ten minste doorlopen tot het ontgravingsniveau.

• Een aantal van bovengenoemde scheuren is behandeld met een scheuroverbruggende coating. Dit is tijdens, of vlak na de bouwfase, uitgevoerd.

• De wanden van de kelder onder de melkput grenzen aan de mestgangen. Deze wanden

vertonen een groot aantal verticale scheuren. Duidelijk is te zien dat deze in het verleden

gelekt hebben. Ook de horizontale stortnaad van deze wanden met de onderzijde van de

dekvloer van de melkput lekt.
(…)
2.2.3 Samenstelling en volume drijfmest

De schade melder heeft een compleet overzicht van de uitgereden mest in de periode februari 2014 tot en met augustus 2014 ter beschikking gesteld.
Daarnaast is bekend hoeveel koeien op stal stonden, wat hun melkgift en rantsoen was en welk beweidingssysteem is toegepast. De leverancier van de melkinstallatie heeft een overzicht gemaakt van de hoeveelheid gebruikt spoelwater.

(...)

Uit de analyse volgt dat er ca. 2.450 m3 (48%) meer is uitgereden dan er theoretisch geproduceerd zou zijn.

De analyses van de uitgereden mest geven gehaltes weer die circa 30 tot 50% lager zijn dan

het landelijk gemiddelde.

2.2.4

Inspectie mestkelder vanaf de binnenzijde

Op 10 september 2014 heeft Sireno BV. in opdracht van Grontmij en onder de benodigde veiligheidscondities de kelder van de stal van binnenuit geïnspecteerd. Het volledige inspectierapport is opgenomen in bijlage 2.

Aan de binnenzijde van zijn een aantal scheuren waargenomen. Deze scheuren komen overeen met de scheuren die ook aan de buitenzijde zijn aangetroffen. Een deel van de scheuren is behandeld met een soort bitumen. Deze behandeling is voor ingebruikname van de kelder uitgevoerd wat ook uit beschikbare foto's van de bouwfase blijkt. Alle aangetroffen scheuren waren op het moment van inspecteren droog.

(...)

3.1

Conclusies

• Eventuele schade aan de bovenbouw kan een goede indicatie zijn voor schade aan de kelder.

• Schade aan belendingen kan indicatief zijn voor de oorzaak van de schade aan de kelder.

• De hoogtemeting is een eenvoudig hulpmiddel om zettingen en zettingsverschillen vast te

stellen.

• De aanwezigheid van vee in een stal kan een belemmering vormen om een goede meting in een stal te verrichten.

• Indien er onvoldoende geotechnische gegevens beschikbaar zijn (sonderingen, boorprofielen en waterstanden) is veldwerk nodig om de oorzaak van de schade beter inzichtelijk te maken.

• Visuele inspectie van de binnenzijde van een mestkelder voegt in het algemeen weinig toe

ten opzichte van inspectie van de buitenzijde. Watervoerende scheuren aan de buitenzijde

van de kelderwanden zijn meestal relatief eenvoudig waar te nemen bijvoorbeeld door een

proefsleuf langs de kelder te graven.

• Om een visuele inspectie te kunnen uitvoeren moet de kelder zo veel mogelijk te zijn leeg

gepompt.

• De laag achtergebleven mest (die niet uit de mestkelder kan worden gepompt) belemmerd

het zicht op de kim en de keldervloer waardoor twee potentiële lekkagemogelijkheden niet te beoordelen zijn.

• Infrarood onderzoek tijdens de inspectie van de binnenzijde van de kelderwanden levert

nauwelijks tot geen extra informatie op."

3.11

Op 26 maart 2015 heeft Grontmij opdracht verstrekt aan Texplor Benelux (verder:

Texplor) voor het uitvoeren van een zogenoemd lekdetectie onderzoek in de

ligboxenstal. Het rapport van Texplor van 1 mei 2015 naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek vermeldt het volgende, voor zover van belang:

" 2 Gegevens locatie- en dossieronderzoek
(…) Uit daartoe uitgevoerde en zeer gedetailleerde onderzoeken (bron Grontmij, memo 20150113) worden drink- en hemelwater als oorzaak van de toename van het volume mest uitgesloten en blijft indringing van grondwater in de mestkelder aannemelijk.(…)
Gezien de betonconstructie houdt dit in dat indringing van grondwater kan plaatsvinden door:
- scheuren/breuken in de betonnen kelderwanden;
- onthechte delen van de kimaansluiting/-naad;
- scheuren/breuken in de betonnen keldervloer.
(…)
Bij uitgevoerde inspecties door Grontmij zijn tevens scheuren geconstateerd bij de buitenwanden , echter de scheurvorming is niet dermate groot dat verwacht wordt dat dit de (hoofd)oorzaak is van het instromen van grondwater.
(…)
3.2.1 Visuele inspectie
Uit de visuele inspectie kan in het algemeen worden opgemaakt dat verzakkingen langs de gevel, loskomend voeg/-metselwerk, breuken van de verticale stortnaad en plaatselijk scheuren in de betonwanden aanwezig zijn. De betonwanden zijn niet aan alle zijden geheel visueel beoordeeld in verband met het aanwezige maaiveld.
(…)

3.2.2

Geo-elektrische metingen
Op basis van de uitgevoerde geo-elektrische metingen zijn in totaal 13 lekkages (L1 tot en met L13) en 3 verdachte locaties (V1 tot en met V3) geconstateerd. Bij de lekkages, de geconstateerde anomalieën, kan visueel onderscheid tussen kleine en grote/brede anomalieën worden gemaakt. Hierbij kan geen directe relatie worden gelegd met de hoeveelheid instroming van grondwater. Naar verwachting zijn de grote/brede anomalieën gerelateerd aan onthechting van de komaansluiting danwel een breuk/scheur in de keldervloer (in combinatie met scheuren vanuit de buitenwand). De kleine anomalieën zullen in eerste instantie meer gerelateerd zijn aan scheuren in de buitenwand.
4. Conclusies

(...)

Op locatie heeft een visuele inspectie, geo-elektrische metingen en een verticale meting

plaatsgevonden. Bij de visuele inspectie zijn resumerend verzakkingen langs de gevel, loskomend voeg/metselwerk, breuken van de verticale stortnaad en plaatselijk scheuren in de buitenwanden geconstateerd.

Enkele van de voornoemde gebreken komen overeen met de locaties van de geconstateerde lekkages/verdachte plekken vanuit het geo-elektrisch onderzoek Op sommige plaatsen zijn wel visueel scheuren in de buitenwand geconstateerd, echter geen anomalieën. Dit houdt in dat ter plaatse de scheur niet door de wand doorloopt (er is geen verbinding tussen grondwater en het mest).

In totaal zijn door middel van geo-elektrische metingen 13 lekkages en 3 verdachte gebieden geconstateerd. Onderscheid tussen kleine en grote/brede lekkages in relatie tot hoeveelheid instromend grondwater is niet te maken. Wel is het aannemelijk dat de grote/brede lekkages ontstaan vanuit een onthechting van de kimaansluiting/-naad of breuk/scheur in de keldervloer in combinatie met scheuren in de buitenwand.

Bij lekkage L10 en de visueel waarneembare scheur is tevens een verticale meting uitgevoerd. De resultaten van de verticale meting laten zien dat de energie bij de verticale meting vanuit de onderzijde wordt gemeten. Het is niet uit te sluiten dat een gebrek in de keldervloer aanwezig is.
(…)
Gezien de vele lekkagelocaties achten wij het aannemelijk dat de lekkages ontstaan vanuit de buitenste betonconstructie. Mogelijk is als gevolg van trillingen de kimnaad op de lekkagelocaties losgescheurd. Als de kimnaad scheurt of is onthecht, biedt het aangebrachte kimijzer onvoldoende weerstand om toestroom van grondwater tegen te gaan. Ook mogelijk is dat op de lekkagelocaties verticale scheuren in de kelderwanden zijn ontstaan (deels visueel zichtbaar) waardoor grondwater binnentreedt. Een combinatie van verticale scheurvorming en een losgescheurde kimnaad is uiteraard ook mogelijk.
Eventuele scheurvormingen in de betonvloer is niet uit te sluiten, echter de betonvloer is niet gemeten. In de betonvloer zijn geen dilitaties opgenomen, ondanks het grote oppervlak van de vloer. Dit houdt in dat vanwege droging van de beton wel natuurlijke dilitaties zijn ontstaan in de vorm van enkele dwarslopende (haar)scheurtjes. Deze scheurtjes veroorzaken onder normale omstandigheden geen waterinfiltratie. Door ontstane trillingen in de bodem is het geenszins uit te sluiten dat de scheurtjes als breuklijn fungeren waarbij de beton wat verschuift en/of losscheurt. Hierdoor kan grondwater binnentreden.
Als de keldervloer niet separaat wordt gemeten adviseren wij om als eerste de 7 lekkagelocaties vrij te maken en nader te onderzoeken. De te constateren gebreken aan de kimnaad en/of de verticale scheuren moeten vervolgens met een (tweecomponenten) injectiemortel waterkerend worden gedicht. Als blijkt dat het herstel niet (of onvoldoende) effect resulteert kan alsnog de vloer worden gemeten of sowieso worden behandeld.

3.13

[appellant] heeft Vergnes opdracht gegeven een contra-expertise te verrichten. Het door Vergnes opgestelde rapport van 13 augustus 2015 vermeldt onder meer het volgende:

''Op basis van de aangedragen gegevens constateren wij dat schuren 2 en 3 alsook de woning na aardbeving belasting plotseling aanzienlijk waren aangetast (zie ook begroting BVS Bouw/ [B] ). Tevens is ernstige scheefstand van de vloer van de bedrijfsgebouwen

gemeten en aangezien vloeren in het werk waterpas worden gestort, zullen de vloeren als

gevolg van een verstoring inde ondergrond ongelijk zijn gaan verzakken. Het ontstaan van

de plotselinge beschadigingen aan de panden duidt op eveneens (plotseling) ontstane

spanningen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid het directe gevolg van de

gaswinning en de daaruit voortvloeiende verzakkingen. Ten tijde van onze opnames op

locatie namen wij ter plaatse van de woning waar dat hierin dermate ongelijkmatige

zakkingen waarneembaar zijn dat dit ook in onze optiek rechtstreeks naar de

gaswinningsinvloed kan worden herleid.

Het ontgaat ons volledig waarom de zeer ongebruikelijke scheefstand van de bedrijfsvloeren

niet in het schade- oorzaakonderzoek is betrokken. Immers, een en ander is niet alleen een

ongebruikelijk beeld, maar een dergelijke scheefstand/verschil in vloerniveau zal

onherroepelijk leiden tot enorme spanningen in de bovengelegen constructie. Dat een en

ander in 2012/2013 tot aanzienlijke scheurvorming en horizontale verplaatsing in het pand

heeft geleid, verwondert ons derhalve geenszins.

Voorts dient er, mede in het licht van het hierboven genoemde, ernstig rekening mee te

worden gehouden dat aardlagen als gevolg van de bevingen op de schadelocatie ten

opzichte van elkaar zijn verschoven met ongelijkmatige verzakkingen in de bovenbouw van de panden als gevolg. Aan ons zijn sonderingsgegevens verstrekt betrekking hebbend op de

schadelocatie aan de [a-straat 1] te [A] . Deze treft u als bijlage 5 aan bij dit

rapport. Namens claimant is aan Wiertsema en Partners Raadgevend Ingenieurs uit Tolbert

om commentaar gevraagd. Dit commentaar treft u als bijlage 6 aan bij dit rapport. Hierin

wordt overduidelijk een relatie gelegd tussen vermoedelijke verweking van de ondergrond

als gevolg van trillingen die vervolgens gepaard gaan met ongelijke zakkingen.
Aangezien ook de NAM-taxateurs aardbeving schade/trillingen op locatie erkennen en uit

sonderingen de aanwezigheid van zeer slappe lagen in de ondergrond worden aangetoond,

is het niet alleen zeer aannemelijk, maar ligt het zelfs voor de hand dat juist deze combinatie

van factoren voor (zeer aanzienlijke) ongelijkmatige zettingen op de schadelocatie hebben

veroorzaakt. Wij vinden het derhalve volstrekt onbegrijpelijk dat er in het NAM-rapport

totaal niet wordt ingegaan op deze, zeer verontrustende, omstandigheid.

Niet alleen zien wij hierin de hoofdoorzaak van de als gevolg van de aardbevingen ontstane schades, maar een en ander impliceert eveneens dat met vele (en hevigere) bevingen in het verschiet er op de schadelocatie zeer waarschijnlijk een continu recidive-effect zal optreden. Met andere woorden: schades zullen in toenemende mate blijven ontstaan waardoor herstel van de bebouwing ongekend hoge kosten met zich mee zal brengen.

Overigens blijkt de locatie zich te bevinden in de directe nabijheid van een breuklijn in de

ondergrond (zie navolgende kaart). Het is zowel bij ons als ook bij claimant bekend dat er

langs deze breuklijn ernstige schadegevallen gesitueerd zijn. Hierdoor lijkt het plausibel dat

de invloed van een dergelijke situering een vergrote kans op schade met zich mee brengt."

3.14

Archipunt heeft, net als Grontmij en Texplor, in opdracht van NAM onderzoek

gedaan naar de ligboxenstal. Het rapport van Archipunt van 4 februari 2016 vermeldt het

volgende:
"Pilot onderzoek mestkelders:
De door de bevingen veroorzaakte grondversnelling (PGA’s) en grondsnelheden (PGV’s) op de locatie zijn door Grontmij indicatief vastgesteld. (zie bijlage 4). De maximaal berekende grondversnelling, als gevolg van bevingen, bedroeg c.a. 0,03 (g). De beving van Huizinge d.d. 16-08-2012 is de meest dominante beving geweest op de locatie.
Grontmij concludeert dat een dergelijke trilling “hooguit de inleiding tot lichte scheurvorming kan veroorzaken.
Een aardbeving kan, zeer zelden, verdichting veroorzaken van zand in ondiepe losgepakte lagen. Dit verschijnsel is tot dusver in het Groninger aardbevingsgebied niet waargenomen.
(…)
Schademelder is zowel mondeling, per mail, als per aangetekend schrijven gevraagd conform het protocol de aan Grontmij verstrekte mestboekhoudgegevens aan te vullen met die van de afgelopen 5 jaren.
Schademelder heeft geen aanvullende gegevens aangeleverd. Een mogelijke trendbreuk in de hoeveelheid instromend (grond)water na een tijdstip corresponderend met een dominante beving op locatie is derhalve niet vast te stellen.

Oorzakelijk verband
Een aantal scheuren in de betonwanden zijn voor ingebruikname van de stal gerepareerd met bitumen. De overige zichtbare scheuren hebben een geringe breedte en zijn niet watervoerend.

Schademelder heeft geen gegevens aangeleverd waaruit blijkt dat er een trendbreuk in de instroom is ontstaan na het moment van een dominante beving op locatie.

De berekende grondversnelling op locatie is hooguit de inleiding geweest tot lichte scheurvorming.

Er is derhalve geen oorzakelijk verband vastgesteld tussen de door schademelder getoonde schade of de geclaimde aanvullende exploitatiekosten en de bevingen. De aangetroffen schades zijn mogelijk veroorzaakt door krimp en kruip in de betonconstructies, in combinatie met de belastingenverschillen op de kelderwand vanuit de spantconstructies. Ook tekenen stortnaden zich af door ongelijke zetting in de ondergrond.

(...)

Schadevaststelling:

In verband met het ontbreken van causaliteit tussen aangetroffen schade en aardbevingen heb ik geen schade vastgesteld."
3.15 In het hiervoor aangehaalde rapport van Archipunt wordt verwezen naar een rapport van Grontmij. Dat rapport - betreffende Pilot 3 - is gedeeltelijk als bijlage bij het rapport van Archipunt gevoegd. In het rapport is onder meer het volgende vermeld:
Bodemopbouw
Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie uit Knippoldervaaggrond, zavel en lichte klei op een zware ondergrond.
(…)
Grondwaterstanden
Aan de hand van hydromorfe profielkenmerken (…) is een schatting gemaakt van de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). De GHG is geschat op 0,40 à 0,50 m -mv en de GLG op 0,90 à 2,10 m -mv.
Op 18 september 2014 zijn de grondwaterstanden in de peilbuizen opgenomen. De resultaten van de opname zijn in figuur 4.5 weergegeven.
(…)
De gemeten grondwaterstanden blijken niet overeen te komen met in het uitgangspunt voor de grondwaterstand dat in de beschikbaar gestelde berekeningen is gehanteerd. In de berekeningen is maximale grondwaterstand van 0,90 m t.o.v. bovenzijde keldervloer.
(…)
4.5 Beoordeling schade in relatie tot aardbevingen
(…)
Uit het overmaat aan uitgereden mest (in vergelijking met wat aan productie wordt verwacht) en het feit dat uit mestanalyse blijkt dat de mest is verdund. Gezien de hoeveelheid is het vrijwel uitgesloten dat dit wordt veroorzaakt door intredend water via de waargenomen krimpscheuren. (…) Hiermee staat vast dat de mestkelder grote lekkage vertoont.
De vloer en de kim van de wand zijn door de aanwezigheid van een laag drijfmest in de kelder niet waarneembaar. De conclusie dat de keldervloer in ernstige mate lekkage vertoont lijkt aannemelijk. Hier zijn echter geen aanwijsbare oorzaken van waargenomen.
De ter beschikking gestelde foto’s van de bouwfase zijn geen aanleiding te veronderstellen dat tijdens de bouwfase (ernstige) fouten zijn gemaakt. Niet uitgesloten is dat er sprake is geweest van opdrijven van de keldervloer met mogelijke schade tot gevolg. Om dit goed in beeld te brengen is nader onderzoek noodzakelijk. Dit betreft:
- Meting van de hoogteligging van de keldervloer vanaf de roostervloer;
- Een interview met de aannemer over eventuele calamiteiten tijdens de bouw;
- Extra controle van de berekeningen ten aanzien van verticale evenwicht (opdrijfrisico) tijdens uitvoerings- en gebruiksfase.
Vooralsnog zijn er geen aanknopingspunten gevonden om te veronderstellen dat de scheurvorming en de lekkage primair door aardbevingen zijn veroorzaakt.
Toename van eventuele scheurvorming in vloeren en wanden? Kan door bevingen echter wel zijn toegenomen.

3.16

NSTB heeft op verzoek van NAM een nieuwe opname gedaan op 3 mei 2016, met

de opdracht "om de schade te actualiseren en na te gaan of de vastgestelde schades

van 04-11-2013 hetzelfde zijn gebleven dan wel waren verslechterd". Het rapport van

NSTB van 9 maart 2017 vermeldt het volgende, voor zover van belang:

"Uit de opname die op 3 mei 2016 heeft plaatsgevonden is naar voren gekomen dat de schades inderdaad waren verslechterd. Dit heeft de eerste lijns expert ook aan de NAM aangegeven. De contra Vergnes stelt zich op het standpunt dat de verergerde schades te maken hebben met de aardbevingen. NSTB betwist dit en ziet geen causaliteit tussen de verergering van de schades en eventuele aardbevingen.
Het enige waar de contra en NSTB overeenstemming over hebben is de constatering dat de schades zijn verergerd; over de causaliteit echter is uitdrukkelijk geen overeenstemming.

NSTB is van mening dat de causaliteit ligt in de geconstateerde waterlekkage en het niet repareren van de eerder vastgestelde schades aan de bedoelde woning waarvoor reeds een uitkering heeft plaatsgevonden.

NSTB stelt zich op het standpunt dat er een nader onderzoek moet worden uitgevoerd teneinde de causaliteit vast te kunnen stellen, waarbij NSTB van mening is dat de toegenomen verergering van de schades aan de woning te wijten zijn als gevolg van zetting door een slappe ondergrond en de waterlekkage.

Al in een eerder stadium is vanuit de NAM het advies gegeven om een nader onderzoek uit te voeren. De schademelder en contraexpert hebben hier echter tot nu toe geen gevolg aan willen geven.

Conclusie:

Voor een juiste afwikkeling van dit dossier en het definitief vaststellen van de oorzaak van de verergering van de schades dient een nader onderzoek plaats te vinden.

De schademelder en contra expert hebben niet gereageerd op het voorstel van 01-03-2017 om al nog een nader onderzoek uit te voeren".

3.17

[appellant] heeft de geoloog [C] , verbonden aan Holland Innovation

Team (hierna: [C] ), gevraagd om onderzoek te doen naar de mestkelder onder de

ligboxenstal, de woning, de schuren, de silo en de omgeving. In de samenvatting van het rapport van [C] van mei 2017 is onder meer het volgende vermeld:

" De mestkelder
Uit een fotorapportage van 2009 blijkt dat de bouwput, gegraven in de klei, zonder bemaling volstrekt droog is geweest gedurende de gehele bouwfase. Uit een sondering wordt de CPT waarde gegeven als zijnde plusminus 1MPa. De draagkracht was meer dan voldoende voor de zware bouwkranen. Gezien de slechte doorlatendheid van de klei wordt hiermee duidelijk dat de sterkte van de 5 meter dikke holocene klei in de uitgegraven bouwput voldoende was om het diepere grondwater van de pleistocene aquifer "tegen te houden". Het maaiveld is rondom de buitenmuren opgehoogd met klei uit de bouwput en bevindt zich naar schatting nu op plusminus 50-70 cm boven NAP.

Uit eigen boringen blijkt dat zich inderdaad direct beneden de knipklei een laag van "blauwgrijze donkere" klei bevindt, plaatselijk afgewisseld met siltiger laagjes, soms een weinig organisch. Een enkele boring toonde opvallende roestvlekken (Gley) en af en toe schelpenbanken. De overal aangetroffen Holocene klei is vrijwel impermeabel.

In een boring in het land (boring 6) werd een droge kuil gegraven van bijna twee meter diep, deze kuil is langzaam (binnen 24 uur) volgelopen tot 65 cm onder maaiveld. Het water is geanalyseerd op chloride. Het chloride gehalte van het water bedroeg >1500 mg/liter. Bij enkele boringen langs de mestkelder werd een opvallend verschijnsel aangetroffen. Naast de mestkelder - horizontaal op minder dan 1 meter afstand - werd op 1.35 meter onder maaiveld (-0.65 m NAP) een krachtige waterstraal geconstateerd. In een boring ernaast (in

eerste instantie droog) werd op 1.45 meter diepte horizontaal geboord (1 meter) en werd een waterhoudende scheur aangeboord (in het water gronddeeltjes). Op enige afstand op de noordwest hoek van de stal werd geboord zonder uitstroming van water. Hier werd ongeveer 8 meter wel het zand van deformatie van Boxtel aangeboord. Het aangetroffen water is uit de diverse boringen geanalyseerd op chloride gehalte. Het chloridegehalte bedroeg met
1 uitzondering (tussen 700-800 mg/liter) meer dan 1000 mg per liter met een maximum van

boven de 1900 mg/l.(100 mg chloride/liter geeft de overgang van brak naar zout zeewater.)

Het is duidelijk dat instroom van zout water plaatsvindt vanuit de Pleistocene zandformatie gedreven door een waterdruk (waterspanning) die in deze zandformatie aanwezig is.
Opvallend is de vergelijking die De Louw (2013) maakt met door aardbeving gecreëerde zogenaamde "sandboils" (zwaktezones waardoor zout water - soms met enig sediment - naar het maaiveld vloeit). Bij experts (en oude Romeinen) was reeds bekend dat na aardbevingen waterdrukken (en water samenstellingen) sterk kunnen worden verhoogd (veranderd) en dat hoge waterniveaus gedurende lange(re) tijd gehandhaafd kunnen blijven2.

Uit verder onderzoek blijkt niet alleen dat de mest in de kelder sterk is verdund maar dat ook het chloridegehalte sterk is verhoogd. Dat betekent dat daar waar nooit zout water heeft kunnen doordringen (in 2009), na de aardbevingen van 2012 en 2013 sterke zout water influx heeft kunnen plaatsvinden vanuit de Pleistocene aquifer. De enige plausibele verklaring voor de lekkage van de mestkelder aan de [a-straat 1] is als volgt. "Ten gevolge van de aardbevingen van 2012 en 2013 is het zoute grondwater opgeschud, zijn er scheuren/(boils/vents) ontstaan in de impermeabele bovenste 8 meter klei. Daardoor kan het zoute water door de scheuren omhoog komen tot op het niveau waarop geen drukgradiënt meer bestaat (tot de stijghoogte is bereikt). Dat niveau ligt ver boven de mestkelder bodem (ten minste op 1.65 m boven de mest-keldervloer) en daardoor is een sterke zoutwaterinflux ontstaan in de mestkelder. De "isochloriden" (lijnen met gelijk zoutgehalte) analoog aan soft boils van De Louw laten zien hoe het komt dat een hóóg chloride gehalte kan worden gemeten op slechts 1.35 meter beneden maaiveld. Dat is in dit geval op minder dan 1 meter afstand van de muur van de mestkelder (met daar een hoogte) op ongeveer 50-60 cm plus NAP.

Het is niet verbazingwekkend dat hiermee de suggesties van eerder onderzoek dat er een lek in de waterleiding is of instroming van hemelwater in de mestkelder plaatsvindt is tenietgedaan. Enerzijds zijn bij dit onderzoek (Sweco) ondiepe peilbuizen geïnstalleerd die alleen het eerste (bovenste) grondwaterpeil kunnen meten, anderzijds zijn zelfs geen watermonsters genomen, die direct hadden kunnen bewijzen dat de gesuggereerde

oorzaken niet wetenschappelijk onderbouwd waren.

Hoewel uit sonderingen blijkt dat de draagkracht van de holocene laag niet hoog is (1MPa) is uit vergelijkend onderzoek gebleken dat op andere locaties een zelfde soort mestkelders
- vele tientallen jaren eerder gebouwd geen verzakkingen of lekken - toont. Verder wordt opgemerkt dat de mestkelder in tegenstelling tot de silo geen scheefzetting toont en dat wanneer er zetting na de bouw is opgetreden, dit toch op zijn minst gelijkmatig is

gegaan, zonder (kans op) lekkage.
(…)
De schuren
Op de plaats van de afgebroken schuren, zijn twee profiel kuilen gegraven en vier boringen gezet op korte afstand van elkaar. Het waterpeil in de profiel kuilen lijkt in goed overeenkomst met het slootpeil van de nabijgelegen sloot en kan beschouwd worden als het eerste (freatische) grondwaterpeil.
Een van de twee middelste boringen toont een opmerkelijk hoog grondwaterpeil dat alleen op dezelfde manier te verklaren is als bij de mestkelder. Het grondwater stond plusminus 20 cm onder maaiveld d.w.z. 10 cm +NAP met een chloride gehalte van >1000 mg per liter. Ook hier kan worden aangenomen dat er zich een scheur vanuit de zandlaag bevindt die zout water omhoogstuwt – nu nog (december 2016) – tot plus 10 cm NAP. Aangenomen mag worden dat bij de inmiddels afgebroken schuren dezelfde causaliteit is bewezen tussen schade en aardbeving als bij de mestkelder. Anno 2017 staat het zoute grondwaterpeil – na grote droogte en neerslagtekort – in de boorgaten nog vlak (max.) 30 cm onder maaiveld.

De silo

De silo is gebouwd na het graven van een diepe bouwput, die geheel droog bleef en geen bemaling behoefde. Er is een paar honderd kubieke meter zand ingebracht (600 m2), die is verdicht. In 2014 werd geconstateerd dat de silo - ondanks het draagkrachtige zand - is scheefgezakt. Bij het graven van een profiel kuil direct naast de silo blijkt dat het grondwaterpeil snel stijgt tot vlak onder maaiveld. Het opgebrachte zand (liever opvulzand) is bemonsterd en geanalyseerd. De eigenschappen tonen een grote verwekingsgevoeligheid en gezien de stijghoogte van het grondwater een oververzadiging (met betrekking tot water). Gezien de drempelwaarden (voor verweking) die gelden bij dergelijke bijzondere situaties (PGA 0,03-0,09g) kan verweking hier niet worden uitgesloten. Ook is het mogelijk dat omhoogkomend zout grondwater door scheuren in de kleilaag in combinatie met verwekingsgevoelig opvulzand tot de schade (scheefzakking) heeft geleid (gedeeltelijke verweking?)

De conclusie van Arcadis dat "aardbevingen marginaal hebben kunnen bijdragen aan scheefzetting" zonder dat Arcadis melding maakt van het staan van de silo in oververzadigd verwekingsgevoelig zand moet naar onze mening worden herzien.

Omgeving

De aanwezigheid van knipklei zorgt in natte tijden voor wateroverlast omdat het regenwater niet kan doordringen tot door de opgezwollen knipklei laaf. In droge tijden ontstaan krimpscheuren met een wijdte van meer dan 5 centimeter.

Een opvallend verschijnsel deed zich voor tijdens de aardbevingen van Huizinge. Parallel aan de sloot naast de oprijlaan manifesteerde zich na deze aardbevingen scheuren, met de lage kant afbellend naar de sloot. Dit duidt mogelijk op lateral spreading - het afkalven of scheuren van walkanten doordat de oever vrij kan trillen over het wateroppervlak

Conclusie

Na dit locatie specifieke onderzoek kunnen we concluderen dat er een direct causaal verband is tussen de opgetreden schade (inclusief lekkages) van de opstallen en de aardbevingen.

De grondwaterhuishouding is ontregeld door de aardbevingen, doordat scheuren in de slecht doorlatende kleilaag zijn ontstaan waardoor zout grondwater tot vlak onder het maaiveld is doorgedrongen en de kelder en de mestkelder is ingestroomd. Daar waar wateraders ontstaan en bestaande aders worden verbreed kan de draagkracht van de bodem sterk verminderen. De silo lijkt te zijn scheefgezakt in het ingebracht verwekingsgevoelige zand. Proeven zouden moeten kunnen aantonen bij welke versnelling dit zand verweekt. Knipklei kan funderingen onder druk zetten doordat de knipklei sterk opzwelt bij wateropname. Deze drukopbouw kan zelfs bij een lichte aardbeving ontladen worden, hetgeen tot grotere schade kan leiden dan op grond van de sterkte van de aardbeving zou mogen worden verwacht (Groundcontrol/HITBV2004 zie bijlage).

Onze aanbeveling voor soortgelijke locaties luidt dat er gedegen onderzoek moet worden gedaan naar het veranderen van de grondwaterhuishouding ten gevolge van de aardbevingen. De aanwezigheid van knipklei kan de schade vergroten. Het verdient aanbeveling om het effect van knipklei in samenhang met veranderende (grond)waterhuishouding (inclusief mogelijke verweking van ingebracht zand) ook op andere vergelijkbare locaties te evalueren. "

3.17

Op 13 maart 2018 ontving [appellant] van de Nationaal Coördinator Groningen

(verder: de NCG) het volgende bemiddelingsvoorstel in hoofdlijnen voor de afhandeling van de door hem bij de NCG gemelde schades:

“• Schadeherstel in natura van het woonhuis.

• Schuur 1

Vergoeding van de sloopkosten van de fundatie.

Een bijdrage van 50% aan de herbouwkosten.
• Schuur 2

Vergoeding van de sloopkosten van de fundatie, garage.

Vergoeding van de tijdelijke voorziening voor NUTS.

Een bijdrage van 50% van de herbouwkosten.

• Vergoeden kosten samenhangend met de verzakking van de silo's.

• Vergoeden van de kosten voor reparatie van de mestkelders onder de nieuwe stal.

• Vergoeding van alle onderzoekskosten.”

Verder is aangegeven dat de geclaimde bedrijfsschade per claim zal moeten worden

beoordeeld en overeengekomen.

3.18

[appellant] heeft niet ingestemd met dit voorstel.

3.19

[appellant] heeft DLV Advies uit Uden (hierna: DLV) onderzoek laten verrichten

naar schade aan de stallen, verhardingen, de mest- en voeropslag. Het onderzoeksrapport

van DLV van 11 juli 2018 vermeldt het volgende, voor zover van belang:

"i. Conclusie

De mestkelders van de stallen op het bedrijf van dhr. [appellant] zijn lek, er komt grondwater in de kelders.

(...)

De kelders voldoen niet meer aan de uitgangspunten die bij het ontwerp en de aanleg zijn vastgesteld. Herstel van de constructie aan de nieuwe omstandigheden is bouwtechnisch vrijwel niet uitvoerbaar en duurder dan vervanging. De stallen en de mestsilo moeten vervangen worden.

De toegangsweg en de erfverharding zijn gescheurd en verzakt, deze moeten vervangen worden.

De voeropslag is uitgevoerd in prefab en kan herplaatst worden.

De totale investeringskosten bedragen € 3.625.900,-. In de jongveestal zijn er op een aantal plaatsen scheuren in de bovenbouw geconstateerd, de kelder is in voorgaande onderzoeken niet geïnspecteerd.

(...)

Op 22-11-2017 is er mest uit de kelder gepompt, in 84 dagen is er 71 m3 meer mest in de kelder gekomen dat op basis van de normen verwacht mocht worden (afwijking 124%). Ook hier komt er grondwater in de kelder. De lekkage zal deels in de wanden en deels in de keldervloer zitten."

3.20

[appellant] heeft verder onderzoek laten verrichten door HBS Expertise B.V.

(verder: HBS) en accountantskantoor Accon AVM. In haar rapport van 16 maart 2018 komt HBS tot een schadeopstelling van € 5.241.267,71 exclusief PM posten.

3.21

Bij brief van 23 juli 2018 heeft de advocaat van [appellant] NAM (nogmaals)

aansprakelijk gesteld voor de door [appellant] geleden en of nog te lijden schade als gevolg

van de aardbevingen door gaswinning van NAM. Daarop is niet inhoudelijk gereageerd

door NAM.

3.22

DLV heeft op 7 augustus 2018 een memo geschreven over de mestkelders van de ligboxenstal. De conclusie van deze memo is:
Intredend brak/zout grondwater in de mestkelder van de ligboxenstal vergroot het mestvolume met 40% en verlaagd de bemestende waarde. Hierdoor moet er mest afgevoerd worden. Gezien de gevolgen van de huidige droogte is het de vraag of deze kwalitatief mindere mest wel afgevoerd kan worden. Als dit wel mogelijk is zal dit tegen hoge kosten (minimaal € 50.000,-) zijn. Om het intreden van het grondwater weg te nemen zal de ligboxenstal vervangen moeten worden. Dit zal op kortere termijn moeten gebeuren omdat door de putcorrosie de constructie van de kelders verder verzwakt wordt.
Bij de memo is een bericht gevoegd van Loonbedrijf Dekker uit Putten, inhoudend dat uit analyses van de door het loonbedrijf afgevoerde mest van het bedrijf van [appellant] blijkt dat de mest sterk verdund is met grondwater en een veel te hoog natrium- en chloride gehalte heeft, waardoor de afnemers van de mest klagen over de kwaliteit ervan. Het loonbedrijf verwacht dat wanneer dat niet verandert de kostprijs van het afvoeren van de mest sterk zal stijgen.

3.23

In een brief van 30 oktober 2018 schrijft DLV het volgende aan [appellant] :
Hierbij de constructieberekening die we op uw verzoek hebben gemaakt.
Uit onderzoek van DLV Advies en anderen blijkt dat de mestkelder van de ligboxenstal lek is. De kelder voldoet niet meer aan de uitgangspunten die bij het ontwerp en uitvoering zijn vastgelegd, doordat o.a. de grondwaterstand gestegen is en de draagkracht van de ondergrond is afgenomen.

De mestkelder is indertijd uitgerekend met een grondwaterstand van 130 cm -P, onderzoek heeft aangetoond dat deze is gestegen tot 60 cm -P. Onze constructieberekening toont aan dat de kelderconstructie niet meer voldoet waardoor de keldervloer is gaan scheuren. De verminderde en ongelijkmatige draagkracht zal dit versterken.

De gehanteerde uitgangspunten voor de berekening zijn:
• grondwater 60 cm -P,
• vloer 170 dik, net rond 7-150 onder en boven,
• roostervloerdikte 130 mm, • kelderwand 2,0 meter hoog en onderkant keldervloer op
2,30 m. min peil,
• de meest optimale/sterkste constructie,
• er zijn geen veiligheidsfactoren toegepast in de berekening.
De conclusie van het bijgevoegde berekeningsrapport van 23 oktober 2018 luidt:
Bij een grondwaterstand van 0,6 m. min peil en met een nagenoeg lege mestkelder is er geen evenwicht meer en wil de kelder gaan opdrijven. Bij een grondwaterstand van 0,6 m. min peil dient er minimaal zo’n 60 cm mest (of 65 cm water) in de keldercompartimenten aanwezig te zijn om een evenwichtssituatie te creëren. Opgemerkt dient te worden dat hierbij nog geen veiligheidsfactoren in rekening zijn gebracht. Ten gevolge van belastingverschillen en met name de tegendruk op de vloer t.p.v. de buitenwanden kunnen er zeer grote spanningen in het vloerveld ontstaan, de keldervloer is onvoldoende sterk om deze spanningen te kunnen weerstaan. In eerste instantie zal de vloer gaan opbollen waarbij de binnenwanden kunnen gaan wijken wat gevaarlijke situaties teweeg kan brengen aangezien de oplegging van de vloeren dan niet meer gewaarborgd kan blijven. Dit zal zich met name voordoen op de plaatsen nabij het midden van het vloerveld en daar waar relatief lichte vloeren (prefab boxdekken en roostervloeren) zijn toegepast. Zie ook momenten-/spanningsverloop in de berekening van de keldervloer. Uiteindelijk zal de wapening in de keldervloer gaan vloeien en de vloer gaan scheuren waarbij grondwater de kelder in zal stromen.

3.24

In een memo van 29 november 2018 heeft Royal HaskoningDHV een aantal vragen van NAM beantwoord. Na haar bevindingen te hebben weergegeven beantwoordt Royal HaskoningDHV de vragen als volgt:
a. Wat zijn de verschillen in uitgangspunten tussen DLV [hof: in het hiervoor aangehaalde rapport van 23 oktober 2018] en IJB [hof: de constructeur van de ligboxenstal] en zijn de verschillen feitelijk toetsbaar/correct?
Antwoord: DLV gaat uit van een grondwaterstand van 0,6 m - Peil. IJB ging uit van een grondwaterstand van 1,3 m - NAP. DLV rekent dus 0,7 m meer opwaartse waterdruk. Dit komt overeen met 7 kN/m2 (700 kg/m2) opwaartse belasting. Dat is teveel voor debetreffende constructie.
b. Kloppen de uitgangspunten van DLV (grondwaterstand van 0,6 meter - P) of IJB Groep? Antwoord: Op basis van de in september 2018 gemeten grondwaterstand op locatie, in combinatie met de peilbuis metingen in de omgeving, concluderen wij dat de door IJB Engineering aangehouden grondwaterstand te laag is geweest.
c. Zijn de berekening correct uitgevoerd (op basis van de uitgangspunten), voldoen deze aan de regelen der kunst?
Antwoord: De berekening van DLV is correct voor wat betreft het opdrijven bij een grondwaterstand van 0,6 m - P. DLV rekent echter niet uit welke grondwaterstand dan wel toelaatbaar zou zijn. In de berekeningen van IJB, voor dat deel dat is aangeleverd, is geen rekening gehouden met de volgens het bouwbesluit voorgeschreven belastingfactoren, dat is dus niet correct. De berekening van de wapening in de vloeren en wanden hebben wij niet kunnen controleren omdat dit deel van de berekening niet is aangeleverd.
d. Wat is de conclusie van RHDHV ten aanzien van de conclusie van DLV Advies en IJB Groep, zijn deze houdbaar gegeven de uitgangspunten?
Antwoord: De conclusies van beide partijen zijn op zich correct. IJB Engineering meldt op haar tekeningen dat de verantwoordelijkheid voor of de aangehouden grondwaterstand correct is, geheel bij opdrachtgever ligt.
e. Hebben de mechanismen die optreden als gevolg van gaswinning invloed op de opgetreden schade, zo ja/nee waarom wel of niet.
Antwoord: het probleem is vooral veroorzaakt door bij het ontwerp van de stal uit te gaan van een verkeerde aanname van de hoogt mogelijke grondwaterstand op deze locatie. Fluctuaties in grondwaterstand zijn normaal en zijn af te lezen in de meerjarige aflezingen van de peilbuizen in de omgeving. De peilbuizen laten ook zien dat de grondwaterstanden niet gewijzigd zijn nadat er aardbevingen zijn opgetreden en ook niet nadat de "aardbeving-periode" was aangebroken. Het probleem is dus niet gerelateerd aan gaswinning.

3.25

In een e-mailbericht van 24 december 2018 heeft Achmea geschreven dat Achmea [appellant] een uitstel verleent tot 1 maart 2019 voor herbouw van de jongveestal 1968. [appellant] moet voor die datum voldoen aan zijn herbouwplicht op grond van de polisvoorwaarden, bij gebreke waarvan dit gevolgen kan hebben voor de dekking op de polis.

3.26

Loon-& Grondverzetbedrijf Wieringa B.V. heeft op 11 januari 2019 het volgende geschreven aan [appellant] :
Al sinds lange tijd voeren wij met ons bedrijf, de meest voorkomende loonwerkzaamheden voor u uit. Dit betreft onder andere grondwerkzaamheden, zaaien oogst werkzaamheden, en het bemesten van het land met uw eigen drijfmest.

Voor wat betreft uw vraag over het bijmengen van water tijdens het bemesten met de sleepslang bemester, is het zo dat we doorgaans bij iedereen gemiddeld 25 procent water bijmengen om de mest dun genoeg te krijgen, om door de slang naar het land te pompen. Dit was bij u tot en met 2012 ook het geval.

Vanaf begin 2013 is ons inderdaad opgevallen dat de mest bij u in de kelder zeker dun genoeg is om zonder bijmenging van water te verpompen, en er is vanaf toen tot nu toe dus ook geen extra water meer gebruikt bij het bemesten.

3.27

[appellant] heeft bij de rechtbank Noord-Nederland een bodemprocedure aanhangig gemaakt tegen NAM. De rechtbank heeft bij rolbeslissing van 19 december 2018 de bodemprocedure aangehouden totdat de Hoge Raad heeft geantwoord op de door de rechtbank in het vonnis van 10 oktober 2018 (ECLI:NL:RBNNE:2010:4009) gestelde prejudiciële vragen.

4
4. De vorderingen en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft NAM gedagvaard voor de voorzieningenrechter en, na vermindering van eis, een voorschot gevorderd op de door hem geleden en nog te lijden schade van
€ 3.157.544,31, althans € 2.991.500,-, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen voorschot, te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten.
Aan deze vordering heeft hij ten grondslag gelegd dat hij, zoals volgt uit het HBS rapport
€ 5.241.267,71 (ex PM posten) schade heeft geleden. Deze schade is het gevolg van de ernstige beschadigingen aan de gebouwen van zijn boerderij die zijn veroorzaakt door de beweging van de bodem als gevolg van de gaswinning door NAM in het Groningenveld. Voor zover nodig beroept [appellant] zich op het bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW. De beschadigingen aan de gebouwen en het tenietgaan van de jongveestal 1968 hebben volgens [appellant] ook geleid tot forse bedrijfseconomische schade, omdat deze de goede bedrijfsvoering van zijn agrarische onderneming ernstig belemmeren. Hij vordert na eiswijziging als voorschot vergoeding van de kosten die gemoeid zijn met de herbouw van de bedrijfsgebouwen (inclusief mestkelders), waarbij het primair gevorderde bedrag is gebaseerd op de berekening van HBS en het subsidiair gevorderde bedrag op de berekening van DLV.

4.2

NAM heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Volgens haar is geen sprake van causaal verband tussen de beschadigingen aan de gebouwen van [appellant] (voor zover deze beschadigingen al vaststaan) en bodembewegingen (ten gevolge van aardgaswinning). Volgens NAM gaat het beroep van [appellant] op artikel 6:177a BW niet op, niet alleen omdat het in deze bepaling vastgelegde bewijsvermoeden niet toepasselijk is in kort geding, maar ook omdat niet aan de vereisen voor toepassing is voldaan. NAM heeft ook gewezen op het restitutierisico dat in dit geval, gelet op de stellingen van [appellant] over zijn financiële situatie, zeer hoog is.

4.3

De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten. Hij heeft vooropgesteld dat [appellant] zijn vordering ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft willen beperken tot de mestkelders onder de ligboxenstal en de jongveestal 1995 (per abuis, zoals ook elders in diverse processtukken, door hem aangeduid als jongveestal 2005/2006) en de silo. Volgens de voorzieningenrechter is de zaak, anders dan NAM heeft betoogd, niet te ingewikkeld voor een behandeling in kort geding.
Ten aanzien van de mestkelder onder de ligboxenstal overwoog de voorzieningenrechter dat partijen het erover eens zijn dat deze kelder lek is. Uit de rapporten van Arcadis, Archipunt en Grontmij volgt volgens de voorzieningenrechter dat de scheuren in de wanden van de kelder het gevolg zijn van krimp en dat de gekozen funderingswijze ook van invloed kan zijn geweest op het ontstaan van deze scheuren. Indien al sprake is van een ontregelde grondwaterhuishouding, zoals [C] in zijn rapport aangeeft, valt volgens de voorzieningenrechter niet zonder meer in te zien dat die situatie tot scheuren en lekkage heeft geleid. Er kan dan ook volgens hem niet zonder meer van worden uitgegaan dat sprake is van causaal verband tussen de schade en door gaswinning veroorzaakte aardbevingen. Daar zal vermoedelijk nadere bewijslevering voor nodig zijn. [appellant] is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorshands niet geslaagd in deze bewijslevering en voor toepassing van het bewijsvermoeden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.
Ten aanzien van de mestkelder onder de jongveestal 1995 overwoog de voorzieningenrechter dat de stelling van [appellant] dat sprake is van lekkage onvoldoende is onderbouwd en dat indien al sprake is van lekkage het causale verband met de aardbevingen niet voldoende aannemelijk is geworden.
De vordering betreffende de mestsilo is volgens de voorzieningenrechter alleen al niet toewijsbaar omdat niet aannemelijk is geworden dat de silo als gevolg van de gestelde verzakking niet meer zou kunnen functioneren.

5
5. De bespreking van de grieven
De reikwijdte van het geschil in hoger beroep
5.1 De voorzieningenrechter heeft overwogen dat [appellant] zijn vorderingen heeft beperkt tot de schade aan de mestkelders onder de ligboxenstal en onder de jongveestal 1995 en aan de mestsilo. [appellant] heeft dat bestreden. Hij heeft verwezen naar de pleitnota van zijn advocaat voor de behandeling van het kort geding, waarin is aangegeven dat hij zijn primaire vorderingen laat vallen en zich richt op het herstel van de mestkelders en bovenliggende stallen en de mestsilo, dus op de jongveestal 1968, de jongveestal 1995, de ligboxenstal en de mestsilo. Dit komt erop neer dat ter zake van de schade aan de woning en de gevolgschade niet langer een voorschot werd gevorderd.

5.2

NAM heeft er terecht op gewezen dat het mogelijk is dat een advocaat afwijkt van zijn pleitnota. Of dat in dit geval ook is gebeurd, in die zin dat de vordering verder is beperkt doordat tevens geen vergoeding meer zou zijn gevorderd van de schade aan de jongveestal 1968, is in hoger beroep niet zo relevant. Uit de memorie van grieven volgt dat [appellant] in hoger beroep in elk geval de kosten van herstel van de genoemde vier bouwwerken vordert (inclusief de jongveestal 1968) en daarnaast aanspraak maakt op betaling van het door [B] berekende bedrag van € 73.000,- (vgl. grief III). Aldus wordt in hoger beroep ook schadevergoeding gevorderd ter zake van de jongveestal 1968 en de woning (althans voor zover de schade aan de woning onderdeel is van het bedrag van € 73.000,-). Indien [appellant] zijn vordering in eerste aanleg zou hebben beperkt, heeft hij zijn vordering daarmee in hoger beroep vermeerderd. Daaraan doet niet af dat [appellant] niet heeft aangekondigd zijn vordering te vermeerderen. Volgens [appellant] is van een vermeerdering van eis geen sprake en voor NAM is, blijkt uit haar reactie op de vorderingen, duidelijk wat [appellant] in hoger beroep vordert. Voor zover sprake is van een vermeerdering van eis ziet het hof geen reden de vermeerdering van eis, die in de appeldagvaarding en dus tijdig heeft plaatsgevonden, buiten beschouwing te laten. NAM heeft alle gelegenheid gehad, en genomen, op de gewijzigde vordering te reageren en is er dus niet door in enig procesbelang geschaad.
Bij deze stand van zaken heeft [appellant] geen belang bij de bespreking van grief I.

Het spoedeisend belang en de complexiteit van de vordering

5.3

[appellant] heeft mede gelet op wat hij heeft aangevoerd over de noodzaak om op korte termijn de mestkelders te herstellen en de jongveestal 1968 te herbouwen om op die manier verdere schade te voorkomen, een spoedeisend belang bij zijn vorderingen.

5.4

Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat de vordering van [appellant] zich leent voor een kortgeding. [appellant] vordert de betaling van een voorschot op de door hem geleden en nog te lijden schade. De vraag of hij aanspraak heeft op vergoeding van die schade is weliswaar juridisch en feitelijk complex, maar dat staat er op zich niet aan in de weg dat in kortgeding een inschatting kan worden gemaakt van de kans van slagen van de vordering in de bodemprocedure, zeker ook omdat beide partijen hun stellingen baseren op diverse rapporten en deze rapporten in de procedure in kortgeding ook beschikbaar zijn.

De maatstaf voor de beoordeling van de vorderingen
5.5 Partijen hebben terecht geen kritiek geuit op de door de voorzieningenrechter weergegeven algemene maatstaf voor de beoordeling van de vorderingen van [appellant] , een geldvordering in kortgeding. De voorzieningenrechter dient bij een dergelijke vordering terughoudendheid te betrachten. Hij zal niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Bij de afweging van de belangen van partijen dient hij het restitutierisico te betrekken.
De voorzieningenrechter zal zijn oordeel over de aannemelijkheid van de vordering baseren op een inschatting, op basis van de aan hem voorgelegde informatie, van de kans van slagen van de vordering in een bodemprocedure.

5.6

Het bovenstaande betekent dat het hof op basis van de aan hem voorgelegde informatie zich een oordeel dient te vormen over de kans van slagen van de vordering van [appellant] in de bodemprocedure. Bij die inschatting kan het hof, anders dan NAM lijkt te betogen, wel degelijk betekenis toekennen aan het bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW. Voor het antwoord op de vraag of de vordering van [appellant] in de bodemprocedure kans van slagen heeft, moeten ook de regels van stelplicht en bewijslast die in de bodemprocedure van toepassing zijn in aanmerking worden genomen. Een van die regels is het in artikel 6:177a BW neergelegde bewijsvermoeden.
5.7 [appellant] heeft zijn vorderingen gebaseerd op artikel 6:177 BW en op artikel
6:162 BW. De voorzieningenrechter heeft, kort gezegd, overwogen dat [appellant] zijn beroep op artikel 6:162 BW en zijn belang bij dat beroep onvoldoende heeft onderbouwd en dat voor de beoordeling van de vorderingen van NAM daarom wordt uitgegaan van een alleen op artikel 6:177 BW gebaseerde aansprakelijkheid. Met grief II komt [appellant] tegen dit oordeel op.

5.8

De grief faalt, omdat [appellant] niet duidelijk heeft gemaakt wat de meerwaarde van een vordering op grond van artikel 6:162 BW is ten opzichte van een vordering op grond van artikel 6:177 BW voor de in dit geding ingestelde vorderingen.

Het door NAM toegekende bedrag van € 73.000,-
5.9 De door NAM ingeschakelde schade-expert [B] heeft in oktober 2013 de schade vanwege scheurvorming aan de woning, de jongveestal 1968 en de jongveestal 1995 begroot op € 73.000,-. Dit bedrag is nog niet uitgekeerd. Volgens NAM is de beoordeling van [B] gebaseerd op een visuele inspectie en moet het rapport van [B] bovendien worden gelezen tegen de achtergrond van het uitgangspunt dat de door NAM ingeschakelde deskundigen destijds hanteerden, dat aardbevingen niet als schadeoorzaak worden uitgesloten indien niet met een redelijke mate van zekerheid een andere oorzaak kon worden aangewezen. Op basis van de inmiddels wel, maar toen nog niet, beschikbare informatie over de ‘impact’ van bevingen op de gebouwen van [appellant] heeft [B] mogelijk ten onrechte in zijn rapport vermeld dat de door hem vastgestelde schades zijn veroorzaakt door bevingen, aldus NAM.

5.10

Het hof volgt NAM niet in dit betoog. Daargelaten dat NAM niet duidelijk maakt wat de oorzaak is van de door [B] vastgestelde scheuren in de genoemde stallen en in de woning, heeft NAM [B] ingeschakeld om de schademelding van [appellant] te onderzoeken en heeft [B] vervolgens namens NAM een voorstel gedaan tot afwikkeling van de schade. [appellant] heeft met dit voorstel ingestemd. Dat [B] niet bevoegd was om dit voorstel namens NAM te doen, is gesteld noch gebleken. Integendeel, in randnummer 32 van de MvA heeft NAM zelf aangegeven dat “er een aanbod is gedaan voor schadeafhandeling van de Woning, de Werktuigenopslag en de Jongveestal 1968”. Niet ter discussie staat dat [appellant] dat aanbod heeft geaccepteerd, zodat het ervoor gehouden moet worden dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de afwikkeling van de in het rapport van [B] vermelde schade aan woning en jongveestallen. Dat NAM achteraf, na vier jaren, tot de conclusie komt dat zij, via [B] , een te hoog schadebedrag heeft aangeboden en dat schadebedrag om die reden niet wil uitkeren, doet daaraan niet af en valt bovendien niet goed te rijmen met het betoog van NAM bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep dat zij bij de afwikkeling van schadegevallen uiterste coulance betracht.
Ook het feit dat de jongveestal 1968, waarop een deel van de overeengekomen vergoeding betrekking had, inmiddels is ingestort, staat niet in de weg aan toewijzing van de vordering. Allereerst is voor de toewijsbaarheid van een vordering tot vergoeding van de kosten van herstel van een beschadigde zaak niet vereist dat de zaak daadwerkelijk wordt hersteld (vgl.
Hoge Raad 16 juni 1961, NJ 1961, 444). Vervolgens geldt dat wanneer schade aan een zaak is ontstaan en later verdergaande schade wordt toegebracht aan diezelfde zaak, die verdergaande schade niet maakt dat de eerdere schade niet meer heeft bestaan en om die reden niet meer voor vergoeding in aanmerking komt (vgl. Hoge Raad 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4372 r.o. 3.51 en 3.5.2).

5.11

Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat het hof de kans dat de bodemrechter dit onderdeel van de vorderingen van [appellant] zal toewijzen aanzienlijk acht. Nu [appellant] al jaren wacht op nakoming door NAM van haar verplichting tot betaling van het overeengekomen schadebedrag, is deze vordering in kortgeding toewijsbaar. Grief III, die is gericht tegen de afwijzing door de voorzieningenrechter van deze vordering, slaagt dan ook.

5.12

Het hof zal wat [appellant] in de toelichting op de grief en NAM aan de bespreking van de grief nog hebben aangevoerd over de betekenis van het rapport van [B] voor de beoordeling van zijn andere vorderingen betrekken bij de bespreking van die vorderingen.

Het bemiddelingsvoorstel van de NCG
5.13 De NCG heeft een bemiddelingsvoorstel gedaan. Anders dan [appellant] betoogt, kan daaruit niet worden afgeleid dat NAM de door hem gestelde aardbevingsschade aan de mestkelders heeft erkend. Het voorstel is niet door NAM gedaan, maar door een onafhankelijke instantie, de NCG. Uit het rapport van [B] volgde dat aardbevingsschade was vastgesteld - te weten aan de woning en aan beide jongveestallen -, zodat aan de voorwaarden voor het doen van een bemiddelingsvoorstel was voldaan. Dat met het doen van een bemiddelingsvoorstel voor de NCG (laat staan voor NAM) ook vaststond dat sprake was van andere aardbevingsschade dan de door [B] in zijn rapport vermelde schade, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt. Het feit dat het een bemiddelingsvoorstel betrof wees er juist op dat sprake was van een verschil van inzicht tussen de bij de bemiddeling betrokken partijen, NAM en [appellant] , over aard en/of omvang van de schade. Grief IV, waarmee [appellant] betoogt dat uit het bemiddelingsvoorstel volgt dat NAM erkent dat sprake is van aardbevingsschade aan de in dat voorstel genoemde objecten, faalt om die reden.

De mestkelder onder de jongveestal 2009
5.14 Volgens [appellant] is de kelder ernstig beschadigd. Door scheuren in de keldervloer en wanden stromen aanzienlijke hoeveelheden (zout) grondwater naar binnen. Deze lekkage is het gevolg van de aardbevingen. In het kort stelt [appellant] , onder verwijzing naar het hiervoor aangehaalde rapport van [C] (waarop [C] in de loop van de procedure enkele aanvullingen heeft geschreven, waarin hij ingaat op de kritiek op zijn rapport van NAM en door NAM ingeschakelde deskundigen), dat door de aardbevingen de grondwaterstructuur onder zijn perceel is gewijzigd. Door de aardbevingen is de dikke laag klei onder zijn perceel opengespleten, waardoor het zoute kwelwater dat onder die laag aanwezig was naar boven kan komen en ook komt en zich nu ook vlak onder het maaiveld bevindt. De grondwaterstand is daardoor gestegen, waarbij moet worden aangetekend dat het grondwater niet alleen bestaat uit (zoet) freatisch grondwater (afkomstig van neerslag), maar vooral uit zout kwelwater. De constructie van de mestkelder is niet bestand tegen de druk die het kwelwater uitoefent, waardoor scheuren zijn ontstaan, met het binnenstromen van zout water in de kelder tot gevolg, aldus [appellant] , die ook wijst op het hoge zoutgehalte van de met dat water verdunde mest uit de mestkelder.

5.15

NAM heeft de bevindingen van [C] over de gevolgen van aardbevingen voor de grondwaterstructuur bestreden. Volgens NAM vinden die geen bevestiging in brede wetenschappelijke kring. NAM meent dat ook niet is aangetoond dat de grondwaterstanden onder het perceel van [appellant] de laatste jaren zouden zijn gewijzigd. Zij heeft gewezen op een overzicht van peilbuisgegevens uit de omgeving van het perceel, waaruit blijkt dat sinds 2008 het grondwater in de winter op 0,1 meter beneden het maaiveld staat en in de zomer rond 1,30 meter beneden het maaiveld. Uit het in rechtsoverweging 3.15 aangehaalde onderzoek van Grontmij blijkt dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand voor het perceel 0,4 meter beneden maaiveld is en de gemiddeld laagste grondwaterstand 1,2 meter beneden maaiveld is. Dat is veel hoger dan de constructie van de ligboxenstal aankan, want die is ontworpen voor een maximale grondwaterstand van 1,30 meter beneden maaiveld. Als het binnentredend water al zout is, wordt dat verklaard door de zoute zeeklei onder het perceel, aldus - in het kort - NAM. De scheuren in de mestkelder zijn volgens NAM dan ook veroorzaakt doordat de constructie van de mestkelder niet bestand was tegen het grondwaterpeil ter plaatse.

5.16

Het hof stelt vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de mestkelder lek is. Gelet op wat beide partijen hebben aangevoerd over de constructieve uitgangspunten bij de bouw van de kelder kan er vooralsnog van worden uitgegaan dat de lekkage verband houdt met het grondwaterpeil op het perceel. Dat is aanzienlijk hoger dan waarvan bij het ontwerpen van de constructie werd uitgegaan. De geraadpleegde deskundigen zijn het erover eens dat de constructie (op langere termijn) niet bestand is tegen de druk van grondwater dat hoger staat dan 0,60 meter onder maaiveld. Partijen zijn het er ook over eens dat het grondwater onder het perceel structureel ( [appellant] ) dan wel periodiek (NAM) hoger staat. Over het verband tussen het grondwaterpeil onder het perceel van [appellant] en de aardbevingen verschillen ze van mening. Volgens [appellant] is de ‘grondwaterstructuur’ onder zijn perceel door de aardbevingen sterk gewijzigd ten opzichte van de situatie ten tijde van de bouw van de ligboxenstal 2009 als gevolg van de invloed van opstijgend zout kwelwater, volgens NAM is dat niet het geval. Het peil van het (freatisch) grondwater was toen ook in de winterperiode al veel hoger dan 1,30 meter onder maaiveld, aldus NAM.

5.17

Uit wat hiervoor is overwogen over de maatstaf voor de beoordeling van de vorderingen van [appellant] volgt dat de vordering tot vergoeding van de kosten van vervanging van de ligboxenstal 2009 alleen toewijsbaar is indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering toewijsbaar zal achten. Daarbij geldt dat het om een forse vordering gaat. De herstelkosten bedragen volgens [appellant] (uitgaande van het in rechtsoverweging 3.19 aangehaalde rapport van DLV) ongeveer € 1.800.000,-, mede veroorzaakt door het feit dat afzonderlijke vervanging van de kelder niet mogelijk is en de gehele ligboxenstal dus gesloopt en opnieuw opgebouwd en ingericht moet worden. Daar komt bij het hoge restitutierisico, dat door [appellant] niet wordt bestreden. Bovendien kan [appellant] de ligboxenstal nog gebruiken, zij het dat dat gebruik niet ideaal is voor zijn bedrijfsvoering en tot extra kosten (onder meer voor de mestafvoer) leidt. Onder deze omstandigheden is de vordering tot vergoeding van de kosten van vervanging van deze stal in kortgeding alleen toewijsbaar indien met een grote mate van waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat de bodemrechter deze vordering zal toewijzen. Daarvan is naar het oordeel van het hof geen sprake.

5.18

Naar voorlopig oordeel van het hof heeft [appellant] met de tot nu toe door hem overgelegde (deskundigen)rapporten het bewijs van causaal verband tussen de scheurvorming in de mestkelder en de aardbevingen nog niet geleverd. Daarvoor is, gelet op het door NAM gevoerde verweer, meer onderzoek nodig, dan wel dienen de gegevens van al bekend onderzoek te worden ingebracht, zoals algemeen onderzoek naar schade aan mestkelders in het aardbevingsgebied (het Pilot-onderzoek van Grontmij maakte deel uit van breder onderzoek naar schades aan mestkelders in het aardbevingsgebied, maar de resultaten van dat onderzoek zijn het hof onbekend), onderzoek naar de mestproductie op het bedrijf van [appellant] (is inderdaad sprake van een trendbreuk, in die zin dat na 2012 veel meer, en verdunde (zoutere) mest werd geproduceerd – de in rechtsoverweging 3.26 geciteerde verklaring van Wieringa B.V. biedt op dit punt slechts zeer globale informatie), onderzoek naar de grondwaterstructuur onder het perceel van [appellant] (is inderdaad sprake van naar boven komend kwelwater uit dieper gelegen grondlagen en sinds wanneer doet die situatie zich voor) en onderzoek naar het grondwaterpeil tussen 2009 en 2012 (moet ervan worden uitgegaan dat het peil onder het perceel van [appellant] toen ongeveer gelijk was aan het peil in de omgeving en wat betekent dat voor de constructie van de mestkelder). Ook wanneer er vooralsnog met [appellant] van zou worden uitgegaan dat de bodemrechter het bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW zal toepassen, is aannemelijk dat NAM tot tegenbewijs van het bestaan van causaal verband tussen de scheuren in de mestkelder en de aardbevingen zal worden toegelaten. Of NAM in dat tegenbewijs zal slagen, is afhankelijk van de uitkomst van de dan in het geding te brengen onderzoeksgegevens of te verrichten onderzoeken (over de hiervoor - niet limitatief - opgesomde onderwerpen). Het bewijsvermoeden houdt niet in dat er in dit kort geding van kan worden uitgegaan dat NAM dat tegenbewijs niet zal leveren, het hof heeft ook geen aanknopingspunten om dat laatste dermate waarschijnlijk te achten dat hierop in kort geding kan worden vooruitgelopen.

5.19

De slotsom is dan ook dat dit vorderingsonderdeel in dit kortgeding niet toewijsbaar is. De grieven V tot en met VII, die gericht zijn tegen de afwijzing door de kantonrechter hiervan, falen dan ook.

De mestkelder onder de jongveestal 1995
5.20 [B] heeft in zijn hiervoor meerdere malen aangehaalde rapport ook schade vastgesteld aan de jongveestal 1995, die net als de ligboxenstal nog door [appellant] wordt gebruikt. Zoals is overwogen, is de vordering tot vergoeding van de door [B] vastgestelde schade toewijsbaar. Volgens [appellant] is niet alleen sprake van schade aan de bovenbouw van deze stal, maar is ook de mestkelder onder deze stal beschadigd. Ook hier is volgens hem sprake van lekkage met zout kwelwater. De schade aan de mestkelder is van dien aard, dat de mestkelder dient te worden vervangen door een kelder met een steviger constructie. Het vervangen van de mestkelder leidt ertoe dat ook de bovenliggende stal moet worden vervangen. Volgens het rapport van DLV van 11 juli 2018 bedragen de met vervanging gemoeide kosten - afgerond - € 245.000,-.

5.21

De voorzieningenrechter heeft de vordering tot vergoeding van de kosten van vervanging afgewezen, omdat het causaal verband tussen de lekkages in de mestkelder onder de jongveestal 1995 en de aardbevingen niet aannemelijk is geworden. Met grief VIII komt [appellant] op tegen dit oordeel.

5.22

Voor de maatstaf ter beoordeling van deze vordering geldt wat het hof hiervoor bij de maatstaf voor de beoordeling van de vordering betreffende de ligboxenstal 2009 heeft overwogen, ook ten aanzien van het bewijsvermoeden. Ook deze vordering is alleen toewijsbaar indien met een grote mate van waarschijnlijk kan worden aangenomen dat de bodemrechter de vordering zal toewijzen. Daarvan is geen sprake.

5.23

Anders dan bij de mestkelders onder de ligboxenstal is bovendien nauwelijks onderzoek verricht naar de kelder onder de jongveestal. Dat sprake is van scheurvorming in deze mestkelder is niet door een deskundige vastgesteld. [appellant] veronderstelt dat sprake zal zijn van scheurvorming omdat ook in deze kelder volgens hem sprake is van verdunde mest, wat hij baseert op een door DLV genomen mestmonster. Omdat in de bovenbouw van de stal scheuren zijn aangetroffen is het volgens [appellant] , die in dat verband wijst op een rapport van DLV, aannemelijk dat ook de kelder scheuren zal vertonen.
5.24 NAM heeft de gestelde beschadiging van de mestkelder gemotiveerd bestreden. Naar voorlopig oordeel van het hof heeft [appellant] met de door hem in het geding gebrachte rapporten niet bewezen dat sprake is van scheurvorming in de kelder en van daardoor ontstane lekkage, en al helemaal niet dat de mestkelder vanwege die scheurvorming moet worden vervangen. Daarop stuit de vordering al af. Bovendien geldt dat indien de door [appellant] gestelde schade al komt vast te staan nader onderzoek naar het verband tussen deze schade en de aardbevingen dient plaats te vinden. Het hof verwijst in dit verband naar wat het heeft overwogen over de mestkelder onder de ligboxenstal 2009.

5.25

De grief faalt.

De mestsilo
5.26 [appellant] vordert ook de vergoeding van de kosten van vervanging van de mestsilo, afgerond € 167.500,-. Volgens [appellant] is de silo verzakt en is vloer van de silo gescheurd waardoor er mest naar buiten lekt. De mestsilo voldoet daardoor niet meer aan de milieueisen en is onbruikbaar. De scheuren in de vloer zijn ontstaan doordat het onderliggende zandbed is verweekt. Die verweking is, blijkt uit het rapport van [C] , het gevolg van de aardbevingen, aldus [appellant] .

5.27

De voorzieningenrechter heeft ook deze vordering van [appellant] afgewezen, volgens de voorzieningenrechter omdat niet valt in te zien dat de silo niet meer kan functioneren als gevolg van de gestelde verzakking. Met grief IX komt [appellant] op tegen dit oordeel.

5.28

De grief faalt. Ook wanneer er, zoals [appellant] stelt en NAM heeft bestreden, vanuit moet worden gegaan dat de silo niet meer bruikbaar is, heeft [appellant] niet aangetoond dat de verzakking van de silo en de scheurvorming in de vloer van de silo het gevolg zijn van verweking van het zandbed onder de silo ten gevolge van aardbevingen. [appellant] heeft, naar voorlopig oordeel van het hof, met het rapport van [C] en de notitie van Wiertsema & Partners, waarnaar hij verwijst, niet bewezen dat sprake is van verweking en van causaal verband tussen deze verweking en de aardbevingen, nu NAM het verband tussen verweking en aardbevingen gemotiveerd heeft weersproken. NAM heeft in dat verband verwezen naar een rapport van Virginia Tech University, waaruit volgens haar blijkt dat aardbevingen met een magnitude van minder dan 5,0 op de schaal van Richter slechts in extreem verwekingsgevoelige omstandigheden tot verweking kunnen leiden, maar dat in die extreme omstandigheden nog steeds een magnitude van 4,5 nodig is, dus vele malen krachtiger dan de aardbevingen die in het gebied van de boerderij van [appellant] hebben plaatsgevonden. [C] heeft de stellingen van NAM in een vervolgrapport weersproken, maar dat neemt niet weg dat over dit onderwerp te veel onduidelijkheid bestaat. Die onduidelijkheid dient in een bodemprocedure te worden opgehelderd. Het hof kan op de uitkomst daarvan niet vooruitlopen.

5.29

Het is gelet op wat hiervoor is overwogen bij deze stand van zaken onvoldoende waarschijnlijk dat de bodemrechter de vordering betreffende de mestsilo zal toewijzen. Dat geldt ook wanneer het hof er, in het voordeel van [appellant] , van uit gaat dat sprake is van relevante schade en dat op het verband tussen deze schade en de aardbevingen het bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW van toepassing is, omdat het hof onvoldoende aanknopingspunten heeft dat NAM in dat geval het door haar te leveren tegenbewijs niet zal kunnen leveren.

5.30

De grief faalt dan ook.

De jongveestal 1968
5.31 [appellant] vordert ook vergoeding van de kosten van vervanging van de jongveestal 1968. De daarmee gemoeide kosten bedragen volgens hem € 1.134.644,31 volgens de berekening van HBS althans - afgerond - € 968.000,- volgens de berekening van DLV. De voorzieningenrechter heeft deze vordering niet inhoudelijk behandeld, maar in hoger beroep is deze vordering, zoals hiervoor is overwogen, wel inhoudelijk aan de orde.

5.32

Het hof stelt voorop dat [appellant] ter zitting van het hof niet aannemelijk heeft kunnen maken waarom dient te worden uitgegaan van het hogere bedrag van HBS in plaats van het door DLV berekende bedrag. Het hof zal daarom van dit laatste bedrag uitgaan. Bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep is naar voren gekomen dat van het hiervoor vermelde bedrag een bedrag van € 458.000,- betrekking heeft op de herbouw van de onder de jongveestal gelegen mestkelder. Ook is naar voren gekomen dat deze kelder een andere constructie heeft dan de kelders onder de jongveestal 1995 en de ligboxenstal 2009. Anders dan deze laatste kelders, is de mestkelder onder de jongveestal 1968 gemetseld. Desgevraagd heeft de heer [D] van DLV verklaard dat indien deze mestkelder nog intact zou zijn de bovenbouw van de stal op de bestaande mestkelder zou kunnen worden herbouwd. Omdat ook de mestkelder is beschadigd, is dat volgens hem niet mogelijk en dient bij een vervanging van de opbouw van de jongveestal 1968 ook de mestkelder te worden vervangen.

5.33

Uit wat het hof hiervoor heeft overwogen over de andere mestkelders volgt dat de vordering niet toewijsbaar is voor zover deze betrekking heeft op de kosten van vervanging van de onderhavige mestkelder. Niet alleen is (te) weinig bekend over eventuele schade aan deze mestkelder, maar voor het bestaan van causaal verband tussen deze schade en de aardbevingen geldt, mutatis mutandis, hetzelfde als wat is overwogen ten aanzien van het causaal verband tussen de schade aan de andere mestkelders en de aardbevingen. Daar komt nog bij dat deze mestkelder dateert van 1968 en niet van beton is, maar - zoals bij pleidooi is gebleken - is gemetseld en dat gemetselde mestkelders minder steviger zijn dan betonnen kelders, zodat een grotere kans bestaat op andere oorzaken voor de eventuele schade aan deze kelder dan aardbevingen.

5.34

Het hof acht wel voldoende aannemelijk dat de bodemrechter, al dan niet na toepassing van het bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW, tot het oordeel zal komen dat de bovenbouw van de jongveestal 1968 is ingestort ten gevolge van schade die door aardbevingen is veroorzaakt. Daartoe is redengevend dat de door NAM ingeschakelde deskundige [B] in zijn rapport van 15 oktober 2013 heeft vastgesteld dat sprake is van A- en B-schades aan de stal. Uit diverse foto’s bij zijn rapport blijkt dat spanten van de schuur zijn verschoven en dat sprake is van scheuren in de ommetseling van de spanten. [B] heeft een en ander als A-schade aangemerkt. [appellant] heeft, niet (voldoende) bestreden door NAM, aangevoerd dat bij herstelwerkzaamheden de ommetseling van de spanten is verwijderd en dat juist op dat moment, toen de al verzwakte constructie vanwege deze herstelwerkzaamheden nog verder was verzwakt, de twee stormen hebben plaatsgevonden die het gebouw bij wijze van spreken het laatste zetje hebben gegeven, waardoor het gebouw is ingestort. Het hof vindt voorshands voldoende aannemelijk dat het gebouw de stormen wel zou hebben doorstaan wanneer de spanten niet zouden zijn ontwricht en de ommetseling ervan niet zou zijn weggehaald. Het hof vindt de alleen door het in rechtsoverweging 3.7 aangehaalde, summiere, rapport van NSTB van 2 juni 2014 onderbouwde, stelling van NAM dat de schuur ook zonder de door [B] vastgestelde schade aan de spanten verloren zou zijn gegaan, onvoldoende onderbouwd. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat NSTB haar constatering dat de spanten zijn bezweken door een combinatie van ouderdom in combinatie met vocht slechts zeer summier heeft toegelicht. De bevindingen van NSTB vinden ook geen steun in het door Achmea opgestelde rapport (vgl. rechtsoverweging 3.).

5.35

Het hof is niet overtuigd door het betoog van NAM dat op grond van voortschrijdend inzicht de ‘impact’ van de aardbevingen op het perceel van [appellant] zodanig gering is dat deze geen schade kunnen hebben veroorzaakt, omdat NAM nalaat aan te geven waardoor de vastgestelde (talloze) scheuren dan wel veroorzaakt zijn. In dit verband wijst het hof erop dat NSTB in het aangehaalde rapport van 2 juni 2014 schrijft dat de schade zich bevindt “op een locatie waar doorgaans schade ten gevolge van trilling ontstaat”. Onduidelijk is of in de visie van NAM ook deze passage op basis van voortschrijdend inzicht achterhaald is, of dat geldt voor andere gevallen van schade in de omgeving van het perceel van [appellant] , en zo ja, wat dan de oorzaak van deze schadegevallen is.

5.36

Met de kosten van herbouw van de bovenbouw van de stal is een bedrag van
€ 968.000,- minus € 458.000,- = € 510.000,- gemoeid. In dit bedrag is een bedrag van
€ 128.000,- aan stalinrichting begrepen. Naar voorlopig oordeel van het hof kan van dit bedrag worden uitgegaan. NAM heeft het bedrag, dat door DLV is berekend, onvoldoende gemotiveerd bestreden. Zij heeft volstaan met een algemene betwisting zonder gemotiveerd aan te geven welke kosten in het algemeen met de herbouw van een stal van deze omvang gemoeid zijn.

5.37

De (ook door NAM opgeworpen) vraag rijst of rekening moet worden gehouden met de door Achmea toegekende schade-uitkering van, afgerond, € 466.000,-. In dit bedrag is een bedrag van € 30.000,- aan beredderingskosten begrepen en van € 100.000,- aan de stalinrichting. Het restant betreft de herbouwkosten (die slechts gedeeltelijk door de verzekeraar vergoed worden).
Op grond van artikel 6:100 BW dienen genoten voordelen voor zover dat redelijk is in aanmerking te worden genomen bij de begroting van de schade. Daarvoor is allereerst vereist dat tussen de normschending en de gestelde voordelen een conditio sine qua non-verband bestaat, in die zin dat in de omstandigheden van het geval sprake is van een voordeel dat zonder de normschending niet zou zijn opgekomen. Voorts dient het met inachtneming van de in art. 6:98 BW besloten maatstaf redelijk te zijn dat die voordelen in rekening worden gebracht bij de vaststelling van de te vergoeden schade (vgl. Hoge Raad 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483).
Uit wat het hof hiervoor heeft overwogen, volgt dat aannemelijk is dat aan het vereiste van conditio sine qua non is voldaan. Het hof is er immers vanuit gegaan dat sprake is van causaal verband tussen de aardbevingen en het instorten van de bovenbouw van de stal. Het gaat er dus om of het redelijk is om de uitkering in mindering te brengen op de te vergoeden schade. Naar voorlopig oordeel is het niet redelijk om het gehele bedrag van de uitkering in mindering te brengen op deze schade. Daartoe is het volgende redengevend:

- allereerst is de verzekering niet tot uitkering overgegaan omdat aardbevingen hebben plaatsgevonden - de verzekering dekt niet de schade ten gevolge van aardbevingen -, maar omdat de stal twee achtereenvolgende stormen niet heeft overleefd;
- vervolgens heeft [appellant] de verzekering niet afgesloten om zich in te dekken tegen schade ten gevolge van risico’s waarvoor derden aansprakelijk zijn - zoals het risico van aardbevingsschade -, maar tegen risico’s waarvoor niemand verantwoordelijk is (in dit geval het risico van stormen) en die hij, anders dan het risico van aardbevingsschade, niet op anderen kan afwentelen;
- daarmee samenhangend: [appellant] heeft de verzekering ten behoeve van zichzelf en niet ten behoeve van NAM afgesloten;
- de door Achmea toegekende uitkering voor herbouw en stalinrichting (€ 436.000,-) dekt nog niet de kosten van herbouw van de stal en stalinrichting (€ 968.000,-);
- Achmea kan de door haar gedane uitkering (een uitkering vanwege stormschade) niet uit hoofde van subrogatie (vgl. artikel 7:962 BW) op NAM verhalen. NAM is immers jegens [appellant] niet aansprakelijk voor schade ten gevolge van de beide stormen;
Onder deze omstandigheden is naar voorlopig oordeel van het hof alleen verrekening van de in de uitkering begrepen vergoeding voor stalinrichting - een bedrag van € 100.000,- - redelijk.

5.38

NAM heeft er ook op gewezen dat indien de door [appellant] geleden vordering zou worden toegewezen, [appellant] voordeel heeft doordat hij in plaats van een oude stal een geheel nieuwe stal krijgt. Het hof volgt NAM in dit, op zich niet (gemotiveerd) weersproken betoog, met dien verstande dat het betoog alleen opgaat voor de bovenbouw van de stal, maar niet voor de mestkelder, omdat de vordering van [appellant] betreffende de mestkelder wordt afgewezen en evenmin voor de stalinrichting omdat ook deze vordering (vanwege het in zoverre geslaagde beroep op voordeelsverrekening) grotendeels wordt afgewezen. Het hof acht het redelijk om van de herbouwkosten van de bovenbouw € 75.000,- (iets minder dan 20% van € 968.000,- minus € 458.000,- minus € 128.000,-) als aftrek wegens nieuw voor oud in mindering te brengen.

5.39

Al met al is de vordering van [appellant] betreffende de jongveestal 1968 toewijsbaar tot een bedrag van € 510.000,- minus € 100.000,- minus € 75.000,- = € 335.000,-. Het hof acht voldoende aannemelijk dat in de bodemprocedure dit bedrag toewijsbaar zal worden geoordeeld. Het neemt daarbij in aanmerking dat gebleken is dat [appellant] groot belang heeft bij toewijzing van zijn vordering betreffende de jongveestal, omdat de jongveestal nog niet is herbouwd en hij wanneer hij niet op korte termijn met de herbouw begint zijn aanspraak op de schade-uitkering van Achmea verliest.

De slotsom
5.40 De vordering van [appellant] is toewijsbaar tot een bedrag van € 73.000,- +
€ 335.000,- = € 408.000,-. Over dit bedrag is de wettelijke rente vanaf de gevorderde ingangsdatum, 23 juli 2018, toewijsbaar, nu deze datum (ruimschoots) na het ontstaan van de schade is gelegen.

5.41

Bij deze uitkomst, waarbij een substantieel bedrag toewijsbaar is maar aanzienlijk minder dan het gevorderde bedrag, zal het hof de proceskosten in beide instanties compenseren als hierna aan te geven. Dat betekent dat grief X, die is gericht tegen de veroordeling van [appellant] in de proceskosten van het geding in eerste aanleg, slaagt.

6 De beslissing

Het gerechtshof, rechtdoende in kort geding in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, afdeling civiel, locatie Groningen van 15 oktober 2018,

en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt NAM om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 408.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 juli 2018 tot aan het tijdstip van voldoening van de vordering;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten van het geding in beide instanties, in die zin dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen;

wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. L. Janse en mr. G.T. de Jong en is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2019 door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.