Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:1245

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-02-2019
Datum publicatie
11-02-2019
Zaaknummer
21-003955-16
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2016:3280
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan smaadschrift gepleegd ten opzichte van aangever in het boek “[titel] – De schokkende onthulling over de werkelijke daders van de moord op [naam]”. Verdachte komt geen beroep toe op het derde lid van art. 261 Sr. De getuigenverzoeken van verdachte zijn afgewezen i.v.m. het ontbreken van noodzaak in het kader van de rechtsvragen die volgen uit de artikelen 348 en 350 Sv. Veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden. Toewijzing vordering tenuitvoerlegging t.a.v. een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 4 weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003955-16

Uitspraak d.d.: 11 februari 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 5 juli 2016 met parketnummer 18-730314-15 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-650651-12, in de strafzaak tegen de verdachte

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [1961] ,

wonende [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 28 november 2017 en 28 januari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging zal worden toegewezen. De schriftelijke vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte op 28 november 2017 en 28 januari 2019 en diens raadsman (alleen op 28 november 2017), naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte bij voornoemd vonnis – waartegen het hoger beroep is gericht – ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, alsmede de vordering tot tenuitvoerlegging, aangaande een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken onder parketnummer

18-650651-12, geheel toegewezen.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair:


hij in of omstreeks de periode 30 mei 2014 tot en met 17 maart 2015 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, door middel van verspreiding en/of het openlijk tentoonstellen van een geschrift, de eer en/of de goede naam van [slachtoffer] heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft/hebben verdachte(n) een geschrift, te weten een boek met de titel: " [titel] " en/of met de ondertitel: " [ondertitel] " geschreven en/of verspreid en/of uitgegeven, welk boek (een) passage(s) bevat die onder meer inhoud(en):

- dat [persoon 2] hem goed kende omdat [persoon 3] altijd bij [slachtoffer] in de caravan kwam bij wie [persoon 2] en haar vriendjes regelmatig rondhingen (pagina 52),

en/of

- dat [persoon 4] er is ingeluisd. Hij kwam wellicht in de sekscaravan van [slachtoffer] die op het AZC stond om zijn seksuele fantasieën te bevredigen. Die bewuste nacht is [persoon 2] opgepikt in [plaats 2] met de BMW van (de inmiddels wijlen) [persoon 3] . De moord is zeer waarschijnlijk gepleegd in de caravan van [slachtoffer] en [persoon 2] is met de BMW naar het weiland vervoerd. Geen wonder dat de bewijslast weggemoffeld moest worden. De caravan ging in vlammen op en [slachtoffer] reed de BMW naar Duitsland en liet hem direct tot schroot vernietigen (pagina 65),

en/of

- dat dit, samen met het keeldoorsnijdende gebaar, sterk de indruk wekt dat de asielzoekers de moord hebben gepleegd waarbij zij hulp hebben gekregen van hun Duitse vriendjes [persoon 3] en [slachtoffer] (pagina 65),

en/of

- de duistere kanten van [slachtoffer] (pagina 212),

en/of

- dat er zogenaamde snuff movies in het chalet van [slachtoffer] zouden worden gemaakt. Gruwelijker sexfilms waarbij moord en seks samengaan zijn er niet te vinden (pagina 214),

en/of

- dat [slachtoffer] samen met [persoon 3] pornofilms produceerde in een daar speciaal voor ingerichte studio (pagina 214),

en/of

- dat hij, die [slachtoffer] , de ochtend voor de moord naar Duitsland was vertrokken. Pas twee weken later kwam hij terug. Met een andere auto (pagina 214),

en/of

- dat bij [slachtoffer] er ook een handel werd gedreven in gestolen spul. Tot wapens aan toe. De achteringang was voor criminele zaakjes de vooringang geworden. Dat wist iedereen. Er werd geprostitueerd en mensenhandel deed ook mee. Pornobanden werden uitgevent op adresjes die [slachtoffer] opgaf (pagina 214),

en/of

- dat [slachtoffer] nooit door de politie op een normale wijze is verhoord hoewel hij zich zo verdacht had gemaakt als een pyromaan in een hooiberg (pagina 215),

en/of

- dat juist en vooral [slachtoffer] God op de blote knieën mag danken dat de moord enkele dagen voor het verschijnen van dit boek verjaard is. Hoewel [slachtoffer] en een paar anderen op fluweel zitten omdat Justitie nooit meer achter hen aan zal komen (pagina 471);

subsidiair:


hij in of omstreeks de periode 30 mei 2014 tot en met 17 maart 2015, te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] in het openbaar bij geschrift heeft/hebben beledigd, immers heeft/hebben verdachte(n) een boek uitgegeven met als titel: " [titel] " en/of met als ondertitel: " [ondertitel] ", welk boek (een) passage(s) bevat die onder meer inhoud(en):

- dat [persoon 2] hem goed kende omdat [persoon 3] altijd bij [slachtoffer] in de caravan kwam bij wie [persoon 2] en haar vriendjes regelmatig rondhingen (pagina 52),

en/of

- dat [persoon 4] er is ingeluisd. Hij kwam wellicht in de sekscaravan van [slachtoffer] die op het AZC stond om zijn seksuele fantasieën te bevredigen. Die bewuste nacht is [persoon 2] opgepikt in [plaats 2] met de BMW van (de inmiddels wijlen) [persoon 3] . De moord is zeer waarschijnlijk gepleegd in de caravan van [slachtoffer] en [persoon 2] is met de BMW naar het weiland vervoerd. Geen wonder dat de bewijslast weggemoffeld moest worden. De caravan ging in vlammen op en [slachtoffer] reed de BMW naar Duitsland en liet hem direct tot schroot vernietigen (pagina 65),

en/of

- dat dit, samen met het keeldoorsnijdende gebaar, sterk de indruk wekt dat de asielzoekers de moord hebben gepleegd waarbij zij hulp [slachtoffer] gekregen van hun Duitse vriendjes [persoon 3] en [slachtoffer] (pagina 65),

en/of

- de duistere kanten van [slachtoffer] (pagina 212),

en/of

- dat er zogenaamde snuff movies in het chalet van [slachtoffer] zouden worden gemaakt. Gruwelijker sexfilms waarbij moord en seks samengaan zijn niet te vinden (pagina 214),

en/of

- dat [slachtoffer] samen met [persoon 3] pornofilms produceerde in een daar speciaal voor ingerichte studio (pagina 214),

en/of

- dat hij, die [slachtoffer] , de ochtend voor de moord naar Duitsland was vertrokken. Pas twee weken later kwam hij terug. Met een andere auto (pagina 214),

en/of

- dat bij [slachtoffer] er ook handel werd gedreven in gestolen spul. Tot wapens aan toe. De achteringang was voor criminele zaakjes de vooringang geworden. Dat wist iedereen. Er werd geprostitueerd en mensenhandel deed ook mee. Pornobanden werden uitgevent op adresjes die [slachtoffer] opgaf (pagina 214),

en/of

- dat [slachtoffer] nooit door de politie op normale wijze is verhoord hoewel hij zich zo verdacht had gemaakt als een pyromaan in een hooiberg (pagina 215),

en/of

- dat juist en vooral [slachtoffer] God op de blote knieën mag danken dat de moord enkele dagen voor het verschijnen van dit boek verjaard is. Hoewel [slachtoffer] en een paar anderen op fluweel zitten omdat Justitie nooit meer achter hen aan zal komen (pagina 471),

althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verzoeken verdachte

Verdachte heeft op 17 december 2018 per e-mailbericht een schriftelijk verzoek ingediend tot het horen van een aantal getuigen, te weten:

  1. [getuige 1]

  2. [getuige 2]

  3. [getuige 3]

  4. [getuige 4]

  5. [getuige 5]

  6. [getuige 6]

  7. [getuige 7]

  8. [getuige 8]

  9. [slachtoffer]

  10. [getuige 9]

  11. [getuige 10]

Ter terechtzitting van het hof van 28 januari 2019 heeft verdachte het verzoek mondeling herhaald en nader toegelicht. De onderbouwing van de getuigenverzoeken heeft de strekking – kort en zakelijk weergegeven – om aan te tonen dat de verkeerde persoon vastzit voor de moord op [persoon 2] en dat het openbaar ministerie dat in de doofpot heeft gestopt. Deze misstand moet in de openbaarheid worden gebracht.

Het hof stelt voorop dat verdachte met zijn onderzoek een eigen/ander belang dient dan hetgeen het hof in de onderhavige strafzaak heeft te onderzoeken. Verdachte beoogt met zijn onderzoek aan te tonen dat het openbaar ministerie de waarheid rondom de werkelijke moordenaar van [persoon 2] in de doofpot heeft gestopt. Het hof dient in onderhavige strafzaak echter te beoordelen of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan smaadschrift dan wel belediging jegens aangever [slachtoffer] en dient in dat kader onderzoek te verrichten.

Beslissing hof van 28 november 2017

Het hof stelt vast dat verdachte bij brief van 13 november 2017 het hof reeds had verzocht de getuigen te horen vermeld onder nummer 1, 2, 4, 5, 6, 7, 8 en 9. Het hof heeft het verzoek tot het horen van deze getuigen – met uitzondering van de verzochte getuige [getuige 8] - ter terechtzitting van 28 november 2017 afgewezen omdat voor deze getuigen geldt dat, wat de getuigen ook kunnen verklaren over hetgeen zij gezien of gehoord hebben met betrekking tot de moord op [persoon 2] , dat de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in deze zaak niet zal kunnen aantasten. Voorts heeft het hof daarbij geoordeeld dat verdachte, in het licht van de rechtsvragen die in het kader van artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht dienen te worden beoordeeld en mede gelet op de onderbouwing van de verzoeken, redelijkerwijze niet in zijn verdediging wordt geschaad door het niet horen van deze getuigen.

Het hof heeft op 28 november 2017 ten aanzien van het verzoek tot het horen van getuige onder nummer 9, de toen in de zittingszaal aanwezige [getuige 8] , beslist dat [getuige 8] als een meegebrachte getuige diende te gelden en om die reden toen aldaar op die zitting gehoord zou worden. Dit verhoor heeft echter niet plaatsgevonden, enerzijds door de omstandigheid dat de raadsman meedeelde dat hij van de heer [getuige 8] hoorde dat hij niet langer wilde getuigen en anderzijds door de omstandigheid dat de raadsman van verdachte de verdediging neerlegde en het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd is aangehouden opdat verdachte een nieuwe advocaat kon zoeken.

Beoordeling getuigenverzoeken van 17 december 2018

Gelet op de indieningsdatum van het schriftelijk verzoek van 17 december 2018, terwijl verdachte op 7 juli 2016 hoger beroep heeft ingesteld, toetst het hof de getuigenverzoeken van verdachte van 17 december 2018 aan het noodzakelijkheidscriterium.

[getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] , [getuige 7] en [slachtoffer]

Het hof is van oordeel dat verdachte in zijn verzoek van 17 december 2018 en in zijn toelichting ter zitting op 28 januari 2019 geen nieuwe, juridisch relevante omstandigheden heeft aangevoerd ten aanzien van de getuigen genummerd onder 1, 2, 4, 5, 6, 7 en 9 die nopen tot een ander oordeel dan het afwijzende oordeel van het hof van 28 november 2017. Om die reden wijst het hof deze getuigenverzoeken thans (wederom) af.

[getuige 8]

Het hof is thans van oordeel dat de getuige [getuige 8] (8) niet langer als een meegebrachte getuige kan worden aangemerkt, aangezien deze getuige niet ter terechtzitting van 28 januari 2019 is meegebracht.

Het hof is van oordeel dat, mede gelet op de onderbouwing van het verzoek, thans geen noodzaak is gebleken tot het horen van getuige [getuige 8] in het licht van de beantwoording van de vragen van artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot het tenlastegelegde. Het verzoek wordt afgewezen.

[getuige 3] , [getuige 9] en [getuige 10]

Met betrekking tot de nieuw verzochte getuigen, te weten de getuigen [getuige 3] (3),

[getuige 9] (10) en [getuige 10] (11), overweegt het hof het volgende.

Het hof is van oordeel dat verdachte in het schriftelijk verzoek alsmede ter terechtzitting van 28 januari 2019 niet, althans onvoldoende, heeft onderbouwd dat het horen van de genoemde getuigen noodzakelijk is in het kader van beantwoording van de vragen in het kader van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering in relatie tot het tenlastegelegde jegens [slachtoffer] . Ook ambtshalve ziet het hof deze noodzaak niet. Voor verdachte ligt de noodzaak tot het horen van voornoemde getuigen in het vaststellen dat aangever [slachtoffer] over bepaalde zaken zou hebben gelogen, dat [getuige 10] niet de werkelijke moordenaar van [persoon 2] is en – in het bijzonder – dat het Openbaar Ministerie de waarheid rondom de werkelijke moordenaar van [persoon 2] in de doofpot stopt. Zoals reeds benoemd zijn dit niet de rechtsvragen die het hof in onderhavige strafzaak heeft te beantwoorden en waar het hof onderzoekt naar dient te verrichten.

Het hof wijst de getuigenverzoeken van verdachte af.

Juridisch kader smaadschrift

Artikel 261, lid 1 juncto lid 2 Wetboek van Strafrecht

Smaad is een specifieke vorm van belediging dat strafbaar is gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht. Strafbaar wordt gesteld de aanranding van iemands eer of goede naam, door middel van de tenlastelegging van een bepaald feit. Die beschuldiging dient te geschieden met het kennelijke doel van ruchtbaarheid. Van de tenlastelegging van een bepaald feit is slechts sprake indien het feit op een zodanige wijze door de verdachte is tenlastegelegd dat het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging aanwijst.1

Van smaadschrift is sprake indien smaad geschiedt door middel van geschriften of afbeeldingen die worden verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen, of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore wordt gebracht.

Met het begrip ‘eer’ wordt bedoeld het respect dat iemand als mens toekomt. Met de term ‘goede naam’ wordt in het licht van voornoemd wetsartikel bedoeld de reputatie die men in het maatschappelijk verkeer geniet. Van aanranding van deze eer en goede naam is sprake als de reputatie publiekelijk wordt geschaad of aangetast. Wat als beledigend in de zin van dit wetsartikel wordt aangemerkt hangt in belangrijke mate af van de op dat moment in onze maatschappij geldende maatschappelijke normen. In het algemeen heeft het iemand anders beschuldigen van min of meer concreet omschreven misdrijven of zodanig omschreven feiten die met de positieve moraal strijden, een smadelijk karakter.

Voor smaad(schrift) is niet per se vereist dat het bepaalde feit waarvan de beledigde wordt beschuldigd, onwaar is.2

Artikel 261, lid 3 Wetboek van Strafrecht

Het derde lid van artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht bevat een uitzondering voor gevallen waarin iemand heeft gehandeld tot noodzakelijke verdediging of indien de verdachte te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het tenlastegelegde waar was en dat het algemeen belang de tenlastelegging eiste.

De rechter-commissaris overwoog in dit kader reeds in zijn beschikking d.d. 13 juli 2017 in onderhavige strafzaak het volgende:

“De goede trouw die een onderdeel vormt van de rechtvaardigingsgrond dient te worden gekenmerkt als ‘objectieve goede trouw’. Voor een beter begrip van dit onderdeel wordt wel aansluiting gezocht bij jurisprudentie van de civiele rechter. De rechter toetst de goede trouw marginaal en weegt belangen af (HR 24 juni 1983, NJ 84, 801: Bij de hier aan de orde zijnde vraag staan twee hoogwaardige belangen tegenover elkaar: enerzijds het belang dat individuele burgers niet door publicaties in de pers worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen, anderzijds het belang dat niet door gebrek aan bekendheid bij het grote publiek misstanden die de samenleving raken kunnen blijven voortbestaan. Welke van deze belangen in een gegeven geval de doorslag hoort te geven hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden.). Belangrijk is de mate waarin de door verdachte

gestelde feiten bij publicatie steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal (HR 6 januari 1995, NJ 95. 422). In geval van beschuldigende berichtgeving kunnen hogere eisen aan de onderzoeksplicht van de journalist worden gesteld (HR 1 juli 1974, NJ 74, 505). Maar soms is voldoende dat de verdachte een zeker gezag kan ontlenen aan de bron van zijn gepresenteerde, beschuldigende feiten (HR 12 juni 1992, NJ 92, 554). Voor journalisten speelt daarin mee dat de omstandigheden van hun concrete werksituatie bepalend zijn. Van een nieuwsreporter die opereert in het heetst van de strijd kan niet altijd een controlerende handeling verwacht worden bij het ontvangen van een nieuw bericht. Voor de onderzoeksjournalist geldt echter dat hij zich gedegen dient voor te bereiden voor hij zijn berichten wereldkundig maakt.

(…)

Artikel 261 lid 3Sr. stelt als laatste eis dat het algemeen belang de tenlastelegging eiste. Het begrip ‘algemeen belang’ is een vage term die dient te worden ingevuld.

Tevens spelen de proportionaliteit en de subsidiariteit een rol. Geen sprake is van smaad indien de dader geen ander, minder vergaand middel tot zijn beschikking had om het algemeen belang te behartigen. Daarbij geldt dat het belang verder moet reiken dan het eigen particuliere belang van de dader. Er moet voor hem geen andere mogelijkheid zijn geweest om de misstand aan de kaak te stellen dan door het plegen van de smaad (HR 29 juni 1908,W. 8745, HR 19 juni 1962, NJ 62, 276, 26 november 1934, NJ 35, 211, 16 juni 1953, NJ 53, 618). De Hoge Raad heeft wel beslist dat de keuze van de bewoordingen kan meespelen bij het oordeel of sprake is van smaad (HR 16 juni 1953, NJ 1953, 618).”

Het hof sluit zich aan bij het vorenstaande.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Standpunt verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof op 28 januari 2019 het standpunt ingenomen – zo begrijpt het hof, zakelijk en samengevat weergegeven – dat hij dient te worden vrijgesproken omdat de ten laste gelegde uitingen niet kunnen worden aangemerkt als smaad en omdat hem een beroep op artikel 261, lid 3 van het Wetboek van Strafrecht toekomt. Verdachte heeft hiertoe aangevoerd dat hij te goeder trouw de overtuiging mocht zijn toegedaan dat de ten laste gelegde uitingen met betrekking tot aangever [slachtoffer] - opgenomen in het boek getiteld " [titel] ", dat hij samen met de heer [medeverdachte] heeft geschreven en gepubliceerd – de waarheid betroffen en dat het algemeen belang de tenlastelegging van die feiten eiste.

De uitzondering zoals die in het derde lid van artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht is opgenomen wordt over het algemeen als strafuitsluitingsgrond gezien en zal als zodanig besproken worden.

Beoordeling artikel 261, lid 1 juncto lid 2 Wetboek van Strafrecht

Het hof is van oordeel dat de ten laste gelegde uitlatingen omtrent de persoon van aangever [slachtoffer] , in samenhang bezien en geplaatst in de context van het gehele boek “ [titel] , een duidelijk smadelijk karakter hebben. Aangever wordt genoemd in het boek met als ondertitel “ [ondertitel] ”, in welk boek aan aangever een bepaalde mate van betrokkenheid wordt toegedicht bij deze moord alsmede bij andere misdrijven en zaken die strijden met de positieve moraal. De inhoud van de ten laste gelegde uitlatingen over aangever [slachtoffer] in het boek van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn van dien aard en wijzen zodanig duidelijk te onderkennen concrete gedragingen aan, dat verdachte moet hebben geweten dat daarmee de eer en goede naam van aangever [slachtoffer] ernstig zou worden aangetast. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat daaraan niet af doet dat het bij bepaalde uitlatingen gaat om citaten van anderen of dat hierbij termen als ‘wellicht’, ‘zeer waarschijnlijk’, ‘mijmeren’ en ‘sterk de indruk wekt’ zijn gebruikt.

Uit de aangifte en e-mailberichten zoals opgenomen in de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte en zijn medeverdachte zich bij het schrijven van het boek realiseerden welke negatieve gevolgen publicatie van de uitlatingen over aangever voor aangever zou hebben. Medeverdachte [medeverdachte] waarschuwt aangever hier voor in zijn e-mailberichten aan aangever. De verantwoordelijkheid voor deze negatieve gevolgen wordt geheel bij aangever gelegd. Hij had de kans om deze gevolgen te voorkomen door mee te werken aan het onderzoek van verdachte en zijn medeverdachte, zo schrijft [medeverdachte] . Bovendien heeft verdachte ter zitting van het hof erkend dat [slachtoffer] ook onder een alias in het boek had kunnen worden opgenomen, maar dat de verdachte daar bewust van heeft afgezien omdat [slachtoffer] geen medewerking wilde verlenen aan hun onderzoek en bleef liegen. Gelet daarop en in aanmerking genomen de inhoud van de uitlatingen over aangever in het boek, is het hof van oordeel dat verdachte en zijn medeverdachte opzet hadden bij het aanranden van de eer en goede naam van aangever.

Dat verdachte en zijn medeverdachte het kennelijke doel hadden om ruchtbaarheid te geven aan de tenlastegelegde smadelijke feiten over aangever behoeft nauwelijks bespreking, nu de uitlatingen zijn opgenomen in een boek met een aanvankelijke oplage van duizend stuks, dat werd verkocht in de boekwinkel en via de website www.bol.com, juist met als doel om het verhaal van verdachte en zijn medeverdachte onder de aandacht te brengen bij het (grotere) publiek.

Concluderend kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan smaadschrift jegens aangever [slachtoffer] .

Bewijsmiddelen

1. De door verdachte op de terechtzitting van het hof van 28 januari 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat wij (het hof begrijpt: verdachte en medeverdachte [medeverdachte] ) [slachtoffer] niet onder een alias of met initialen in het boek hebben opgenomen, omdat hij bleef liegen.

2. De door verdachte op de terechtzitting van de rechtbank op 21 juni 2016 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb met medeverdachte [medeverdachte] een boek geschreven en uitgegeven met als titel: “ [titel] ”, met als ondertitel “ [ondertitel] ”. De in de tenlastelegging opgenomen passages omtrent [slachtoffer] staan in dit boek opgenomen. Ik heb in het boek willen aangeven dat [slachtoffer] iets met de moord op [persoon 2] te maken heeft.

Voor de publicatie van het boek heb ik niet met de getuigen gesproken. Ik ging af op hetgeen [medeverdachte] mij over de inhoud van de verklaringen vertelde.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 17 juli 2014, opgenomen op pagina 20 e.v. van het dossier met nummer [nummer] d.d. 17 september 2015, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer] , woonachtig te [plaats 1] , zakelijk weergegeven:

Ik doe aangifte tegen [verdachte] en [medeverdachte] . Zij zijn schrijvers van het boek “ [titel] ”. In dit boek word ik met naam en toenaam genoemd. In het gehele boek worden uitspraken gedaan over mij. De schrijvers stellen in het boek dat ik medeplichtig ben aan de moord op [persoon 2] . Ik verwijs u voor verdere informatie hierover naar het boek welke ik aan u geef om bij het proces-verbaal te voegen.

In november/december 2013 werd ik gebeld door een man die zei dat hij een boek wilde gaan schrijven over de moord op [persoon 2] . Ik maakte een afspraak met hen. Op een dag in november/december kwamen er twee heren bij mij die zich voorstelden als [verdachte] en [medeverdachte] . Ze stelden vragen aan mij of ik [persoon 3] en [persoon 5] en andere genoemde mensen ook kende. De meeste vragen aan mij werden gesteld door [medeverdachte] . Ik gaf aan dat ik de genoemde mensen niet kende. Ik gaf nog enkele referenties die mijn verhaal konden bevestigen.

De schrijvers gingen weg. Ze hadden mij wel verteld dat het boek in januari 2014 uit zou komen. Er volgde nog een keer een ontmoeting met de heer [medeverdachte] . Dit was enkele weken na de eerste afspraak. In dit gesprek ging [medeverdachte] wat dieper op de zaken in. Ook gaf hij aan dat hij mijn eerste antwoorden als leugens beschouwde. Hij gaf daarbij ook aan dat als ik antwoorden gaf die bij zijn visie pasten hij mij goed zou behandelen in het boek. Ik wilde gewoon dat de waarheid in het boek kwam. Ik heb dit heel goed onthouden omdat dit mij zeer tegen de borst stuitte. Ik heb gezegd dat ik dit niet wilde. Ik heb aangegeven dat [medeverdachte] weg moest gaan en dat ik geen contact meer met hem wilde. [medeverdachte] verliet toen mijn woning. Nadien ben ik meerdere keren door [medeverdachte] gebeld. [medeverdachte] gaf aan dat hij bewijzen had dat ik de eerder genoemde mensen wel kende en dat de moord in mijn caravan was gepleegd.

Ik ben, ongeveer zes weken geleden, ook nog een keer door [verdachte] gebeld. Ik heb toen meteen aangegeven dat ik op geen enkele manier meer contact met hem of [medeverdachte] wilde hebben.

Het boek is uitgegeven door [uitgeverij] te [plaats 3] . [medeverdachte] en [verdachte] zijn eigenaar van deze uitgeverij.

Ik ben door dit alles heel erg beschadigd. Mijn naam is tot aan mijn dood kapot.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever van Politie Eenheid Noord-Nederland d.d. 15 september 2015, opgenomen op pagina 25 e.v. van het onder 3 genoemde dossier, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:

Ik heb het boek “ [titel] ” gekocht bij de boekwinkel in [plaats 1] . U deelt mij mede dat in het boek nog een kassabon zit, waarop de datum van 30 mei 2014 staat vermeld.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal relaas van onderzoek van Politie districtsrecherche Fryslân, d.d. 17 september 2015, opgenomen op pagina 3 e.v. van het onder 3 genoemde dossier, voor zover inhoudende als relatering van verbalisant, zakelijk weergegeven:

[medeverdachte] verklaarde aan mij verbalisant:

- dat hij het boek “ [titel] ” had uitgegeven;

- dat “ [titel] ” een oplage heeft gehad van een paar duizend stuks;

- dat het verkrijgbaar was in de periode van 18 mei 2014 tot 17 maart 2015.

6. Een schriftelijk stuk, te weten een boek met als titel “ [titel] ”, met als ondertitel: “ [ondertitel] ”, geschreven door [verdachte] en

[medeverdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

- pagina 52: [persoon 2] kende hem ( [persoon 3] ) goed omdat [persoon 3] altijd bij [slachtoffer] in de caravan kwam bij wie [persoon 2] en haar vriendjes regelmatig rondhingen.

- pagina 65: Kort na de aanhouding van [persoon 4] lezen we de volgende posting. “ [persoon 4] is er ingeluisd. Hij kwam wellicht in de sekscaravan van [slachtoffer] die op het AZC stond om zijn seksuele fantasieën te bevredigen. De bewuste nacht is [persoon 2] opgepikt in [plaats 2] met de BMW van (de inmiddels wijlen) [persoon 3] . De moord is zeer waarschijnlijk in de caravan gepleegd en [persoon 2] is met de BMW naar het weiland vervoerd. Geen wonder dat bewijslast weggemoffeld moest worden. De caravan ging in vlammen op en [slachtoffer] reed de BMW naar Duitsland en liet hem direct tot schroot vernietigen. Dit, samen met het keeldoorsnijdende gebaar, wekt sterk de indruk dat de asielzoekers de moord hebben gepleegd, waarbij zij hulp hebben gekregen van hun Duitse vriendjes [persoon 3] en [slachtoffer] .” Hoe gelijk zou deze reageerder op “Recht is krom” hebben en krijgen. Het verhaal is minstens zo logisch als evenwichtig en een ieder die zich ook maar een beetje in de zaak zou hebben verdiept was met soortgelijke conclusies gekomen.

- pagina 212: tussenkopje: De duistere kanten van [slachtoffer] .

- pagina 214: In de auto terug naar buis mijmeren we over de zogenaamde snuffmovies die in het chalet van [slachtoffer] zouden worden gemaakt. Gruwelijker seksfilms waarbij moord en seks samengaan zijn er niet te vinden. Van meerdere getuigen hoorden we dat [slachtoffer] samen met [persoon 3] pornofilms produceerde in een daar speciaal voor ingerichte studio. [slachtoffer] was op de ochtend voor de moord naar Duitsland vertrokken. Pas twee weken later kwam hij terug. Met een andere auto.

Bij [slachtoffer] werd er ook een handel gedreven in gestolen spul. Tot wapens aan toe. De achteringang was voor criminele zaakjes de vooringang geworden. Dat wist iedereen. Er werd geprostitueerd en mensenhandel deed ook mee. Pornobanden werden uitgevent op adresjes die [slachtoffer] opgaf.

- pagina 215: [slachtoffer] is nooit door de politie op een normale wijze verhoord hoewel hij zich zo verdacht had gemaakt als een pyromaan in een hooiberg.

- pagina 216, 217, 218: een e-mailbericht van [medeverdachte] aan [slachtoffer] , voor zover inhoudende:

[slachtoffer] ,

Wij hebben inmiddels de verklaring van iemand die onbedoeld en ongewild bij de moord betrokken is nu definitief als kluisverklaring. De noodzaak om met jou welke deal dan ook te sluiten is daarmee van beduidend minder gewicht geworden.

Voor wat betreft de zaak zelf hebben we nu dus twee ‘kroongetuigen’ en als het om jou gaat van drie verschillende mensen verklaringen die vernietigend voor je zijn. Kortom, als je nog steeds niet op ons voorstel in wil gaan is ons dat om het even omdat de info die we nu compleet en hard hebben een geweldige bijdrage levert aan het plot van het boek. Wat er onder meer uit naar voren komt zijn tal van zaken die jij tot dusver met klem hebt ontkend. Buiten dat jouw rol ons sowieso bekend is en wij die zullen publiceren, zal de lezer een eenduidige conclusie trekken als het er om gaat wat jouw bijdrage is geweest.

Wat jij je moet afvragen is niet of je bescherming van justitie kan krijgen, want die krijg je heus wel. Je moet je afvragen of wij de lezers van ons boek zullen overtuigen dat jij betrokken was en precies weet hoe het gegaan is. Neem nu maar van mij aan dat jij - zo als het er nu bij staat - na de verschijning van ons boek een heel groot probleem hebt. Eigenlijk gun ik je dat niet op je ouwe dag.

Nogmaals, het maakt ons niet meer uit dat je na afgelopen donderdag plots frontaal in de tegenaanval gaat. Voor het boek zou het beter zijn als het blijft zoals het nu is. Niettemin speel ik nog met de gedachte je ten finale je standpunt te (her)overwegen. Een derde (anonieme) bron is ook wel iets.

Met groet,

[medeverdachte] .

- pagina 218: een e-mailbericht van [medeverdachte] aan [slachtoffer] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik had je een eenvoudige deal voorgesteld waar we allebei “wijzer’ van zouden worden. Simpeler kon het niet. Het gaat al helemaal niet meer om jouw leugens. Hoewel, jij noemt het ‘praatjes’ maar dat zijn het niet. Het is door ons inmiddels bewezen. Door de thans voor handen zijnde kluisverklaring van een bij de moord betrokkene weten we nu wat er gebeurd is. Punt. Het spijt me dat het dan toch zo is gelopen. Je had jezelf heel wat kunnen besparen. Ik zal om het zo objectief mogelijk te houden jouw reacties minutieus weergeven. Dit laat echter onverlet dat jouw rol voor de lezer wel heel duidelijk zal worden. Het is niet anders.

[medeverdachte] .

- pagina 471: Juist en vooral [slachtoffer] mag God op de blote knieën danken dat de moord enkele dagen voor het verschijnen van dit boek verjaard is. Hoewel natuurlijk [slachtoffer] en een paar anderen op fluweel zitten omdat Justitie nooit meer achter hen aan zal komen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:


hij in de periode 30 mei 2014 tot en met 17 maart 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, door middel van verspreiding van een geschrift, de eer en de goede naam van [slachtoffer] heeft aangerand door telastlegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers hebben verdachten een geschrift, te weten een boek met de titel: " [titel] " en met de ondertitel: " [ondertitel] " geschreven en verspreid en uitgegeven, welk boek passages bevat die onder meer inhouden:

- dat [persoon 2] [persoon 3] goed kende omdat [persoon 3] altijd bij [slachtoffer] in de caravan kwam bij wie [persoon 2] en haar vriendjes regelmatig rondhingen (pagina 52),

en

- dat [persoon 4] er is ingeluisd. Hij kwam wellicht in de sekscaravan van [slachtoffer] die op het AZC stond om zijn seksuele fantasieën te bevredigen. Die bewuste nacht is [persoon 2] opgepikt in [plaats 2] met de BMW van (de inmiddels wijlen) [persoon 3] . De moord is zeer waarschijnlijk gepleegd in de caravan van [slachtoffer] en [persoon 2] is met de BMW naar het weiland vervoerd. Geen wonder dat de bewijslast weggemoffeld moest worden. De caravan ging in vlammen op en [slachtoffer] reed de BMW naar Duitsland en liet hem direct tot schroot vernietigen (pagina 65),

en

- dat dit, samen met het keeldoorsnijdende gebaar, sterk de indruk wekt dat de asielzoekers de moord hebben gepleegd waarbij zij hulp hebben gekregen van hun Duitse vriendjes [persoon 3] en [slachtoffer] (pagina 65),

en

- de duistere kanten van [slachtoffer] (pagina 212),

en

- dat er zogenaamde snuff movies in het chalet van [slachtoffer] zouden worden gemaakt. Gruwelijker sexfilms waarbij moord en seks samengaan zijn er niet te vinden (pagina 214),

en

- dat [slachtoffer] samen met [persoon 3] pornofilms produceerde in een daar speciaal voor ingerichte studio (pagina 214),

en

- dat hij, die [slachtoffer] , de ochtend voor de moord naar Duitsland was vertrokken. Pas twee weken later kwam hij terug. Met een andere auto (pagina 214),

en

- dat bij [slachtoffer] er ook een handel werd gedreven in gestolen spul. Tot wapens aan toe. De achteringang was voor criminele zaakjes de vooringang geworden. Dat wist iedereen. Er werd geprostitueerd en mensenhandel deed ook mee. Pornobanden werden uitgevent op adresjes die [slachtoffer] opgaf (pagina 214),

en

- dat [slachtoffer] nooit door de politie op een normale wijze is verhoord hoewel hij zich zo verdacht had gemaakt als een pyromaan in een hooiberg (pagina 215),

en

- dat juist en vooral [slachtoffer] God op de blote knieën mag danken dat de moord enkele dagen voor het verschijnen van dit boek verjaard is. Hoewel [slachtoffer] en een paar anderen op fluweel zitten omdat Justitie nooit meer achter hen aan zal komen (pagina 471).

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De verdachte heeft gesteld dat hem een beroep toekomt op artikel 261, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Gelet hierop ziet het hof zich voor de vraag gesteld of verdachte te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat de uitlatingen omtrent aangever [slachtoffer] , zoals opgenomen in de tenlastelegging, waar waren. Het hof beoordeelt deze vraag ex tunc dat wil zeggen op basis van de feiten en omstandigheden zoals die golden op het moment van publicatie van het boek " [titel] ". In dit kader is het van belang welk onderzoek verdachte op het moment van alsmede voorafgaand aan de publicatie van voornoemd boek heeft verricht.

Het hof overweegt dat verdachte ter terechtzitting van de rechtbank heeft verklaard dat hij voorafgaand aan de publicatie van het boek niet één van de getuigen zelf heeft gesproken. Verdachte heeft deze verklaring ter terechtzitting van het hof van 28 januari 2019 weersproken en aangegeven dit ook niet ter zitting van de rechtbank te hebben verklaard. Het hof heeft echter geen aanleiding te vermoeden dat de inhoud van het proces-verbaal van de rechtbank, vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffier, onjuist zou zijn. Verdachte heeft op dat punt ook geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het hof anders zou moeten oordelen.

Daarnaast overweegt het hof dat verdachte ten tijde van de publicatie van voornoemd boek op de hoogte moet zijn geweest van de onorthodoxe wijze van het vergaren van verklaringen door medeverdachte [medeverdachte] , welke vergaringswijze op bepaalde momenten kan worden aangemerkt als chantage, althans niet wordt gekenmerkt door het vrijwillig afleggen van verklaringen. Deze werkwijze is in het boek opgenomen. Verdachte heeft tegenover de rechtbank verklaard dat hij het boek samen met [medeverdachte] heeft geschreven en uitgegeven. Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting van het hof van 28 januari 2019 zich achter de werkwijze van [medeverdachte] geschaard zoals die zijn omschreven op:

- de pagina’s 200 – 205, inclusief het ‘nawoord’, aangaande correspondentie van [medeverdachte] aan een derde, genaamd [persoon 6] :

“Ik heb je verteld dat we over een getuigenverklaring beschikken waaruit blijkt dat [persoon 2] is verkracht en vermoord door bewoners van het AZC en minstens en één met [getuige 1] en [persoon 5] bevriende buitenstaander.”

“Nogmaals, ten grondslag aan mijn voorstel ligt het feit dat wij 100% sluitend bewijs hebben dat de moord is gepleegd door asielzoekers, alsmede 100% sluitend bewijs dat het gestolen-fiets-verhaal niet is gebeurd.”

“ Denk ook aan je vrouw en kinderen in je overwegingen.”

“Optie 1 is dus dat ik jouw rol in zijn geheel (…) in het boek met de waarheid dat jij mee hebt gewerkt om de ware toedracht van een moord te verhullen.

Optie 2 is dat ik je uit het boek houd in ruil voor het ware verhaal. En dat je simpelweg bevestigd dat het fietsverhaal verzonnen is.”

Dat van die getuigenverklaringen was bluf. Althans, we hadden dat toen nog niet geheel rond. Je moet echter in een dergelijk dossier, anticyclisch en onorthodox te werk gaan omdat je anders niet ver komt.”

- De pagina’s 218-219, betreffende correspondentie van [medeverdachte] aan aangever [slachtoffer] :

“Ik had je een eenvoudige deal voorgesteld waar we allebei ‘wijzer’ van zouden worden. Simpeler kon het niet. (…)

Nogmaals, het ging al niet meer om jouw leugens. Door de thans voor handen zijnde kluisverklaring van een bij de moord betrokkene weten we nu wat er gebeurd is. Punt. (…)

Het spijt me dat het dan toch zo is gelopen. Je had jezelf heel wat kunnen besparen.”

Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof op 28 januari 2019 verklaard dat voornoemde werkwijze bij het vergaren van getuigenverklaringen geen aanleiding was voor verdachte om alsnog zelf met de getuigen te spreken. De omstandigheid dat verdachte de getuigen/bronnen op dit moment alsnog probeert te spreken via een getuigenverhoor in deze zaak, doet niet af aan de omstandigheid dat verdachte destijds de getuigen niet heeft gesproken en afging op de mededelingen van medeverdachte [medeverdachte] .

Ook het onherroepelijke vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 19 april 2013 betreffende de veroordeling van [getuige 10] voor verkrachting van en de moord op [persoon 2] was geen reden voor verdachte om het alternatieve scenario van hem en [medeverdachte] rondom de moord op [persoon 2] voorafgaand aan de publicatie van het boek extra uit te zoeken, zo heeft hij op 28 januari 2019 tegenover het hof verklaard.

Het hof is van oordeel dat verdachte onder die omstandigheden volstrekt lichtzinnig is uitgegaan van de waarheid van de beweringen van medeverdachte [medeverdachte] over aangever [slachtoffer] en onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de juistheid van die beweringen van [medeverdachte] . Het hof oordeelt dat verdachte niet te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat zijn versie van de waarheid omtrent de moord op [persoon 2] , aangevers vermeende betrokkenheid daarbij en de overige ten laste gelegde uitlatingen aangaande aangever waar waren. Aldus is het hof van oordeel dat aan verdachte geen beroep op artikel 261, lid 3 van het Wetboek van Strafrecht toekomt.

Ten overvloede overweegt het hof het volgende. Zelfs al zou worden aangenomen dat verdachte ervan uit mocht gaan dat het alternatieve scenario rondom de moord op [persoon 2] , zoals opgenomen in voornoemd boek, de waarheid zou betreffen, dan heeft verdachte bij publicatie van het boek de grenzen van proportionaliteit uit het oog verloren. In het kader van het algemeen belang dat verdachte nastreefde met publicatie van het boek (en nog steeds nastreeft) bestond geen noodzaak om de naam van aangever [slachtoffer] op te nemen in het boek, noch de noodzaak om de andersoortige zaken aangaande aangever [slachtoffer] , die niks met de moord op [persoon 2] te maken hebben, in het boek op te nemen zoals de beweringen met betrekking tot snuff movies, mensenhandel en handel in gestolen spullen. Verdachte heeft immers consistent verklaard dat zijn doel was bekendmaking van de omstandigheid dat de verkeerde man vastzit voor de moord op [persoon 2] alsmede – in het bijzonder - dat het openbaar ministerie hiervan altijd op de hoogte is geweest en dit in de doofpot heeft gestopt. Dit doel had ook bereikt kunnen worden door bijvoorbeeld gebruik van een gefingeerde naam voor [slachtoffer] of gebruik van zijn initialen. Verdachte heeft hierover bovendien ter terechtzitting van het hof van 28 januari 2019, alsmede ter terechtzitting van de rechtbank (desgevraagd) verklaard dat besloten is om aangever [slachtoffer] wel met naam en toenaam op te nemen in het boek, omdat aangever volgens verdachte en zijn medeverdachte bleef liegen. Daarnaast heeft verdachte aangevoerd dat het algemeen belang werd gediend door het noemen van de naam van [slachtoffer] . Verdachte heeft aangegeven dat omdat het openbaar ministerie ‘de zaak in de doofpot heeft gestopt’ het op zijn weg lag, het schandaal aan het publiek kenbaar te maken. De onderbouwing van verdachte dat hierbij ook de naam van [slachtoffer] genoemd moest worden, is omdat [slachtoffer] niet mee wilde werken aan de door verdachte en diens medeverdachte voorgestelde afspraak. Het hof is van oordeel dat dit niet aangemerkt kan worden als een reden die het algemeen belang - voor zover daarvan sprake is in deze - diende.

Derhalve strandt het beroep op artikel 261, lid 3 van het Wetboek van Strafrecht eveneens op deze grond.

Het primair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van smaadschrift.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt verdachte

Verdachte heeft subsidiair – in geval van bewezenverklaring - verzocht om de door de rechtbank opgelegde straf te herzien, aangezien zijn motieven edel, oprecht en zuiver zijn, aldus verdachte. Voorts heeft hij aangevoerd dat hij nooit eerder met justitie in aanraking is geweest, behalve voor een soortgelijke kwestie. Het is voor verdachte onverteerbaar dat hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden is opgelegd.

Oordeel hof

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van smaadschrift jegens aangever [slachtoffer] . Door de bewezenverklaarde smadelijke aantijgingen omtrent [slachtoffer] op te nemen in een boek en dit boek te publiceren is de naam van [slachtoffer] ernstige schade toegebracht. Uit de aangifte van [slachtoffer] blijkt dat de aantijgingen grote impact op zijn leven hebben. [slachtoffer] heeft verklaard dat niet alleen hijzelf, maar ook zijn kinderen hierdoor dusdanig beschadigd zijn dat zij hun naam hebben veranderd. [slachtoffer] heeft verklaard dat wanneer zijn naam wordt ingevoerd in de internetzoekmachine Google die zoekslag verscheidene resultaten oplevert met betrekking tot de moord op [persoon 2] . Het is algemeen bekend dat het zeer moeilijk is te bewerkstelligen om (dergelijke) internetberichten voorgoed van het internet te laten verwijderen. Te meer nu verdachte zijn beschuldigingen jegens [slachtoffer] niet heeft gestaakt. [slachtoffer] heeft onder meer verklaard: “Ik kan me hier niet tegen verzetten. Ik kan hier niets tegen doen. Mijn naam is tot aan mijn dood kapot. Ik kan zelfs geen nieuwe relatie meer vinden door dit alles.”

Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer] van 28 januari 2019 blijkt onder meer dat zijn sociale contacten lijden onder de zware beschuldigingen, dat zijn gezondheid ernstig achteruit is gegaan en dat hij leed onder depressies. Ook zou [slachtoffer] telefonisch zijn lastig gevallen en doodsbedreigingen hebben ontvangen. Hierdoor voelde hij zich ernstig fysiek bedreigd.

Het hof overweegt dat verdachte bovendien zeer volhardend is in zijn aantijgingen. Het onderhavige boek is immers eerst uitgegeven (ruim) nadat het vonnis tegen [getuige 10] onherroepelijk was geworden. Het hof overweegt dat verdachte ter terechtzitting van het hof van 28 januari 2019 geen enkel inzicht heeft gegeven in het strafwaardige karakter van de aantijgingen en de publicatie daarvan. De omstandigheid dat verdachte met het oog op strafmatiging heeft aangevoerd dat zijn motieven edel, oprecht en zuiver zijn, getuigt hiervan. Wat ook zij van verdachtes hogere doel met betrekking tot het blootleggen van zijn waarheid omtrent misstanden bij justitie in relatie tot de moord op [persoon 2] , de wijze waarop verdachte heeft geopereerd ten opzichte van [slachtoffer] is grensoverschrijdend en strafbaar.

Daarnaast getuigt het bewezenverklaarde handelen van een gebrek aan respect voor de nabestaanden van de overleden [persoon 2] . Verdachte blijft zijn waarheid verkondigen en hier aandacht voor vragen, terwijl bij onherroepelijk vonnis van 19 april 2013 reeds een persoon veroordeeld is voor de verkrachting van en moord op [persoon 2] .

Het hof heeft in strafverzwarende zin rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 24 december 2018, waaruit onder meer blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een soortgelijk feit, waarvoor verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd heeft gekregen. Ten tijde van de publicatie van het boek inhoudende het bewezenverklaarde smaadschrift was deze eerdere veroordeling nog niet onherroepelijk, maar gedurende de pleegperiode (de verkoopperiode van voornoemd boek) heeft het veroordelend vonnis een onherroepelijke status gekregen. Dit heeft verdachte er niet van weerhouden om voornoemd boek bevattende de bewezenverklaarde uitlatingen te blijven aanbieden.

Het hof heeft kennis genomen van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze ter terechtzitting door verdachte naar voren zijn gebracht. Het blootleggen van verdachtes waarheid rondom de moord op [persoon 2] neemt verdachte, ook thans nog, volledig in beslag. Verdachte is gescheiden van zijn (inmiddels) ex-vrouw. Verdachte was een vermogend man, maar is zijn gehele vermogen kwijtgeraakt. Hij heeft geen werk, hij is persoonlijk failliet en hij heeft recentelijk een bijstandsuitkering moeten aanvragen om financieel rond te komen.

Het hof is - na weging van alle bovengenoemde omstandigheden - van oordeel dat in verband met de ernst van het bewezenverklaarde, de volhardendheid waarmee verdachte dit heeft begaan en het feit dat verdachte eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit, enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en ook geboden is. Het hof zal een gevangenisstraf opleggen gelijk aan de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank te Noord-Nederland van 3 maart 2014 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, parketnummer 18-650651-12. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Een (groot) deel van de pleegperiode van het bewezenverklaarde smaadschrift in onderhavige strafzaak valt binnen de van kracht zijnde proeftijd in de zaak met parketnummer 18-650651-12, welke proeftijd op 25 september 2014 is ingegaan. Daarom zal de tenuitvoerlegging van voornoemde voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 47, 63 en 261 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 3 maart 2014, parketnummer 18-650651-12, te weten van:

gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Aldus gewezen door

mr. T.H. Bosma, voorzitter,

mr. H.J. Deuring en mr. E.M.J. Brink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.B. Haak, griffier,

en op 11 februari 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. H.J. Deuring is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Hoge Raad 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1198, r.o. 3.4.

2 Hof Den Haag 14 juni 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BN2567