Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:1192

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-02-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
WAHV 200.199.033
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Snelheid. Op basis van de beschikbare informatie in het dossier, stelt het hof vast dat met bord A1 stond aangegeven dat een maximumsnelheid gold van 70 km/h en dat de betrokkene die maximumsnelheid heeft overschreden. Uit de stukken blijkt echter niet dat de snelheidsoverschrijding is verricht 'bij wegwerkzaamheden'. Niet blijkt van de aanwezigheid van bord J16.

De enkele omschrijving bij de feitgegevens dat sprake is van wegwerkzaamheden is onvoldoende voor de vaststelling dat de gedraging is verricht onder de strafverzwarende omstandigheid van wegwerkzaamheden. Het hof wijzigt de feitcode, de omschrijving van de gedraging en het bedrag

van de sanctie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.199.033

7 februari 2019

CJIB 192174144

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam

van 5 september 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Van de gemachtigde van de betrokkene zijn op 28 april 2017 en 16 juli 2018 nog brieven ontvangen.
De gemachtigde is bij brief van 29 augustus 2018 door de griffier van het hof in de gelegenheid gesteld de gronden tegen de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking op te geven.

De gemachtigde heeft hier bij brief van 3 september 2018 gevolg aan gegeven.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen gronden van het beroep zijn aangevoerd en dit verzuim niet is hersteld binnen de daartoe gestelde termijn.

2. Uit het dossier blijkt het volgende. Op 24 september 2015 is door de gemachtigde administratief beroep ingesteld. Bij brief van 25 september 2015 is de ontvangst van het administratief beroepschrift aan de betrokkene bevestigd en op 30 september 2015 heeft de officier van justitie op het beroep beslist. De motivering van die beslissing is bij brief van
29 september 2015 naar de betrokkene verzonden.

3. De gemachtigde wijst er in hoger beroep terecht op dat ingevolge het bepaalde in artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de beslissing van de officier van justitie niet alleen aan de betrokkene, maar ook aan de gemachtigde had moeten worden verzonden. De omstandigheid dat de beslissing van de officier van justitie niet is verzonden aan de gemachtigde, waardoor de gemachtigde niet op hoogte is geraakt van die beslissing, brengt niet mee dat de officier van justitie niet op het beroep heeft beslist. Het hof wijst in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 25 oktober 2013 (gepubliceerd op rechtspraak.nl ECLI:NL:HR:2013:969). Slechts kan worden vastgesteld dat de beslissing van de officier van justitie niet op de juiste wijze is bekend gemaakt. Daardoor heeft de beroepstermijn geen aanvang genomen.

4. Uit de stukken van het dossier blijkt verder het volgende. Op 16 november 2015 heeft de gemachtigde het administratief beroepschrift nogmaals naar de CVOM gefaxt. De officier van justitie, die al op het administratief beroep had beslist, heeft dit beroepschrift opgevat als gericht tegen zijn beslissing (van 30 september 2015) en bij brief van 5 januari 2016 de ontvangst van het beroepschrift bevestigd aan zowel de betrokkene als de gemachtigde. Bij deze brief is tevens gewezen op de verplichting tot zekerheidstelling. Nadat zekerheid was gesteld heeft de officier van justitie, bij brief van 24 februari 2016, de gemachtigde ervan in kennis gesteld dat het beroep was overgedragen aan de rechtbank.

5. Gelet hierop kon de gemachtigde niet redelijkerwijs in de veronderstelling verkeren dat geen beroep bij de kantonrechter was ingesteld.

6. De griffier van de rechtbank heeft de gemachtigde op 2 maart 2016 in de gelegenheid gesteld de gronden van het beroep tot uiterlijk 8 april 2016 kenbaar te maken. In reactie hierop heeft de gemachtigde bij brief van 6 maart 2016 onder meer aangegeven dat hij in de veronderstelling verkeert dat de zaak zich nog in de fase van het administratief beroep bevindt, omdat er nog geen beslissing op het administratief beroepschrift is genomen. De gemachtigde heeft verder bij brief van 5 maart 2016 de officier van justitie bericht dat de termijn voor het beslissen op administratief beroep inmiddels is verstreken en de officier van justitie verzocht om binnen twee weken op het beroep te beslissen. Deze brief heeft de officier van justitie doorgestuurd naar de rechtbank.

7. Voor zover de brief van de gemachtigde van 5 maart 2016 zou moeten worden opgevat als beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing in administratief beroep als bedoeld in artikel 6:12 van de Awb, heeft de kantonrechter deze brief, in aanmerking genomen dat reeds was beslist, gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb terecht opgevat als beroep tegen de beslissing van de officier van justitie.

8. De gemachtigde stelt dat de kantonrechter het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, nu de brief van 6 maart 2016 gronden bevat. Hierin heeft hij immers aangegeven dat hij van mening is dat de zaak zich nog in de administratieve fase bevindt, omdat hij geen beslissing van de officier van justitie heeft ontvangen en dat de zaak daarom ten onrechte naar de rechtbank is doorgezonden.

9. Dit betreft echter geen grond tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep. Gelet hierop heeft de kantonrechter terecht geoordeeld dat in de beroepschriften geen gronden zijn aangevoerd tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep.

10. Met betrekking tot de vraag of de kantonrechter het beroep -wegens het ontbreken van gronden- terecht niet ontvankelijk heeft verklaard stelt het hof vast dat de gemachtigde in zijn brief van 6 maart 2016, in reactie op de herstel verzuim brief van de griffier, ook heeft verzocht de officier van justitie opdracht te geven de stukken waarover hij nog niet beschikt aan hem toe te zenden. De gemachtigde heeft aangegeven over welke stukken hij beschikt.

10. Het hof leidt uit de brief van 6 maart 2016 af dat de gemachtigde op dat moment niet in staat was om de gronden van het beroep in te dienen en daartoe heeft verzocht om de (ontbrekende) stukken van het dossier. Nu het dossier zich reeds in de fase van het beroep bij de kantonrechter bevond, bestond er voor de officier van justitie geen taak als het gaat om toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken.

10. In de fase van beroep bij de kantonrechter wordt het verstrekken van op de zaak betrekking hebbende stukken geregeld in artikel 11 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). Ingevolge deze bepaling worden alle op een beroepschrift betrekking hebbende stukken, nadat zekerheidstelling heeft plaatsgevonden, neergelegd ter griffie van de rechtbank en wordt de betrokkene daarvan mededeling gedaan. Voorts bepaalt dat artikellid dat de betrokkene of diens gemachtigde binnen een door de kantonrechter te bepalen en door de griffier van de rechtbank mee te delen termijn deze stukken kan inzien en daarvan afschriften of uittreksels kan vragen, en dat op de voor de verstrekking van die afschriften en uittreksels in rekening te brengen vergoedingen het bepaalde in de Wet tarieven in burgerlijke zaken van overeenkomstige toepassing is.

13. Overeenkomstig deze bepaling is de gemachtigde bij de oproeping van 8 juli 2016 door de griffier van de kantonrechter gewezen op de mogelijkheid om het dossier in te zien tot twee weken voor de zitting van 22 augustus 2016. Door de gemachtigde is bij faxbericht van 8 juli 2016 een verzoek tot een afschrift van het procesdossier gedaan. Uit de door de gemachtigde overlegde stukken in hoger beroep volgt dat de griffier van de rechtbank op
19 juli 2016 aan dit verzoek heeft voldaan. Bij die stukken bevindt zich onder meer het zaakoverzicht waarin is weergegeven dat en wanneer de officier van justitie op het administratief beroep heeft beslist en wat de inhoud en de motivering is van zijn beslissing. Met deze informatie had de gemachtigde de gronden tegen de beslissing van de officier van justitie kunnen indienen.

14. De conclusie van de kantonrechter dat op basis van en in lijn met de brief van de griffier van de rechtbank van 2 maart 2016 het beroep niet-ontvankelijk kon worden verklaard is echter niet juist. De gemachtigde beschikte eerst door de toezending -door de griffier van de rechtbank- van de stukken over de voor het indienen van gronden vereiste informatie, zodat de termijn voor het indienen van gronden daarna had moeten ingaan. Weliswaar had de kantonrechter het beroep ongegrond kunnen verklaren (vergelijk het arrest van het hof van 15 februari 2018 (gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2018:1520), maar de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring, die meebrengt dat het hof niet kan toekomen aan bezwaren tegen de beslissing van de officier van justitie en/of de inleidende beschikking, is niet juist. De beslissing van de kantonrechter moet daarom worden vernietigd. Het hof zal de in hoger beroep aangevoerde bezwaren beoordelen.

14. De gemachtigde heeft in hoger beroep onder meer aangevoerd dat de officier van justitie zonder het gunnen van een nadere termijn om de gronden aan te vullen het beroep ongegrond heeft verklaard.

14. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in zijn administratief beroepschrift van
24 september 2015 op voorhand de verweten gedraging betwist en heeft verzocht om hem een nadere termijn te gunnen voor het aanvullen van de gronden van het beroep.

14. Gelet op het vorenstaande had de officier van justitie, nu niet kan worden gezegd dat een redelijk belang bij inwilliging van dit verzoek ontbreekt, de gemachtigde de gelegenheid moeten bieden om de gronden aan te vullen. Uit het dossier blijkt niet dat aan de gemachtigde de gelegenheid is geboden de gronden van het beroep aan te vullen. Dit moet leiden tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie. De overige bezwaren tegen deze beslissing behoeven daarom geen bespreking meer.

18. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 304,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 27 km/h (verkeersbord A1 + wegwerkzaamheden)”, welke gedraging zou zijn verricht op 1 september 2015 om 22.52 uur op de A15 links, borden bij hectometerpaal 47,5 te Hoogvliet Rotterdam met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .

18. Ten aanzien van de gedraging stelt de gemachtigde dat de bebording ter plaatse onvoldoende duidelijk is. Uit de stukken blijkt niet dat daar waar de gedraging zou zijn begaan een andere maximum snelheid geldt dan 120 km/h en ter hoogte van welke hectometerpaal dit met bebording zou zijn aangegeven. Ook volgt uit het dossier niet welke afstand zou zijn gereden en hoe de maximum snelheid is bepaald. Gelet hierop kan de betrokkene de gedraging niet worden verweten en dient de inleidende beschikking te worden vernietigd. Subsidiair voert de gemachtigde aan dat op het moment van de gedraging ter plaatse geen bebording inzake wegwerkzaamheden aanwezig was. Wel waren borden van Rijkswaterstaat geplaatst met informatie over de voorgenomen wegwerkzaamheden. Op het moment van de gedraging vonden deze werkzaamheden echter (nog) niet plaats. De betrokkene behoefde aan de informatieve borden van Rijkswaterstaat niet het gevolg te geven, zoals bedoeld in artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). De opslag op de sanctie in verband met wegwerkzaamheden is gelet hierop ten onrechte toegepast.

18. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

21. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting getest, geijkt en op de voorgeschreven wijze gebruikte snelheidsmeetmiddel.
Gemeten (afgelezen) snelheid : 100 km per uur.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid : 97 km per uur.
Toegestane snelheid : 70 km per uur.
Overschrijding met : 27 km per uur.
(…)

Overtreden artikel: 62 juncto bord A1 RVV 1990, 22 sub a, f en g, RVV 1990 (cat 2)

(…)

Ter hoogte van hectometerpaal/pandnummer: 47,2”

22. Daarnaast bevat het dossier een foto van de gedraging waarop een voertuig met het in overweging 18. genoemde kenteken zichtbaar is en waarbij onder meer staat vermeld dat de bordsnelheid 70 km/h betrof en dat het bord A1 aanwezig was.

23. Het hof is van oordeel dat op basis van de gegevens van het zaakoverzicht en die bij de foto van de gedraging staan vermeld is komen vast te staan dat ten tijde van de gedraging een maximum snelheid gold van 70 km/h, dat dit werd aangegeven met verkeersbord A1 ter hoogte van hectometer 47,2 en dat de gereden snelheid met een geijkt en op de juiste wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel is vastgesteld. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om aan de juistheid van die gegevens te twijfelen. Aldus is komen vast te staan dat de betrokkene de maximum snelheid van 70 km/h heeft overschreden.

23. Uit de stukken blijkt echter niet dat de snelheidsoverschrijding is verricht "bij wegwerkzaamheden". Daartoe is immers vereist dat er een bord J16 "werk in uitvoering" geplaatst is voor het wegvak waar de snelheidsoverschrijding is gepleegd. Uit de gegevens van het zaakoverzicht of uit de foto van de gedraging blijkt niet van de aanwezigheid van het bord J16. De enkele omschrijving bij de feitgegevens dat sprake is van wegwerkzaamheden is onvoldoende voor de vaststelling dat de gedraging is verricht onder de strafverzwarende omstandigheid van wegwerkzaamheden.

25. Dit brengt mee dat het hof het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond zal verklaren en de feitcode, de omschrijving van de gedraging, alsmede het bedrag van de sanctie zal wijzigen. Het teveel aan zekerheid gestelde moet worden gerestitueerd.

26. Tot slot stelt de gemachtigde dat sprake is van schending van de redelijke termijn ex artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het hof stelt vast dat in deze zaak de redelijke termijn van berechting in hoger beroep is overschreden, nu op 8 september 2016 hoger beroep is ingesteld en het hof heden uitspraak doet. Onder verwijzing naar bestendige en de gemachtigde bekende rechtspraak van het hof hierover, zal met deze vaststelling worden volstaan.

26. Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Naar het oordeel van het hof komen de gevraagde kosten voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van een administratief beroepschrift, een beroepschrift bij de kantonrechter en een hoger beroepschrift. Aan het indienen van een beroepschrift dient telkens één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 512,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 768,- (= 3 x € 512,- x 0,5).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikking in zoverre, dat de omschrijving van de gedraging en de feitcode worden vastgesteld op “overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen buiten de bebouwde kom, met 27 km/h (verkeersbord A1), feitcode VM027” en het bedrag van de sanctie op “€ 239,-”;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 Wahv teveel tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van € 65,-, door de advocaat-generaal aan de betrokkene wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 768,- over te maken op rekeningnummer [00000] t.n.v. [B] te [C] .

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.