Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:1186

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
08-02-2019
Zaaknummer
21-006076-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor witwassen in en grote beleggingsfraudezaak tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006076-14

Uitspraak d.d.: 30 januari 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 17 oktober 2014 met parketnummer 13-668117-77 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië) op [geboortedag] 1971,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 30 mei 2018, 1 juni 2018, 27 juni 2018, 16 januari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en te dien aanzien opnieuw rechtdoende zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte onder 1 nog meer subsidiair en 2 primair is ten laste gelegd en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

De vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadslieden,

mr. S. Burmeister en mr. S. Pijl, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is bij vonnis waarvan beroep van het onder 3 primair en subsidiair, 4 primair en subsidiair en 5 primair en subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken. Hoger beroep tegen deze vrijspraken staat niet open. Het hof zal verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep verklaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en een andere straf komt. Het hof doet daarom opnieuw recht.

De tenlastelegging

De tenlastelegging zoals deze luidt na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep en voor zover thans nog aan de orde, is als bijlage 1 aan dit arrest gehecht. Zakelijk weergegeven komt het erop neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 1 december 2008 tot en met 21 november 2010 al dan niet samen met anderen, 581 individuele beleggers en een aantal beleggers, verenigd in de [naam stichting] heeft opgelicht ( in totaal voor een bedrag van € 27.425.676,--, dan wel

dat hij in die periode feitelijke leiding en/of opdracht heeft gegeven aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ter zake van voornoemde oplichting, dan wel

dat hij in die periode feitelijke leiding en/of opdracht heeft gegeven aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ter zake van verduistering van € 11.969.762,-, dan wel

dat hij in die periode dat bedrag heeft verduisterd.

feit 2: in de periode van 1 december 2008 tot en met 21 november 2012, al dan niet samen met anderen een gewoonte heeft gemaakt van witwassen van in totaal € 27.425.676,--

dan wel

dat hij in die periode feitelijke leiding en/of opdracht heeft gegeven aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ter zake van voornoemd (gewoonte)witwassen;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De beoordeling van de tenlastelegging

Voor de beoordeling van het onder 2 ten laste gelegde feit (witwassen) is van belang vast te stellen of er sprake is geweest van uit misdrijf afkomstige gelden. Dat behoeft niet een door verdachte zelf begaan misdrijf te zijn. Het kan ook een door een ander begaan misdrijf zijn. Daarom zal het hof bij het bespreken van feit 1 niet slechts aandacht besteden aan de vraag of verdachte het feit heeft begaan, maar ook aan de vraag of anderen dat feit hebben begaan.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair en 1 nog meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt als volgt.

Feit 1 primair en subsidiair: oplichting

In het algemeen spraakgebruik wordt het enkele niet nakomen van een verbintenis al snel gezien of aangeduid als ‘oplichting’. Bij de onderhavige strafrechtelijke vervolging is vanzelfsprekend slechts leidend het wetboek van Strafrecht (Sr) waarin in artikel 326 Sr oplichting strafbaar is gesteld. In dit artikel worden zwaardere eisen dan in het spraakgebruik gesteld om tot een veroordeling ter zake van oplichting te kunnen komen.

De wetgever wil hiermee - kort samengevat - voorkomen dat reeds het enkele feit dat iemand civielrechtelijk wanprestatie pleegt, al leidt tot een strafrechtelijke veroordeling.

De Hoge Raad overwoog reeds eerder dat het bij strafbaarstelling van oplichting gaat om gevallen waarin de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken. (HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, NJ 2017/158).

Voorts acht het hof van belang op te merken dat de delictsomschrijving van oplichting - kort samengevat - inhoudt dat iemand door een oplichtingsmiddel tot zojuist genoemde handelingen moet zijn bewogen.

Van het in het bestanddeel “beweegt” tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot het in art. 326 lid 1 Sr bedoelde gevolg. Of het slachtoffer in het concrete geval is bewogen in deze zin en door een of meer van voornoemde oplichtingsmiddelen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

In meer algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Oplichting in de zin van art. 326 lid 1 Sr is niet aan de orde wanneer het slachtoffer – gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken – de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien (HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, NJ 2017/158).

Ten slotte merkt het hof op dat enerzijds weliswaar, zoals hiervoor is gesteld, het causaal verband in het bestanddeel “beweegt” aanwezig kan zijn wanneer het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot het in art. 326 lid 1 Sr bedoelde gevolg, maar dat anderzijds het enkele feit dat enige causale relatie bestaat tussen het genoemde oplichtingsmiddel en het genoemde gevolg nog niet zonder meer de conclusie wettigt dat sprake is van “bewegen” in de zin van art. 326 Sr. Dat blijkt reeds uit de eerder genoemde bijzondere factoren die de persoon en het gedrag van het slachtoffer betreffen, en blijkt voorts uit de omstandigheid dat het in het algemeen aankomt op de vraag of het gevolg redelijkerwijs nog is toe te rekenen aan de inzet van één of meer oplichtingsmiddelen door de verdachte.

Kort samengevat kan dus gezegd worden dat moet worden onderzocht of er sprake is van een voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen, namelijk wanneer, terwijl de nodige omzichtigheid is betracht, men toch door een onjuiste voorstelling van zaken ”tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld” is overgegaan. Dit zal moeten blijken uit de bewijsmiddelen.

Dit in acht nemend blijkt uit het onderliggende dossier dat van het totaal aantal inleggers, waarvan het openbaar ministerie stelt dat het er 581 zijn, slechts een beperkt aantal personen is gehoord. Daarvan zijn vijf personen in de tenlastelegging opgenomen. Uit de door hen afgelegde verklaringen blijkt niet met voldoende zekerheid dat zij door de in de dagvaarding genoemde oplichtingsmiddelen zijn bewogen tot afgifte van de door hen ingelegde gelden.

Uit het slecht opgebouwde dossier blijkt evenmin met voldoende zekerheid wat de beweegredenen zijn geweest van de overige, niet met naam in de tenlastelegging genoemde beleggers.

Een en ander leidt het hof tot de conclusie dat redengevende feiten en/of omstandigheden ontbreken voor het bestanddeel dat de beleggers door een onjuiste voorstelling van zaken zijn bewogen tot de afgifte van de geldbedragen, zodat verdachte van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Evenmin is er bewijs dat de medeverdachten in deze zaak het primair en subsidiair ten laste gelegde hebben begaan.

Feit 1 meer subsidiair en nog meer subsidiair: Verduistering

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde verduistering. Verdachte dient daarom van het onder 1 meer subsidiair en nog meer subsidiair te worden vrijgesproken. Wel is komen vast te staan dat [bedrijf 1] verduistering heeft gepleegd, hetgeen van belang is voor het aan verdachte ten laste gelegde witwassen. De feiten zullen om die reden gezamenlijk worden besproken.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Algemeen (met betrekking tot verduistering en (gewoonte)witwassen

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat het dossier van het opsporingsonderzoek van de Belastingdienst/FIOD weinig structuur kent, moeilijk toegankelijk is en wat betreft de daarin opgenomen gegevens geen sluitend beeld geeft.

Het hof heeft nog getracht daarin verbetering aan te brengen door aan het openbaar ministerie om een leeswijzer en een bewijsmiddelenoverzicht te vragen. Het hof heeft dit echter niet van het openbaar ministerie verkregen. Voor wat betreft de beoordeling van de ten laste gelegde feiten stelt het hof met de rechtbank op grond van de gegevens die wel uit het dossier naar voren komen het volgende vast.

2004

[bedrijf 2] (hierna [bedrijf 2] ) en [bedrijf 1] (hierna [bedrijf 1] ) zijn

op 3 mei 2004 opgericht. Beide vennootschappen maken deel uit van een concern. Binnen dit concern is [bedrijf 2] via een andere vennootschap, te weten [bedrijf 3] (hierna [bedrijf 3] ), moedermaatschappij en middellijk bestuurder van [bedrijf 1] , die op haar beurt bestuurder is van [bedrijf 4] (hierna [bedrijf 4] ).

2005

Op 7 februari 2005 brengt [bedrijf 1] een prospectus uit met betrekking tot de uitgifte van

400.000 obligaties van elk € 100,-- (maximale omvang van de beoogde emissie 40 miljoen)

met een looptijd van twintig jaren. Als doel staat in het prospectus omschreven de

aankoop/verkoop van vastgoed, ontwikkeling van vastgoed en exploitatie van vastgoed. Over de bedrijfskosten vermeldt het prospectus het volgende: “De algemene kosten hebben

betrekking op de exploitatie van [bedrijf 3] en [bedrijf 4] . Hieronder vallen kosten als: salarissen,

managementvergoeding, kosten van ING-bank. de bewaarder, etc... Om deze kosten te

betalen wordt er maandelijks 0,2% van het netto belegd vermogen door [bedrijf 1] aan

[bedrijf 2] / [bedrijf 3] betaald. (exclusief het belegd hypothecair vermogen)”.

De directie bestaat volgens dit prospectus uit:

[medeverdachte 1] (verdachte), commercieel directeur,

[betrokkene 1] , directeur vastgoed;

[medeverdachte 2] , directeur ontwikkeling;

[betrokkene 2] , directeur operations en er is een vacature voor een directeur financiën.

Vanaf 15 februari 2005 is inschrijven mogelijk. In het jaar 2005 is door obligatiehouders

€ 2.730.000,-- ingelegd.

Vanaf 25 februari 2005 worden er diverse leningsovereenkomsten opgesteld tussen [bedrijf 1] en

[bedrijf 2] waarbij [bedrijf 1] geldbedragen uitleent aan [bedrijf 2] tegen een rente van 12% per jaar. Uit

onderzoek van bankrekeningen (volgens de verbalisant is dit onderzoek niet volledig geweest wegens het niet beschikbaar hebben van alle bankrekeningoverzichten) volgt dat in 2005 door [bedrijf 1] in ieder geval een bedrag van € 720.108,-- is overgemaakt aan [bedrijf 2] . Rente over de uitgeleende gelden is niet betaald, maar is in rekening courant geboekt.

Op 1 december 2005 wordt een managementovereenkomst opgesteld met [betrokkene 3] .

2006

In 2006 is door de obligatiehouders een bedrag van € 3.210.000,-- ingelegd. Ook in 2006

worden panden aangekocht. Daarnaast worden de leningen van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] uitgebreid en vervolgens vervangen door nieuwe leningsovereenkomsten.

In 2006 wordt een bedrag van € 1.590.000,-- vanuit [bedrijf 1] overgeboekt naar [bedrijf 2] .


Op 8 december 2006 wordt door [bedrijf 1] een nieuwe prospectus uitgebracht. Hierin is

opgenomen dat de directie bestaat uit [medeverdachte 1] , commercieel directeur,

[betrokkene 1] , directeur vastgoed, [medeverdachte 2] , directeur ontwikkeling,

[betrokkene 2] , directeur operations en [betrokkene 3] , directeur financiën. Allen zijn tevens 20% aandeelhouder van de moedermaatschappij [bedrijf 2] . In het prospectus is opgenomen dat [bedrijf 1] de opbrengst van de obligaties uitleent aan vennootschappen behorend tot de groep waarvan [bedrijf 1] deel uit maakt, dit ter financiering van hun ondernemingen. Over kosten is opgenomen dat de managementvergoeding maandelijks 0,1% (exclusief omzetbelasting) bedraagt te berekenen over de waarde van de activa van [bedrijf 4] .

2007

Per 1 januari 2007 is het op grond van de Wet op het financieel toezicht (Wft) niet langer

toegestaan om door te gaan met het aantrekken van opvorderbare gelden buiten besloten

kring van andere dan professionele marktpartijen. Daartoe is een ontheffing vereist.

In 2007 worden meerdere panden aangekocht. Daarnaast worden veilingpanden aangekocht

die later weer worden verkocht.

In het jaar 2007 wordt door de obligatiehouders een bedrag van € 6.686.000,-- ingelegd en

wordt door [bedrijf 2] indirect een bedrag van [bedrijf 1] ontvangen van € 3.050.000,--.

Op 3 september 2007 geeft [betrokkene 3] in een mail, met kopie aan de andere directieleden, aan dat

voor een vergunning via De Nederlandse Bank (DNB) het niet is toegestaan voor [bedrijf 1] geld uit te lenen aan een moedermaatschappij. Dit is per jaarrekening 2006 nog wel het geval.

[betrokkene 3] geeft aan dat het middels aktes van cessie mogelijk is deze financiering vanuit [bedrijf 1]

aan [bedrijf 3] te verplaatsen via [bedrijf 4] naar [bedrijf 5] . Na deze cessies voldoet [bedrijf 1] , aldus

[betrokkene 3] , aan het vereiste dat zij het geld dat zij in de markt ophaalt, doorleent aan een

dochtervennootschap.

Zoals hiervoor opgemerkt is er in 2007 door [bedrijf 1] indirect aan [bedrijf 2] € 3.050.000,-- doorgeleend.

2008

Op 5 maart 2008 wordt aan [bedrijf 1] ontheffing op grond van de Wft verleend.

Ook in 2008 worden panden aangekocht en verkocht. In 2008 is door obligatiehouders
€ 9.587.000,-- ingelegd. Uit het onderzoek van bankrekeningen volgt dat in 2008 in ieder geval € 1.675.000,-- indirect (en in strijd met de vergunningsvoorwaarden van DNB) is overgemaakt aan [bedrijf 2] .
Op 27 juni 2008 wordt de jaarrekening van 2007 goedgekeurd. Eerdere jaarrekeningen zijn

ook goedgekeurd. [naam] is namens [accountant 1] vanaf 2004 betrokken geweest bij

[bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 1] bij de advisering omtrent de structuur en de fiscale paragraaf van het

prospectus. Hij heeft ook een concept gemaakt van de aan [accountant 2] ( [accountant 2] ) verstrekte jaarrekeningen over 2004 tot en met 2007.

[naam] is namens [accountant 2] in de periode van november 2004 tot en met november 2006

bij [bedrijf 1] betrokken geweest en heeft accountantsverklaringen afgegeven hij de

jaarrekeningen van [bedrijf 1] over 2005 en van [bedrijf 3] over 2004 en 2005. Bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat de goedkeurende verklaringen 2004 en 2005 nimmer zijn ingetrokken en dat daaruit is af te leiden dat de verklaringen en de daaraan ten grondslag liggende informatie correct zijn en dat de jaarrekeningen aldus een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de betrokken vennootschappen per 31 december 2004, respectievelijk 2005.

Vanaf december 2006 is [betrokkene 6] namens [accountant 2] betrokken geweest bij de

controle van de jaarrekeningen van [bedrijf 3] , [bedrijf 1] en [bedrijf 4] over de jaren 2006, 2007 en 2008.

Bij de rechter-commissaris heeft zij hierover verklaard dat [betrokkene 3] haar belangrijkste

aanspreekpunt was en dat er gevraagd is om de controle van de jaarrekeningen te doen en de

beoordeling van het prospectus van 8 december 2006. Zij heeft de accountantsverklaring bij

dat prospectus afgegeven. In het kader van de controle van de jaarrekening over 2006 is de

intercompany-lening tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 2] besproken met het management inclusief [betrokkene 3] .

Dat was toen een belangrijk onderwerp. Daarbij is aan de orde geweest wat [bedrijf 2] met de

ontvangen lening heeft gedaan, hoe deze activiteiten linken naar de activiteiten van

[bedrijf 1] / [bedrijf 3] , aan welke voorwaarden (groei/omvang) moet worden voldaan om de lening te

kunnen terugbetalen en op welke wijze die lening in twee jaren zou worden terugbetaald. In

juni 2007 was het – volgens haar en gegeven de initiatieven van [bedrijf 3] en de markt op dat moment in vergelijkbare initiatieven - aannemelijk dat [bedrijf 2] de lening zou kunnen terugbetalen. De intercompany-lening tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 2] is ook beoordeeld als onderdeel van de controle van de jaarstukken over 2007 en daarbij is het plan van de directie besproken om tot terugbetaling te komen. Op basis daarvan is de goedkeurende verklaring er gekomen. Voor [accountant 2] waren er twee momenten waarop duidelijk werd dat voor 2008 geen goedkeurende verklaring kon worden afgegeven, namelijk: in december 2008/januari 2009 toen werd meegedeeld dat [betrokkene 3] was vertrokken en de status van de initiatieven met betrekking tot de terugbetaling van de lening aan [bedrijf 2] werd besproken en in juni 2009 tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden. Bij de controle van de jaarrekeningen van [bedrijf 1] is het prospectus er steeds weer bij gepakt. [betrokkene 6] had geen (gecontroleerde) stukken van het eigen vermogen van [bedrijf 2] en ze heeft niet de feitelijke uitstroom van gelden gezien vanuit [bedrijf 2] .

Haar is verteld dat de gelden van [bedrijf 2] zijn besteed ten behoeve van het opzetten van de

organisatie.

[betrokkene 3] geeft in zijn verklaring bij de curator [naam] aan dat hij zich in oktober 2008

voor het eerst serieus zorgen [bedrijf 8] maken over de mogelijkheden tot voortbestaan van [bedrijf 2]

en [bedrijf 1] .

Fortis heeft toen aangegeven dat zij niet akkoord [bedrijf 8] met het plan tot verpanding van de

aandelen. [betrokkene 3] geeft aan dat hij toen extra heeft benadrukt dat er gesneden moest worden in

de kosten, maar hij kreeg de handen hiervoor niet op elkaar.

Op 12 december 2008 heeft een aandeelhoudersvergadering plaatsgevonden waarbij alle

aandeelhouders aanwezig waren. Uit de aantekeningen van die vergadering van [betrokkene 3] is op te maken dat hij voor de bespreking van de stand van zaken iedere aandeelhouder een overzicht heeft gegeven van de verwachte stand met ingang van 1 januari 2009 en het verwachte resultaat en de verwachte cash flow rekening houdend met deze stand. In een toelichting heeft [betrokkene 3] aangegeven dat het niet mogelijk is om ook nog maar € 1,-- direct dan wel indirect te onttrekken aan [bedrijf 1] anders dan conform prospectus is toegestaan en dat het noodzakelijk is dat [bedrijf 2] vanaf heden maandelijks rente moet betalen aan [bedrijf 1] . Vervolgens geeft [betrokkene 3] aan dat als dat niet gebeurt het dan in 2009 niet mogelijk zal zijn om een winstdelende rente uit te keren. Reactie van de overige vier bestuurders/aandeelhouders was dat het risico van het niet betalen van de management fee nota’s, inclusief de additionele nota’s van [medeverdachte 1] , die aangaf € 48.000,-- per maand nodig te hebben, te groot zou zijn en dat daardoor waarschijnlijk die initiatieven zouden mislukken. [betrokkene 3] geeft aan dat hij reeds meerdere keren gezegd heeft dat er geen additionele gelden direct dan wel indirect konden worden onttrokken aan [bedrijf 1] en dat hij heeft aangegeven dat dat geld uit andere middelen moest komen. [betrokkene 3] heeft in de diverse directie- dan wel aandeelhoudersvergaderingen de anderen steeds geïnformeerd over de financiële

stand van zaken. Hij schrijft dat geen van de bestuurders/aandeelhouders op basis van de

informatie die aan hen is verstrekt kan zeggen dat zij niet op de hoogte zijn van de situatie.

[betrokkene 3] treedt vervolgens af als directeur financiën.

2009

In de loop van 2009 worden onverkort kosten van [bedrijf 1] gedeclareerd bij [bedrijf 2] . In juni

2009 heeft het management geconcludeerd dat de lening aan [bedrijf 2] moest worden afgewaardeerd omdat er op dat moment geen onderbouwing was dat de lening door [bedrijf 2] ingelost zou kunnen worden.

Op 25 augustus 2009 vindt er een onderzoek plaats bij [bedrijf 1] door DNB. Als aanleiding

wordt onder andere aangegeven dat in de ontvangen jaarrekeningen over 2008 aanwijzingen

waren aangetroffen dat [bedrijf 1] voor eigen rekening kredietuitzettingen zou hebben verricht

(anders dan het doorlenen aan de dochtervennootschap) en daarmee mogelijk in strijd met de Wft zou hebben gehandeld. Tevens trof DNB enkele niet uit de toelichting te verklaren

afboekingen op leningen aan. Volgens DNB heeft medeverdachte [medeverdachte 2] tijdens het onderzoek ter plaatse in augustus 2009 verklaard, dat er geen managementvergoeding meer zou worden betaald.

Op 28 september 2009 wordt de ontheffing ingetrokken. Op 16 oktober 2009 geeft DNB in een e-mail aan [bedrijf 1] aan dat [bedrijf 1] , als gevolg van de intrekking van de ontheffing per 28 september 2009, gehouden is om haar activiteiten in de huidige vorm te staken en af te wikkelen. In beginsel resulteert de constatering van een overtreding in de verplichting voor [bedrijf 1] om de gelden die zij onder zich houdt aan de inleggers terug te betalen. [bedrijf 1] kan zich immers niet meer beroepen op de ontheffing.

Op 5 november 2009 wordt er een dienstverleningsovereenkomst opgesteld tussen de

[bedrijf 6] (hierna [bedrijf 6] ) en [bedrijf 3] . De overeenkomst is voor akkoord getekend

door [medeverdachte 2] namens [bedrijf 3] , [bedrijf 1] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] en door [verdachte] namens [bedrijf 6] . In de overeenkomst staat dat aan [bedrijf 6] de opdracht wordt verstrekt tot het uitvoeren van administratieve werkzaamheden.

In de bijlage staat: “Inclusief managementondersteuning door [verdachte] en
[medeverdachte 1] € 43.900 per maand exclusief BTW”. Vervolgens factureert [bedrijf 6] kosten aan [bedrijf 2] en later rechtstreeks aan [bedrijf 1] .

In het jaar 2009 is door de obligatiehouders ingelegd een bedrag van € 1.750.802,--.1

Volgens onderzoek bankrekeningen (niet volledig) is in 2009 in ieder geval overgemaakt aan [bedrijf 2] (al dan niet via [bedrijf 4] , [bedrijf 5] , [bedrijf 3] ) een bedrag van € 1.488.000,--.

Per 31 december 2009 is er belegd in vierendertig panden met een waarde op dat moment

van in totaal € 25.748.207,-- waar een hypothecaire schuld op rust van € 14.948.000,--.

Daaruit blijkt dat de aankoop van onroerende zaken grotendeels werd gefinancierd met hypothecaire leningen zodat werd geïnvesteerd in onroerend goed met door beleggers ingelegde gelden voor een bedrag van ongeveer € 10.800.207,--. Dat is nog niet de helft van het tot dan ingelegde vermogen. Een zeer aanzienlijk deel van de inleg – meer dan € 8 miljoen - is door [bedrijf 1] aangewend ter financiering van het verlieslijdende [bedrijf 2] .

[bedrijf 2] heeft nimmer de overeengekomen rente van 12% betaald.

2010

Op 19 maart 2010 heeft DNB besloten [betrokkene 4] , kantoorhoudend te Nijmegen, te

benoemen tot (stille) curator als bedoeld in artikel 1:76 Wft.

In de periode april tot en met december 2010 rapporteert [betrokkene 4] aan DNB in een aantal

brieven omtrent gebeurtenissen bij [bedrijf 1] . Hij geeft daarbij aan vanaf 23 maart 2010

gesprekken te hebben gevoerd met de leiding van [bedrijf 1] , waarbij hij vanaf het begin te

kennen heeft gegeven dat er geen rechtshandelingen en/of betalingen mogen plaatsvinden

zonder zijn toestemming.

In 2010 stuurt [bedrijf 6] diverse facturen aan [bedrijf 1] . Op 5 augustus 2010 worden vier facturen bij wijze van spoedboeking gelijktijdig betaald. In totaal heeft [bedrijf 6] in de periode van

2 december 2009 tot en met 5 augustus 2010 € 84.719,-- ontvangen van [bedrijf 2] en

€ 490.523,-- van [bedrijf 1] . Op 7 december 2010 is [bedrijf 2] failliet verklaard.

Voor wat betreft de € 490.523- die in de periode van 2 december 2009 tot en met 5 augustus

2010 rechtstreeks van [bedrijf 1] aan [bedrijf 6] in verband met kosten is overgemaakt heeft te gelden

dat dit heeft plaatsgevonden in dezelfde wetenschap bij [bedrijf 1] en onder dezelfde feitelijke

omstandigheden: aanwending van een zeer aanzienlijk van beleggers ontvangen obligatiegelden ter financiering van de verliezen van [bedrijf 2] dan wel rechtstreekse maar gelijksoortige kosten van [bedrijf 6] . Daar komt nog bij dat zich inmiddels de nodige ontwikkelingen hadden voorgedaan, waaruit moet worden afgeleid dat [bedrijf 1] verplicht was de gelden onder zich te houden om aan de inleggers terug te betalen. Het hof neemt hierbij de overweging van de rechtbank over.

“Begin december 2008 bestond de directie van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] onder meer uit
[medeverdachte 1] , commercieel directeur,
[medeverdachte 2] , directeur ontwikkeling en
[betrokkene 3] , directeur financiën.

Op 12 december 2008 is [betrokkene 3] afgetreden. Hij trad af vanwege de in zijn ogen zorgwekkende financiële situatie van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] in combinatie met het feit dat overige bestuursleden niet in wilden stemmen met het niet betalen van additionele nota’s van bestuurders en verlaging van hun management fee.

Vanaf januari 2009 is [verdachte] betrokken bij [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Zijn werkzaamheden

waren er met name op gericht om bij [bedrijf 1] orde op zaken te stellen en de kosten van [bedrijf 1] te verminderen. Voor zijn werkzaamheden ontving hij een management fee van € 12.500,-- per maand excl. BTW, vermeerderd met onkosten.

Uit een e-mail van 7 december 2008 volgt dat [medeverdachte 1] , verdachte en interim-manager [verdachte] afspreken elke maandag een bespreking te houden.

In juni 2009 heeft het management van [bedrijf 1] geconcludeerd dat de in company leningen

tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] moesten worden afgewaardeerd, omdat op dat moment de

financiële situatie van [bedrijf 2] zodanig slecht was dat voorzienbaar was dat die leningen niet

zouden kunnen worden terugbetaald. Op dat moment was ook al duidelijk geworden dat

[accountant 2] geen goedkeurende verklaring voor 2008 af zou kunnen geven.

Op 28 september 2009 is de ontheffing die de DNB aan [bedrijf 1] op grond van de Wft had

verleend, ingetrokken. Op 16 oktober 2009 heeft DNB aangegeven dat [bedrijf 1] , als gevolg van

de intrekking van de ontheffing per 28 september 2009, gehouden is om haar activiteiten in

de huidige vorm te staken en af te wikkelen. Vanaf dat moment was [bedrijf 1] gehouden om de

gelden die zij van de beleggers onder zich had aan hen terug te betalen.

Uit het vorenstaande volgt dat [verdachte] uit hoofde van zijn taakvervulling als interimmanager, zoals hij die zelf omschrijft, op de hoogte moet zijn geweest van de situatie waarin [bedrijf 2] verkeerde, zoals hiervoor weergegeven.

(toevoeging hof: dat [verdachte] op de hoogte was blijkt ook uit de taakopdracht die hij kreeg bij zijn aanstelling: kostenreductie)

In die wetenschap is [verdachte] namens [bedrijf 6] op 5 november 2009 een contract aangegaan

met [bedrijf 1] en gelieerde vennootschappen, waarbij een dienstverleningsovereenkomst is

gesloten en aan [bedrijf 6] de opdracht is vertrekt tot het uitvoeren van administratieve

werkzaamheden, “inclusief managementondersteuning door [verdachte] en

[medeverdachte 1] “tegen een vergoeding van € 43.900,-- per maand exclusief BTW.

In de vergoeding voor die administratieve werkzaamheden is begrepen een management fee

Van [medeverdachte 1] van € 11.000,-- per maand

.

Over [bedrijf 6] is op grond van het dossier het volgende bekend: [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] zijn de drie eigenaren van [bedrijf 7] . (verder: [bedrijf 7]

). [bedrijf 7] was van 16 juli 2009 tot 19 augustus 2011 enig aandeelhoudster van de op 27 juni 2007 opgerichte [bedrijf 6] .

Het hof vult aan dat bij de kamer van koophandel [verdachte] staat vermeld als algemeen directeur met volledige volmacht bij [bedrijf 6] over de periode 1 juli 2010 tot en met

19 augustus 2011.

Getuige [getuige] heeft onder meer verklaard:

“ [medeverdachte 1] zit in diverse bedrijven, maar overal onzichtbaar. We hebben het veel over [medeverdachte 1] gehad, maar het gaat in feite over drie mensen: [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] . Het is een drie-eenheid. Ze hebben elkaar nodig.”

In zijn e-mail van 2 mei 2009 aan [getuige] schrijft [medeverdachte 1] onder meer:

[bedrijf 7] heeft drie eigenaren te weten:

- [verdachte]

- [medeverdachte 2]

- [medeverdachte 1]

Het is een AG (Actien Geselschaft in het Nederlands een Naamloze Vennootschap) en

derhalve zie je de aandeelhouders niet. Dit omdat anders steeds dezelfde personen boven

tafel komen en de mensen daarbuiten verbanden gaan zien das niet handig zeg maar.”

Op 19 maart 2010 heeft DNB [betrokkene 4] bij [bedrijf 1] benoemd tot stille curator. De

eerste bespreking tussen [betrokkene 4] en [medeverdachte 2] heeft plaatsgevonden op 23 maart 2010. In

zijn brief van 15 juli 2010 aan DNB schrijft [betrokkene 4] dat hij [medeverdachte 2] heeft gezegd dat

hij (hof: [medeverdachte 2] ) zonder zijn toestemming geen rechtshandelingen mag verrichten. Verder schrijft hij in die brief dat [medeverdachte 2] met geen enkel woord heeft gezegd dat de maandelijkse

vergoedingen aan [bedrijf 1] voor het verrichten van de administratie zo hoog waren als later is

gebleken. In december 2010 schrijft [betrokkene 4] aan DNB dat [medeverdachte 2] bij die eerste

bespreking heeft gezegd dat [verdachte] en [medeverdachte 1] ervan wisten dat hij (hof: [medeverdachte 2] ) het er niet

mee eens was met de betalingen aan [bedrijf 6] en daarbij is gezegd dat [bedrijf 6] niet meer zou

factureren. Over de werkzaamheden van [verdachte] en [medeverdachte 1] zegt [betrokkene 4] in

die brief: “Het is aperte flauwekul dat in de periode nadat ik de opdracht verkreeg door de

heren [verdachte] en [medeverdachte 1] nog aan ‘productontwikkeling, verkoopactiviteiten,

intermediair bezoek en klantbezoek, communicatievraagstukken en Juridische ondersteuning” zou zijn gedaan.”

Op grond van de vorengenoemde dienstverleningsovereenkomst heeft [bedrijf 6] diverse facturen

aan [bedrijf 1] gestuurd, waarop betaling heeft plaatsgevonden. Bij de laatste betaling zijn op

5 augustus 2010 vier facturen bij wijze van spoedboeking gelijktijdig betaald. In totaal heeft

[bedrijf 6] in de periode van 2 december 2009 tot en met 5 augustus 2010 van [bedrijf 1] een bedrag

van € 490.523,-- ontvangen.

Tussen 26 maart 2010 en 24 augustus 2011 ontvangt [bedrijf 8] ( [bedrijf 8] ), een aan [verdachte] gelieerde vennootschap, van [bedrijf 6] een totaal bedrag van € 166.300,-- onder de omschrijving ‘‘fee periode 7”. [medeverdachte 1] en zijn toenmalige vriendin [naam] ontvangen een totaal bedrag van € 168.500,-- onder dezelfde omschrijving ‘fee periode 7”.

Uit de vorenstaande gang van zaken leidt het hof af dat [verdachte] , als directeur van de [bedrijf 6] , waarvan hijzelf, verdachte en [medeverdachte 2] via [bedrijf 7] de eigenaren waren, met [bedrijf 1] , waar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zeggenschap hadden, op 5 november 2009 een dienstverleningsovereenkomst heeft gesloten op grond waarvan vergoedingen konden worden uitbetaald.

Feitelijk werd € 52.241,-- per maand door [bedrijf 1] aan de [bedrijf 6] betaald. Uit de maandelijkse facturen die door [bedrijf 6] aan [bedrijf 1] werden gezonden, blijkt dat in het bedrag van € 52.241,-- steeds een management fee van € 11.000,- voor [verdachte] en een management fee van

€ 11.000,-- voor [medeverdachte 1] was begrepen. Op deze wijze werd van november 2009 tot en met augustus 2010 een bedrag van € 490.523,-- aan het vermogen van [bedrijf 1] onttrokken. Op het laatst zijn nog gelijktijdig vier facturen van de [bedrijf 6] door middel van een spoedboeking voldaan.

ij

Het hof is derhalve van oordeel dat het gronddelict verduistering door [bedrijf 1] is gepleegd. De hierboven omschreven gang van zaken waarbij gelden stelselmatig op grote schaal werden aangewend voor een ander doel kan aan [bedrijf 1] worden toegerekend en ook het bij (feitelijke) bestuurders van [bedrijf 1] betrokken opzet op verduistering kan aan [bedrijf 1] worden toegerekend.

Het is het hof niet met voldoende zekerheid gebleken dat de positie van verdachte ( [verdachte] ) bij [bedrijf 1] zodanig was dat hij (al dan niet in bewuste en nauwe samenwerking met anderen) zeggenschap had over de besteding van gelden en zich heeft schuldig gemaakt aan verduistering. Wel heeft verdachte van die verduistering geprofiteerd door het uitschrijven van de nota’s van [bedrijf 6] aan [bedrijf 1] en de daarop volgende betalingen door [bedrijf 1] aan [bedrijf 6] .

Het hof stelt vast dat op grond van de door [bedrijf 6] uitgeschreven facturen van [bedrijf 1] een bedrag van € 490.523,- is ontvangen. [bedrijf 1] heeft dit bedrag door middel van verduistering verkregen.

[bedrijf 8] ( [bedrijf 8] ), een aan [verdachte] gelieerde vennootschap, ontving van [bedrijf 6] een totaal bedrag van € 166.300,-- onder de omschrijving ‘‘fee periode 7”.

Conclusie

Het hof stelt vast dat de facturen door [bedrijf 6] zijn uitgeschreven aan [bedrijf 1] en dat de betalingen die daarop volgden door [bedrijf 6] zijn ontvangen. Door [bedrijf 6] is een totaal bedrag van € 166.300,- aan [bedrijf 8] ( [bedrijf 8] ), een aan [verdachte] gelieerde vennootschap, door geboekt. Het hof leidt hieruit af dat [bedrijf 6] geldbedragen ter beschikking heeft gehad, heeft verworven, overgedragen en omgezet die afkomstig waren van de verduistering gepleegd door [bedrijf 1] . Verdachte was directeur van [bedrijf 6] en had het ook middellijk voor het zeggen als mede-eigenaar van [bedrijf 7] , zijnde enig aandeelhouder van [bedrijf 6] .

Verdachte wist dat [bedrijf 1] deze gelden verduisterd had. Hij is immers eerst als interim aangesteld om bij [bedrijf 1] de buitensporige kosten te reduceren. Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting aangegeven dat hij het vreemd vond dat alle kosten in de moedermaatschappij ( [bedrijf 2] ) zaten en de gelden binnenkwamen bij de dochter ( [bedrijf 1] ).

Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting van 16 januari 2019 verklaard dat de financiering van [bedrijf 2] op dezelfde voet werd voortgezet (uit de inleg van gelden door de obligatiehouders) en dat ook [bedrijf 6] daaruit betaald werd. Verdachte wist derhalve dat de obligatiegelden in strijd met hun doelbinding werden aangewend.

Het hof is ten slotte van oordeel dat, gelet op de bewezen verklaarde periode, de hoeveelheid witgewassen geldbedragen en de verschillende verrichte witwashandelingen, de verdachte van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak met parketnummer 08-996027-12:


2 primair:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2008 tot en met 1 oktober 2012

te Hengelo (O) en/of Arnhem en/of elders in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen,

- (telkens) een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal EUR 27.425.676,-,

althans EUR 11.969.762,-, althans EUR 796.407,15, althans één of meer

geldbedrag(en) (telkens) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of

heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of

- (telkens) een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal EUR 27.425.676,-,

althans EUR 11.969.762,-, althans EUR 796.407,15 althans één of meer

geldbedrag(en) (telkens) de werkelijke aard en/of herkomst en/of de vindplaats

en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld,

althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op (een)

voorwerp(en) was of wie bovenomschreven voorwerpen voorhanden had,

terwijl hij verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

terwijl hij verdachte en/of zijn mededader(s) van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

Van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft verdachte ten aanzien van het onder 1 nog meer subsidiair en 2 primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte conform de in het vonnis van de rechtbank opgenomen bewezenverklaring wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte niet bij de opzet van [bedrijf 1] betrokken is geweest en dat hij op basis van goed vertrouwen en vol optimisme is ingestapt om [bedrijf 1] door de crisis heen te helpen. Verdachte is nooit eerder voor fraude met justitie in aanraking geweest. Voorts heeft de verdediging bepleit dat bij een strafoplegging rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Zijn gezin is door de impact van de strafzaak uit elkaar gedreven en het heeft ook geleid tot de scheiding van zijn ex-vrouw. Bovendien is verdachte niet meer in staat om in Nederland te werken vanwege de veroordeling in eerste aanleg. Hij is daarom noodgedwongen naar het buitenland moeten verhuizen.

Verdachte heeft samen met zijn medeverdachten gelden die door [bedrijf 1] waren verduisterd witgewassen. Verdachte en zijn medeverdachten hebben zich daarbij enkel laten leiden door hun eigen verlangen naar geldelijk gewin. Integriteit en vertrouwen zijn belangrijke pijlers in het handelsverkeer en de financiële dienstverlening. Verdachte en zijn medeverdachten hebben aan deze pijlers gezaagd. De branche als zodanig heeft door het handelen van verdachte schade opgelopen.

Een dergelijk feit rechtvaardigt in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

In strafmatigende zin houdt het hof rekening met het uittreksel justitiële documentatie waaruit blijkt dat verdachte niet eerder ter zake van fraude met justitie in aanraking is gekomen.

Redelijke termijn

Het hof constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) is overschreden.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Verdachte heeft op 22 oktober 2014 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijsel zittingsplaats Almelo. Het hof heeft de zaak ter terechtzitting van 30 mei 2018 en 27 juni 2018 behandeld. Op 11 juli 2018 heeft het hof bij tussenarrest het onderzoek heropend. Daarna is de zaak op de terechtzitting van 16 januari 2019 aangebracht. Het hof zal op 30 januari 2019 arrest wijzen. De redelijke termijn is derhalve met 2 jaren en 3 maanden overschreden

Het hof ziet hierin aanleiding om verdachte in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, beide van na te melden duur, op te leggen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 145.590,63. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Onvoldoende is gebleken dat de gestelde schade door het onder 2 primair bewezen verklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 47.518,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Onvoldoende is gebleken dat de gestelde schade door het onder 2 primair bewezen verklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 110.427,58. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Onvoldoende is gebleken dat de gestelde schade door het onder 2 primair bewezen verklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 94.846,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Onvoldoende is gebleken dat de gestelde schade door het onder 2 primair bewezen verklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf 9]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 32.234,40. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Onvoldoende is gebleken dat de gestelde schade door het onder 2 primair bewezen verklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.


Vordering van de benadeelde partij [bedrijf 5]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 11.969.762,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Onvoldoende is gebleken dat de gestelde schade door het onder 2 primair bewezen verklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 11.969.762,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Onvoldoende is gebleken dat de gestelde schade door het onder 2 primair bewezen verklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 11.969.762,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Onvoldoende is gebleken dat de gestelde schade door het onder 2 primair bewezen verklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf 4]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 11.969.762,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Onvoldoende is gebleken dat de gestelde schade door het onder 2 primair bewezen verklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 primair, 3 subsidiair, 4 primair, 4 subsidiair, 5 primair en 5 subsidiair ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis – voor zover aan hoger beroep onderworpen - en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair en 1 meest subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf 9]

Verklaart de benadeelde partij [bedrijf 9] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf 5]

Verklaart de benadeelde partij [bedrijf 5] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf 3]

Verklaart de benadeelde partij [bedrijf 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1]

Verklaart de benadeelde partij [bedrijf 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf 4]

Verklaart de benadeelde partij [bedrijf 4] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. R. de Groot, voorzitter,

mr. G. Dam en mr. P.L.M van Gorkom, raadsheren,

in tegenwoordigheid van B.J. Berendsen, griffier,

en op 30 januari 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 30 januari 2019.

Tegenwoordig:

mr. G. Dam, voorzitter,

mr. I.A.H.M. Schepers, advocaat-generaal,

mr. N.E. Versloot, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - voor zover thans nog aan de orde - ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 08-996027-12:


1 primair:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2008

tot en met 21 november 2010 te Hengelo (O) en/of Arnhem en/of (elders) in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met één of meer natuurlijke perso(o)n(en)

en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door één of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

581, althans in elk geval een (groot) aantal personen (vermeld in overzicht

D-938 en/of AH-93), waaronder [benadeelde 3] (G-1) en/of [benadeelde 4]

(G-2) en/of [benadeelde 2] (G-3) en/of [betrokkene 5] (G-4) en/of [benadeelde 1] (G-10) en/of één of meer andere belegger(s) verenigd in de [naam stichting]

(en namens wie de stichting zich heeft gevoegd) (hier na te noemen beleggers)

heeft bewogen tot de afgifte van één of meerdere geldbedrag(en) (van in

totaal EUR 27.425.676,-, althans één en/of meer geldbedragen genoemd op het overzicht D-938, althans een groot geldbedrag) (AH-18), in elk geval

(telkens) enig goed

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met

voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk

en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid voorgewend en/of doen/laten voorwenden (mondeling en/of schriftelijk) - ondermeer-:

- dat de door [bedrijf 1] en/of één of meer aan haar gelieerde rechtsperso(o)n(en) ontvangen gelden grotendeels, althans in

belangrijke mate zouden worden belegd/geïnvesteerd in (Nederlands) onroerend goed en/of in de aankoop en/of verkoop en/of exploitatie van vastgoedobjecten

in Nederland en/of dat de doelstelling van [bedrijf 1]

was het behalen van optimaal rendement door het investeren in Nederlands Vastgoed, althans dat de kernactiviteit van [bedrijf 1] is/was vastgoedontwikkeling, handel in vastgoed en vastgoedbeleggingen (D/2, p. 29), terwijl in

werkelijkheid een deel van de inleg groot EUR 11.969.762,- althans een

relatief groot bedrag van de inleg, aan andere doeleinden (niet zijnde de

genoemde kernactiviteiten) is besteed (o.a. mondeling en/of Folder [bedrijf 1] 0-AH4c en/of D/2, p. 29) en/of

- dat aan belegger(s) een rendement zou worden vergoed van minimaal 4.5% tot 9% op jaarbasis en/of tot 4.5% winstdelende rente per jaar, met een

maandelijkse /kwartaal uitkering van de vaste rente en/of jaarlijkse uitkering

van de variabele rente (o.a. brochure [bedrijf 1] D/9 en/of D-250 en/of prospectus D/2 en/of D-290 en/of Folder [bedrijf 1] 0-AH4c), terwijl in werkelijkheid hetgeen werd uitgekeerd geen rendement was doch (gelden) afkomstig uit de inleg(gen) van nieuwe beleggers en/of

- dat de te vergoeden rente op 4.5% - 9% winstdelende obligaties [bedrijf 1] ( [bedrijf 1] ) praktisch geheel gebaseerd zou zijn op cashflow

van de vastgoedinvestering (o.a. brochure [bedrijf 1] D/9 en/of D-250 en/of prospectus D/2 en/of D-290 en/of folder [bedrijf 1] 0-AH4c) en/of

- dat investering in commercieel onroerend goed van [bedrijf 1]

zekerheid zou geven van een aantrekkelijk rendement en een laag risicoprofiel (o.a. brochure [bedrijf 1] D/9 en/of D-250) en/of

- dat de afgelopen jaren meer dan 8% rendement was uitgekeerd (o.a. brochure [bedrijf 1] D/9 en/of D-250 en/of prospectus D/2 en/of D-290 en/of folder [bedrijf 1] 0-AH4c en flyer [bedrijf 1] D-407) en/of

- dat met het [bedrijf 1] product geïnvesteerd zou worden in een veilig product en/of

"een steenharde investering met een steengoed rendement" en/of dat een [bedrijf 1] obligatie een product zou zijn met een goed rendement en een laag risico en/of (o.a. folder [bedrijf 1] 0-AH-4c) en/of

- dat de (potentiële) belegger(s) in het vooruitzicht werd gesteld dat zij hun

inleg na 20 jaar terug zouden krijgen (o.a. brochure D/9 en/of D-250 en/of prospectus D/2 en/of D-290 en/of folder [bedrijf 1] 0-AH4c), terwijl de wijze van beleggen en besteding der gelden dit in feite onmogelijk maakten en/of

- dat de initiatiefnemer van [bedrijf 1] , [bedrijf 3]

zichzelf de verplichting had opgelegd om in de onderneming gemaakte winst direct uit te keren aan obligatiehouders tot een maximum van 9% (o.a. Folder [bedrijf 1] 0-AH4c) en/of

- dat middels het binnen concern doorlenen van bedragen tegen een vast rentevergoeding van 12% (de indruk werd gewekt en/of gemaakt) dat winsten werden gerealiseerd, terwijl de concernmaatschappijen in werkelijkheid niet in

staat waren die rente daadwerkelijk te voldoen en/of

- dat winsten van [bedrijf 1] werden geflatteerd, door kosten bij andere

vennootschappen ( [bedrijf 2] ) te verantwoorden en/of

- het vertrouwen van beleggers gewekt door de navolgende handelingen en/of (schriftelijke) uitlatingen:

A dat [bedrijf 1] samenwerkt met diverse gerenommeerde partijen en/of toonaangevende professionele vastgoedorganisaties (zoals advocatenkantoor en/of [accountant 2] ) (o.a. folder [bedrijf 1] 0-AH4c) en/of

B dat onttrekkingen en/of vervroegde aflossing en/of uitstappen (ten alle

tijden kosteloos) mogelijk zou zijn (o.a. brochure [bedrijf 1] , D/9 en/of D-250 en/of prospectus D/2 en/of D-290 en/of Folder [bedrijf 1] , 0-AH-04c) en/of

C dat de prospectus gedeponeerd is bij Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) (o.a Brochure [bedrijf 1] D/9 en/of D-250 en/of prospectus D/2 en/of D-290) en/of

D dat de benodigde ontheffing verleend was door De Nederlandse Bank (o.a. Brochure [bedrijf 1] D/9 en/of D-250 en/of prospectus D/2 en/of D-290) en/of

E dat moedermaatschappij [bedrijf 3] krachtens een garantieovereenkomst onherroepelijk de nakoming van de verplichting die

[bedrijf 1] uit hoofde van de 4,5 - 9% winstdelingsobligaties [bedrijf 1] aan de obligatiehouders had, zou garanderen en/of

dat een onderneming garant zou staan voor de nakoming van de obligaties (o.a. prospectus [bedrijf 1] D/2 en/of D-290 en/of mondeling) en/of

F door na een eerste inleg (van beleggers) gelden uit te betalen en/of rente

te betalen en/of rente op nieuw te beleggen,

waardoor (telkens) één of meer belegger(s) (telkens) werd/werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

1 subsidiair:
[bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] .

op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2008

tot en met 21 november 2010 te Hengelo (O), en/of Arnhem en/of elders in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met één of meer natuurlijke perso(o)n(en)

en/of rechtsperso(o)n(en), althans een ieder voor zich, althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door één of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

581, althans in elk geval een (groot) aantal personen (vermeld in overzicht

D-938 en/of AH-93), waaronder [benadeelde 3] (G-1) en/of [benadeelde 4]

(G-2) en/of [benadeelde 2] (G-3) en/of [betrokkene 5] (G-4) en/of [benadeelde 1] (G-10) en/of één of meer andere belegger(s) verenigd in de [naam stichting]

(en namens wie de stichting zich heeft gevoegd) (hier na te noemen beleggers)

heeft bewogen tot de afgifte van één of meerdere geldbedrag(en) (van in

totaal EUR 27.425.676,-, althans één en/of meer geldbedragen genoemd op het overzicht D-938, althans een groot geldbedrag) (AH-18), in elk geval

(telkens) enig goed

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met

voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk

en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid voorgewend en/of doen/laten voorwenden (mondeling en/of schriftelijk) – ondermeer-:

- dat de door [bedrijf 1] en/of één of meer aan haar gelieerde rechtsperso(o)n(en) ontvangen gelden grotendeels, althans in

belangrijke mate zouden worden belegd/geïnvesteerd in (Nederlands) onroerend goed en/of in de aankoop en/of verkoop en/of exploitatie van vastgoedobjecten

in Nederland en/of dat de doelstelling van [bedrijf 1]

was het behalen van optimaal rendement door het investeren in Nederlands Vastgoed, althans dat de kernactiviteit van [bedrijf 1] is/was vastgoedontwikkeling, handel in vastgoed en vastgoedbeleggingen (D/2, p. 29), terwijl in

werkelijkheid een deel van de inleg groot EUR 11.969.762,- althans een

relatief groot bedrag van de inleg, aan andere doeleinden (niet zijnde de

genoemde kernactiviteiten) is besteed (o.a. mondeling en/of Folder [bedrijf 1] 0-AH4c en/of D/2, p. 29) en/of

- dat aan belegger(s) een rendement zou worden vergoed van minimaal 4.5% tot

9% op jaarbasis en/of tot 4.5% winstdelende rente per jaar, met een

maandelijkse /kwartaal uitkering van de vaste rente en/of jaarlijkse uitkering

van de variabele rente (o.a. brochure [bedrijf 1] D/9 en/of D-250 en/of prospectus D/2 en/of D-290 en/of Folder [bedrijf 1] 0-AH4c), terwijl in werkelijkheid hetgeen werd uitgekeerd geen rendement was doch (gelden) afkomstig uit de inleg(gen) van nieuwe beleggers en/of

- dat de te vergoeden rente op 4.5% - 9% winstdelende obligaties [bedrijf 1]

( [bedrijf 1] ) praktisch geheel gebaseerd zou zijn op cashflow van de vastgoedinvestering (o.a. brochure [bedrijf 1] D/9 en/of D-250 en/of

prospectus D/2 en/of D-290 en/of folder [bedrijf 1] 0-AH4c) en/of

- dat investering in commercieel onroerend goed van [bedrijf 1]

zekerheid zou geven van een aantrekkelijk rendement en een laag risicoprofiel (o.a. brochure [bedrijf 1] D/9 en/of D-250) en/of

- dat de afgelopen jaren meer dan 8% rendement was uitgekeerd (o.a. brochure [bedrijf 1] D/9 en/of D-250 en/of prospectus D/2 en/of D-290 en/of folder [bedrijf 1] 0-AH4c en flyer [bedrijf 1] D-407) en/of

- dat met het [bedrijf 1] product geïnvesteerd zou worden in een veilig product en/of "een steenharde investering met een steengoed rendement" en/of dat een [bedrijf 1]

obligatie een product zou zijn met een goed rendement en een laag risico en/of (o.a. folder [bedrijf 1] 0-AH-4c) en/of

- dat de (potentiële) belegger(s) in het vooruitzicht werd gesteld dat zij hun inleg na 20 jaar terug zouden krijgen (o.a. brochure D/9 en/of D-250 en/of

prospectus D/2 en/of D-290 en/of folder [bedrijf 1] 0-AH4c), terwijl de wijze van beleggen en besteding der gelden dit in feite onmogelijke maakten en/of

- dat de initiatiefnemer van [bedrijf 1] , [bedrijf 3]

zichzelf de verplichting had opgelegd om in de onderneming gemaakte winst direct uit te keren aan obligatiehouders tot een maximum van 9% (o.a. Folder [bedrijf 1] 0-AH4c) en/of

- dat middels het binnen concern doorlenen van bedragen tegen een vast rentevergoeding van 12% (de indruk werd gewekt en/of gemaakt) dat winsten werden gerealiseerd, terwijl de concernmaatschappijen in werkelijkheid niet in staat waren die rente daadwerkelijk te voldoen en/of

- dat winsten van [bedrijf 1] werden geflatteerd, door kosten bij andere vennootschappen ( [bedrijf 2] ) te verantwoorden en/of

- het vertrouwen van beleggers gewekt door de navolgende handelingen en/of (schriftelijke) uitlatingen:

A dat [bedrijf 1] samenwerkt met diverse gerenommeerde partijen en/of toonaangevende professionele vastgoedorganisaties (zoals advocatenkantoor en/of [accountant 2] ) (o.a. folder [bedrijf 1] 0-AH4c) en/of

B dat onttrekkingen en/of vervroegde aflossing en/of uitstappen (ten alle tijden kosteloos) mogelijk zou zijn (o.a. brochure [bedrijf 1] , D/9 en/of D-250 en/of prospectus D/2 en/of D-290 en/of Folder [bedrijf 1] , 0-AH-04c) en/of

C dat de prospectus gedeponeerd is bij Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) (o.a Brochure [bedrijf 1] D/9 en/of D-250 en/of prospectusD/2 en/of D-290) en/of

D dat de benodigde ontheffing verleend was door De Nederlandse Bank (o.a. Brochure [bedrijf 1] D/9 en/of D-250 en/of prospectus D/2 en/of D-290) en/of

E dat moedermaatschappij [bedrijf 3] krachtens een garantieovereenkomst onherroepelijk de nakoming van de verplichting die [bedrijf 1] uit hoofde van de 4,5 - 9% winstdelingsobligaties [bedrijf 1] aan de obligatiehouders had, zou garanderen en/of dat een onderneming garant zou staan voor de nakoming van de obligaties (o.a. prospectus [bedrijf 1] D/2 en/of D-290 en/of mondeling) en/of

F door na een eerste inleg (van beleggers) gelden uit te betalen en/of rente te betalen en/of rente op nieuw te beleggen,

waardoor (telkens) één of meer belegger(s) (telkens) werd/werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen met een of meer anderen tot bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar feit opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en)


1 meer subsidiair:
[bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] . in of omstreeks de periode van 1 december 2008 tot en met 21 november 2010 te Hengelo (O) en/of Arnhem en/of elders in Nederland

(telkens) tezamen en in vereniging met één of meer natuurlijke perso(o)n(en)

en/of rechtsperso(o)n(en), althans een ieder voor zich, althans alleen,

(telkens) opzettelijk -ondermeer- één of meer van onderstaande geldbedragen

(tot een totaal van circa EUR 11.969.762,-, (zijnde ongeveer 43,64 procent

van de totale inleg van EUR 27.425.676,-) in elk geval enig(e) geldbedrag(en)

en/of in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan één of meer van hieronder genoemde

personen, en/of één of meer belegger(s) genoemd in het overzicht D-938 en/of

één of meer belegger(s) verenigd in de [naam stichting] (en namens wie de stichting zich heeft gevoegd)

in elk geval aan een ander of anderen dan aan [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] . en/of haar mededader(s), welk(e) goed(eren)

[bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] . en/of haar mededader(s), anders dan door misdrijf, te weten als inleggeld voor beleggingen/investeringen van [bedrijf 1] producten en/of lening(en) onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend en/of doen/laten toe-eigenen;

12281 [benadeelde 3] EUR 92.100,00

12403 [benadeelde 4] EUR 72.700,00

12236 [benadeelde 2] EUR 29.700,00

12459 [betrokkene 5] EUR 415.800,00

12462 [benadeelde 1] EUR142.900,00

(althans een percentage (43,64%) hiervan) (bron D-938)

terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen met een of meer anderen tot bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar feit opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en)


1 nog meer subsidiair:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2008 tot en met 21 november 2010 te Hengelo (O) en/of Arnhem en/of elders in Nederland

(telkens) tezamen en in vereniging met elkaar, althans met één of meer

natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen

(telkens) opzettelijk -ondermeer- één of meer van onderstaande geldbedragen (tot een totaal van circa EUR 11.969.762,-, (zijnde ongeveer 43,64 procent

van de totale inleg van EUR 27.425.676,-) in elk geval enig(e) geldbedrag(en)

en/of in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of één of meer aan hen gelieerde rechtsperso(o)n(en) (die dit

had/hadden verkregen als inleg op obligatieleningen van één of meer genoemde personen in het overzicht D-938)

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s), anders

dan door misdrijf, te weten als inleggeld voor beleggingen/investeringen van

[bedrijf 1] producten en/of lening(en)

en/of feitelijk leidinggevende van [bedrijf 1] onder

zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend en/of doen/laten toe-eigenen;

12281 [benadeelde 3] EUR 92.100,00

12403 [benadeelde 4] EUR 72.700,00

12236 [benadeelde 2] EUR 29.700,00

12459 [betrokkene 5] EUR 415.800,00

12462 [benadeelde 1] EUR142.900,00

(althans een percentage (43,64%) hiervan) (bron D-938)

2 primair:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 december 2008 tot en met 1 oktober 2012 te Hengelo (O) en/of Arnhem en/of elders in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen,

- (telkens) een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal EUR 27.425.676,-, althans EUR 11.969.762,-, althans EUR 796.407,15, althans

één of meer geldbedrag(en) (telkens) heeft verworven en/of voorhanden heeft

gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet

en/of

- (telkens) een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal EUR 27.425.676,-, althans EUR 11.969.762,-, althans EUR 796.407,15 althans

één of meer geldbedrag(en) (telkens) de werkelijke aard en/of herkomst en/of

de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen

en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op

(een) voorwerp(en) was of wie bovenomschreven voorwerpen voorhanden had,

terwijl hij verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, terwijl

hij verdachte en/of zijn mededader(s) van het plegen van witwassen een

gewoonte heeft/hebben gemaakt

2 subsidiair:
[bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2008 tot en met

1 oktober 2012 te Hengelo (O) en/of Arnhem en/of elders in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met elkaar, althans met één of meer

natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans ieder voor zich

- (telkens) een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal EUR 27.425.676,-, althans EUR 11.969.762,-, althans één of meer geldbedrag(en) (telkens) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet

en/of

- (telkens) een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal EUR 27.425.676,-, althans EUR 11.969.762,-, althans één of meer geldbedrag(en) (telkens) de werkelijke aard en/of herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op (een) voorwerp(en) was of wie bovenomschreven voorwerpen voorhanden had,

terwijl [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden,

dat bovenomschreven voorwerp(en) onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, terwijl [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of haar mededader(s) van het plegen van witwassen een

gewoonte heeft/hebben gemaakt

terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen met een of meer anderen tot bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar feit opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en).

1 Althans zijn er voor € 1.723.000 obligaties in de serie 2009-2029 geplaatst (cf bijlage 31 bij de aangifte DNB).