Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:1177

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-02-2019
Datum publicatie
07-02-2019
Zaaknummer
21-003380-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2017:2135
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor moord tot een gevangenisstraf van 20 jaren. Verweren over opzet en voorbedachte raad verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003380-17

Uitspraak d.d.: 7 februari 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 14 juni 2017 met parketnummer 18-850031-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

wonende te [woonplaats] ,

thans verblijvende in P.I. [locatie] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 7 maart 2018 en 24 januari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake het onder 1 primair ten laste gelegde en veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek van voorarrest. Deze vordering is in het door de advocaat-generaal op schrift gestelde requisitoir opgenomen welke na voorlezing aan het hof is overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. T. van der Goot, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte bij het hierboven vermelde vonnis ter zake het onder 1 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in de door hun ingediende vorderingen. De rechtbank heeft verdachte van het onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken. De verdediging heeft partieel appel ingesteld tegen de veroordeling voor het onder 1 ten laste gelegde.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1 primair:
hij in of omstreeks de periode van 4 november 2015 tot en met 5 november 2015 te [plaats] , tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte en/of (met) zijn mededader:

- die [slachtoffer] een bedwelmende, althans een chemische, stof (te weten ether), toegediend en/of laten innemen en/of (vervolgens)

- een kussen op de neus en/of de mond van die [slachtoffer] gedrukt en/of (aldus) smorend geweld op de neus en/of de mond van die [slachtoffer] toegepast en/of

- samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals van die [slachtoffer] heeft toegepast en/of en/of (aldus) die [slachtoffer] de ademhaling belet, althans zodanig (verwurgend en/of verstikkend) geweld op die [slachtoffer] toegepast, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

1 subsidiair:
hij in of omstreeks de periode van 4 november 2015 tot en met 5 november 2015 te [plaats] , tezamen en in verenging met één of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] heeft mishandeld door:

- die [slachtoffer] een bedwelmende, althans een chemische, stof (te weten ether), toe te dienen en/of laten innemen en/of (vervolgens)

- een kussen op de neus en/of de mond van die [slachtoffer] te drukken en/of (aldus) smorend geweld op de mond en/op neus van die [slachtoffer] toe te passen en/of samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals van die [slachtoffer] toe te passen en/of (aldus) die [slachtoffer] de ademhaling te beletten en/of (aldus) verwurgend en/of verstikkend geweld op die [slachtoffer] toe te passen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs 1

[slachtoffer] is op 5 november 2015 in haar woning in [plaats] overleden aangetroffen. Naar aanleiding van haar overlijden heeft forensisch onderzoek plaatsgevonden.2 Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] is onder meer gebleken:

- dat in de mond losgelegen maar ook in kleine gebiedjes gelegen rode stipvormige bloeduitstortingen waren;

- aan de kin links was een bruine verkleuring van de huid van circa 1 x 0,7 cm en

- aan beide neusvleugels was geringe rode huidverkleuring met mogelijk minimaal oppervlakkige huidbeschadiging.3

Over de doodsoorzaak wordt in het rapport het volgende overwogen.

Smoren door belemmering van de ademweg ter hoogte van de mond hoeft evenmin objectiveerbare letsels op te leveren. Smoren kan daarom als doodsoorzaak niet worden uitgesloten. Er waren stipvormige bloeduitstortingen in de mond. Deze kunnen zijn ontstaan als verwikkeling van samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals.4

Naar aanleiding van het forensisch onderzoek heeft er toxicologisch onderzoek plaatsgevonden.5 Daaruit is gebleken dat in het onderzochte lichaamsmateriaal van [slachtoffer] ether is aangetroffen.6 De gemeten concentratie van ether in het femoraalbloed van [slachtoffer] van 37 mg/l is hoger dan concentraties van ether in het bloed van personen die beroepsmatig hieraan worden blootgesteld.7 Ether (diethylether) is een brandbare vluchtige vloeistof.8 Ether is een chemische stof die niet lichaamseigen is.9

Het hof overweegt dat in hoger beroep geen discussie meer bestaat over de doodsoorzaak van [slachtoffer] . Op grond van voorgaande bevindingen en gelet op verdachtes eigen verklaring acht het hof bewezen dat de gedragingen van verdachte, bestaande uit het bedwelmen van het slachtoffer met ether en het daarna gedurende enkele minuten houden van een kussen op haar gezicht, hebben geleid tot de dood van [slachtoffer] .

In deze zaak ziet het hof zich gesteld voor de vraag of verdachte, zoals aan hem is ten laste gelegd, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd. Vervolgens zal, indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, beoordeeld moeten worden of sprake is van voorbedachte raad.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat moord wettig en overtuigend bewezen kan worden. Daartoe heeft de advocaat-generaal, kort gezegd, aangevoerd dat uit verschillende bewijsmiddelen naar voren komt dat verdachte opzet op de dood van [slachtoffer] heeft gehad en dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan moord dan wel doodslag. Door de verdediging is, kort gezegd, aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte opzet op de dood van [slachtoffer] heeft gehad noch dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. De verdediging heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde.

Opzet

Ten aanzien van het bestaan van opzet van verdachte op de dood van het slachtoffer overweegt het hof het volgende.

Nu verdachte de vraag naar het waarom van zijn cruciale gedragingen, begaan kort voor het intreden van de dood van [slachtoffer] , niet heeft beantwoord anders dan dat hij die niet kan verklaren, heeft het hof geen inzicht gekregen in hetgeen in verdachte omging ten tijde van de door hem verrichte handelingen. Het hof zal de vraag of verdachte met opzet heeft gehandeld derhalve dienen te beantwoorden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden zoals die uit het dossier blijken en zoals die ter terechtzitting van het hof en de rechtbank naar voren zijn gekomen.

Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.

Ten behoeve van het onderzoek zijn verschillende gegevensdragers van verdachte uitgelezen. Daaruit is gebleken dat verdachte met zijn vaste telefoon op 20 oktober 2015 drie wapenhandelaren heeft gebeld.10 Ook de mobiele telefoon van verdachte is uitgelezen. Daaruit is gebleken dat verdachte op 22 oktober 2015 met deze telefoon een pagina heeft bezocht van [website] . Uit de Web History blijkt dat een topic is bekeken met de titel: “Ether. Kunnen we meer dan we denken?”. Op dit forum werd besproken hoe ether te gebruiken als drugs en op welke wijze het werkt.11 Ook op het werk van verdachte zijn de bezochte internetsite in zijn persoonlijk gebruikersaccount bekeken. Dit betreft digitale gegevens die in de periode van 17 augustus 2015 tot en met 2 februari 2016 zijn vastgelegd. Op 11 september 2015 heeft verdachte verschillende internetsites bekeken die met wapens verband houden. Op 24 en 25 september 2015, en op 13 oktober 2015 heeft verdachte internetsites bekeken die verband houden met giftige kruiden en planten. Op 13 oktober 2015 heeft verdachte een forum bezocht met het onderwerp: “Als je de perfecte moord zou willen plegen…”. Verder heeft verdachte op 13 oktober 2015 internetsites bezocht met ‘dodelijk gif‘ als onderwerp.12 Op 23 oktober 2015 heeft verdachte daadwerkelijk ether gekocht.13

In het onderzoek naar de dood van [slachtoffer] zijn meerdere getuigen gehoord. Verschillende getuigen hebben verklaard dat verdachte meer dan eens de wens uitsprak dat zijn ex-vrouw, [slachtoffer] , er niet meer zou zijn. [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte meerdere keren heeft gezegd dat alles opgelost zou zijn als [slachtoffer] er niet meer zou zijn. Verdachte zou haar wel eens hebben gevraagd of zij een methode wist om iemand 'uit de weg te ruimen' zonder dat men hierachter zou komen. Verdachte heeft dat volgens haar te pas en te onpas geroepen. Afgelopen oktober (het hof begrijpt: oktober 2015) heeft verdachte na een bezoek aan [bedrijf] gezegd "Wat zou het toch een stuk makkelijker maken als ze er niet meer was".14 Ook [getuige 2] is gehoord.15 [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte aan hem heeft gevraagd of hij zijn vrouw kon omleggen. Verdachte heeft [getuige 2] een halve ton aangeboden. [getuige 2] heeft dat geweigerd. Verdachte heeft toen aan hem gevraagd of hij een wapen met demper kon leveren. Verdachte heeft aan hem verteld dat hij problemen had met zijn ex-vrouw en dat de kinderen bij haar waren en dat verdachte de kinderen niet mocht zien. Ook tegen [getuige 3] heeft verdachte dergelijke uitspraken gedaan.16 Zij heeft verklaard dat verdachte over [slachtoffer] sprak als een heks en dat hij de pest aan haar had. Verdachte sprak over uit de bocht glijden met glad weer of het doorknippen van kabels. Verdachte gaf hints, dat als [slachtoffer] er niet meer was, dat prima was. Verdachte heeft [getuige 3] in september of oktober 2015 gevraagd of zij iemand uit de binnenstad wist om zijn ex uit de wereld te helpen. Het maakte verdachte niet uit hoe.

Over hetgeen zich in de nacht van 4 op 5 november 2015 heeft afgespeeld heeft verdachte een verklaring afgelegd. Verdachte heeft - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard.

Op 4 november 2015 waren de kinderen bij mij. Ze moesten die dag terug naar [slachtoffer] . ’s Middags bracht ik ze naar haar. Eenmaal daar begon [slachtoffer] over de alimentatie die ik nog

moest betalen. Ze begon daarover te ruziën. Mijn zoon stond er toen bij. De blik die ik op dat moment in zijn ogen zag, was voor mij de druppel. Wat ik zag klopte met het beeld dat ik had, dat het niet goed ging met de kinderen. Er knapte toen iets in mij. Ik dacht op dat

moment dat deze situatie niet langer zo kan blijven.

In de nacht van 4 op 5 november 2015 ben ik vanuit mijn woning naar de woning van [slachtoffer] gegaan. Bij het verlaten van mijn woning heb ik een fles ether in mijn jaszak gedaan. Eenmaal bij haar woning ben ik via de garagedeur naar binnen gegaan. Ik wist dat de garagedeur niet op slot was omdat ik in de avonduren van 4 november 2015 een smiley heb gekregen van mijn dochter [naam] . De smiley betekent dat zij de garagedeur van de woning van [slachtoffer] open heeft gelaten voor mij. Ik ben naar de woning gegaan omdat ik de situatie zat was. Ik wilde wraak nemen. Ik was boos en pissig.

Eenmaal bij de woning van [slachtoffer] heb ik de garagedeur opengedaan. Ik heb de garagedeur

hierna dicht en op slot gedaan. Via de garage ben ik in de keuken terechtgekomen. In de keuken heb ik een vaatdoekje gepakt. Voordat ik naar boven ben gegaan heb ik

mijn slippers bij de voordeur gezet. Op mijn sokken ben ik naar boven gelopen. Op de overloop heb ik ether op het doekje gedaan. Ik liep hierna haar slaapkamer binnen. Ik

ben naar de kant van het bed gelopen waar zij sliep. Ze lag aan de kant van het bed dat dicht bij de muur is. Ik ging op het bed zitten. Ik zat rechtop met mijn rug naar de deuropening. Mijn benen zaten naast het bed. Ik keek in de richting van [slachtoffer] . Ik heb het doekje anderhalf tot twee minuten voor haar mond gehouden. Mijn hand was daarbij op het doekje. Ik heb het doekje hierna in mijn jaszak gedaan. [slachtoffer] reageerde daarop en sprak als iemand die dronken was. Ze bood geen weerstand. Ze was heel rustig; ze ging niet tegenspartelen of zo. Ik heb het kussen waarop [slachtoffer] met haar hoofd lag gepakt en het dan op haar gezicht gelegd. Ik heb mijn hand toen op het kussen gehouden, zodat het kussen niet zou vallen. Dit heb ik ongeveer twee tot drie minuten op haar gezicht gehouden. Ik heb dat gedaan om haar stil te krijgen. Ik heb toen heel even gewacht. Ze was hierna stil. Ik heb het kussen van haar gezicht afgehaald en weer onder haar hoofd gelegd. Ik ben hierna via de voordeur naar buiten gegaan.”17

Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte verklaard dat hij naar de woning van [slachtoffer] is gegaan omdat de pesterijen en het getreiter afgelopen moest zijn. [slachtoffer] had het idee dat zij onoverwinnelijk was en daar moest een einde aan komen, aldus verdachte. Verdachte heeft in hoger beroep verder verklaard dat [slachtoffer] , nadat verdachte het doekje met ether voor haar mond heeft gehouden, heel rustig was, niet bewoog maar wel dronkenachtig murmelde.18

Ook tijdens het verblijf van verdachte in de PI zijn gesprekken opgenomen. Op 7 juli 2016 verklaart verdachte tegen zijn vader dat hij niet in een opwelling heeft gehandeld en dat het wraak is geweest.19

Overweging van het hof

Bij gebrek aan een duidelijke verklaring van verdachte kan het houden van het vaatdoekje met ether voor de mond van [slachtoffer] onder de gegeven omstandigheden naar het oordeel van het hof maar één doel hebben gediend, namelijk het bedwelmen van die [slachtoffer] .

Het hof stelt vast dat het enkel bedwelmen van iemand met ether niet tegemoet komt aan het doel van handelen zoals door verdachte aangegeven, namelijk dat "het moet stoppen" en “wraak willen nemen”. Een en ander heeft dan immers alleen zin als verdachtes activiteiten door [slachtoffer] bemerkt zouden worden. Daarvan is bij de thans vastgestelde wijze van opereren van verdachte geen sprake. De verklaring van verdachte dat hij vervolgens in een opwelling het kussen op het gezicht van [slachtoffer] heeft gelegd om te voorkomen dat zij lawaai zou maken acht het hof niet geloofwaardig, nu verdachte zelf heeft verklaard dat [slachtoffer] ten gevolge van de bedwelming met de ether rustig werd, zich niet verzette en bovendien "murmelde" als een dronken persoon.

Gelet op het door verdachte geformuleerde doel van zijn handelen die avond dient naar het oordeel van het hof de vervolghandeling van het op het gezicht leggen van het kussen geduid te worden als een middel om haar, na de bedwelming, vervolgens de adem te ontnemen, zodanig dat dit haar dood zou worden. Het hof acht zich in dit oordeel gesteund door de eerder genoemde zoekgeschiedenis op bij verdachte in gebruik zijnde computers en telefoon alsmede zijn uitlatingen over de door hem gewenste dood van zijn ex-vrouw.

Gelet op alle voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de gedragingen van verdachte voorafgaand en rondom het ten laste gelegde naar hun uiterlijke verschijningsvorm zó zeer gericht zijn op de dood van [slachtoffer] dat verdachte opzet heeft gehad op haar dood.

Voorbedachte raad

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Beoordelingskader

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.

De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.


Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat het bestanddeel 'voorbedachten rade' heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachten raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan.

Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.

Overweging van het hof

Het hof constateerde al dat verdachte op cruciale punten geen herinnering heeft aan het waarom van zijn handelen. Verdachte heeft niet onder woorden gebracht waarom hij een en ander heeft gedaan. Op basis van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] niet alleen opzettelijk, maar ook met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd. Het hof leidt uit de feiten en omstandigheden af dat verdachte niet alleen niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, maar juist goed georganiseerd en planmatig is opgetreden.

Zo blijkt uit de internethistorie van verdachte dat hij in september en oktober 2015 heeft gezocht naar de werking van ether, het plegen van de perfecte moord, giftige planten. Verder is verdachte in oktober daadwerkelijk overgegaan tot de aanschaf van ether. Ook heeft verdachte verschillende mensen benaderd om [slachtoffer] uit de weg te ruimen.

Verdachte is in de nacht van 4 op 5 november 2015 vanuit zijn woning naar de woning van [slachtoffer] gelopen. Voor het verlaten van zijn woning heeft verdachte een flesje ether in zijn jaszak gedaan. Eenmaal bij de woning van [slachtoffer] heeft hij de woning via de garagedeur betreden. Verdachte wist dat deze deur openstond omdat zijn oudste dochter in de avonduren van 4 november 2015 hem een smiley had gestuurd. Deze smiley betekende dat de dochter de garagedeur van de woning van [slachtoffer] open had gelaten. Nadat verdachte de woning zo was binnengegaan heeft hij de garagedeur afgesloten. Verdachte is toen naar de keuken gegaan en heeft een vaatdoekje gepakt. Verdachte liep vervolgens naar de voordeur waar hij zijn slippers uitdeed. Op zijn sokken is verdachte naar boven gelopen. Op de overloop van de eerste verdieping heeft hij ether op het vaatdoekje gedaan. Verdachte liep de slaapkamer van [slachtoffer] binnen, naar de kant van het bed waar [slachtoffer] sliep. Hij is op haar kant van het bed gaan zitten. Verdachte heeft het doekje met de ether op de mond van [slachtoffer] gehouden. Kort hierop heeft hij het kussen waarop [slachtoffer] met haar hoofd lag weggehaald en op het gezicht gelegd en twee tot drie minuten zijn hand erop gehouden zodat het kussen niet zou vallen.

Het hof is van oordeel dat verdachte bij alle bovenstaande handelingen die verdachte in de nacht van 4 op 5 november en de periode daaraan voorafgaande heeft verricht, de tijd heeft gehad om zich te beraden op het besluit om [slachtoffer] te gaan doden, zodat hij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daar rekenschap van te geven. Ondanks meerdere gelegenheden om zich rustig over zijn handelen te beraden, heeft verdachte er kennelijk welbewust voor gekozen om [slachtoffer] op deze wijze om het leven te brengen. Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat bij verdachte sprake was van voorbedachte raad. Het hof ziet ook overigens geen contra-indicaties die aan het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan.

Gelet op bovenstaande acht het hof het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Vrijspraak medeplegen

Niet gebleken is dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met een ander(en) zodat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 primair:
hij in de periode van 4 november 2015 tot en met 5 november 2015 te [plaats] , opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte die [slachtoffer] een chemische stof (te weten ether), toegediend en vervolgens een kussen op de neus en de mond van die [slachtoffer] gedrukt en aldus smorend geweld op de neus en de mond van die [slachtoffer] toegepast en aldus die [slachtoffer] de ademhaling belet, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In de nacht van 4 op 5 november 2015 heef verdachte opzettelijk en met voorbedachte raad [slachtoffer] , zijn ex-vrouw en de moeder van zijn kinderen, om het leven gebracht. Verdachte heeft haar 's nachts tijdens haar slaap bedwelmd met ether en daarna voor enkele minuten een kussen op haar gezicht gehouden, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden. Verdachte heeft de woning verlaten en daarbij de kinderen alleen achter gelaten, wetende dat die kinderen het lichaam van hun moeder zouden vinden.

[slachtoffer] was een jonge vrouw, moeder van 3 jonge kinderen en zij had haar leven na een (vecht)scheiding met verdachte weer redelijk op de rit. Aan de nabestaanden is onherstelbaar leed toegebracht. Dit blijkt onder meer uit de slachtofferverklaringen van de broer van [slachtoffer] en haar moeder die zij ter zitting hebben voorgelezen. De kinderen moeten leren omgaan met de gruwelijke wetenschap dat hun moeder door toedoen van hun vader niet meer in leven is.

Net als de rechtbank rekent het hof verdachte zwaar aan dat verdachte misbruik heeft gemaakt van de onvoorwaardelijke liefde en het vertrouwen welk een kind doorgaans voor en in de ouder heeft, door zijn oudste dochter te gebruiken bij de uitvoering van zijn plannen en haar vervolgens na het overlijden van [slachtoffer] te instrueren omtrent hetgeen zij al dan niet aan anderen mocht vertellen. Eveneens rekent het hof verdachte zwaar aan dat hij zich richting de nabestaanden een tijdlang van de domme heeft gehouden en heeft gesuggereerd dat sprake was van zelfmoord. Ook na zijn aanhouding heeft verdachte nimmer volledige openheid van zaken gegeven. Zowel ter terechtzitting bij de rechtbank als hij het hof heeft hij op cruciale punten verklaard het niet meer te weten en heeft daarbij een berekende proceshouding ingenomen, waardoor het voor de nabestaanden onduidelijk blijft waarom hij haar om het leven heeft gebracht.

Voorts heeft verdachte ook op de terechtzitting bij het hof nauwelijks blijk gegeven inzicht te hebben in de ernst van hetgeen hij heeft aangericht, laat staan dat hij enig oprecht gevoel van spijt daaromtrent tot uiting heeft gebracht. Uit hetgeen verdachte ter zitting heeft verklaard blijkt dat verdachte de schuld voor het gebeuren vooral buiten zichzelf legt en zichzelf als slachtoffer presenteert van wat zijn ex-vrouw hem heeft aangedaan in het kader van de echtscheiding.

Blijkens een verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 24 december 2018 is verdachte niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten.

Bij de strafoplegging houdt het hof voorts rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die onder meer blijken uit een reclasseringsadvies d.d. 12 juli 2019 en 20 december 2018, het Pro Justitia rapport d.d. 2 december 2016, en zoals die ter zitting zijn besproken. Daaruit zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die als strafverminderend of strafverzwarend moeten worden aangemerkt.

Moord is één van de zwaarste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. [slachtoffer] is het meest fundamentele recht, het recht op leven, ontnomen. Door een dergelijk misdrijf wordt de rechtsorde ernstig geschokt en worden sterke gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij veroorzaakt. Het betreft naar het oordeel van het hof een zeer ernstig feit, waarvoor een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf van 20 jaren passend en geboden is. De tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal daarop in mindering worden gebracht. Het hof zal deze straf aan verdachte opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. H.L. Stuiver, voorzitter,

mr. K. Lahuis en mr. T.H. Bosma, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A. Dörholt, griffier,

en op 7 februari 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar met paginanummering aangeduide processen-verbaal en andere stukken betreft dit op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, als bijlagen opgenomen bij het proces-verbaal van het opsporingsonderzoek van de Districtsrecherche Noord-Nederland TGO, onder de dossiernaam TIMANDRA, BHV 2015323511, opgemaakt op 17 oktober 2016.

2 Map 10 pagina 19 e.v.

3 Map 10 pagina 164

4 Map 10 pagina 165 en 166

5 Map 10 pagina 177 e.v.

6 Map 10 pagina 185

7 Map 10 pagina 184

8 Map 10 pagina 183

9 Map 1 pagina 22

10 Map 4 pagina 1086 & map 5 pagina 1603

11 Map 5 pagina 1843 e.v.

12 Map 6 pagina 1896 e.v.

13 Proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 30 mei 2016 pagina 2

14 Map 8 pagina 2441 e.v.

15 Map 9 pagina 2825 e.v.

16 Mag 9 pagina 2870 e.v.

17 Proces-verbaal zitting eerste aanleg d.d. 30 mei 2017

18 Proces-verbaal zitting hof d.d. 24 januari 2019

19 Map 1 Relaas proces-verbaal pagina 74