Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:1144

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-01-2019
Datum publicatie
06-02-2019
Zaaknummer
ISD P18/0331
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Het hof acht het, ondanks dat de penitentiaire inrichtingen niet hebben voldaan aan hun wettelijke plicht een dossier over veroordeelde bij te houden, noodzakelijk de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel voort te zetten. Uit hetgeen wel bekend is, concludeert het hof dat opheffing van de maatregel zal leiden tot te verwachten onveiligheid en overlast in het publieke domein en dat niet gezegd kan worden dat voortzetting niet zinvol meer is door een omstandigheid die (geheel) buiten de macht van veroordeelde ligt. Het hof vernietigt de beslissing van de rechtbank en wijst het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de maatregel af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ISD P18/0331

Beslissing d.d. 31 januari 2019

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [1962] ,

verblijvende in de Penitentiaire Inrichting (P.I.) Nieuwegein .

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 31 augustus 2018, inhoudende dat de tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) wordt voortgezet en dat over drie maanden wederom de noodzaak tot voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel wordt getoetst.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

- de beslissing waarvan beroep;

- de akte van beroep van de veroordeelde van 12 september 2018;

- de appelschriftuur van de raadsman van veroordeelde van 26 september 2018;

- het Uittreksel Justitiële Documentatie van veroordeelde, gedateerd 29 oktober 2018;

- het voortgangsverslag tenuitvoerlegging ISD-maatregel van de P.I. Nieuwegein van

10 januari 2019;

- het schrijven van de raadsman van 14 januari 2019, inhoudende het voorwaardelijk verzoek tot het horen van [getuige 1] als getuige-deskundige;

- het e-mailbericht van 16 januari 2019 van [getuige 2] , senior casemanager ISD binnen de P.I. Nieuwegein, betreffende de stand van zaken van een jegens veroordeelde gerezen verdenking van diefstal.

Het hof heeft ter zitting van 17 januari 2019 gehoord de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. C.T. van Weerd, advocaat te Amsterdam, en de advocaat-generaal mr. D.J. de Jong. Daarnaast is als getuige-deskundige gehoord [getuige 2] , senior casemanager ISD binnen de P.I. Nieuwegein.

Overwegingen:

Het voortgangsverslag van de P.I. Nieuwegein en de ter terechtzitting in hoger beroep gegeven toelichting van de senior casemanager

In het behandeltraject van veroordeelde is – zowel in de huidige P.I. als in de P.I. Almere – nog maar weinig van de grond gekomen, omdat veroordeelde in de eerste maanden van zijn verblijf in P.I. Almere (vóór de sluiting van deze inrichting) niet wilde meewerken aan begeleiding en/of behandeling. Veroordeelde stond op de wachtlijst voor begeleid wonen bij woonvoorziening [naam woonvoorziening] , maar doordat veroordeelde zich niet aan gemaakte afspraken kon houden is dit plaatsingstraject stopgezet. Momenteel is veroordeelde aangemeld bij de tijdelijke noodopvang van [naam] te [plaats] .

Het is nog onduidelijk wanneer veroordeelde daar geplaatst kan worden.

Op 29 maart 2018 is veroordeelde aangehouden door de politie. Veroordeelde was onder invloed van alcohol en heeft zich tegen zijn aanhouding verzet en de verbalisanten bespuugd en bedreigd. In augustus van hetzelfde jaar heeft hij zich voor de rechter moeten verantwoorden voor deze feiten. Daarnaast zijn de verloven van veroordeelde op 11 november 2018 ingetrokken na een verdenking van diefstal.

P.I. Nieuwegein heeft geadviseerd de tenuitvoerlegging van de maatregel voort te zetten, aangezien de alcoholverslaving van veroordeelde nog onbehandeld is, er nog geen diagnostiek heeft kunnen plaatsvinden en het recidiverisico hoog is.

Het standpunt van de veroordeelde en zijn raadsman

De ISD-maatregel is onder meer aan veroordeelde opgelegd zodat hij behandeld kon worden voor zijn verslavings- en recidiveproblematiek. Hierbij werd het van belang geacht dat zo snel mogelijk diagnostiek tot stand zou komen. Tot op heden is dit niet gerealiseerd, waardoor ook de behandeling van veroordeelde is uitgebleven. Dit terwijl veroordeelde hier wel degelijk aan heeft willen meewerken. Gelet op de nog beperkte duur van de maatregel valt niet te verwachten dat nog enige vorm van behandeling zal plaatsvinden. Verdere voortzetting van de maatregel is dan ook niet zinvol meer. De raadsman heeft primair verzocht de ISD-maatregel met onmiddellijke ingang te beëindigen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de ISD-maatregel per 28 februari 2019 te beëindigen, zodat in de tussentijd geschikte woonruimte voor veroordeelde kan worden gevonden.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Het traject van veroordeelde is niet goed verlopen en daarin valt zowel de veroordeelde als de P.I. een verwijt te maken. Veroordeelde valt te verwijten dat hij tot op heden niet mee heeft willen werken aan zijn behandeling en de P.I. valt te verwijten dat er tijdens de overplaatsing van veroordeelde van P.I. Almere naar P.I. Nieuwegein maar zeer beperkte informatieoverdracht heeft plaatsgevonden. Ondanks deze vertragingen in het traject is voortzetting van de maatregel – ook ter beveiliging van de maatschappij – aangewezen. De komende maanden kunnen benut worden om veroordeelde nog enige vorm van behandeling aan te bieden. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd de beslissing waarvan beroep te bevestigen.

Het oordeel van het hof

Het hof merkt vooraf op dat P.I. Nieuwegein nauwelijks in staat is gebleken duidelijke informatie te verstrekken over het behandel- en resocialisatietraject van veroordeelde. Vanuit P.I. Almere blijken geen of nauwelijks gegevens overgedragen te zijn aan P.I. Nieuwegein. Van de voormalige casemanagers van veroordeelde kon slechts zeer beperkte informatie worden verkregen. Slechts toevallig kent de deskundige van P.I. Nieuwegein veroordeelde uit de tijd dat hij zelf bij P.I. Almere werkte.

De mededeling van deze deskundige dat veroordeelde in P.I. Almere diagnostiek heeft geweigerd en geen behandeling heeft ondergaan, wordt echter weersproken door respectievelijk het verslag tussentijdse toetsing van 31 augustus 2018 en een mededeling vanuit P.I. Almere op een eerdere toetsingszitting op 9 november 2017. Wellicht dat diagnostiek en verdiepingsdiagnostiek hier door elkaar worden gehaald, maar bij gebrek aan bijvoorbeeld verslagen van de psycholoog en het psycho-medisch overleg is hierover geen duidelijkheid te verkrijgen.

Een aan veroordeelde toegezegd bezoek door een psychiater voorafgaand aan de zitting van het hof is niet doorgegaan. De deskundige van P.I. Nieuwegein kon niet zeggen wat daarvoor de reden was. Ten slotte is op de zitting gebleken dat de mededeling van P.I. Nieuwegein dat de vervolging wegens diefstal is geschorst niet juist was. Uit de ter zitting door de raadsman overgelegde aantekening mondeling vonnis volgt namelijk dat veroordeelde is vrijgesproken van dit feit.

Het hof betreurt deze gang van zaken ten zeerste. P.I. Almere en P.I. Nieuwegein hebben niet op correcte wijze voldaan aan hun wettelijke plicht een dossier over veroordeelde bij te houden. Zij hebben bovendien de beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel bemoeilijkt.

Ondanks deze constatering ziet het hof echter redenen te beslissen zoals hierna te vermelden.

Noodzaak voortzetting tenuitvoerlegging ISD-maatregel

In het kader van de onderhavige procedure dient het hof te beoordelen of voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel noodzakelijk is. Hierbij is ten eerste van belang of opheffing van de maatregel zal leiden tot te verwachten onveiligheid, ernstige (drugs)overlast en verloedering van het publieke domein. Daarnaast dient beoordeeld te worden of verdere voortzetting van de maatregel niet zinvol meer is door een omstandigheid die buiten de macht van de veroordeelde ligt.

Het hof overweegt in dit verband dat bij veroordeelde sprake is van onbehandelde problematiek op het gebied van alcoholverslaving, waardoor het recidiverisico als hoog moet worden ingeschat. Hierbij acht het hof verder van belang dat veroordeelde – blijkens zijn Uittreksel Justitiële Documentatie, in samenhang bezien met het voortgangsverslag van 10 januari 2019 – tijdens de maatregel, te weten op 15 augustus 2018, tot een voorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld ter zake van bedreiging en belediging van een aantal verbalisanten gepleegd op 29 maart 2018. Volgens dit verslag verkeerde veroordeelde tijdens het plegen van deze feiten onder invloed van alcohol. Verder is het voor veroordeelde moeilijk om met autoriteiten om te gaan. Hij kan dan verbaal uitermate heftig in de weerstand schieten en laat zich dan vaak racistisch uit en is enkele keren fysiek uitgevallen naar het personeel. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat opheffing van de maatregel zal leiden tot te verwachten onveiligheid en overlast in het publieke domein.

Wat betreft de vraag of voortzetting van de maatregel niet zinvol meer is door een omstandigheid die buiten de macht van de veroordeelde ligt, overweegt het hof het volgende. De maatregel loopt over minder dan drie maanden af. Voor veroordeelde is op dit moment nog geen woning geregeld. Zoals hij zelf op de zitting van het hof heeft gezegd, wil hij niet op straat komen te staan. Een eerdere poging veroordeelde te plaatsen in een woonvoorziening van het Leger des Heils is mislukt omdat veroordeelde zich al voorafgaand aan de plaatsing niet hield aan gemaakte afspraken. Veroordeelde weigert mee te werken aan plaatsing in iedere woonvoorziening waarin ook verslaafden zijn opgenomen. Inmiddels is veroordeelde aangemeld voor een woonvoorziening in [plaats] . Voor deze instelling geldt een wachtlijst.

Naar het oordeel van het hof is belangrijk in de nog beschikbare tijd te zoeken naar geschikte woonruimte voor veroordeelde om zo recidive en overlast nadat de termijn van de maatregel verstreken zal zijn, te voorkomen. Dat veroordeelde op 28 februari 2019 over een woning zal kunnen beschikken, zoals gesuggereerd door de raadsman, staat geenszins vast.

Uit het recente voortgangsverslag van P.I. Nieuwegein en de ter terechtzitting gegeven toelichting volgt verder dat de P.I. ook de resterende maanden – ondanks het gebrek aan medewerking van veroordeelde – zal blijven proberen verdachte te motiveren voor behandeling.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat niet gezegd kan worden dat voortzetting niet zinvol meer is door een omstandigheid die (geheel) buiten de macht van veroordeelde ligt.

Het vorenstaande brengt het hof tot de conclusie dat voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel noodzakelijk is. Gelet op de korte termijn tot de afloop van de maatregel zal het hof, anders dan de rechtbank, niet beslissen tot een nieuwe beoordeling van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel

Het hof zal de beslissing van de rechtbank vernietigen, daar het tot een andere beslissing komt.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 31 augustus 2018 met betrekking tot de veroordeelde [veroordeelde] .

Wijst af het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders.

Aldus gedaan door

mr. M.E. van Wees als voorzitter,

mr. C.M.E. Lagarde en mr. P. van Dijken als raadsheren,

en drs. E.L.M. Klein Haneveld en dr. P.K.J. Ronhaar als raden,

in tegenwoordigheid van mr. R.S. Helmus als griffier,

en op 31 januari 2019 in het openbaar uitgesproken.

Mr. P. van Dijken en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.