Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:11310

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-08-2019
Datum publicatie
24-02-2020
Zaaknummer
TBS P19/0061
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHARL:2020:1487
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenbeslissing. Ongewenst vreemdeling in de TBS die niet kan resocialiseren en niet kan worden gerepatrieerd. Artikelen 5 en 14 EVRM. Het hof wenst nader te worden geïnformeerd over de mogelijkheden tot verlof en de mogelijkheid tot voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS P19/0061

Beslissing d.d. 1 augustus 2019

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[naam terbeschikkinggestelde] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1971,

verblijvende in [de kliniek] .

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 8 januari 2019, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van één jaar.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- het proces-verbaal ter zitting van het hof van 18 april 2019;

- de tussenbeslissing van het hof van 2 mei 2019 en de daarin opgesomde stukken;

- een brief van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) gericht aan het openbaar ministerie van 7 mei 2019;

- het aanvullende advies van [de kliniek] van 16 juli 2019, met als bijlage de wettelijke aantekeningen van 23 oktober 2018 tot en met 9 mei 2019.

Het hof heeft ter zitting van 18 juli 2019 gehoord mr. E. Boskma, advocaat te Alkmaar, raadsman van de terbeschikkinggestelde, en de advocaat-generaal mr. R. Segerink. Daarnaast zijn ter zitting als deskundigen gehoord W. Veldsema en M. Philippi, als maatschappelijk werker respectievelijk GZ-psycholoog verbonden aan [de kliniek] .

Procedureel:

Met het oog op het doorbreken van de jarenlange impasse waarin het resocialisatie- en repatriëringstraject van de terbeschikkinggestelde verkeert, heeft het hof op 2 mei 2019 een tussenbeslissing gewezen omdat het hof het noodzakelijk heeft geacht zich nader te laten informeren, in het bijzonder over:

  • -

    de stand van zaken waarin de vreemdelingrechtelijke procedure, gericht tegen het tegen de terbeschikkinggestelde uitgevaardigde inreisverbod, zich bevindt;

  • -

    de uitkomsten van de bij de Regiegroep vreemdelingen tbs ingediende aanvraag;

  • -

    de wijze waarop de stagnatie van het resocialisatietraject van de terbeschikkinggestelde kan worden tegengegaan, waarbij – bezien in het licht van de suggestie van de Landelijke Adviescommissie Plaatsing Langdurige Forensisch Psychiatrische Zorg (hierna: LAP) in het advies van 27 februari 2019 – de mogelijkheid onderzocht dient te worden van overplaatsing naar [naam voorziening 1] en de kaders waarbinnen dit gerealiseerd kan worden;

  • -

    het door de kliniek ingenomen standpunt dat een resocialisatietraject via de weg van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege niet tot de mogelijkheden behoort.

Overwegingen:

Het aanvullende advies van de kliniek van 16 juli 2019

De kliniek heeft na jarenlange inspanning geconcludeerd dat repatriëring van de terbeschikkinggestelde naar zijn herkomstland Suriname niet haalbaar en verantwoord is.

Uit gesprekken in Suriname (met familie en de waarnemend directeur/psychiater van

het Psychiatrisch Centrum Suriname (PCS) in 2015 en 2016) is gebleken dat de terbeschikkinggestelde geen psychiatrische hulp geboden kan worden door het PCS en het

netwerk van de familie te zwak en te onbetrouwbaar is om een rol te kunnen spelen in de opvang van patiënt bij terugkeer. Bovendien verleent - ondanks herhaald verzoek - het Surinaams Consulaat in Amsterdam tot op heden geen enkele medewerking bij de afgifte van een noodpaspoort en/of een uitreisdocument.

De IND heeft desgevraagd gemeld dat de vreemdelingenkamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, op 13 juli 2018 besloten heeft de verblijfsrechtelijke procedure te schorsen, omdat de rechtbank onvoldoende is geïnformeerd. Tot op heden is, zo begrijpt het hof ook uit de genoemde brief van de IND van 7 mei 2019, in het beroep dat is gericht tegen het niet verlenen van een verlenging van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en de uitvaardiging van een inreisverbod voor de duur van tien jaar, geen uitspraak gedaan. Op 31 januari 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een nieuwe beslissing op beroep bezwaar genomen waartegen het bij de rechtbank lopende beroep mede is gericht. Deze nieuwe beslissing is nog steeds negatief voor de terbeschikkinggestelde.

Nu terugkeer naar Suriname niet mogelijk wordt geacht, is voor de terbeschikkinggestelde in juni 2018 de aanvraag voor een Longstay-indicatie ingediend met het doel patiënt te

plaatsen in de Langdurende Forensisch Psychiatrische Zorg (hierna: LFPZ). De LAP heeft in februari 2019 de minister geadviseerd om deze aanvraag af te wijzen, omdat de terbeschikkinggestelde niet voldoet aan het “longstaycriterium” van de LFPZ; vanuit gedragsdeskundige gronden functioneert de terbeschikkinggestelde stabiel en zijn er resocialisatieperspectieven, waardoor een plaatsing in de LFPZ vanuit het oogpunt van risico en beveiliging niet noodzakelijk is. Haar advies is om de terbeschikkinggestelde te plaatsen in een transmurale instelling zoals [naam voorziening 1] .

Plaatsing in een transmurale voorziening is echter niet mogelijk omdat de terbeschikkinggestelde geen verblijfsrechten heeft en hem daarom geen verlof kan worden verleend. De kliniek heeft de terbeschikkinggestelde in maart 2019 daarom aangemeld bij de “Regiegroep vreemdelingen tbs” van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Na de tussenbeslissing van het hof heeft de kliniek niettemin de terbeschikkinggestelde aangemeld bij [naam voorziening 2] in [plaats] en [naam voorziening 1] in [plaats] voor plaatsing in hun transmurale voorziening. [naam voorziening 2] heeft op 29 mei 2019 laten weten:

“We begrijpen ten zeerste het dilemma met betrekking tot betrokkene, echter

wordt er geen mogelijkheid gezien voor opname bij [naam voorziening 2] . [naam voorziening 2]

is een behandelkliniek en er ligt geen behandelvraag.

Resocialisatie is bijna niet mogelijk i.v.m. de status van ongewenst

vreemdeling. Zeker wanneer de titel van betrokkene voorwaardelijk zou

beëindigen en daarna volledig wordt beëindigd, voorzien wij grote problemen

met uitplaatsing en huisvesting”.

De terbeschikkinggestelde en de staf van [de kliniek] hebben op 3 juli 2019 een intakegesprek gehad met de behandelaars van [naam voorziening 1] . Na afloop van dit gesprek was de terbeschikkinggestelde zeer tevreden en optimistisch. [naam voorziening 1] heeft echter op 11 juli 2019 laten weten:

“Er is uitvoerig stil gestaan bij de intake van [naam terbeschikkinggestelde] . Op inhoud zien wij zeker mogelijkheden, maar een traject (zonder verlofmogelijkheden) is voor ons niet wenselijk. Als wij dhr. opnemen willen we dhr. een behandeling kunnen bieden zoals de andere patiënten dat ook krijgen; dus mogelijkheden voor begeleid en op termijn onbegeleid verlof en uitstromen via het terrein van [naam voorziening 1] (kliniekwoningen op het terrein). Als dat niet haalbaar is, vanwege dhr. zijn ongewenst vreemdeling status, dan kunnen wij helaas niet veel meer betekenen ben ik bang. Hopelijk kan de regiegroep dit doorbreken en het traject bij [naam voorziening 1] nader bespreken. Onze afdeling Juridische Zaken zal zich hierover gaan buigen en contact gaan opnemen met jullie en/of het Ministerie. Bij plaatsing zal dhr. eerst geplaatst worden in 1 van de leefgroepen en pas doorstromen als hij begeleid en onbegeleid verlof heeft. Wij kunnen hem dus niet met een voorwaardelijke beëindiging opnemen”.

Op 14 juni 2019 en 12 juli 2019 heeft de Regiegroep de casus van de terbeschikkinggestelde besproken; Deze heeft als volgt gereageerd:

“Tijdens de Regiegroep van 14 juni is besproken dat een opname in het kader

van transmuraal verlof, zonder vrijheden, nader wordt onderzocht. In dit verband is door [de kliniek] een aanvraag voor opname bij [naam voorziening 1] ingediend. In reactie hierop heeft [naam voorziening 1] op 11 juli 2019 laten weten een opname alleen haalbaar te achten indien betrokkene een reguliere behandeling kan worden aangeboden. Dus mogelijkheden voor begeleid verlof en op termijn onbegeleid verlof en uitstromen via het terrein van [naam voorziening 1] (kliniekwoningen op het terrein). De Regiegroep heeft geconstateerd dat een

plaatsing onder die voorwaarden niet mogelijk is omdat de Verlofregeling TBS geen verlof toestaat ten behoeve van een vreemdeling aan wie een inreisverbod is opgelegd dan wel een aanzegging tot ongewenst vreemdeling is gedaan. Gelet op de urgentie van de casus besluit de Regiegroep de casus voor bestuurlijk overleg op directieniveau voor te dragen met het advies om in elk geval de verantwoordelijke directeur van [de kliniek] , de IND, de Divisie Individuele Zaken en de Divisie Forensische Zorg en Justitiële Jeugdinrichtingen van DJI uit te nodigen”.

De kliniek adviseert niet over te gaan tot een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege. Zowel [naam voorziening 1] als [naam voorziening 2] zijn niet bereid om de terbeschikkinggestelde in dat kader op te nemen. Daarnaast zou de terbeschikkinggestelde afhankelijk zijn van de regeling voor onverzekerbare vreemdelingen voor het verkrijgen van zijn medicatie en noodzakelijke somatische zorg en psychiatrische begeleiding. De terbeschikkinggestelde is niet in staat tot het eigen initiatief dat dan nodig is om medicatie en zorg te verkrijgen. De terbeschikkinggestelde heeft geen steunend netwerk in Nederland. In het kader van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege zou er geen sprake zijn van een woonplek, geen sprake zijn van steunend netwerk en grote kans op onvoldoende continuïteit in de professionele zorg. Dit maakt dat de risico’s zowel op psychiatrisch als somatisch gebied groot zijn.

De verklaring van de deskundige Veldsema ter zitting van 18 juli 2019

Omdat de kliniek in deze zaak vastloopt, ook na het bespreken van deze casus in de Regiegroep, is op 12 juli 2019 besloten om de zaak voor te leggen op het directieniveau van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. [naam voorziening 1] zou de terbeschikkinggestelde kunnen aannemen, maar wil dit niet doen omdat er geen verlofmogelijkheden zijn. Behandelinhoudelijk is dit voor de terbeschikkinggestelde absoluut de juiste plek. [naam voorziening 1] heeft echter te kennen gegeven de terbeschikkinggestelde wel te kunnen opnemen als er sprake is van transmuraal verlof. Hiertoe wil het ministerie van Justitie en Veiligheid niet overgaan. Het kader van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege is voor [naam voorziening 1] geen mogelijkheid, omdat zij het traject van de terbeschikkinggestelde zou willen starten op de besloten groep. Dit is mogelijk via de transmurale voorziening. Daarnaast bestaan er bij het kader van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege praktische problemen zoals de bekostiging van de benodigde zorg. Bekend is dat bij [naam voorziening 1] de mogelijkheid bestaat om binnen het kader van het transmuraal verlof het verlof zeer beperkt te starten, namelijk drie-mans-begeleid verlof op het terrein zelf, en dit verlof heel langzaam op te bouwen. De weg terug is heel moeilijk wanneer dit gebeurt in het kader van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

De verklaring van de deskundige Philippi ter zitting

Het CTP zou met de terbeschikkinggestelde stapjes kunnen zetten in het kader van begeleid verlof, maar daarna houden de mogelijkheden van het CTP op. Er dient uiteindelijk toegewerkt te worden naar de reguliere geestelijke gezondheidszorg en die mogelijkheden heeft het CTP niet. [naam voorziening 1] is gewend om de verloven zeer beperkt te starten en heel langzaam op te bouwen. Het kader van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege brengt meer risico’s met zich mee dan het kader van transmuraal verlof. [naam voorziening 1] heeft aangegeven hiertoe niet bereid te zijn. [naam voorziening 1] is bereid de terbeschikkinggestelde op te nemen in het kader van transmuraal verlof en daar de verantwoordelijkheid voor te nemen.

Het standpunt van de verdediging

Tussen de regels door is er wel een oplossing voor het doorbreken van de jarenlange impasse waarin de terbeschikkinggestelde verkeert, namelijk een buitenschuldverklaring in de vreemdelingenprocedure. Dit valt echter buiten de bevoegdheid van het hof. Een mogelijkheid is wellicht een verlofregeling, zodat [naam voorziening 1] bereid is om de terbeschikkinggestelde op te nemen. Er is dan perspectief. Bij [naam voorziening 1] is sprake van “koudwatervrees”, maar zij heeft wel de faciliteiten in dit specifieke geval. Met een door het hof te vinden juridische grondslag lijkt een resocialisatie te kunnen worden gerealiseerd die recht doet aan de veiligheid van de maatschappij. Dit biedt tevens een oplossing voor de verdragsrechtelijke problemen. De raadsman heeft het hof verzocht de juridische mogelijkheden te (laten) onderzoek om [naam voorziening 1] te dwingen de terbeschikkinggestelde op te nemen en hem een behandeling te bieden.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De antwoorden op de vragen zoals neergelegd in de tussenbeslissing van het hof van 2 mei 2019 hebben niet geleid tot een oplossing voor het doorbreken van de jarenlange impasse waarin de terbeschikkinggestelde verkeert. De vreemdelingrechtelijke procedure loopt nog steeds. Een buitenschuldverklaring zou een nieuwe mogelijkheid kunnen creëren. Op dit moment lijken zowel [naam voorziening 2] als [naam voorziening 1] geen mogelijkheid te bieden. Het recidivegevaar is altijd nog aanwezig en beveiliging is noodzakelijk. De raadsman heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank nu er vooralsnog geen alternatieven beschikbaar zijn. Daarbij is geen sprake van strijd met artikel 5 van het EVRM, omdat er een bepaalde specifieke soort begeleiding en zorg noodzakelijk is.

Het oordeel van het hof

Bij tussenbeslissing van 2 mei 2019 heeft het hof het volgende overwogen:

“De terbeschikkinggestelde verblijft sinds 1994 in de terbeschikkingstelling en heeft – in verband met zijn status van ongewenst vreemdeling – tot op heden niet tot nauwelijks de mogelijkheid gehad te resocialiseren, hoewel hij klinisch gezien zijn behandelplafond heeft bereikt en hij vanuit gedragskundig oogpunt toe is aan het praktiseren van verloven. Pogingen om de terbeschikkinggestelde naar het land van herkomst te laten terugkeren zijn – ondanks het vergevorderde stadium waarin zijn repatriëring zich twee jaar geleden bevond – tot op heden niet geslaagd. De terbeschikkinggestelde bevindt zich al jaren in een impasse waarin zowel zijn resocialisatie- als repatriëringstraject is stil komen te staan. Het hof acht deze situatie zeer onwenselijk.”

Het hof zal in deze zaak moeten nagaan in hoeverre door deze impasse de ongewijzigde voortzetting van de maatregel met verpleging van overheidswege in strijd zou zijn met de artikelen 5 en 14 van het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

De terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege heeft primair tot doel beveiliging van de maatschappij en subsidiair, zo mogelijk, behandeling van de terbeschikkinggestelde, gericht op wegneming of toereikende vermindering en beheersing van het recidivegevaar, opdat, bezien vanuit dat gevaar eveneens zo mogelijk, de terbeschikkinggestelde (geleidelijk) kan terugkeren in de maatschappij, zo nodig in een gestructureerde woonomgeving en/of met andere randvoorwaarden. Deze terugkeer in de maatschappij (resocialisatie) geschiedt in beginsel geleidelijk via begeleid verlof, onbegeleid verlof, transmuraal verlof, proefverlof en voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege. Het hof is van oordeel dat in dit verband met terugkeer in de maatschappij niet uitsluitend de Nederlandse maatschappij wordt bedoeld, maar de maatschappij in het algemeen. Derhalve kan die terugkeer (uiteindelijk) ook plaatsvinden buiten Nederland. Voorts is het hof van oordeel dat van feitelijke terugkeer in de maatschappij pas kan worden gesproken op het moment dat de verpleging van overheidswege al dan niet voorwaardelijk wordt beëindigd. Tot dat moment is immers slechts sprake van verloven als onderdeel van de vrijheidsbenemende verpleging van overheidswege.

Zoals het hof in zijn tussenbeslissing heeft overwogen, is de terbeschikkinggestelde toe aan de volgende stap, namelijk het praktiseren van verloven. Dit wordt ondersteund door de nadere advisering van de kliniek en de verklaringen van de deskundigen ter zitting. De terbeschikkinggestelde zal die stap echter niet kunnen zetten omdat hem geen enkele vorm van verlof zal worden verleend. Dit blijkt uit het advies van de kliniek en ook los daarvan uit artikel 2, zesde lid, onder a, van de Verlofregeling TBS.

Bij de beantwoording van de vraag of in een situatie als deze ongewijzigde voortzetting van de maatregel in strijd is met het EVRM heeft het hof in het verleden onderzocht of sprake is van een uitzichtloze situatie. Daarvan kan sprake zijn als geen vorm van repatriëring mogelijk is en geen vreemdelingenrechtelijke procedures meer aanhangig zijn die kunnen leiden tot een legaal verblijf in Nederland en daarom tot de mogelijkheid van resocialisatie. (Vergelijk Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 juli 2013 (ECLI:NL:GHARL:2013:4877),

7 mei 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:3364) en 30 oktober 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:8328).)

Het hof stelt vast dat repatriëring naar Suriname niet kan plaatsvinden. Wel loopt nog een vreemdelingenrechtelijke procedure. Het hof zal echter moeten oordelen in hoeverre dit in de omstandigheden van dit geval in de weg kan staan aan het oordeel dat sprake is van strijd met het EVRM, gelet op de gronden waarop het Europese Hof voor de Rechten van de Mens deze strijd heeft aangenomen in de zaak Rangelov tegen Duitsland van 22 maart 2012, no. 5123/07. Het hof heeft immers reeds op 11 oktober 2018 in de vorige beslissing tot verlenging van de maatregel van de terbeschikkinggestelde overwogen dat de beslissing van de rechtbank in de vreemdelingenprocedure binnen enkele maanden te verwachten was. Het hof constateert echter dat op dit moment, bijna twee jaar na het indienen van het beroep, de rechtbank nog steeds geen oordeel heeft geveld.

Ter voorkoming van een eventuele schending van de verdragsbepalingen kan een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege aangewezen en ook verantwoord zijn onder daaraan te verbinden voorwaarden. In dat geval dwingt artikel 14 in samenhang met artikel 5 EVRM er toe de terbeschikkinggestelde een zoveel mogelijk gelijkwaardige behandeling en resocialisatie aan te bieden als aan een terbeschikkinggestelde eigen onderdaan of een terbeschikkinggestelde vreemdeling met een verblijfsstatus, hetgeen betekent dat de vreemdelingenrechtelijke status van de terbeschikkinggestelde niet in de weg kan staan aan het toekennen van de bewegingsvrijheden en de faciliteiten die nodig zijn om invulling te geven aan de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege. Het laatste zou te verstaan zijn als een dringend advies aan het adres van de administratie, nu de verlengingsrechter niet de wettelijke bevoegdheid heeft om dit formeel te bepalen.

In dit licht overweegt het hof dat [naam voorziening 1] bij uitstek de aangewezen plek is om de resocialisatie van de terbeschikkinggestelde voort te zetten. Overplaatsing naar [naam voorziening 1] is echter problematisch omdat de terbeschikkinggestelde tot ongewenst vreemdeling is verklaard en aan hem volgens de Verlofregeling TBS geen verlof kan worden verleend tijdens de verpleging van overheidswege. De Verlofregeling TBS is echter niet van toepassing bij een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege. Het is het hof ambtshalve bekend en dit hebben de deskundigen ter zitting nog eens bevestigd, dat bij [naam voorziening 1] verloven (in het kader van transmuraal verlof) zeer restrictief kunnen worden gestart en – indien verantwoord – heel langzaam en zeer beperkt kunnen worden uitgebreid.

Het hof ziet daarom aanleiding zich wederom nader te laten informeren.

In de eerste plaats wenst het hof geïnformeerd te worden over de uitkomst van het aangekondigde bestuurlijk overleg op directieniveau binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid over de casus van de terbeschikkinggestelde, nu dit overleg tot een oplossing voor de impasse kan leiden.

Het hof acht het gewenst dat de reclassering daarnaast een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege met plaatsing in [naam voorziening 1] uitwerkt en dat zij daarbij een concreet voorstel doet met voorwaarden. Het is het hof bekend dat een eventuele voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege in dit geval niet eenvoudig zal zijn in te passen. De kliniek heeft hierover het nodige gezegd in haar advies en ter zitting. [naam voorziening 1] wil de terbeschikkinggestelde niet in het kader van voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege opnemen omdat dit niet past in het door haar voorgestane resocialisatietraject, met een begin in een besloten groep. Daarnaast worden problemen met de financiering verwacht. Het hof wijst er echter op dat een eventuele voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege zou dienen ter voorkoming van de alsdan vastgestelde verdere schending van de grondrechten van de terbeschikkinggestelde.

Het hof zal met voormeld doel de behandeling heropenen en het onderzoek opnieuw voor onbepaalde tijd schorsen, voor een periode korter dan drie maanden.

Het hof zal de stukken met voormeld doel in handen stellen van de advocaat-generaal en iedere verdere beslissing aanhouden.

Tussenbeslissing

Het hof:

Heropent de behandeling van de zaak om voormelde redenen en schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd, voor een periode van ten hoogste drie maanden.

Stelt de stukken met voormeld doel in handen van de advocaat-generaal en verzoekt de advocaat-generaal om daaraan uitvoering te geven;

Beveelt de oproeping van de terbeschikkinggestelde tegen het nog nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving hiervan aan zijn raadsman.

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gedaan door

mr. M.E. van Wees als voorzitter,

mr. C.M.E. Lagarde en mr. E.A.K.G. Ruys als raadsheren,

en drs. I.M. van Woudenberg en drs. I. van Outheusden als raden,

in tegenwoordigheid van mr. K. van Laarhoven als griffier,

en op 1 augustus 2019 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.