Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:11280

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-12-2019
Datum publicatie
09-01-2020
Zaaknummer
21-005594-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

rtt. 285 en 350 Sr. Verdachte wordt ter zake vernieling van een bedrijfsbus van een waterschap en bedreiging van medewerkers van dat waterschap veroordeeld tot 80 uren taakstraf waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot vergoeding van de geleden materiële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005594-18

Uitspraak d.d.: 17 december 2019

VERSTEK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 2 oktober 2018 met parketnummer 08-128202-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1962] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 december 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. De advocaat-generaal heeft gevorderd het vonnis van de eerste rechter te bevestigen en de verdachte te veroordelen tot een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis met een proeftijd van 2 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

De verdachte is in eerste aanleg ter zake het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren waarvan 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het zich daar niet geheel mee verenigt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij, op of omstreeks 27 juni 2018 te Blankenham , gemeente Steenwijkerland opzettelijk en wederrechtelijk

een bedrijfsbus, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2.
hij, op of omstreeks 27 juni 2018 te Blankenham , gemeente Steenwijkerland [medewerker 1] en/of [medewerker 2] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een (luchtbuks)geweer een en/of meerdere keren in de richting van die [medewerker 1] en/of die [medewerker 2] te schieten, in elk geval een en/of meerdere malen met een (luchtbuks)geweer te schieten, terwijl die [medewerker 1] en/of die [medewerker 2] zich in de nabijheid van verdachte bevonden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof stelt vast dat de verdachte bij brief d.d. 10 december 2019 heeft verzocht hem van het ten laste gelegde vrij te spreken nu hij en zijn familie een zeer moeilijke en zware periode achter zich hebben liggen en daarmee al genoeg zijn gestraft.

Het hof is van oordeel dat het door de verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij, op of omstreeks 27 juni 2018 te Blankenham , gemeente Steenwijkerland, opzettelijk en wederrechtelijk een bedrijfsbus, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2.
hij, op of omstreeks 27 juni 2018 te Blankenham , gemeente Steenwijkerland, [medewerker 1] en/of [medewerker 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een (luchtbuks)geweer een en/of meerdere keren in de richting van die [medewerker 1] en/of die [medewerker 2] te schieten, in elk geval een en/of meerdere malen met een (luchtbuks)geweer te schieten, terwijl die [medewerker 1] en/of die [medewerker 2] zich in de nabijheid van verdachte bevonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof neemt daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan beschadiging van een bedrijfsbus van het [benadeelde] door daar tegenaan te schoppen. Voorts heeft hij medewerkers van het waterschap bedreigd door met een luchtbuks in hun richting te schieten. Uit het dossier komt naar voren dat de verdachte al gedurende meerdere jaren in onenigheid leeft met het waterschap. Het hof wil van de verdachte aannemen dat hij al geruime tijd (stank)overlast ondervindt van het gemaal van het waterschap dat zich op zijn erf bevindt, maar is van oordeel dat dat geenszins een rechtvaardiging vormt voor het gedrag van de verdachte.

Het hof heeft acht geslagen op de brief van de verdachte d.d. 10 december 2019 en leidt daaruit af dat de verdachte het verwerpelijke van zijn handelen onder ogen heeft gezien en spijt heeft van al hetgeen is gebeurd.

Het hof overweegt dat de LOVS-oriëntatiepunten voor bedreiging waarbij een vuurwapen is getoond in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden indiceren. Het hof is derhalve van oordeel dat de door de advocaat-generaal gevorderde straf geen recht doet aan de ernst van de feiten. Het hof kan zich alleszins voorstellen dat het bijzonder vervelend is voor de verdachte dat hij al geruime tijd overlast ondervindt van het gemaal van het waterschap, maar rekent het de verdachte zwaar aan dat hij met een luchtbuks in de richting van twee medewerkers heeft geschoten. Zij hebben zich hierdoor ernstig bedreigd gevoeld.

Alles afwegend – de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in aanmerking genomen – acht het hof een deels voorwaardelijke taakstraf van de hierna aan te geven duur, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.551,07. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 2.551,07 (tweeduizend vijfhonderdeenenvijftig euro en zeven cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.551,07 (tweeduizend vijfhonderdeenenvijftig euro en zeven cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 27 juni 2018.

Aldus gewezen door

mr. O.E.M. Leinarts, voorzitter,

mr. A.E. Mos-Verstraten en mr. A.J.M. Kaptein, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K. Elema, griffier,

en op 17 december 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 17 december 2019.

De samenstelling van het gerechtshof is als bovenvermeld.

mr. R. Smits, advocaat-generaal,

mr. K. Elema, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.