Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:11205

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-12-2019
Datum publicatie
30-12-2019
Zaaknummer
200.230.828/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tweede procedure (naast ECLI:NL:GHARL:2019:3796) over een dwangbevel en een daarop gebaseerd beslag op een oude Opel Omega, van eigenaar die weigert motorrijtuigenbelasting te betalen uit onvrede over de afwikkeling van een onteigeningsprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 31-12-2019
FutD 2020-0140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.230.828/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/191283/HA ZA 16-404)

arrest van 24 december 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg : eiser in verzet

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J.R.R. Oevering, kantoorhoudend te Amsterdam,

tegen

Ontvanger van de belastingdienst (kantoor Zwolle)

kantoorhoudend te Zwolle,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in verzet

hierna: de Ontvanger,

advocaat: mr. N.M. Korstenbroek, kantoorhoudend te Amsterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 2 november 2016 en 15 maart 2017 die de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 14 juni 2017;

- de memorie van grieven (met producties) d.d. 1 mei 2018;

- de memorie van antwoord (met producties) d.d. 24 juli 2018;

- het comparitie-arrest d.d. 4 juni 2019;

- de comparitie die doorgang heeft gevonden op 29 oktober 2019; van deze comparitie is proces-verbaal opgemaakt. Beide partijen hebben voorafgaand aan de comparitie nog producties aan het hof gezonden.

2.2

Vervolgens heeft [appellant] arrest gevraagd en heeft het hof arrest bepaald op het comparitiedossier aangevuld met de stukken van de comparitie.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten

3.1.

De ouderlijke woning van [appellant] is in 1995 onteigend. Sedertdien heeft [appellant] een conflict met de Nederlandse Staat en weigert hij (onder meer) motorrijtuigenbelasting (hierna: MRB) te betalen. [appellant] had geen vaste woon- of verblijfplaats en leefde (onder meer) in zijn auto.

3.2.

De inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de Inspecteur) is, vanwege de oninbaarheid van de naheffingsaanslagen, op een gegeven moment gestopt met het opleggen van naheffingsaanslagen MRB.

3.3.

Op 21 mei 2016 is bij een handhavingsactie van Justitie en de Belastingdienst beslag gelegd op de Opel Omega, kenteken [YY-YY-00] (verder: de Opel Omega) die eigendom was van [appellant] . Dit beslag is gelegd voor een niet betaalde terugvorderingsbeschikking Zorgtoeslag. De opdrachtgever voor het beslag was de Ontvanger (kantoor Utrecht).

3.4.

Op 22 juni 2016 heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag MRB over het tijdvak 22 maart 2014 tot en met 2 juni 2016 opgelegd, ter hoogte van € 2.665,- (verder: de naheffingsaanslag MRB).

3.5.

Bij brief met dagtekening 22 juli 2016 heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag MRB.

3.6.

Op 7 juli 2016 heeft de Ontvanger (kantoor Zwolle) voor deze naheffingsaanslag een dwangbevel uitgevaardigd. Dit dwangbevel is op 26 juli 2016 aan [appellant] betekend.

3.7.

Op 8 augustus 2016 is een (tweede) beslag gelegd op de Opel Omega, blijkens de akte van betekening in opdracht van het Belastingkantoor Zwolle.

3.8.

Het op 21 mei 2016 gelegde beslag is op 26 oktober 2016 door de Ontvanger opgeheven omdat [appellant] wel recht had op de in geding zijnde toeslag.

3.9.

De Opel Omega is op 14 november 2017 executoriaal verkocht. De verkoopopbrengst van €150,- is door de Belastingdienst afgeboekt op de (kosten voor de) aanslag MRB.

3.10.

De uitspraak op het bezwaar door de Inspecteur tegen de naheffingsaanslag MRB is door de belastingrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant bij uitspraak van

28 februari 2018 op formele gronden (schending hoorplicht) vernietigd.

3.11.

Op 25 juni 2018 heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar het bezwaar tegen de naheffingsaanslag MRB wederom afgewezen. Tegen die beslissing heeft [appellant] opnieuw beroep ingesteld bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Op dat beroep was ten tijde van de comparitie in hoger beroep nog niet beslist.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg op voet van artikel 17 Invorderingswet 1990 (hierna: Invorderingswet), verzet ingesteld tegen het dwangbevel van 7 juli 2016 en heeft gevorderd het executoriale beslag op de Opel Omega op te heffen en de Ontvanger te gelasten deze aan hem terug te geven, op straffe van verbeurte van een dwangsom, alsmede om de Ontvanger te verbieden uitvoering te geven aan het bevel tot betaling, eveneens op straffe van verbeurte van een dwangsom.

4.2

De rechtbank heeft, nadat eerst een comparitie van partijen was gelast, bij eindvonnis het verzet van [appellant] ongegrond verklaard.

5 De parallelle procedure

5.1

[appellant] heeft bij dagvaarding van 16 juni 2016 ook een procedure tegen de Ontvanger (kantoor Utrecht) aanhangig gemaakt die het op 21 mei 2016 gelegde beslag betrof. Daarin vorderde hij eveneens de opheffing van het executoriale beslag op de Opel Omega, teruggaaf van de auto en een verbod aan de Ontvanger om verdere uitvoering te geven aan een bevel tot betaling. Die vorderingen zijn door de rechtbank Midden-Nederland (locatie Utrecht) bij vonnis van 17 mei 2017 afgewezen. Op het door [appellant] ingestelde appel heeft dit hof (locatie Arnhem) bij arrest van 30 april 2019 het vonnis bekrachtigd. [appellant] heeft daartegen beroep in cassatie ingesteld.

6 De beoordeling van de grieven en de vordering in hoger beroep

De vermeerdering van eis

6.1

[appellant] vordert in dit hoger beroep, na vermeerdering van eis, kort samengevat, dat het hof :

  • -

    het eindvonnis vernietigt;

  • -

    het beslag op de Opel Omega opheft;

  • -

    de Ontvanger veroordeelt tot teruggaaf van de Opel Omega op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- per dag;

  • -

    de Ontvanger verbiedt om uitvoering te geven aan het bevel tot betaling van de naheffingsaanslag MRB, eveneens op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- per dag;

  • -

    voor recht verklaart dat de Ontvanger onrechtmatig heeft gehandeld;

  • -

    de Ontvanger veroordeelt om als voorschot op de geleden schade een bedrag van € 15.000 te betalen;

  • -

    voor recht verklaart dat de Ontvanger de betekenings- en vervolgingskosten tot nihil dient te verlagen dan wel dat het hof deze zelf verlaagt tot een door de rechtbank [het hof leest dat als het hof] in goede justitie te betalen bedrag;

  • -

    de Ontvanger veroordeelt in de kosten van de procedure in beide instanties.

6.2

Het hof oordeelt dat voor zover de eisvermeerdering betrekking heeft op het op 21 mei 2016 gelegde beslag - waarvan door de Ontvanger is erkend dat dat onrechtmatig is geweest die eisvermeerdering in deze procedure niet toelaatbaar is, aangezien dat beslag het onderwerp vormt van de hiervoor onder 5 genoemde parallelle, Utrechtse, procedure. Het hof zal dan ook grief 7 en de daaraan verbonden vorderingen voor zover die op dit beslag betrekking hebben, buiten behandeling laten.

6.3

De vermeerderde eis betreffende de betekenings- en vervolgingskosten (vervat in grief 8) stuit af op de rechtsmachtverdeling. Tegen deze kosten staat een afzonderlijke bestuursrechtelijke rechtsgang open voor de belastingschuldige (artikel 7 Kostenwet invordering rijksbelastingen) zodat [appellant] in dit onderdeel van zijn vordering niet-ontvankelijk is. Grief 8 wordt verworpen.

6.4

Voor het overige zal het hof rechtdoen op de eis zoals die bij de memorie van grieven (en daarmee processueel tijdig) is gewijzigd.

6.5

Het hof zal de overige grieven onderwerpsgewijs bespreken.

Het dwangbevel van 7 juli 2016

6.6

Wanneer een belastingaanslag na aanmaning onbetaald is gebleven, kan de Ontvanger een dwangbevel uitvaardigen. Dit dwangbevel geldt als een executoriale titel (artikel 12 en artikel 14 Invorderingswet). De belastingschuldige die bezwaar heeft tegen de voorgenomen tenuitvoerlegging van een dwangbevel kan daartegen in verzet komen bij de burgerlijke rechter. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel. Eenmaal ingesteld, verloopt de procedure als een gewoon executiegeschil, met dien verstande dat een beperking geldt voor de gronden van het verzet. Het derde lid van artikel 17 Invorderingswet bepaalt onder meer dat een verzet niet kan worden gegrond op de stelling dat de onderliggende belastingaanslag ten onrechte of voor een te hoog bedrag is vastgesteld.

6.7

De belastingrechter is bij uitsluiting bevoegd als het gaat om het oordeel over het opleggen en de hoogte van de onderliggende belastingaanslag. Indien de burgerlijke rechter moet oordelen over een verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, kan hij de onderliggende belastingaanslagen marginaal toetsen. De memorie van toelichting vermeldt hierover:

“ … dat het verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel bovendien niet kan zijn gegrond op het verweer dat de belastingaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Deze bepaling is opgenomen om dubbele procedures over de hoogte van de belastingaanslag te voorkomen. Tegen aanslagen, navorderingsaanslagen en naheffingsaanslagen staan immers reeds in de heffingssfeer rechtsmiddelen open (…).

Deze rechtsmiddelen kunnen derhalve niet – of niet opnieuw – worden aangewend in een verzetprocedure tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel. Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen waarin de tenuitvoerlegging van een dwangbevel ter zake van een belastingaanslag die weliswaar in formele zin op de juiste wijze is vastgesteld, doch ten aanzien waarvan op zijn minst twijfel mogelijk is of die aanslag wel in overeenstemming is met de materiële belastingschuld, strijd oplevert met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Onder zulke omstandigheden had de ontvanger in redelijkheid niet tot de tenuitvoerlegging mogen overgaan. In dergelijke situaties kan wel verzet worden gedaan.” (MvT, Kamerstukken II 1987-1988, 20 588, nr. 3, blz. 54).

6.8

[appellant] betoogt in zijn toelichting op de grieven 2 en 3 dat de naheffingsaanslag MRB aan een aantal formele gebreken lijdt die maken dat daarop geen dwangbevel kan worden gebaseerd, namelijk dat de naheffingsaanslag een verkeerd nummer heeft, dat deze op een onjuiste periode is gebaseerd en dat daarin ten onrechte niet het adres van [appellant] staat vermeld.

Het hof verwerpt deze grieven. Ook eventuele formele gebreken aan de belastingaanslag vallen onder het bepaalde in artikel 17 derde lid van de Invorderingswet. Het is de belastingrechter die daarover dient te oordelen. Het hof acht niet aangetoond dat sprake is van zodanige gebreken aan de naheffingsaanslag MRB dat de Ontvanger in redelijkheid niet tot tenuitvoerlegging had mogen over gaan. De stelling dat uit het nummer van de belastingaanslag altijd het BSN-nummer van de belastingplichtige moet kunnen worden herleid, op straffe van nietigheid van de belastingaanslag, wordt door het hof verworpen nu van een dergelijke regel niet is gebleken. Dat niet kenbaar is dat de naheffingsaanslag MRB voor [appellant] is bestemd, acht het hof evenmin houdbaar. De naheffingsaanslag bevat de naam van [appellant] en het kenteken van de Opel Omega, waarvan vast staat dat dit op zijn naam staat. [appellant] heeft ook binnen de bezwaartermijn bezwaar tegen de naheffingsaanslag gemaakt. Dat de naheffingsaanslag geen adres bevat, is het gevolg van het feit dat [appellant] ten tijde van het uitvaardigen van de naheffingsaanslag geen kenbaar GBA-adres had. [appellant] stond met een zogeheten ‘puntadres’ in de gemeente Meijerijstad ingeschreven, wat betekent dat van hem geen nader adres bekend was. [appellant] heeft ook zelf aangegeven dat hij enige tijd in de Opel Omega woonde. In zijn pleitnota heeft [appellant] ook nog gesteld dat de naheffingsaanslag niet juist is bekend gemaakt; voor zover het hof al aan dit nieuwe bezwaar kan toekomen, geldt voor dit formele gebrek hetzelfde als voor de gebreken waarop in de grieven een beroep op is gedaan en een gebrek in de bekendmaking doet op zich niet af aan de rechtsgeldigheid van de naheffingsaanslag.

6.9

[appellant] heeft verder aangevoerd dat een naheffingsaanslag MRB niet op een langere periode dan een jaar betrekking zou mogen hebben. Artikel 34 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, waarnaar hij verwijst, heeft betrekking op een andere situatie dan hier aan de orde is. Het hof acht niet aangetoond dat de Inspecteur in dit geval niet bevoegd was om de naheffingsaanslag d.d. 22 juni 2016 op te leggen.

6.10

[appellant] heeft ook nog naar voren gebracht dat hij geen MRB is verschuldigd over de periode na het eerste beslag 21 mei 2016, zodat betreffende de laatste twee weken van de periode waarop de naheffingsaanslag betrekking had niet kan worden ingevorderd. Dit standpunt is door de Ontvanger bestreden met een beroep op jurisprudentie waaruit volgt dat [appellant] dan eerst zelf had moeten pogen om de Opel Omega voor de MRB te schorsen. Het hof oordeelt dat ook dit betoog, bij de voor de civiele rechter op dit punt passende marginale toetsing, niet leidt tot het oordeel dat de Ontvanger in redelijkheid niet tot tenuitvoerlegging had mogen overgaan.

6.11

[appellant] heeft verder betoogd dat het dwangbevel hem niet op juiste wijze is betekend en dat op die grond het door hem gedane verzet gegrond moet worden verklaard.

6.12

Het hof oordeelt, onder verwijzing naar artikel 66 Rv, dat [appellant] niet heeft aangegeven op welke punten hij door veronderstelde gebreken in de betekening, onredelijk is benadeeld. [appellant] heeft in twijfel getrokken dat de belastingdeurwaarder [B] die het dwangbevel heeft betekend, daartoe wel bevoegd was. Volgens hem dient de Ontvanger een aanwijzingsbesluit in het geding te brengen waaruit zulks blijkt. [appellant] heeft geen enkele omstandigheid gesteld ter onderbouwing van gerede twijfel dat dit exploot (en de overige in deze procedure aan de orde zijnde exploten) niet door een bevoegde belastingdeurwaarder zijn uitgebracht. Het hof volgt [appellant] dan ook niet in zijn stelling dat de aanstellingsbesluiten van de deurwaarder door de Ontvanger in het geding hadden moeten worden gebracht. Anders dan [appellant] stelt, blijkt niet dat hij beschikte over een in de GBA opgenomen postadres. Een puntadres is geen postadres. De belastingdeurwaarder heeft dan ook het dwangbevel op 26 juli 2016 overeenkomstig artikel 54 Rv mogen betekenen aan het parket en bekend mogen maken in de Staatscourant.

6.13

De grieven 2 en 3 treffen geen doel.

6.14

De kernvraag in dit appel, neergelegd in grief 1, is of de Ontvanger op 26 juli 2016 over mocht gaan tot betekening van het dwangbevel, hoewel er met dagtekening 22 juli 2016 (en door de Inspecteur op 25 juli 2016 ontvangen) inmiddels een bezwaarschrift was ingediend tegen de naheffingsaanslag MRB. [appellant] stelt, voor het eerst in hoger beroep, dat dit bezwaarschrift voldoende was gemotiveerd, zodat de Ontvanger dit (overeenkomstig artikel 25.2.2. van de Leidraad Invordering 2008; hierna de Leidraad) had moeten aanmerken als een verzoek om uitstel van betaling. Het hier genoemde artikel uit de Leidraad bepaalt dat uitsluitend een gemotiveerd bezwaarschrift als een verzoek om uitstel van betaling kwalificeert, mits in het bezwaarschrift het bestreden bedrag van de belastingaanslag en de berekening van dat bedrag worden vermeld. Niet in geschil is dat [appellant] in zijn bezwaarschrift niet expliciet om uitstel van betaling heeft verzocht noch voor 26 juli 2016 een ander, afzonderlijk, uitstelverzoek had ingediend.

6.15

Het hof oordeelt dat het bezwaarschrift van 22 juli 2016, hoewel dat meldt dat het op nader aan te voeren gronden wordt gedaan en dat de gronden zullen worden aangevuld na ontvangst van de stukken, voldoende is gemotiveerd om onder de werking van artikel 25.2.2. van de Leidraad te vallen. In het bezwaarschrift wordt het bedrag van de naheffingsaanslag MRB genoemd. Ook voert [appellant] aan dat de bestreden beslissing in strijd is genomen met de hieraan ten grondslag gelegde wettelijke bepalingen en op een onjuiste grondslag berust. Verder is aangevoerd dat de naheffingsaanslag in strijd is met de algemene beginselen van bestuur, waaronder het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Het hof wijst er in dit verband nog op dat in artikel 1.1.5 van de Leidraad is aangegeven dat zoveel mogelijk wordt gehandeld in overeenstemming met de Algemene wet bestuursrecht. Het bezwaarschrift voldoet op dit punt aan de minimumeisen van artikel 6:5 van die wet.

6.16

Grief 1 is in zoverre terecht voorgedragen. Of dat [appellant] baat, hangt evenwel af van de beoordeling van het beroep van de Ontvanger op artikel 25.1.1 van de Leidraad dat deze subsidiair heeft gedaan. Dit artikel houdt in dat de Ontvanger ondanks een verzoek om uitstel wel invorderingsmaatregelen kan treffen als er aanwijzingen zijn dat de belangen van de Staat kunnen worden geschaad. Deze bepaling hangt nauw samen met het bepaalde in artikel 15 Invorderingswet. Daarin is geregeld dat bij een naheffingsaanslag een dwangbevel in bepaalde gevallen terstond kan worden uitgevaardigd en ten uitvoer worden gelegd, waarbij wordt verwezen naar artikel 10 van die wet. Artikel 10, eerst lid, onder b, van de Invorderingswet bepaalt dat het bedrag van de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is indien de ontvanger aannemelijk maakt dat gegronde vrees bestaat dat goederen van de belastingschuldige zullen worden verduisterd.

6.17

De Ontvanger heeft dit verweer ook in eerste aanleg gevoerd en de rechtbank heeft dit verweer beoordeeld en gegrond bevonden. Het hof verwerpt het betoog van [appellant] dat het hof niet aan dit verweer toe mag komen omdat in het dwangbevel zelf niet is gemotiveerd waarom sprake is van zodanige aanwijzingen als bedoeld in de artikel 25.1.1. van de Leidraad. Een dergelijke motiveringsverplichting bestaat naar geldend recht niet.

6.18

Grief 4 keert zich ten onrechte tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van gegronde vrees voor verduistering. Het hof oordeelt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de gegronde vrees voor verduistering, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b van de Invorderingswet, een ruimer begrip omvat dan de strafrechtelijke verduistering. Het gaat hierbij om gevallen waarbij moet worden aangenomen dat de belastingaanslag niet zal worden betaald, terwijl bovendien verhaalsobjecten dreigen te verdwijnen en kans om de belastingschuld te innen illusoir dreigt te worden (Kamerstukken II, 1987-1988, 20 588, nr. 3, pagina 20 en 38).

In dit geval heeft de Ontvanger erop gewezen dat [appellant] geen bekend adres had en al tientallen jaren weigerde om MRB te voldoen. Dit is naar ’s hof oordeel voldoende om de gegronde vrees voor verduistering aannemelijk te maken en daarmee heeft de Ontvanger tevens aannemelijk gemaakt dat er aanwijzingen waren dat de belangen van de Staat kunnen worden geschaad in de zin van artikel 25.1.1. van de Leidraad.

6.19

Het hof concludeert derhalve dat het verzet tegen het dwangbevel door de rechtbank terecht ongegrond is verklaard.

Het op 8 augustus 2016 gelegde beslag op de Opel Omega

6.20

In de toelichting op grief 6 betoogt [appellant] dat dit beslag nietig is, omdat in de akte van betekening is opgenomen dat het beslag is gelegd in opdracht van de Ontvanger (kantoor Zwolle) terwijl het beslag is gelegd door de Ontvanger (kantoor Utrecht). Volgens [appellant] voldoet het beslag daarmee niet aan de eisen van artikel 440 Rv en is het daarmee nietig.

6.21

Het hof oordeelt dat vaststaat dat het beslag is gelegd door de Ontvanger (locatie Utrecht). De Ontvanger is landelijk bevoegd, gelet op artikel 5, eerste lid, van de Invorderingswet. Dat in de akte van betekening van het beslag (ook in dit geval aan het parket van het Openbaar Ministerie) ten onrechte als opdrachtgever het Belastingkantoor Zwolle staat vermeldt, maakt niet dat het gelegde beslag daarom nietig is. Het hof verwijst naar artikel 66 Rv. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door deze fout in zijn belangen is geschaad. Hij heeft het beslag in deze procedure (en in de parallelle, Utrechtse, procedure) aangevochten.

Grief 6 treft geen doel.

6.22

In de toelichting op grief 5 voert [appellant] aan dat het gelegde beslag détournement de pouvoir op levert, in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel en niet berust op een juiste belangenafweging waarbij het zwaarwegend belang niet is meegenomen dat [appellant] sinds het beslag van 21 mei 2016 geen onderkomen meer heeft. De rechtbank heeft het beroep op détournement de pouvoir verworpen. De rechtbank heeft tot uitgangspunt genomen dat een adequate handhaving vergt dat verschuldigde belasting ook daadwerkelijk wordt ingevorderd. De omstandigheid dat een eerdere beslaglegging op de Opel Omega achteraf ten onrechte blijkt te zijn, maakt niet dat de Ontvanger had moeten afzien van de invordering van de naheffingsaanslag MRB. Het hof onderschrijft dit oordeel en maakt het tot het zijne.

Op 8 augustus 2016 was de Opel Omega al meer dan twee maanden uit de feitelijke macht van [appellant] , zodat in ieder geval op dat moment niet kan worden aangenomen dat deze auto als zijn woning dienst deed, zodat dat aspect voor de geldigheid van het beslag geen rol speelt.

6.23

Ten aanzien van het proportionaliteitsbeginsel oordeelt het hof als volgt. Hoewel in retrospectief, gelet op de veelheid van gevolgde procedures enerzijds en de verkoopopbrengst van Opel Omega (€ 150) anderzijds, de conclusie kan worden getrokken dat de Staatskas per saldo niet gebaat is geweest met het gelegde beslag, volgt daaruit niet dat het beslag op 8 augustus 2016 al disproportioneel was, dit gelet op de openstaande naheffingsaanslag MRB en de onwil van [appellant] om MRB te voldoen.

Grief 5 faalt.

Onrechtmatig handelen Ontvanger

In grief 7, die betrekking heeft op de vermeerderde eis, stelt [appellant] dat de Ontvanger onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en op die grond schadeplichtig is. Het hof verwijst naar wat is hiervoor is beslist onder rov. 6.2 ten aanzien van het op 21 mei 2016 gelegde beslag.

[appellant] heeft voor het overige geen andere redenen genoemd waarom de Ontvanger onrechtmatig zou hebben gehandeld dan hiervoor al zijn beoordeeld en door het hof ongegrond zijn bevonden. De grief mist doel.

De slotsom

6.24

De grieven, gericht tegen het eindvonnis, treffen per saldo geen doel. Het hof gaat voorbij aan het in algemene bewoordingen gestelde bewijsaanbod en zal het eindvonnis bekrachtigen. De wijziging van eis is deels niet toelaatbaar, deels niet-ontvankelijk en wordt voor het overige door het hof afgewezen.

6.25

Gelet op deze uitkomst zal het hof [appellant] aanmerken als de in het ongelijk te stellen partij en hem in de kosten van de procedure in hoger beroep veroordelen, aan de zijde van de Ontvanger te begroten op het geheven griffierecht en het geliquideerde salaris van de advocaat (2 punten naar tarief I).

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart de vermeerdering van eis niet toelaatbaar voor zover deze betrekking heeft op het op 21 mei 2016 gelegde beslag;

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn vermeerderde eis met betrekking tot de vervolgingskosten;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 15 maart 2017;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger vastgesteld op € 741,- voor verschotten en op € 1.074,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. G. van Rijssen en mr. G.B.A. Brummer en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 24 december 2019.