Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:11198

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-12-2019
Datum publicatie
19-03-2020
Zaaknummer
200.261.259/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging gezag en hoofdverblijfplaats. Rechtsmacht Nederlandse rechter. 10 jo artikel 2 onder 11 Brussel II-bis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.261.259

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 474510 (gezag) en 474512 (hoofdverblijf))

beschikking van 24 december 2019

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],
verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. H.P. Scheer te Utrecht,

en

[verweerster] ,

feitelijk verblijvende te Bulgarije,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen te Utrecht.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

de gecertificeerde instelling

Stichting Samen Veilig Midden-Nederland,

gevestigd te Utrecht,

verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 7 mei 2019, uitgesproken onder voormelde zaaknummers, verder te noemen: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met procesdossier in eerste aanleg en producties 25 en 26, ingekomen op 21 juni 2019;

- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties 1 en 2;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties 27 tot en met 31;

- de brief van de GI van 27 augustus 2019 met berichtgeving dat zij geen verweerschrift zal indienen;

- een journaalbericht van mr. Scheer van 30 oktober 2019 met producties 32 tot en met 40;

- een journaalbericht van mr. Beijersbergen van Henegouwen van 31 oktober 2019 met een (ongenummerde) productie;

- een journaalbericht van mr. Beijersbergen van Henegouwen van 4 november 2019 met (ongenummerde) producties;

- een journaalbericht van mr. Scheer van 11 november 2019 met producties 41 tot en met 43.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 12 november 2019 plaatsgevonden. De vader is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de moeder is [… 1] verschenen. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is [… 2] verschenen. Namens de GI zijn [… 3] en [… 4] verschenen.

2.3

Na de mondelinge behandeling is met toestemming van het hof ingekomen een journaalbericht van mr. Scheer van 14 november 2019 met een bijlage.

3 De feiten

3.1

De vader en de moeder hebben tot 26 juni 2017 een relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van:

- [het kind], geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats].

De vader en [het kind] hebben de Nederlandse en de Bulgaarse nationaliteit. De moeder heeft alleen de Bulgaarse nationaliteit.

3.2

[het kind] heeft haar hoofdverblijf bij de moeder. Sinds het uiteengaan van de ouders heeft [het kind] met de vader omgang gehad. De frequentie en duur van de omgang was wisselend, maar altijd zonder overnachting. Na december 2018 heeft geen omgang meer plaatsgevonden.

3.3

Bij beschikking van 22 november 2017 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, bepaald dat voortaan de moeder en de vader gezamenlijk het ouderlijk gezag over [het kind] zullen uitoefenen.

Dit hof heeft bij beschikking van 4 september 2018 voornoemde beschikking bekrachtigd.

3.4

De vader heeft de moeder toestemming verleend om met [het kind] in de periode van 19 december 2018 tot 10 januari 2019 in Bulgarije te verblijven. De moeder is op de afgesproken datum van 10 januari 2019 niet met [het kind] naar Nederland teruggekeerd.

3.5

De regionale rechtbank te Sofia, Bulgarije, heeft bij uitspraak van 17 januari 2019, op verzoek van de moeder, een spoedbevel tot bescherming uitgevaardigd, inhoudende dat – voor zover hier van belang – de vader wordt verplicht zich te onthouden van huiselijk geweld tegen [het kind] en wordt verboden zich binnen 100 meter van [het kind] te begeven. De regionale rechtbank te Sofia heeft verder onder meer bepaald dat een zitting zal plaatsvinden en dat het spoedbevel blijft gelden totdat de regionale rechtbank – kort gezegd – heeft beslist op het verzoek van de moeder in de bodemzaak om een bevel tot bescherming uit te vaardigen. Daarnaast heeft de regionale rechtbank geoordeeld dat onderzoek naar [het kind] wordt opgestart in Sofia met daarbij specifieke onderzoeksvragen van de rechtbank aan de onderzoeker.

Op 5 maart 2019 heeft de regionale rechtbank te Sofia geoordeeld dat zij bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek van de moeder in de bodemzaak. Deze procedure loopt nog.

3.6

Bij – uitvoerbaar bij voorraad verklaard – vonnis in kort geding van 8 februari 2019 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht:

- de moeder verboden de verblijfplaats van [het kind] te wijzigen;

- de moeder veroordeeld om binnen vijf dagen na de datum van dit vonnis met [het kind] terug te keren naar de woning aan de [adres];

- de moeder veroordeeld om na terugkeer [het kind] naar het kinderdagverblijf [X] te laten gaan;

- de moeder veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat de moeder niet aan het hiervoor genoemde verbod en/of de eerstgenoemde veroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;

- de moeder veroordeeld in de kosten van deze procedure, begroot op € 1.376,-;

- het meer of anders gevorderde afgewezen.

Bij arrest in kort geding van 14 mei 2019 heeft dit hof voornoemd vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.

3.7

De raad heeft een onderzoek verricht met betrekking tot [het kind] en daarover gerapporteerd in het rapport van 15 april 2019.

3.8

Bij – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 31 mei 2019 heeft de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, op verzoek van de raad, [het kind] onder toezicht van de GI gesteld tot 31 mei 2020.

3.9

De moeder heeft op 11 april 2019 bij de rechtbank in Sofia verzoeken betreffende het gezag, de omgangsregeling en de kinderalimentatie met betrekking tot [het kind] ingediend. Bij beschikking van 26 juli 2019 heeft de Bulgaarse rechter zich in deze procedure onbevoegd geacht om van deze verzoeken kennis te nemen. De moeder heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

3.10

De vader heeft op 24 mei 2019 een verzoek tot teruggeleiding op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag (HKOV) aan de Nederlandse Centrale Autoriteit (CA) gezonden. Het verzoek is op 18 juni 2019 door de Nederlandse CA aan de Bulgaarse CA verstuurd. De gerechtelijke procedure met betrekking tot dit verzoek bij de rechtbank in Sofia loopt nog.

3.11

De GI heeft op 11 november 2019 aan de Nederlandse CA een informatieverzoek en een zorgmelding met betrekking tot [het kind] gezonden.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier belang:

- de verzoeken over het ouderlijk gezag over [het kind] en de hoofdverblijfplaats van [het kind] afgewezen;

- zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het meer subsidiaire verzoek van de vader om de moeder te gelasten met [het kind] terug te keren naar Nederland.

4.2

De vader is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan het hof voor te leggen. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, zijn verzoeken (naar het hof begrijpt) om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- primair: te bepalen dat hij met het eenhoofdig gezag over [het kind] wordt belast,

- subsidiair: te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [het kind] bij hem zal zijn,

- meer subsidiair: de moeder te gelasten binnen veertien dagen met [het kind] naar [woonplaats] terug te keren, althans te gelasten dat [het kind] binnen veertien dagen naar [woonplaats] terugkeert,

toe te wijzen.

4.3

De moeder voert verweer en is met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen. De grief ziet op het gezag.

De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen met uitzondering van de beslissing tot afwijzing van haar verzoek tot verkrijging van het eenhoofdig gezag over [het kind]. Zij verzoekt, naar het hof begrijpt, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de beslissing over het gezag betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende, haar verzoek tot verkrijging van het eenhoofdig gezag over [het kind] toe te wijzen.

4.4

De vader voert verweer in het incidenteel hoger beroep en verzoekt het verzoek van de moeder af te wijzen.

4.5

Het hof zal de grieven per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De vader heeft primair hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank met betrekking tot het gezag. Het hof zal daarom eerst oordelen over het gezag over [het kind].

Verzoek tot wijziging gezag

5.2

Beide ouders verzoeken het hof (de vader in het principaal hoger beroep en de moeder in het incidenteel hoger beroep), ieder voor zich, om alleen met het gezag over [het kind] te worden belast. Voordat het hof kan toekomen aan de inhoudelijke beoordeling van deze verzoeken, dient eerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van dit geschil.

Bevoegdheid

5.3

De verzoeken van de ouders met betrekking tot het gezag over [het kind] betreffen de ouderlijke verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 7, in verbinding met artikel 8 lid 1 van de Verordening (EG) Nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Verordening Brussel II-bis, verder te noemen: Brussel II-bis), zodat deze verzoeken vallen binnen het toepassingsgebied van Brussel II-bis.

5.4

Op grond van artikel 8, eerste lid, Brussel II-bis zijn ter zake de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Op grond van het tweede lid van dit artikel geldt het bepaalde in het eerste lid onder voorbehoud van, onder meer, artikel 10 Brussel II-bis.

Artikel 10 Brussel II-bis bepaalt dat in geval van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van een kind de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd blijven totdat het kind in een andere lidstaat een gewone verblijfplaats heeft verkregen

en (a) de persoon die gezagsrecht bezit, in het niet doen terugkeren heeft berust

of (b) het kind gedurende ten minste een jaar nadat de persoon met gezagsrecht kennis heeft gekregen of had moeten krijgen van de verblijfplaats van het kind, in die andere lidstaat heeft verbleven en in zijn nieuwe omgeving geworteld is, en aan één van de voorwaarden onder i tot en met iv van dit artikel is voldaan.

5.5

Ter beoordeling van de vraag of sprake is van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren als bedoeld in artikel 10 Brussel II-bis, acht het hof het volgende van belang. Vaststaat dat de vader aan de moeder, in het kader van het gezamenlijk gezag over [het kind], toestemming heeft verleend om met [het kind] in de periode van 19 december 2018 tot 10 januari 2019 naar Bulgarije te reizen voor familiebezoek. Ook staat vast dat de moeder nadien, zonder toestemming van de vader en ondanks verzoeken van de vader om terug te keren naar Nederland, met [het kind] in Bulgarije is gebleven.

Het hof is van oordeel dat het niet doen terugkeren van [het kind] is geschied in strijd met het gezamenlijk gezag van de ouders, welk gezamenlijk gezag daadwerkelijk werd uitgeoefend. Er is sprake van een ongeoorloofd niet doen terugkeren van een kind als bedoeld in artikel 10 jo artikel 2 onder 11 Brussel II-bis.

De stelling van de moeder, dat zij zich vanwege uitlatingen van [het kind] over seksueel misbruik door de vader genoodzaakt heeft gezien om ter bescherming van [het kind] in Bulgarije te blijven, leidt niet tot een ander oordeel. Ongeacht of deze beschuldigingen jegens de vader op waarheid berusten, is de eenzijdige beslissing van de moeder om niet terug te keren vanuit Bulgarije en daar met [het kind] te blijven in strijd met het gezagsrecht van de vader.

5.6

Krachtens artikel 10 Brussel II-bis blijft de Nederlandse rechter in geval van een ongeoorloofd niet doen terugkeren van [het kind] bevoegd te beslissen op de door de ouders gedane verzoeken ter zake het gezag, totdat [het kind] haar gewone verblijfplaats in een andere lidstaat heeft verkregen en voldaan is aan de voorwaarden vermeld onder a of b van dat artikel. Nu aan geen van deze voorwaarden was voldaan op het moment van indiening van het verzoek – hetgeen ook niet een geschilpunt is in deze procedure – komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe. Of de gewone verblijfplaats van [het kind] is gewijzigd door haar verblijf in Bulgarije, kan daarom in het midden blijven.

Beoordeling gezag

5.7

De vader verzoekt om alleen met het gezag over [het kind] te worden belast. Hij stelt dat [het kind] op dit moment klem en verloren raakt tussen haar ouders en voert het volgende aan. Zonder zijn toestemming en in strijd met de uitspraken in kort geding is de moeder met [het kind] niet naar Nederland teruggekeerd. De vader ontkent dat hij [het kind] seksueel heeft misbruikt. Als gevolg van de door de moeder gedane aangifte en gestarte procedure in Bulgarije mag hij nu geen contact met [het kind] hebben. De moeder houdt het contact met de vader en met de Nederlandse hulpverlening af. Er is een ondertoezichtstelling, maar de gezinsvoogd heeft geen zicht op hoe het met [het kind] gaat. In deze omstandigheden valt niet te verwachten dat binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt in de situatie van [het kind].

Daarnaast is de vader van mening dat de door hem verzochte wijziging van het gezag anderszins in het belang van [het kind] noodzakelijk is. Het is in het belang van [het kind] dat zij naar Nederland terugkeert. Zij heeft daar altijd gewoond en zij is altijd mede door hem opgevoed. In Nederland kan onderzoek plaatsvinden naar het vermeende misbruik waarbij hij ook betrokken wordt en de gezinsvoogd kan het belang van [het kind] bij contact met beide ouders waarborgen.

De vader verklaart zich bereid om in te stemmen met een uithuisplaatsing van [het kind], als de gezinsvoogd dit in het belang van [het kind] nodig acht na haar terugkeer naar Nederland. Daarbij heeft de vader te kennen gegeven ook bereid te zijn om in te stemmen met een plaatsing van [het kind] bij de moeder, als de moeder met [het kind] terugkeert naar Nederland.

5.8

De moeder acht de beslissing van de rechtbank in de bestreden beschikking om het gezamenlijk gezag van de ouders in stand te houden juist. Zij meent dat het te vroeg is om een vergaande beslissing tot wijziging van het gezag te nemen en dat eerst de uitkomst van de procedure tot teruggeleiding op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag moet worden afgewacht. Als de vader op voorhand alleen met het gezag wordt belast, leidt dat tot een onmogelijke situatie voor de moeder als verzorgende ouder van [het kind]. Verder stelt zij dat de wettelijke bepalingen met betrekking tot het gezag niet zijn geschreven om een teruggeleiding te bewerkstelligen.

Naast de hiervoor weergegeven standpunten verzoekt de moeder in het incidenteel hoger beroep om alleen met het gezag te worden belast, nu de vader zijn verzoek om alleen met het gezag over [het kind] te worden belast in het principaal hoger beroep handhaaft. De moeder voert ter onderbouwing het volgende aan.

Zij erkent dat de ouders al voor haar vertrek naar Bulgarije eind 2018 in een onwenselijke situatie zaten, maar zij ontkent dat zij vooraf had gepland om niet terug te keren. Zij heeft naar aanleiding van de uitlatingen van [het kind] over seksueel misbruik door de vader gedaan wat zij op dat moment juist vond voor [het kind]. Zij heeft vervolgens gehandeld overeenkomstig hetgeen haar wordt geadviseerd en opgedragen door deskundigen en rechterlijke uitspraken in Bulgarije. Hierdoor is er nu geen contact tussen de vader en [het kind]. De moeder is van mening dat in het belang van [het kind] de reeds ingezette onderzoekstrajecten in Bulgarije eerst moeten worden afgerond. Als de uitkomst hiervan duidelijk is, zal de GI daarmee aan de slag moeten gaan en ontstaat ruimte voor overleg tussen de ouders. De moeder is vanwege de (juridische) strijd die de vader tegen haar voert angstig voor de vader en zij vreest dat de vader haar volledig uit het leven van [het kind] zal houden wanneer hij alleen met het gezag wordt belast. De vader diskwalificeert haar onnodig als ouder. Zij heeft tot op heden altijd goed voor [het kind] gezorgd. Nu de vader niet meer over werk beschikt, is zij kennelijk de enige die over de middelen beschikt om [het kind] te verzorgen. Gelet op deze omstandigheden dient zij alleen te worden belast met het gezag over [het kind], aldus de moeder.

5.9

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep het hof geadviseerd het gezamenlijk gezag van de ouders te beëindigen en de vader alleen te belasten met het gezag over [het kind], waarbij de GI bepaalt bij wie [het kind] zal wonen. De raad heeft ter onderbouwing van zijn advies het volgende naar voren gebracht.

De moeder handelt niet in het belang van [het kind]. Zonder voorbereiding of overleg is zij in Bulgarije gebleven met [het kind]. Het contact tussen de vader en [het kind] is sindsdien verbroken. Dit is zeer schadelijk voor [het kind]. De moeder werkt niet mee aan de ondertoezichtstelling en er is geen zicht op [het kind]. Uit het raadsonderzoek zijn zorgen naar voren gekomen over het overbeschermende gedrag van de moeder en over hoe de moeder de opvoeding vorm geeft. Door naar Bulgarije te vertrekken is de moeder de hulpverlening uit de weg gegaan en gaat zij voorbij aan de positie van de vader.

Als de vader alleen met het gezag is belast, kan hij er voor zorgen dat [het kind] terug naar Nederland keert hetgeen in het belang van [het kind] is. De veiligheid van [het kind] is in Nederland gewaarborgd door de ondertoezichtstelling en er kan onderzoek naar het vermeende seksueel misbruik door de vader plaatsvinden. Het hoofdverblijf van [het kind] zal bij terugkeer naar Nederland niet bij de vader moeten zijn. Als de moeder samen met [het kind] terugkeert, kan de GI verzoeken om een machtiging uithuisplaatsing van [het kind] bij de moeder. Als de moeder niet terugkeert, zal de uithuisplaatsing van [het kind] bij een neutraal pleeggezin moeten zijn.

Heviger dan deze maatregel tot wijziging van het gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag door de vader, is dat op termijn contactherstel tussen de vader en [het kind] niet meer mogelijk is. Door langer tijdsverloop zal het herstel steeds moeilijker worden, aldus de raad.

5.10

Het hof overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

5.11

Niet in geschil is dat sprake is van een wijziging van omstandigheden nu de moeder er voor heeft gekozen om met [het kind] in Bulgarije te blijven en geen contact tussen de vader en [het kind] plaatsvindt.

Het hof zal hierna beoordelen of aan (een van) de hiervoor onder 5.10 genoemde vereisten onder a en b, om het gezamenlijk gezag te kunnen wijzigen naar eenhoofdig gezag, wordt voldaan.

5.12

Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, is het hof gebleken dat al langdurig sprake is van communicatieproblemen en strijd tussen de ouders. De ingezette ouderschapsbemiddeling door Extra Leidsche Rijn vanaf december 2017 bracht onvoldoende verbetering in de onderlinge communicatieproblemen. De GI stelde in haar rapportage van 17 oktober 2018 onder andere vast, dat de ouders wederzijds geen vertrouwen in elkaar hebben, dat de spanningen tussen de ouders steeds verder escaleren en dat de ouders geen afspraken over de omgangsregeling kunnen maken. De zorgen over de negatieve invloed van de problematiek tussen de ouders op de ontwikkeling van [het kind] hebben daarna geleid tot een beschermingsonderzoek.

Sinds het vertrek van de moeder met [het kind] uit Nederland is de verstandhouding tussen de ouders nog verder verslechterd. De moeder informeert de vader niet over [het kind], betrekt hem niet bij de te nemen beslissingen in het kader van het gezag en houdt ieder contact van de vader met haar of [het kind] af. De vader is geheel buiten spel gezet door de moeder. Het nemen van beslissingen van enig belang over [het kind] in gezamenlijk overleg is al langere tijd onmogelijk. [het kind] komt hierdoor klem te zitten.

Het feit dat aan de vader bij spoedbevel een contactverbod met [het kind] is opgelegd en dat de moeder in de lopende bodemzaak in Bulgarije verzoekt om een bevel tot bescherming van haar en [het kind], rechtvaardigt niet dat de moeder de vader als mede gezaghebbende ouder op geen enkele wijze meer betrekt bij het nemen van beslissingen van enig belang over [het kind].

Daarbij is nog van belang dat de vader onweersproken stelt dat hij bij de procedure waarin het spoedbevel is uitgevaardigd niet betrokken was. Hij heeft daarvan pas achteraf kennis kunnen nemen doordat hij op een onjuist Bulgaars adres was opgeroepen.

De houding van de moeder naar zowel de vader als de hulpverlening (hierna onder 5.14 uiteengezet) geeft geen aanleiding om aan te nemen dat de situatie zal verbeteren. De moeder handhaaft haar opvatting dat eerst de resultaten van de onderzoeken naar [het kind] in Bulgarije moeten worden afgewacht en toont niet de bereidheid om tussentijds tot verbetering van de verstandhouding en communicatie tussen de ouders te komen.

5.13

Voldoende aannemelijk is geworden dat [het kind] door de reeds jarenlange aanhoudende strijd, die het afgelopen jaar is verergerd, klem of verloren raakt tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd verbetering zal komen. In de gegeven omstandigheden acht het hof het in het belang van [het kind] dat aan de vader alleen het gezag toekomt. Deze beslissing zal het hof hierna nader motiveren.

5.14

Het hof acht het ook anderszins in het belang van [het kind] noodzakelijk dat de moeder niet langer mede belast zal zijn met het gezag en overweegt daartoe als volgt.

De moeder houdt [het kind] sinds 10 januari 2019 zonder toestemming van de vader in Bulgarije. De vader heeft [het kind] sinds 18 december 2018 niet meer gezien en ook geen foto van en/of informatie over [het kind] van de moeder ontvangen, behoudens hetgeen in de gerechtelijke procedures is overgelegd. Naast de vader, ervaren ook de raad en de GI dat de moeder te beperkt inzicht biedt met betrekking tot [het kind].

De raad benoemt in zijn raadsrapport van 15 april 2019 dat de moeder onvoldoende inzicht biedt in de hulpverlening die volgens haar geboden wordt vanuit Bulgarije en dat hij geen inhoudelijk contact heeft kunnen krijgen met de betrokken professionals in Bulgarije. De moeder heeft evenmin meegewerkt aan een persoonlijk kindgesprek met/observatie van [het kind] vanuit de raad in Nederland. Het is voor de raad, zo staat ook in het rapport, onduidelijk gebleven of de moeder, met haar beschermende gedrag, vooral gericht is op regie houden op de situatie of dat het (ook) samenhangt met nog steeds bestaande psychische problemen (angst/trauma).

De GI is vanaf 31 mei 2019 betrokken als gezinsvoogdij-instelling voor [het kind] in het kader van de ondertoezichtstelling. Zij heeft op 11 november 2019 aan de Nederlandse CA een informatieverzoek en een zorgmelding met betrekking tot [het kind] gezonden, omdat zij wil weten hoe het gaat met de ontwikkeling en veiligheid van [het kind]. De GI kan de informatie die zij van de moeder heeft ontvangen niet controleren. Het lukt de GI niet om in contact te komen met de Bulgaarse autoriteiten of via de moeder met [het kind]. De moeder wil alleen één keer per maand via e-mail met de GI communiceren.

Het hof is van oordeel dat de moeder met haar handelwijze, waarbij zij [het kind] – zonder voorbereiding en afspraken met de mede gezaghebbende ouder – niet naar haar vertrouwde omgeving en routine in Nederland heeft teruggebracht en zij onvoldoende inzicht biedt in hoe het met [het kind] gaat en welke hulpverlening er betrokken is, er blijk van geeft het belang van [het kind] uit het oog te zijn verloren.

5.15

Daarnaast acht het hof voor zijn gezagsbeslissing zwaarwegend dat [het kind] al bijna een jaar geen enkele vorm van contact met de vader en haar vertrouwde omgeving in Nederland heeft en de moeder op geen enkele wijze laat blijken voornemens te zijn om (op termijn) terug te keren naar Nederland. Zij heeft haar woning en werk in Nederland opgezegd. Als de moeder mede met het gezag blijft belast en [het kind] niet terugkeert naar Nederland, bestaat het risico dat de band tussen haar en de vader verbroken wordt en [het kind] zich geen eigen beeld van de vader zal kunnen vormen. Dit vormt een groot risico voor haar identiteitsontwikkeling.

De moeder stelt dat zij noodgedwongen in Bulgarije is gebleven na uitlatingen van [het kind] over seksueel misbruik door de vader, maar het hof is van oordeel dat dit onvoldoende is om te rechtvaardigen dat zij de vader geheel niet meer als mede gezaghebbende ouder toelaat. De veiligheid van [het kind] is in Nederland gewaarborgd, onder andere door middel van de ondertoezichtstelling van [het kind] en de mogelijkheden voor onderzoek en hulpverlening.

5.16

Overeenkomstig het advies van de raad, acht het hof het in de gegeven omstandigheden in het belang van [het kind] noodzakelijk dat het gezag alleen aan de vader wordt toegekend, zodat er voldoende zicht kan komen op [het kind] en waarborging van het contact tussen [het kind] en haar beide ouders kan plaatsvinden. Niet te verwachten valt dat er verandering komt in de huidige situatie zolang de moeder mede met het gezag is belast, terwijl dit wel in het belang van [het kind] noodzakelijk is. Het hof heeft bij zijn oordeel meegewogen dat, voor de situatie dat de vader uit hoofde van eenhoofdig gezag beslist dat [het kind] terug naar Nederland moet komen, de vader zich bereid heeft verklaard in te stemmen met een uithuisplaatsing van [het kind]. Als de moeder met [het kind] naar Nederland komt is de vader ook bereid in te stemmen met een plaatsing van [het kind] bij de moeder. Dit sluit aan bij het advies van de raad dat [het kind] in geval van terugkomst in Nederland niet haar hoofdverblijf bij de vader moet hebben en dat de GI daarin de leiding dient te nemen.

5.17

Op grond van het voorgaande zal het hof het verzoek van de vader om hem alleen met het gezag te belasten toewijzen. Deze beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zodat daaraan in het belang van [het kind] meteen uitvoering kan worden gegeven. Het verzoek van de moeder om haar alleen met het gezag te belasten zal het hof afwijzen.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt grief 2 in het principaal hoger beroep en faalt grief 1 in het incidenteel hoger beroep. Aan de beoordeling van de overige grieven komt het hof niet toe, nu het primaire verzoek in het principaal hoger beroep wordt toegewezen. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 7 mei 2019, en opnieuw beschikkende:

beëindigt het gezamenlijk gezag van de ouders over [het kind], geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] en bepaalt dat het gezag over [het kind] voortaan aan de vader alleen toekomt;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, R. Krijger en K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door de griffier, en is op 24 december 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.