Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:11180

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-12-2019
Datum publicatie
31-12-2019
Zaaknummer
200.213.109
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Waiver zaak. Verklaring voor recht gedeeltelijk toegewezen. Geen belang overeenkomst I. Geen misbruik van recht. Geen restschuld, maar mogelijk wel schade. Vernietigingsbevoegdheid echtgenoot verjaard. Tussenpersoon niet opgetreden als orderremisier. Geen beroep op billijkheidscorrectie. Geen vordering uit hoofde van onjuiste afrekenkoersen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.213.109

(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede: 3751586)

arrest van 24 december 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Dexia,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

1 De procedure bij de rechtbank

Voor de procedure bij de rechtbank verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van
11 augustus 2015, 22 december 2015 en 3 mei 2016, die de kantonrechter van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede, heeft gewezen.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 3 augustus 2016,

- de memorie van grieven, met producties,

- de memorie van antwoord, met producties,

- een akte uitlating van [appellante] , met producties,

- een antwoordakte van Dexia.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Tussen Dexia (als rechtsopvolgster van Bank Labouchere N.V.) en [appellante] zijn de onderstaande drie effectenleaseovereenkomsten (hierna: de overeenkomsten) tot stand gekomen. Onderaan de overeenkomsten staat onder de handtekening van de lessee vermeld: “ATP037 Verzekerd Spaarplan Nederland” respectievelijk “ATP00037-V.S.N.”

Nr.

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

Looptijd

Totale leasesom

I

[contractnummer 1]

6-2-1998

Capital Effect

180 mnd

€ 20.522,21

II

[contractnummer 2]

18-6-1999

Capital Effect

240 mnd

€ 27.153,84

III

[contractnummer 3]

18-6-1999

Capital Effect

240 mnd

€ 16.435,20

3.2

Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten II en III eindafrekeningen opgesteld met de onderstaande positieve resultaten.

Nr.

Contractnr.

Datum eindafrekening

Resultaat

II

[contractnummer 2]

28-5-2007

€ 1.934,24

III

[contractnummer 3]

28-5-2007

€ 1.170,72

3.3

In het door Dexia overgelegde financiële overzicht is vermeld dat [appellante] op grond van overeenkomsten II en III in totaal € 16.432,14 aan maandtermijnen aan Dexia heeft betaald en dat [appellante] ten aanzien van de overeenkomsten II en III € 3.555,85 aan dividenden heeft ontvangen en fiscaal voordeel van € 2.249,15 heeft genoten.

3.4

Op 25 januari 2007 heeft het Gerechtshof Amsterdam de zogeheten “Duisenberg-regeling” voor aandelenleaseproducten algemeen verbindend verklaard in de zin van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade.1 [appellante] heeft door middel van een “opt-out” verklaring in de zin van artikel 7:908 lid 2 BW aangegeven niet aan deze regeling gebonden te willen zijn.

3.5

Bij brief van 9 mei 2007 heeft Leaseproces B.V. (hierna: Leaseproces) namens [appellante] aan Dexia bericht dat zij de nietigheid van overeenkomsten II en III inroept wegens het ontbreken van een vergunning als bedoeld in artikel 9 van de Wet op het Consumentenkrediet, althans overeenkomsten II en III worden vernietigd, althans worden ontbonden, op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, onrechtmatige daad, misleidende reclame en/of dwaling en is Dexia gesommeerd binnen twee weken alle door [appellante] betaalde bedragen vermeerderd met wettelijke rente, terug te betalen, alsmede BKR te Tiel op de hoogte te stellen van de nietigheid van overeenkomsten.

3.6

Als bijlage bij de brief van 9 mei 2007 heeft de echtgenoot van [appellante] in een brief aan Dexia bericht dat hij de door zijn echtgenote gesloten contracten met contractnummers [contractnummer 2] en [contractnummer 3] (overeenkomsten II en III) vernietigt op grond van artikel 1:88/89 BW wegens het ontbreken van zijn toestemming.

3.7

In zijn arresten van 28 maart 2008 en 5 juni 2009 heeft de Hoge Raad een oordeel gegeven over de rechtsregels en de beoordelingsmaatstaven die van toepassing zijn op effectenleasezaken als de onderhavige.2 Op 1 december 2009 heeft het Gerechtshof Amsterdam in een viertal arresten de uitspraak van de Hoge Raad uitgewerkt in het zogeheten “hofmodel”.3 In zijn arrest van 29 april 2011 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hof daarmee een juiste toepassing heeft gegeven aan de eerder bedoelde maatstaven.4
3.8 Bij brieven van oktober 2009 en 23 januari 2012 heeft Leaseproces namens [appellante] aan Dexia bericht dat [appellante] zich haar rechten ten aanzien van alle vorderingen op Dexia voorbehoudt.

3.9

Bij brief van 14 augustus 2014 heeft de gemachtigde van Dexia aan [appellante] verzocht antwoord te geven op de vraag of sprake is van een aanvaardbaar of onaanvaardbaar zware financiële last om al dan niet in aanmerking te komen voor een schadevergoeding.

3.10

De gemachtigde van Dexia heeft bij brief van 19 september 2014 [appellante] de mogelijkheid geboden om aan te tonen dat zij nog recht zou hebben op schadevergoeding. Indien [appellante] zou menen geen recht meer te hebben op enige schadevergoeding, kon zij de bij de laatste brief gevoegde “waiver” ondertekenen en retourneren. [appellante] heeft niet binnen de genoemde termijn gereageerd.

4 Het geschil en de beslissing bij de rechtbank

4.1

Dexia heeft gevorderd een verklaring voor recht dat zij ten aanzien van de drie overeenkomsten aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [appellante] verschuldigd is, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten. [appellante] heeft verweer gevoerd.

4.2

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis de vordering toegewezen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1

[appellante] heeft tegen de beslissing van de kantonrechter een zestal grieven aangevoerd. De grieven komen er in de kern op neer dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat Dexia uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten niets meer aan [appellante] verschuldigd is.


uitgangspunten
5.2 De onderhavige procedure betreft een zogenoemde waiverprocedure, dat wil zeggen een procedure waarin Dexia in rechte vastgesteld wil zien dat haar wederpartij – eventueel na betaling van een restantbedrag door Dexia – in rechte niets meer van haar te vorderen heeft uit hoofde van één of meerdere tussen partijen gesloten financiële effectenleaseovereenkomsten. Dexia stelt dat zij op grond van het hofmodel geen schadevergoedingsplicht jegens [appellante] heeft, omdat de overeenkomsten niet zijn geëindigd in een restschuld, maar met een positief resultaat. [appellante] heeft betwist dat Dexia niets meer aan haar verschuldigd is en zij heeft aangevoerd alsnog een vordering jegens Dexia geldend te kunnen maken, zodat de door Dexia gevorderde verklaring voor recht niet voor toewijzing vatbaar is. Op [appellante] rust de verplichting om, wil zij niet dat de vordering bij gebrek aan verweer wordt toegewezen, de stellingen van Dexia gemotiveerd te betwisten, zodanig dat kan worden beoordeeld of de door de haar gestelde vordering kan slagen en, in het verlengde daarvan, of de vordering van Dexia al dan niet kan worden toegewezen.5 Tegen deze achtergrond zal worden bezien op welke punten [appellante] meent nog vorderingen op Dexia te hebben.

omvang hoger beroep

5.3

[appellante] heeft in grief 1 aangevoerd dat Dexia geen belang heeft bij haar vordering met betrekking tot de effectenleaseovereenkomst met contractnummer [contractnummer 1] . Deze grief slaagt. [appellante] heeft jegens Dexia geen melding gemaakt van een eventuele vordering uit hoofde van de voornoemde overeenkomst. Nu met betrekking tot deze overeenkomst nooit een geschil tussen partijen heeft bestaan, heeft Dexia bij haar vordering voor wat betreft deze overeenkomst geen belang en dient deze in zoverre te worden afgewezen. Nu de grief slaagt, behoeft het subsidiair in deze grief naar voren gebrachte verweer van [appellante] , geen bespreking.

5.4

[appellante] komt met grief 4 op tegen het oordeel van de kantonrechter dat Dexia geen misbruik heeft gemaakt door het instellen van haar vordering. Volgens [appellante] is dat wel zo, omdat zij belang heeft bij het afwachten van de ontwikkelingen in de jurisprudentie en door deze procedure onevenredig in dat belang is geschaad. Dit hof heeft in verschillende uitspraken uiteengezet dat de voormelde omstandigheid niet leidt tot misbruik van de bevoegdheid van Dexia om de onderhavige vordering in te stellen. [appellante] heeft verder geen specifieke op haar toegesneden feiten of omstandigheden gesteld, waarom in deze zaak anders geoordeeld moet worden. Onder verwijzing naar zijn eerdere uitgesproken arresten verwerpt het hof dan ook de vierde grief.6

5.5

Voor zover Dexia heeft bedoeld te stellen dat [appellante] geen schade heeft geleden, omdat er geen sprake is van een restschuld maar van een positief resultaat, gaat dit niet op. Ook indien er geen restschuld is kan er sprake zijn van schade. Zoals uit het arrest van de Hoge Raad van 5 juni 2009 volgt, omvat de schade alle nadelige financiële gevolgen voor de afnemer van het aangaan van de overeenkomst. Onder die schade valt niet alleen een eventuele restschuld, maar ook de betaalde rente en, in voorkomende gevallen, de betaalde aflossing.7 Op grond van artikel 6:101 BW wordt vervolgens gekeken of een schadepost voor rekening van de afnemer dient te blijven.8

5.6

Het hof komt nu toe aan de overige grieven. [appellante] stelt nog vorderingen te hebben ter zake van de navolgende onderwerpen. Het hof bespreekt deze onderwerpen in de onderstaande volgorde:
- vernietiging van de overeenkomsten op grond van artikel 1:88 jo 1:89 BW (grief 6);

- het doorgeven van orders (grief 3);
- advisering door tussenpersoon (grief 2);
- het hanteren van onjuiste afrekenkoersen (grief 5).

onverschuldigde betaling na vernietiging van overeenkomsten II en III door de echtgenoot

5.7

[appellante] heeft als meest verstrekkend verweer tegen de toewijzing van de verklaring voor recht in grief 6 aangevoerd dat de bevoegdheid van haar echtgenoot om overeenkomsten II en III te vernietigen op het moment van de vernietiging (9 mei 2007) nog niet was verjaard, zodat hij deze overeenkomsten rechtsgeldig heeft vernietigd en [appellante] uit dien hoofde een vordering wegens onverschuldigde betaling heeft op Dexia.

5.8

Tussen partijen is niet in geschil dat de echtgenoot van [appellante] niet de vereiste (schriftelijke) toestemming voor het aangaan van overeenkomsten II en III heeft gegeven, zodat deze op grond hiervan vernietigbaar waren.

5.9

Volgens vaste rechtspraak vangt de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot vernietiging aan op het moment dat de betrokken echtgenoot daadwerkelijk – subjectief – bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenoot bekend zijn en niet de bekendheid van de echtgenoot met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenoot wist van de overeenkomst en niet om de vraag op welk moment de echtgenoot wist of begreep dat hij bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen.9 Niet noodzakelijk is dat de echtgenoot de (exacte) inhoud van de overeenkomst kende.

5.10

In de onderhavige zaak zijn de overeenkomsten II en III gesloten op 18 juni 1999. [appellante] heeft in de memorie van grieven aangegeven dat zij na het afsluiten van de overeenkomsten II en III aan haar echtgenoot heeft verteld dat zij een spaarproduct had afgesloten bij de tussenpersoon Verzekerd Spaarplan Nederland (hierna: V.S.N.), waarbij een beleggingselement een rol speelde. Nu zij aangeeft dat haar echtgenoot bekend was met het afsluiten en bestaan van de overeenkomsten II en III en hij wist dat de overeenkomsten iets met aandelen te maken hadden, moet de verjaringstermijn worden geacht te zijn aangevangen vanaf het moment waarop de overeenkomsten werden gesloten en was de bevoegdheid tot vernietiging van de overeenkomsten II en III op of omstreeks 18 juni 2002 verjaard. Dat haar echtgenoot op het moment van het afsluiten van de overeenkomsten niet bekend was met de juridische kwalificatie van die overeenkomsten doet daar niet aan af. Het gaat erom wanneer de echtgenoot daadwerkelijk subjectief bekend raakte met het bestaan van de overeenkomsten en dat was op of omstreeks 18 juni 1999. Dit betekent dat door de echtgenoot van [appellante] niet tijdig de vernietiging van de overeenkomsten II en III is ingeroepen en [appellante] ter zake van dit punt geen vordering op Dexia heeft. Grief 6 faalt.

Is V.S.N. opgetreden als orderremisier?

5.11

Met grief 3 heeft [appellante] aangevoerd dat V.S.N. is opgetreden als orderremisier. Het betoog komt er kort gezegd op neer dat het doorsturen van het aanvraagformulier, dat wordt gebruikt in effectenleasezaken als de onderhavige, althans het door V.S.N. laten ondertekenen van het contract en terugzenden aan Dexia aan te merken is als het doorgeven van een order. Het belang van die vraag is dat voor het doorgeven van een order op grond van artikel 7 lid 1 Wte 1995 een vergunning nodig is en dat het op grond van artikel 41 NR 1999 verboden is om een order te accepteren van een tussenpersoon die niet over de vereiste vergunning beschikt. [appellante] stelt dat Dexia in strijd met het wettelijk verbod een order heeft geaccepteerd van een tussenpersoon (V.S.N.) die niet over de vereiste vergunning beschikte. Dexia heeft daarmee onrechtmatig jegens haar gehandeld en zij heeft daarom op dit punt nog een vordering op Dexia.

5.12

In deze procedure is een aanvraagformulier van [appellante] aan het hof verstrekt, gedateerd 15 juni 1999, waarop haar personalia en een opsomming van diverse effectenleaseproducten onder de titel “Aanvraagformulier Labouchere Effecten Lease” staan. Op het aanvraagformulier is uit de opsomming van zes verschillende soorten ‘Effect’ producten het product Capital Effect gekozen. Er is een looptijd van 20 jaar aangekruist. Daarnaast is aangekruist dat er een vooruitbetaling volgt en er is een maandbedrag van NLG 100,- genoteerd. Verder staat op het aanvraagformulier ‘V.S.N.’ en ‘Enschede’ genoteerd en staat [naam medewerker van V.S.N.] genoemd als medewerker van V.S.N. Het aanvraagformulier is ondertekend; het is niet duidelijk van wie de handtekening afkomstig is. Blijkens de faxregel bovenaan het formulier is het aanvraagformulier op 15 juni 1999 door V.S.N. verzonden. Dexia heeft op of omstreeks 18 juni 1999 twee effectenleaseovereenkomsten aan [appellante] toegezonden. De overeenkomsten bevatten onder meer de overeengekomen leasesom en de verschuldigde rente, de looptijd van de overeenkomst en de hoogte van de maandtermijnen. Uit deze overeenkomsten blijkt dat deze door [appellante] zijn ondertekend. Blijkens een stempel op de overeenkomsten zijn de overeenkomsten II en III op 1 juli 1999 door Dexia (althans haar rechtsvoorgangster) ontvangen.

5.13

Het hof heeft in zijn arresten van 15 oktober 2019 en 10 december 2019 overwogen dat het doorsturen van een aanvraagformulier, zoals gebruikt in de onderhavige zaak, door een tussenpersoon niet kan worden aangemerkt als het doorgeven van een order, zodat op dit punt niet van een schending van artikel 41 NR 1999 is gebleken.10 Dit geldt ook in het geval de effectenleaseovereenkomsten door V.S.N. aan Dexia zijn doorgezonden. Het hof heeft een beperkte uitleg aan het begrip ‘doorgeven van een order’ gegeven. Het hof heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 juni 2017 en naar de recent verschenen conclusie van AG Wissink.11 Daarbij merkt het hof nog op dat het, zonder nadere toelichting die ontbreekt, uit de productie 35 niet heeft kunnen afleiden dat Dexia op basis van het aanvraagformulier “alvast” aandelen kocht. Nu [appellante] geen feiten of omstandigheden heeft gesteld, waaruit een ander oordeel zou moeten volgen, wordt onder verwijzing naar de voornoemde arresten van 15 oktober 2019 en 10 december 2019 ook grief 3 verworpen.

advisering door tussenpersoon
5.14 [appellante] heeft met een beroep op de na het vonnis in eerste aanleg gewezen arresten van de Hoge Raad van 2 september 2016 aangevoerd dat in haar geval sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon V.S.N. die niet over de vereiste vergunning beschikte en Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn.12 Nu Dexia het aangaan van de overeenkomst niet heeft geweigerd, eist de billijkheid volgens [appellante] in de onderhavige situatie dat de vergoedingsplicht van Dexia niet wordt verminderd wegens eigen schuld aan de kant van [appellante] .

5.15

De Hoge Raad heeft in de hiervoor onder 5.14 genoemde arresten van 2 september 2016 (en bevestigd in zijn uitspraak van 12 oktober 2018) kort gezegd geoordeeld dat als Dexia een overeenkomst heeft gesloten met een particulier waarbij een cliëntenremisier is opgetreden die de particulier heeft geadviseerd om bij Dexia een effectenleaseproduct te kopen, terwijl deze cliëntenremisier geen vergunning had om effectenleaseproducten te verkopen en daarover te adviseren en Dexia hiervan wist of behoorde te weten, sprake is van een (extra) onrechtmatigheidsgrond die Dexia zwaar wordt aangerekend.13 De reden hiervoor is dat een particulier die is geadviseerd door een dienstverlener minder snel dan een particulier die rechtstreeks contact heeft met de aanbieder van een effectenleaseproduct bedacht hoeft te zijn op (en zich minder snel uit zichzelf hoeft te verdiepen in) niet genoemde risico’s.14 In zo’n geval is het billijk dat bij de verdeling van de schade tussen Dexia en de afnemer de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. De Hoge Raad heeft tegen die achtergrond dus een afwijking aanvaard van de in het hofmodel gehanteerde schadeverdeling wegens eigen schuld van de afnemer.

5.16

Dexia heeft in haar memorie van antwoord in de punten 41 tot en met 60 verschillende bezwaren tegen de toepassing van de arresten van de Hoge Raad van 2 september 2016 geformuleerd, maar deze bezwaren zijn allemaal ontleend aan het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 1 augustus 2017.15 Tegen dat arrest is beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 oktober 2018 beslist dat er geen aanleiding is om terug te komen van de beslissingen die zijn gegeven in de arresten van 2 september 2016 en het arrest van het Gerechtshof Amsterdam vernietigd.16 De bezwaren van Dexia gaan daarom niet op.

5.17

Het hof komt nu toe aan de vraag of V.S.N. [appellante] heeft geadviseerd en/of Dexia dat wist of behoorde te weten. Tussen partijen is niet in geschil dat V.S.N. betrokken is geweest bij de totstandkoming van de overeenkomsten II en III tussen [appellante] en Dexia. Dit blijkt ook uit het aanvraagformulier en de overeenkomsten. [appellante] heeft gesteld dat zij in juni 1999 door een medewerker van V.S.N. werd gebeld en dat haar werd meegedeeld dat er bij beëindiging van overeenkomst I op dat moment, sprake zou zijn van winst en dat het verstandig zou zijn om die winst te investeren in twee nieuwe overeenkomsten, hetgeen ook is gebeurd. Uit deze enkele stelling kan niet worden afgeleid dat V.S.N. [appellante] een op haar persoonlijke situatie toegesneden advies heeft gegeven. [appellante] stelt ook dat in 1998 een medewerker van V.S.N. viermaal bij haar thuis is geweest en haar een document heeft verstrekt met daarop een tijdbalk en bedragen die tot uitkering zouden komen, maar dit betreft een document dat is verstrekt voor het afsluiten van overeenkomst I. [appellante] heeft in het geheel geen verband gesteld tussen de advisering ten aanzien van overeenkomst I en ten aanzien van de overeenkomsten II en III. [appellante] heeft haar stelling dat zij met betrekking tot het aangaan van de overeenkomsten II en III is geadviseerd dan ook onvoldoende onderbouwd. Daar komt nog bij dat [appellante] de wetenschap van Dexia van de gestelde advisering door V.S.N. onvoldoende heeft onderbouwd. [appellante] heeft wel verwezen naar stukken (waaronder teksten van websites) en verklaringen, maar deze hebben betrekking op andere tussenpersonen en gaan niet over V.S.N.

5.18

De hiervoor genoemde omstandigheden voeren tot de slotsom dat [appellante] onvoldoende heeft onderbouwd dat V.S.N. haar ten aanzien van de overeenkomsten II en III een op haar toegesneden situatie beleggingsadvies heeft gegeven en dat Dexia hiervan wist of behoorde te weten. Grief 2 faalt dan ook. Gelet op het voorgaande behoeven het beroep van Dexia op schending van de klachtplicht en de verjaring geen bespreking meer.

het hanteren van onjuiste afrekenkoersen
5.19 Het hof overweegt tot slot dat [appellante] ook geen vordering heeft vanwege het hanteren van onjuiste afrekenkoersen, zoals [appellante] heeft aangevoerd in grief 5. Het hof heeft in een tiental arresten, waaronder het arrest van 25 juni 2019, overwogen dat de afnemer in algemene zin uitlegt hoe de gang van zaken was, maar dat niet is uitgewerkt om welke bedragen het in het geval van de betreffende afnemer zou kunnen gaan.17 Ook [appellante] heeft nagelaten toe te lichten welke vordering voor haar uit deze kwestie zou kunnen voortvloeien. Zij had haar mogelijke vordering, in het kader van haar verweer in de onderhavige procedure, nader moeten concretiseren en cijfermatig moeten onderbouwen. Daar komt bij dat de gelijkluidende stelling dat Dexia onjuiste afrekenkoersen zou hebben gehanteerd door dit hof is verworpen in het arrest van 1 augustus 2017.18 Het cassatieberoep tegen deze overwegingen van het hof is vervolgens door de Hoge Raad verworpen.19 De vijfde grief faalt eveneens. Het door Dexia bij memorie van antwoord in dit verband gedane beroep op verjaring en schending van de klachtplicht ter zake van deze vordering behoeft geen bespreking meer.

6 De slotsom

6.1

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat grief 1 slaagt en dat de verklaring voor recht ten aanzien van overeenkomst I met contractnummer [contractnummer 1] moet worden afgewezen bij gebrek aan belang. In zoverre zal het hof het eindvonnis van 3 mei 2016 vernietigen. De overige grieven falen, waardoor de door Dexia gevraagde verklaring voor recht zal worden toegewezen met betrekking tot de overeenkomsten met contractnummers [contractnummer 2] en [contractnummer 3] . Het hof zal het bestreden tussenvonnis bekrachtigen en het eindvonnis gedeeltelijk vernietigen.

6.2

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Dexia zullen worden vastgesteld op € 716,- voor griffierecht en € 1.611,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (1,5 punten x appeltarief II).

6.3

Als niet weersproken zal het hof ook de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede, van 11 augustus 2015;

vernietigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede, van 3 mei 2016, behoudens voor wat betreft de proceskostenveroordeling en de uitvoerbaar bij voorraadverklaring daarvan, bekrachtigt dit vonnis in zoverre en doet voor het overige opnieuw recht;

verklaart voor recht dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en [appellante] gesloten overeenkomsten van effectenlease met contractnummers [contractnummer 2] en [contractnummer 3] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [appellante] verschuldigd is;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Dexia vastgesteld op € 716,- voor griffierecht en op € 1.611,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [appellante] in de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. I. Brand, W.C. Haasnoot en B.J. Engberts en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 december 2019.

1 Gerechtshof Amsterdam 25 januari 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033.

2 Hoge Raad 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2837 en Hoge Raad 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815.

3 Gerechtshof Amsterdam 1 december 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK:4978, BK4981, BK4982 en BK4983.

4 Hoge Raad 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4003.

5 Conclusie AG Wissink van 21 december 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1429, onder 5.19.4.

6 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 mei 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:4120 en 17 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6551.

7 Hoge Raad 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815, r.o. 5.4.3.

8 Hoge Raad 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815, r.o. 5.6.1.

9 Hoge Raad 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1866.

10 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:8462 en 10 december 2019 ECLI:NL:GHARL:2019:10565 onder 5.11 tot en met 5.14 en ECLI:NL:GHARL:2019:10568 onder 5.10 tot en met 5.13.

11 Hof van Justitie van de Europese Unie 14 juni 2017, ECLI:EU:C:2017:451 en Conclusie AG Wissink 15 november 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1203.

12 Hoge Raad van 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 en ECLI:NL:HR:2016:2015.

13 Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 en bevestigd in Hoge Raad 10 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935.

14 Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012.

15 Gerechtshof Amsterdam 1 augustus 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3101.

16 Hoge Raad 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935.

17 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 juni 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5266 onder 5.30 en 5.31.

18 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 augustus 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:6577 onder 5.12 en 5.13.

19 Hoge Raad 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.