Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:11117

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-12-2019
Datum publicatie
24-12-2019
Zaaknummer
200.227.882/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging van de managementovereenkomst en productieovereenkomst door deejay ongegrond.

Beroep op dwaling, bedrog en misbruik van omstandigheden afgewezen. Ook kan niet worden gezegd dat management en platenmaatschappij in hun verplichtingen tegenover deejay toerekenbaar tekortgeschoten zijn.

De eenzijdige verlengingsoptie in de productieovereenkomst is op grond van artikel 25f Auteurswet nietig. De verlengingsoptie in de managementovereenkomst is vanwege de nauwe samenhang tussen beide overeenkomsten eveneens nietig.

Deejay is in de gegeven omstandigheden aan te merken als fonogrammenproducent van zijn Tracks.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AMI 2020-3-4, nr. 6 met annotatie van B.H.M. Schipper
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.227.882/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/406771)

arrest van 24 december 2019

in de zaak van

1 Spinnin Records B.V.,

gevestigd te Hilversum,

hierna: Spinnin,

2. MusicAllStars Management B.V.,

gevestigd te Hilversum,

hierna: MAS,

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: Spinnin c.s.,

advocaat: mr. M.C. Franken-Schoemaker, kantoorhoudend te Houten,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. O. Düzgün, kantoorhoudend te Amsterdam.

1 De procedure bij de rechtbank

In de vonnissen van de Rechtbank Midden-Nederland van 8 maart 2017 en

20 september 2017 staat hoe de procedure bij de rechtbank is verlopen.

2 De procedure bij het gerechtshof

2.1

Het gerechtshof (hierna: het hof) heeft de volgende stukken van partijen ontvangen:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep van Spinnin c.s. van 15 november 2017,

  • -

    het exploot van anticipatie van [geïntimeerde] van 15 november 2017,

  • -

    de memorie van grieven met eiswijziging met producties 85 - 99 van Spinnin c.s.,

  • -

    de memorie van antwoord in het principaal hoger beroep en de memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep met eiswijziging en de vordering tot inzage op de voet van 843a Rv met producties 134 - 194 van [geïntimeerde] ,

  • -

    de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep en het antwoord van Spinnin c.s. op de eiswijziging en de inzagevordering van [geïntimeerde] ,

  • -

    een akte wijziging van de inzagevordering van 26 april 2019 met producties A - C van [geïntimeerde] ,

  • -

    een brief van de advocaat van [geïntimeerde] van 26 april 2019 met aanvullende producties 194 -202,

  • -

    een akte met producties 100 - 135 van Spinnin c.s.,

  • -

    het schriftelijke bezwaar daartegen van de advocaat van [geïntimeerde] , en

  • -

    de antwoordakte van Spinnin c.s. op de eiswijziging van 26 april 2019, die bij het hof is binnengekomen op de ochtend van de zitting.

2.2

Het hof heeft de zaak behandeld tijdens zijn zitting op 13 mei 2019. Tijdens de zitting hebben de advocaten van [geïntimeerde] en Spinnen c.s. de zaak toegelicht. Zij hebben daarbij aantekeningen gebruikt. Van wat er op de zitting is gebeurd en is besproken is een verslag (proces-verbaal) gemaakt.

2.3

Het hof heeft partijen tijdens de zitting meegedeeld dat de producties 100, 103, 104, 106, 109 en 110 van Spinnin c.s. worden geweigerd omdat de daarin opgenomen toelichting moet worden aangemerkt als een nieuw processtuk (verkapte conclusie). Het indienen daarvan is in deze fase van de procedure in strijd met de goede procesorde. Van productie 107 heeft het hof alleen de toelichting geweigerd en niet de daarin opgenomen
e-mailcorrespondentie. Het hof heeft daarnaast de antwoordakte van Spinnin c.s. op de eiswijziging geweigerd, omdat deze te laat is toegestuurd.

3 Waar het in hoger beroep over gaat

3.1

Waar het in deze zaak allereerst om gaat is of [geïntimeerde] de overeenkomsten met Spinnin c.s. op grond van dwaling terecht heeft vernietigd. Het hof zal deze vraag, anders dan de rechtbank, ontkennend beantwoorden. Hierna (onder 7) wordt uitgelegd hoe het hof tot dat oordeel is gekomen. Op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep zal het hof daarna onderzoeken of [geïntimeerde] de overeenkomsten met Spinnin en MAS op andere gronden heeft kunnen vernietigen, ontbinden of beëindigen. Daarbij zal het hof ingaan op wat partijen hierover bij de rechtbank hebben aangevoerd.

3.2

De tweede vraag die in hoger beroep moet worden beantwoord, is of [geïntimeerde] moet worden aangemerkt als de producent van fonogrammen als bedoeld in
artikel 1 van de Wet op de naburige rechten (Wnr). Het hof zal deze vraag net als de rechtbank bevestigend beantwoorden.

3.3

Omdat het antwoord op de eerste vraag en de beoordeling van de andere gronden

sterk verweven zijn met de feiten, zal het hof eerst (onder 4) de relevante feiten weergeven. Het hof zal onder 5 ingaan op wat partijen over en weer hebben gevorderd, op wat de rechtbank heeft beslist en op wat partijen in hoger beroep vorderen.

4 De feiten

4.1

De rechtbank heeft in het vonnis van 20 september 2017 onder (2.1 - 2.33) de feiten vastgesteld. Tegen deze vaststelling zijn door partijen geen bezwaren aangevoerd. Aangevuld met wat in hoger beroep is komen vast te staan, zijn die feiten, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt.

4.2

[geïntimeerde] is onder de naam Martin Garrix een wereldberoemde deejay. De op 17 juni 2013 uitgebrachte track Animals zorgde voor zijn grote doorbraak. In 2016 is [geïntimeerde] door DJ MAG als nummer 1 deejay van de wereld gekozen.

4.3

Spinnin is een onderneming die zich sinds 1999 bezig houdt met het vermarkten van muziek van deejays. Spinnin is wereldwijd toonaangevend op het gebied van Electronic Dance Muziek (EDM).

4.4

MAS is in 2007 opgericht en houdt zich bezig met het boeken, managen, exploiteren en vermarkten van personen, diensten en rechten in de entertainmentbranche.

4.5

[B] en [C] zijn (indirect) eigenaren en (indirect) bestuurders van Spinnin en MAS. Spinnin en MAS zijn op hetzelfde kantooradres gevestigd. Rodeo Media B.V., de (sub)licentienemer van Spinnin, is ook op dat adres gevestigd. [B] en [C] zijn medeaandeelhouders van Rodea Media.

4.6

Op 21 mei 2012 heeft [geïntimeerde] , vertegenwoordigd door zijn vader (hierna: [de vader van geïntimeerde] ), voor de duur van drie jaar, ingaande op 1 juni 2012, een exclusieve auteursrechtovereenkomst met Universal Music Publishing gesloten (hierna: Universal).

4.7

Korte tijd daarna ontmoette [geïntimeerde] [C] . [geïntimeerde] , toen nog een beginnend artiest, wilde dat Spinnin zijn muziek zou uitbrengen.

4.8

Naar aanleiding van dit gesprek, heeft [B] op 20 juni 2012 aan [geïntimeerde] en [de vader van geïntimeerde] conceptovereenkomsten gestuurd voor productie en management. In de begeleidende e-mail staat het volgende te lezen:

"Zoals besproken met [D] en [C] treffen jullie bijgaand concept overeenkomsten voor de produkties en voor het door ons te voeren management. We zien jullie commentaar tegemoet. En, bel vooral als jullie een toelichting willen of uitleg wensen van bepaalde vaktermen".

4.9

Op 26 juni 2012 zijn de conceptovereenkomsten voor management en productie door [B] en [C] met [de vader van geïntimeerde] besproken. Tijdens dit gesprek heeft [de vader van geïntimeerde] aangegeven advies te willen inwinnen bij derden.

4.10

[geïntimeerde] is op 27 juni 2012 met [E] , een concurrent van MAS, gaan praten over de door Spinnin c.s. aangeboden overeenkomsten.

4.11

[de vader van geïntimeerde] heeft juridisch advies ingewonnen bij mr. Wilma Wagenaar, bedrijfsjuriste van Universal. In een e-mail van 3 juli 2012 bericht zij hem als volgt:

“Ik vraag mij eerlijk gezegd af waarom [geïntimeerde] nu, in de fase waar hij nu in zit, een management contract zou moeten sluiten. (…)

Voor het vervaardigen van opnamen kan hij een produktie/artiesten/licentie overeenkomst met Spinning afsluiten. Ook daar heeft het management contract geen toegevoegde waarde, sterker nog, dat lijkt mij eerder belangenverstrengeling. Je kan moeilijk verwachten dat het management namens [geïntimeerde] stevig met zichzelf gaat onderhandelen over de voorwaarden van de produktie/artiesten/licentie overeenkomst, en, ingevolge die overeenkomst, is er al sprake van begeleiding van zijn carrière als artiest/dj/producer.(…)

Als ik het goed lees dan verwacht Spinning dat [geïntimeerde] een klant en klare master aanlevert en ook hoesontwerpen e.d. Hij maakt de opnamen dus volledig voor eigen rekening en risico maar draagt wel alle rechten op die opnamen vervolgens over, zonder dat daar enige vergoeding tegenover staat (voorschot). [geïntimeerde] is dan in feite de fonogrammenproducent en niet Spinning, en hij heeft dus ook recht op dat deel van Sena. Ook is hij in deze overeenkomst zelf verantwoordelijk voor de contractuele afwikkeling m.b.t. andere medewerkenden aan de opnamen, sample clearances etc. (…)

In feite kan hij onder de voorgestelde voorwaarden beter een licentie overeenkomst sluiten. Dan draagt hij zijn volledige rechten niet over maar verleent hij voor een beperkte duur het exploitatierecht aan Spinning.”

4.12

[de vader van geïntimeerde] heeft de conceptovereenkomsten ook aan entertainmentadvocaat mr. Rob van Dongen ter beoordeling voorgelegd.

4.13

De conceptovereenkomsten zijn door [B] naar aanleiding van de opmerkingen van [de vader van geïntimeerde] op een aantal punten aangepast en op 9 juli 2012 aan [de vader van geïntimeerde] gemaild.

4.14

Op 11 juli 2012 heeft [geïntimeerde] het managementcontract getekend (hierna: de managementovereenkomst).

4.15

In de managementovereenkomst staat onder andere het volgende:

"nemen in overweging dat:

  • -

    het de doelstelling van partijen is om Artiest verder te ontwikkelen als uitvoerend artiest (onder andere auteur/artiest/producer, dj en presentator);

  • -

    het Management haar kennis en onderneming ter beschikking stelt om bovenstaande ontwikkeling als uitvoerend artiest te bewerkstelligen;

  • -

    de Artiest zich ter beschikking stelt voor alle werkzaamheden in de entertainmentsector die uit onderhavige overeenkomst zullen voortkomen;

  • -

    Artiest een productiecontract zal tekenen met Spinnin' Records BV en Universal;

  • -

    het Management zo goed als mogelijk de zakelijke en artistieke belangen van Artiest zal behartigen

(…)

Artikel 1 – Opdracht:

1.1

Artiest stelt management aan als diens exclusieve manager om, gedurende de looptijd van deze overeenkomst, zijn zakelijke belangen te behartigen met betrekking tot zijn werkzaamheden als uitvoerend Artiest in de entertainmentsector en/of producer/auteur van muziekwerken, een en ander zoals aangegeven in artikel 3.1 van deze overeenkomst.

1.2

Management accepteert deze opdracht en zal dientengevolge alles doen en niets laten om Artiest te vertegenwoordigen, coachen, adviseren, managen en begeleiden met als doel de carrière van Artiest te bevorderen en te trachten hieruit werkzaamheden te ontplooien die hierop aansluiten.

1.3

Doelstelling van het management is om van Artiest binnen de duur van deze overeenkomst (zijnde enkele jaren) een succesvol artiest te maken.

(…)

Artikel 2 - Duur van de Overeenkomst:

2. Deze overeenkomst vangt aan op 11 juli 2012 en wordt aangegaan voor de duur van 2 (twee) jaar en zal dus lopen tot 11 juli 2014. Het Management heeft het recht om deze overeenkomst te verlengen met nog 1 jaar. (…)

Artikel 3 - Rechten en Plichten van het Management:

3.1

Management verplicht zich jegens Artiest na ondertekening van deze overeenkomst zo goed als mogelijk de zakelijke en artistieke belangen van Artiest te behartigen met betrekking tot diens carrière als uitvoerend Artiest in de entertainmentsector, zoals maar niet beperkt tot dj, producer, componist, tekstdichter, arrangeur, presentator, etc.

3.2

Hiervoor zal het Management de volgende werkzaamheden in goed overleg met Artiest verrichten:

 het begeleiden van de Artiest in zijn carrière als uitvoerend artiest;

 Het voeren van onderhandelingen met derden met als doel Artiest te voorzien van werk dat aansluit op de artistieke mogelijkheden van Artiest, waarbij honorering, aard en frequentie van deze werkzaamheden in goed onderling overleg worden bepaald;

 het adviseren van Artiest bij en het voeren van contractbesprekingen met derden ten aanzien van aan Artiest toekomende rechten van intellectuele eigendom en daarmee samenhangende royaltyvergoedingen;

 het controleren van boekingen van optredens, het bemiddelen van overeenkomsten met derden ten behoeve van muziekopdrachten, (doen) opstellen van overeenkomsten en afrekeningen;

 opzetten, uitvoeren en/of begeleiden van Artiest bij social media activiteiten

 begeleiden bij aanmelden van werken van Artiest bij Buma Stemra en Sena.

3.3

Het Management zal de Artiest zo goed mogelijk op de hoogte houden van de ontwikkelingen betreffende de carrière van Artiest en daarmee gepaard gaande (promotionele) werkzaamheden. Daartoe zal rechtmatig, minimaal 1 per keer maand overleg plaatsvinden. belangrijke email berichten, correspondentie en overeenkomsten worden steeds in kopie doorgestuurd aan de Artiest. (…)

Artikel 5 - Vergoedingen:

5.1

Als vergoeding voor diens werkzaamheden ontvangt het Management een vergoeding van 20% (twintig procent) van de aan de Artiest toekomende netto inkomsten. De inkomsten worden verhoogd met de door het management verschuldigde BTW. Kosten die van de inkomsten af gaan zijn onder andere reis en verblijfkosten gemaakt om te draaien als dj, en studio huur in verband met de producties. (…)

Artikel 7 - Beëindiging van de Overeenkomst:

7.1

Deze overeenkomst betreft een overeenkomst voor een bepaalde tijd en eindigt derhalve van rechtswege zoals bepaald in artikel 2 van deze overeenkomst.

7.2

Indien één der partijen zijn verplichtingen uit deze overeenkomst jegens de andere partij niet nakomt en strijdig met de bepalingen van deze overeenkomst handelt, kan de andere partij hem per aangetekend schrijven in gebreke stellen. Dit dient te gebeuren met een gedetailleerde omschrijving van de feiten hieromtrent. De andere partij heeft dam maximaal 8 weken (acht weken) de kans om alsnog zijn verplichtingen uit deze overeenkomst correct na te komen, dan wel zijn gedragingen ongedaan te maken. Geeft de betreffende partij hieraan geen gehoor, dan zal zij per aangetekend schrijven in verzuim worden gesteld en daarmee is de andere partij gerechtigd deze overeenkomst, zonder tussenkomst te beëindigen. (…)

Artikel 10 – Slotbepalingen:

(…)

10.3

De Artiest verklaart hierbij dat het management hem heeft geadviseerd om onafhankelijk advies in te winnen alvorens tot ondertekening van deze overeenkomst over te gaan.”

4.16

Op 20 juli 2012 heeft [geïntimeerde] de productieovereenkomst getekend.
De overeenkomst bestaat uit een brief met een opsomming van de afspraken (hierna: de briefovereenkomst) en een productieovereenkomst met bijlage (hierna met de briefovereenkomst: de productieovereenkomst 2012).

4.17

In de briefovereenkomst staat onder ander het volgende:

"Zoals uitvoerig besproken bevestigen wij hierbij het volgende.

  1. Vanaf heden produceer jij exclusief voor Spinnin' Records B.V., dat wil zeggen alle eigen produkties en produkties met anderen, remixen e.d. worden via Spinnin' Records B.V. uitgebracht en verkocht.

  2. Alle releases zullen via Spinnin' Records B.V. of via derden worden uitgebracht, een en ander in goed overleg.

  3. De duur van deze exclusieve producers-overeenkomst is 2 (twee) jaar vanaf heden.

  4. Spinnin’ Records B.V. wordt eigenaar van de produkties, releases, remixen e.d. die je produceert. Voor de produkties die je maakt gelden de condities zoals weergegeven in de produktieovereenkomst zoals gehecht aan en onlosmakend onderdeel van deze briefovereenkomst, inclusief de genoemde royalty en doorbetalings bepalingen. Echter voor zover nog niet overgedragen, draag je reeds hierbij bij voorbaat onherroepelijk en volledig over aan Spinnin’ Records B.V. alle rechten, onbeperkt, eeuwigdurend en wereldwijd, van de te maken en gemaakte produkties tijdens de duur van deze overeenkomst inclusief verlengingen conform de bepalingen uit deze overeenkomst, inclusief bijlagen, zonder dat daarvoor een aparte produktieovereenkomst nodig is.

(…)

7. Spinnin’ Records B.V. heeft het recht om deze overeenkomst te verlengen met 1 (een) jaar, op basis van dezelfde condities als in de producers en produktie overeenkomst, een en ander door Spinnin’ Records B.V. schriftelijk te bevestigen uiterlijk 1 (een) maand voor het einde van betreffende periode. Echter, voor de royalties als genoemd in de produktieovereenkomst geldt een opslag van 10%, dat wil zeggen van 18% naar 19,8% (en 33%). Echter, indien het succes tegenvalt, geldt een deductie van 10%, dat wil zeggen van 18% naar 16,2% (en 27%).

8. Ondanks de exclusieve deal met Spinnin Records wil je toch ook samenwerken met Universal en daaromtrent zijn nadere afspraken gemaakt. (…)

4.18

In de productieovereenkomst staat, voor zover van belang, het volgende:

"Artikel 2 - Rechten

De Producer ( [geïntimeerde] , hof) draagt bij de ondertekening van deze Overeenkomst aan SR (Spinnin Records, hof) over het volledige eigendomsrecht en het exclusieve recht om van de geluidsband en de opname(n) daarop reprodukties te vervaardigen en de aldus vervaardigde reprodukties in het gebied te verkopen of de geluidsband anderszins te exploiteren (inclusief transmissie/download, ringtone, streaming, kopiëren, beeldrecht en internet) in de ruimste zin des woords met dien verstande echter dat genoemd recht beperkt zal zijn tot het gebruik van de geluidsband als vermeld in de Bijlage, inclusief alle (re)mixen vocals en afgeleiden daarvan. De Producer verklaart tevens geen her-opnames, remakes of covers voor derden te vervaardigen van de geluidsband(en) als vermeld in de Bijlage. (…)

Artikel 5 - Vergoedingen

Als vergoeding voor de aan haar ingevolge deze overeenkomst verleende rechten, zal SR aan de Producer verschuldigd worden:

I. (i) een royalty vergoeding als vermeld in de Bijlage over 100% SR verkopen van alle ingevolge deze overeenkomst afgerekende en niet geretourneerde en aan SR afgerekende reprodukties te berekenen over de door SR netto ontvangen PPD.

(ii) Ingeval van in-house compilaties uitgebracht door SR zal SR 50% van het onder (i) bedoelde percentage verschuldigd worden

II Voor wat betreft het verlenen van (sub) licentierechten aan derden en overige exploitatie in binnen- of buitenland bedraagt de royalty 30% (dertig procent) van de netto ontvangen royalties ontvangen door SR.

(...)

VI Voor YouTube zal de aankomende 2 jaar geen doorbetaling van inkomsten van toepassing zijn. Daarna geldt dat indien de inkomsten voor onderhavige titels substantieel zijn, en er een efficiënte afrekening kan worden geproduceerd op titel nivo, zullen partijen een doorbetaling overeenkomen voor audio met een maximum percentage zoals vermeld op de Bijlage voor Digitaal.

Genoemde royalty zal proportioneel worden berekend op basis van het aantal titels dat op de respectievelijke reprodukties voorkomt.

Artikel 6 – Naburige rechten

SR zal als enige gerechtigd zijn tot de incasso van de vergoeding en deze te houden welke betrekking hebben op de naburige rechten (oa. Sena) als platenmaatschappij.

4.19

In 2013 hebben [geïntimeerde] en MAS besloten het management van [geïntimeerde] uit te breiden met Scooter Braun Projects LCC te Los Angeles USA (hierna: SBP).

4.20

Op 30 juli 2013 heeft [geïntimeerde] , vertegenwoordigd door zijn vader, een managementovereenkomst met MAS en SBP gesloten (hierna: de co-managementovereenkomst). De bepalingen daarvan zijn gelijk aan de bepalingen in de managementovereenkomst 2012, uitgezonderd de bepalingen met betrekking tot de duur van de overeenkomst (artikel 2 en 10.4) en de vergoedingen in artikel 5. De vergoeding voor de aan [geïntimeerde] toekomende bruto-inkomsten uit overige inkomsten, waaronder endorsements en merchandise, is verhoogd van 20% naar 40%.

4.21

Artikel 2 luidt als volgt:

Deze overeenkomst vervangt het reeds eerder afgesloten management contract, vangt aan op 30 juli 2013 en wordt aangegaan voor de duur van 2 (twee) jaar en zal dus lopen tot 30 juli 2015. Het Management heeft het recht om deze overeenkomst eenmalig te verlengen met 2 (twee) jaar, een en ander door Management schriftelijk te bevestigen 1 (één) maand voor 30 juli 2015".

4.22

Op 30 juli 2013 hebben [geïntimeerde] en Spinnin ook een nieuwe briefovereenkomst en productieovereenkomst gesloten.

4.23

De nieuwe briefovereenkomst en de productieovereenkomst zijn inhoudelijk nagenoeg gelijk aan de overeenkomsten die in 2012 zijn afgesloten, met uitzondering van artikel 5 sub VI van de productieovereenkomst, waarin is bepaald dat [geïntimeerde] een deel van de inkomsten uit YouTube doorbetaald zal krijgen. Beide overeenkomsten zijn aangegaan voor een periode van twee jaar met ingangsdatum 30 juli 2013.

4.24

Op 25 juni 2014 heeft [de vader van geïntimeerde] een e-mail aan [B] en Scooter Braun gestuurd waarin hij zijn onvrede uit over de wijze waarop MAS en SBP de belangen van [geïntimeerde] behartigen. [B] heeft hierop per e-mail van 30 juni 2014 uitgebreid gereageerd.

4.25

[de vader van geïntimeerde] heeft MAS en SBP vervolgens op 4 juli 2014 per aangetekende brief een ‘formal notice of default’ gestuurd. In deze brief sommeert [de vader van geïntimeerde] MAS en SCB hem binnen 8 weken kopieën te sturen van alle aanbiedingen die in 2014 aan [geïntimeerde] zijn gedaan en hem op de hoogte te houden van alle nieuwe aanbiedingen.

4.26

Een half jaar later, in een brief van 26 januari 2015, heeft MAS [geïntimeerde] bericht gebruik te maken van haar recht in artikel 2 van de managementovereenkomst om de overeenkomst eenmalig met twee jaar te verlengen tot 30 juli 2017. In een brief van

13 mei 2015 heeft Spinnin een beroep gedaan op haar recht tot verlenging van de productieovereenkomst met twee jaar tot 30 juli 2017.

4.27

In februari 2015 werd duidelijk dat [geïntimeerde] de contractvoorwaarden wilde heronderhandelen. De gesprekken daarover hebben niet tot overeenstemming geleid.

4.28

Op 11 juni 2015 heeft [de vader van geïntimeerde] MAS meegedeeld de betalingen aan MAS in afwachting van de lopende gesprekken op te schorten.

4.29

In een brief van 29 juli 2015 heeft mr. Düzgün namens [geïntimeerde] Spinnin en MAS bericht dat alle overeenkomsten zijn vernietigd, ontbonden dan wel beëindigd. Voor de gronden verwijst hij naar een brief van 19 mei 2015. Die brief zit niet bij de stukken.

4.30

De advocaat van Spinnin en MAS heeft [geïntimeerde] geantwoord dat Spinnin en MAS niet akkoord gaan met de vernietiging, ontbinding dan wel beëindiging van enige overeenkomst en hem aangemaand te blijven nakomen.

4.31

MAS en Spinnin hebben vervolgens op hun beurt in hun brief van
28 augustus 2015 meegedeeld de co-managementovereenkomst, de briefovereenkomst 2013 en de productieovereenkomst 2013 te willen ontbinden omdat [geïntimeerde] zijn verplichtingen tegenover hen niet nakwam.

4.32

Nadat [geïntimeerde] Spinnin in kort geding had gedagvaard bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam en de zaak na de mondelinge behandeling op 9 november 2015 is aangehouden, hebben [geïntimeerde] en Spinnin op

1 december 2015 een overeenkomst gesloten waarin afspraken zijn gemaakt over voortgaande exploitatie van de tracks genoemd in bijlage 2 bij die overeenkomst.

Spinnin heeft alle rechten van de in de bijlage 1 genoemde geluidsbanden en opnamen aan [geïntimeerde] terug overgedragen. [geïntimeerde] heeft op zijn beurt aan Spinnin een licentie gegeven tot exploitatie van die tracks voor de duur van 7 jaar. Uitdrukkelijk is bepaald dat deze (werk)afspraken volledig los staan van de beslechting van de geschillen van partijen in deze bodemprocedure. Het kort geding is vervolgens doorgehaald.

4.33

[de vader van geïntimeerde] , [B] , [C] en [E] zijn in een door [geïntimeerde] verzocht voorlopig getuigenverhoor gehoord.

4.34

In september 2017 hebben [B] en [C] Spinnin en MAS verkocht aan Warner Music Group.

5 De vorderingen van partijen en de beslissingen van de rechtbank

5.1

[geïntimeerde] heeft Spinnin c.s. gedagvaard en de rechtbank gevraagd, kort weergegeven, voor recht te verklaren dat de productieovereenkomsten 2012 en/of 2013 en de managementovereenkomst 2012 en/of de co-managementovereenkomst zijn vernietigd, ontbonden dan wel beëindigd, dan wel dat bepaalde bepalingen daarin buiten toepassing moeten blijven op grond van artikel 25f Auteurswet of omdat die in strijd zijn met redelijkheid en billijkheid. [geïntimeerde] heeft daarnaast, ook verkort weergegeven, betaling gevorderd van de in het vonnis van 20 september 2017 genoemde bedragen en een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] fonogrammenproducent is van de in het vonnis genoemde tracks.

5.2

Spinnin c.s. hebben verweer gevoerd met de conclusie dat alle vorderingen van [geïntimeerde] moeten worden afgewezen. Spinnin c.s. hebben op hun beurt in reconventie de rechtbank, kort gezegd, gevraagd te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] tegenover Spinnin en MAS toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de briefovereenkomst 2013, de productieovereenkomst 2013 en de co-managementovereenkomst en [geïntimeerde] te veroordelen in de daardoor geleden schade (zie 4.1 van het vonnis).

5.3

De rechtbank heeft in het vonnis van 20 september 2017 de gevorderde verklaring voor recht dat de overeenkomsten zijn vernietigd op grond van dwaling toegewezen. De rechtbank heeft ook de gevraagde verklaring voor recht toegewezen dat [geïntimeerde] de fonogrammenproducent is van de in het vonnis genoemde tracks voor de daarin genoemde percentages. De rechtbank heeft de reconventionele vorderingen van Spinnin c.s. grotendeels afgewezen. De rechtbank heeft de beoordeling van de gevolgen van de vernietiging van de overeenkomsten aangehouden. De rechtbank heeft partijen (eerst [geïntimeerde] en daarna Spinnin c.s.) in de gelegenheid gesteld om een nadere toelichting te geven op de geldvorderingen van [geïntimeerde] en de waardevergoedingsverplichting die hij tegenover MAS heeft voor verrichte managementwerkzaamheden.

6 De vorderingen in hoger beroep

6.1

Spinnin c.s. zijn van het vonnis tijdig in hoger beroep gekomen. Zij hebben daartegen 15 bezwaren (grieven) aangevoerd. Spinnin c.s. vragen het hof, kort gezegd, het vonnis te vernietigen, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog af te wijzen en de vorderingen van Spinnin c.s. alsnog toe te wijzen. Spinnin c.s. hebben hun eis vermeerderd. In hoger beroep vragen zij, naast hun eerder ingestelde vorderingen, een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] tegenover Spinnin ook is tekortgeschoten in de nakoming van de productieovereenkomst 2012.

6.2

[geïntimeerde] heeft tegen het vonnis op zijn beurt incidenteel hoger beroep ingesteld. Hij heeft tegen het vonnis vijf bezwaren (incidentele grieven) geformuleerd. Ook heeft hij zijn eis vermeerderd. Hij vraagt in hoger beroep aanvullend, ook verkort weergegeven, (i) betaling door Spinnin van EUR 2 miljoen dan wel een door het hof te bepalen bedrag ten aanzien van door Spinnin ontvangen inkomsten uit exploitatie van de track Animals, op grond van artikel 25d Aw, artikel 25f Aw, artikel 6:248 lid 2 BW dan wel artikel 6:258 BW; (ii) een verklaring voor recht dat Spinnin aan hem op grond van artikel 6:162 BW, artikel 6:212 BW, dan wel artikel 6:248 lid 1 BW een pro rato vergoeding is verschuldigd voor zijn aandeel in de waardecreatie van het YouTube-kanaal van Spinnin, nader op te maken bij staat dan wel door het hof te bepalen, en (iii) een verklaring voor recht dat MAS is tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichting tegenover [geïntimeerde]

wat betreft zijn bijdrage aan Spinnin’s YouTube kanaal, en om die reden schadevergoeding dient te betalen nader op te maken bij staat. Ter bepaling van zijn schade met betrekking tot het YouTube kanaal vordert [geïntimeerde] op de voet van artikel 843a Rv dat Spinnin aan hem verstrekt een bestand met gebundelde data betreffende videoclips van [geïntimeerde] op het YouTube-kanaal van Spinnin, een bestand met abonneegegevens van YouTube en een bestand met YouTube-views.

6.3

Tegen de ingestelde eiswijzigingen in de memorie van grieven en de memorie van antwoord zijn door partijen over en weer geen bezwaren gemaakt, zodat het hof in zijn beoordeling van de gewijzigde eisen zal uitgaan. [geïntimeerde] heeft zijn eis op
26 april 2019 opnieuw vermeerderd. [geïntimeerde] heeft, zo begrijpt het hof, bewijsbeslag gelegd op de hiervoor genoemde YouTube-bestanden en vordert dat die bestanden aan hem worden afgegeven. De vraag of deze eisvermeerdering op de voet van artikel 130 lid 1 in verbinding met artikel 353 lid 1 Rv is toegestaan, zal het hof niet beantwoorden omdat de onderliggende vordering, zoals hierna blijken, zal worden afgewezen.

7 De motivering van de beslissingen van het hof

De omvang van het hoger beroep

7.1

Het tussenvonnis van de rechtbank van 20 september 2017 vormt wat betreft de dwaling, de kwalificatie van [geïntimeerde] als fonogrammenproducent en de afwijzing van de geldvordering van Spinnin en Mas in reconventie, een eindvonnis omdat daarop in het dictum (onder de streep) is beslist. Tegen dit deel is door Spinnin c.s. en [geïntimeerde] (tijdig) hoger beroep ingesteld.

7.2

Het hof heeft op grond van artikel 356 Rv de bevoegdheid om een zaak, na vernietiging van een tussenvonnis, aan zich te houden. Het hof heeft partijen in het licht van zijn bevoegdheid tijdens de mondelinge behandeling van de zaak gevraagd naar hun voorkeur. Partijen hebben het hof verzocht, indien het hof het vonnis vernietigt, de zaak voor de berekening van de over en weer ingestelde geldvorderingen terug te verwijzen naar de rechtbank, omdat het debat daarover nog niet is afgerond. Het hof zal dit verzoek gelet op de uitkomst van dit hoger beroep afwijzen en de zaak zelf afdoen.

7.3

Het hof merkt nog op dat tussen partijen niet in geschil is dat [de vader van geïntimeerde] als wettelijk vertegenwoordiger van de toen nog minderjarige [geïntimeerde] over de overeenkomsten met Spinnin c.s. heeft onderhandeld. Ook staat vast dat [de vader van geïntimeerde] , nadat [geïntimeerde] in 2014 achttien jaar is geworden, zijn belangen met zijn instemming is blijven behartigen. Het hof zal er daarom vanuit gaan dat mededelingen van en aan [de vader van geïntimeerde] moeten worden beschouwd als mededelingen van en aan [geïntimeerde] .

7.4

Het hof zal eerst ingaan op de vraag of [geïntimeerde] de overeenkomsten op grond van dwaling terecht heeft vernietigd, zoals de rechtbank in het bestreden tussenvonnis heeft geoordeeld. Het oordeel wordt door Spinnin c.s. met de grieven I tot en met VI bestreden. Spinnin c.s. stellen, kort gezegd, dat de rechtbank het leerstuk van dwaling in deze zaak juridisch en feitelijk onjuist heeft toegepast. Doel van de grieven van Spinnin c.s. is dat het hof het beroep van [geïntimeerde] op dwaling in zijn geheel opnieuw beoordeelt. Het hof zal de grieven hierna daarom gezamenlijk beoordelen. Daarbij zal het hof ook ingaan op het bezwaar van [geïntimeerde] tegen het oordeel van de rechtbank dat de overeenkomsten van 2013 de overeenkomsten van 2012 hebben vervangen (grief I in het incidenteel hoger beroep).

Dwaling

7.5

[geïntimeerde] heeft aan zijn beroep op dwaling ten grondslag gelegd dat [B] hem bij het aangaan van de briefovereenkomsten, de productieovereenkomsten en de managementovereenkomsten in 2012 en 2013 (opzettelijk) onjuist heeft geïnformeerd en relevante informatie heeft achtergehouden. Daardoor bestond er bij hem een onjuiste voorstelling van zaken of verkeerde hij in onwetendheid met betrekking tot, samengevat weergegeven, de volgende punten:

  1. de verwevenheid tussen MAS en Spinnin en de verplichting van MAS om [geïntimeerde] bij te staan in de onderhandelingen met Spinnin en reikwijdte van die zorgplicht,

  2. de inhoud van de productieovereenkomst, in het bijzonder ten aanzien van:

i. het feit dat Spinnin niet zelf cd's uitgaf, maar dat liet doen door haar licentienemer Rodeo Media waarin zij een belang had,

ii. het feit dat Spinnin voor haar exploitatie in het buitenland gebruik maakte van licentienemers, waardoor de 30% royalty in de productieovereenkomst in werkelijkheid veel minder was,

iii. het feit dat de YouTube-inkomsten een aardige inkomstenbron voor [geïntimeerde] zouden kunnen zijn,

iv. het toe-eigenen van het Sena-producentendeel,

v. de kans dat [geïntimeerde] als fonogrammenproducent zou hebben te gelden,

vi. de gedwongen overdracht van de masterrechten, terwijl een licentie ook mogelijk was, in combinatie met het niet waarschuwen voor de gevolgen daarvan in geval van een faillissement van Spinnin,

vii. de eenzijdige verlengingsoptie,

viii. het niet betalen van voorschotten,

de verhoging van de endorsementvergoeding van 20% naar 40% en de toezegging van Spinnin om haar inkomsten 50/50 met SBP te delen.

7.6

In de tabel in alinea 635 van de memorie van antwoord noemt [geïntimeerde] nog een aantal andere punten waarop Spinnin c.s. hem onjuist dan wel onvolledig zou hebben geïnformeerd. De niet nader genoemde verwijten zijn te vangen onder de reikwijdte van de zorgplicht onder 7.5 a en zullen daarom niet afzonderlijk worden behandeld.

Juridische uitgangspunten

7.7

Dwaling is geregeld in artikel 6:228 BW. Artikel 6:228 BW luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

1. Een overeenkomst die is tot stand gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, is vernietigbaar:

  1. indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten;

  2. indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten;

(…)

2. De vernietiging kan niet worden gegrond op een dwaling die een uitsluitend toekomstige omstandigheid betreft of die in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende behoort te blijven.

7.8

Voor een beroep op dwaling is allereerst nodig dat [geïntimeerde] stelt en bij voldoende betwisting bewijst dat er bij hem op het moment van het sluiten van de overeenkomsten door een mededeling of een stilzwijgen van Spinnin en MAS een juiste voorstelling van zaken ontbrak.

7.9

[geïntimeerde] moet daarnaast stellen en bij voldoende betwisting bewijzen dat zijn onjuiste voorstelling van zaken causaal was voor het sluiten van de overeenkomsten. Niet noodzakelijk is dat bij een juiste voorstelling van zaken de overeenkomsten in het geheel niet zouden zijn gesloten; voldoende is dat déze overeenkomsten niet zouden zijn gesloten, dus dat [geïntimeerde] de overeenkomsten onder andere voorwaarden zou hebben gesloten. Tenslotte is nodig dat het gestelde causale verband voor Spinnin en MAS kenbaar was (het zogenaamde kenbaarheidsvereiste). Het kenbaarheidsvereiste houdt in dat de overeenkomsten op grond van artikel 6:228 lid 1 sub a en b BW alleen vernietigbaar zijn indien Spinnin en MAS op het moment van het sluiten van de overeenkomsten begrepen of moesten begrijpen dat de punten waarover [geïntimeerde] stelt te hebben gedwaald voor hem essentieel waren.

7.10

De vraag of Spinnin c.s. op grond van hun uit artikel 6:228 lid 1 sub b BW voortvloeiende mededelingsplichten [geïntimeerde] op die, voor hem essentiële punten had behoren in te lichten, wordt eveneens bepaald door de omstandigheden van het geval, waaronder de deskundigheid van partijen. De mededelingsplichten van Spinnin c.s. gaan naar het oordeel van het hof niet zo ver dat [B] en [C] de managementovereenkomst en de productieovereenkomst punt voor punt met [de vader van geïntimeerde] hadden moeten doorlopen, zoals [geïntimeerde] in zijn memorie van antwoord stelt. Met deze stelling miskent [geïntimeerde] dat van hem en zijn vader als zijn wettelijk vertegenwoordiger mocht worden verwacht dat hij de door hem ontvangen en ondertekende overeenkomsten zorgvuldig doorlas en indien de inhoud daarvan hem niet geheel duidelijk was, om opheldering zou hebben gevraagd. [geïntimeerde] had dus een onderzoeksplicht die inhield dat hij binnen redelijke grenzen gehouden was te voorkomen dat hij op basis van een onjuiste voorstelling van zaken de overeenkomsten zou sluiten.

7.11

De mededelingsplichten van Spinnin c.s. in het kader van dwaling moeten worden onderscheiden van de zorgplichten die MAS en Spinnin op grond van de overeenkomsten tegenover [geïntimeerde] hadden. Het hof is met Spinnin c.s. (grief VII) van mening dat de rechtbank dit onderscheid in het bestreden vonnis uit het oog is verloren. De verwijten van [geïntimeerde] dat van MAS in het kader van de onderhandelingen met Spinnin en Rodeo Music en als zijn algemene belangenbehartiger een meer actieve en kritische houding had mogen worden verwacht, ziet op de omvang en de inhoud van de zorgplichten van MAS. Het schenden van die zorgplichten leidt mogelijk tot een toerekenbare tekortkoming van MAS in de zin van artikel 6:74 BW, maar is geen grond voor dwaling.

7.12

De bewijslast van de onder 7.5 genoemde feiten, het vereiste causale verband en de kenbaarheid, rusten op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv bij [geïntimeerde] .

7.13

Het hof merkt verder nog op dat voor de toetsing van de dwaling een onderscheid moet worden gemaakt tussen de in 2012 en 2013 gesloten overeenkomsten. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat moet worden aangenomen dat de op 30 juli 2013 gesloten overeenkomsten de in 2012 gesloten overeenkomsten hebben vervangen. Dat volgt niet alleen uit de tekst van artikel 2 van de managementovereenkomst 2013 ("Deze overeenkomst vervangt het reeds eerder afgesloten management contract"), maar ook uit de overige door de rechtbank genoemde omstandigheden. Daarbij betrekt het hof dat de managementovereenkomst en de productieovereenkomst nauw met elkaar verbonden zijn, zoals [geïntimeerde] zelf ook stelt, zodat het in de rede ligt de bepaling in de productieovereenkomst ("deze overeenkomst is aanvullend/vervangt de voorgaande overeenkomst") uit te leggen in lijn met artikel 2 van de managementovereenkomst. De door [geïntimeerde] genoemde e-mail van [B] van 23 juli 2013 brengt het hof niet op andere gedachten. Uit die e-mail blijkt dat hij de termijn met twee jaar wilde verlengen, maar niet op welke wijze hij dat wilde. Partijen hebben uiteindelijk gekozen voor nieuwe zelfstandige overeenkomsten. Het hof gaat ook voorbij aan de stelling van [geïntimeerde] in grief I in incidenteel hoger beroep dat dit voor [de vader van geïntimeerde] niet duidelijk was en dat hij dit niet heeft bedoeld. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] zijn stelling, gelet op de bewoordingen van de overeenkomsten en de overige door de rechtbank genoemde omstandigheden die erop wijzen dat dit wèl de bedoeling was, onvoldoende heeft onderbouwd. Een op dit punt toegesneden bewijsaanbod ontbreekt.

7.14

Toepassing van de hiervoor geformuleerde uitgangspunten op de onder 7.5 genoemde verwijten leidt tot het volgende.

Onjuist beeld van de verwevenheid tussen MAS en Spinnin en de verplichting van MAS om [geïntimeerde] bij te staan in de onderhandelingen met Spinnin

7.15

[geïntimeerde] stelt, en dat is de rode draad in zijn beroep op dwaling zoals dat door de rechtbank is gehonoreerd, dat MAS en Spinnin gescheiden bedrijven waren en dat hij na het tekenen van de managementovereenkomst op 11 juli 2012 ervan uitging dat MAS namens hem met Spinnin zou onderhandelen over de productieovereenkomst die op

20 juli 2012 is getekend. Hij beroept zich daartoe op artikel 3.1 en 3.2 van de managementovereenkomst waarin dat volgens [geïntimeerde] expliciet is bepaald en op de mededeling van [B] dat MAS en Spinnin professioneel genoeg waren om hun belangen te scheiden en dat het aparte bedrijven waren.

7.16

Spinnin c.s. betwisten dat [B] dit zou hebben gezegd.

Spinnin c.s. betogen daarnaast, en dat is de kern van hun verweer, dat [geïntimeerde] in 2012 en 2013 heel goed wist dat MAS niet namens hem met Spinnin zou onderhandelen over de voorwaarden van de productieovereenkomst en hij daarom op dit punt dus niet dwaalde. Daartoe voeren zij, samengevat weergegeven, het volgende aan.

7.17

Vanaf het allereerste contact in 2012 was het voor [geïntimeerde] duidelijk dat beide bedrijven onder leiding van dezelfde personen stonden en dat management en productie feitelijk door één team zou worden gedaan. Dat dit voor [geïntimeerde] duidelijk was, blijkt volgens Spinnin c.s. ook uit de getuigenverklaring van [E] en de e-mail die hij op
1 april 2016 aan [B] stuurde. [E] heeft verklaard dat [geïntimeerde] hem op

27 juni 2012 heeft bezocht en dat [E] de indruk had dat [geïntimeerde] wist dat hij met de door Spinnin voorgestelde deal "al zijn eieren in één mandje legde". [E] verklaarde verder dat [geïntimeerde] weliswaar nog heel jong was, maar heel slim en de basis van een publishing-, management-, en platencontract kende. [B] heeft [de vader van geïntimeerde] in zijn e-mail van 16 juli 2012 ook gezegd dat hij alle deals vanwege planning en maximaal rendement in één hand wilde hebben. Afzonderlijke deals waren mogelijk, maar dat had niet de voorkeur van Spinnin c.s..

7.18

De conceptovereenkomsten voor management en productie zijn in 2012 tegelijkertijd aan [geïntimeerde] en zijn vader gestuurd. Over de conceptovereenkomsten is tegelijkertijd onderhandeld. De productieovereenkomst is uitsluitend tien dagen later getekend omdat Spinnin met Universal nog overeenstemming diende te bereiken over de wens van [geïntimeerde] om ook met Universal te blijven werken (zie artikel 8 van de briefovereenkomst).

7.19

De door [geïntimeerde] geraadpleegde juriste van Universal heeft [geïntimeerde] in haar e-mail van 3 juli 2012 geschreven dat [geïntimeerde] moeilijk kan verwachten dat het management namens [geïntimeerde] stevig met zichzelf gaat onderhandelen over de voorwaarden van de productieovereenkomst.

7.20

Dat [de vader van geïntimeerde] wist dat MAS niet namens [geïntimeerde] met Spinnin over de voorwaarden van de productieovereenkomst zou onderhandelen, blijkt verder uit zijn
e-mail aan [B] van 23 juli 2013 waarin hij schrijft: "Productieovereenkomst en managementcontract onderbrengen bij een partij heeft veel natuurlijke voordelen (een team dat zich met alle promotie bezig houdt) maar er is wel een groot nadeel; een van de taken management is bijvoorbeeld onderhandelen over voorwaarden en royalties in de productieovereenkomst en gezien de verwevenheid van SR en MAS denk ik dat het op mijn weg ligt met externe begeleiding over condities na te denken".

7.21

In artikel 3.1 en 3.2 van de managementovereenkomst is niet expliciet bepaald dat MAS namens [geïntimeerde] met Spinnin over de voorwaarden van de productieovereenkomst zou onderhandelen.

7.22

Het hof is van oordeel dat in het licht van de door Spinnin c.s. genoemde omstandigheden niet kan worden volgehouden dat [geïntimeerde] in dwaling verkeerde met betrekking tot de rol van MAS in relatie tot Spinnin, ook niet indien [B] zou hebben gezegd, zoals [de vader van geïntimeerde] tijdens het voorlopig getuigenverhoor heeft verklaard, dat Spinnin en MAS professioneel genoeg waren om beide contracten van elkaar te scheiden. Spinnin c.s. hebben genoegzaam aangetoond dat [geïntimeerde] en [de vader van geïntimeerde] bekend waren met de strekking van hun voorstel ("alle eieren in één mandje") en op grond van het advies van de juriste van Universal wisten dat van MAS niet kon worden verwacht dat zij met Spinnin zou onderhandelen over de voorwaarden van de productieovereenkomst. Dat [de vader van geïntimeerde] dit ook niet verwachtte, blijkt uit zijn e-mail aan [B] van 23 juli 2013. Op grond van die e-mail kan bovendien niet worden volgehouden dat [de vader van geïntimeerde] en [geïntimeerde] in de veronderstelling verkeerden dat MAS namens [geïntimeerde] kritische vragen aan Spinnin zou stellen over de wijze waarop Spinnin de productieovereenkomst uitvoerde, zoals [geïntimeerde] ten onrechte aanvoert. [de vader van geïntimeerde] gaf immers aan dat dit op zijn weg lag.

7.23

De stelling van [geïntimeerde] dat in artikel 3.1 en 3.2 van de managementovereenkomst en de co-managementovereenkomst expliciet is bepaald dat MAS namens [geïntimeerde] met Spinnin zou onderhandelen, is onjuist. In artikel 3.1 wordt daarover niets gezegd. In artikel 3.2 wordt gerefereerd aan het voeren van contractbesprekingen met derden. Het hof is van oordeel dat in het licht van de strekking van de deal en de hiervoor genoemde omstandigheden, redelijkerwijs niet kan worden aangenomen dat met "derden" Spinnin werd bedoeld.

7.24

Het zelfstandige verwijt van [geïntimeerde] dat Spinnin c.s. hem ten onrechte hebben doen geloven dat MAS een eigen team van eigen werknemers had, rechtvaardigt evenmin een beroep op dwaling, omdat [geïntimeerde] , zo blijkt uit onder andere de e-mail van
23 juli 2013, ervan uitging dat er feitelijk sprake was van één team.

Onjuist en onvolledig beeld van de inhoud van de productieovereenkomst

7.25

[geïntimeerde] verwijt Spinnin c.s. daarnaast dat zij hem onjuist en onvoldoende hebben geïnformeerd over de hiervoor onder 7.5.b genoemde punten, waardoor hij bij het aangaan van de productieovereenkomsten een onvolledig en onjuist beeld had van de inhoud van die overeenkomsten.

7.26

[geïntimeerde] erkent onder 822 van zijn memorie van antwoord dat Spinnin c.s. tegenover hem geen bijzondere zorgplichten hebben zoals die van de banken tegenover consumenten van ingewikkelde bankproducten, maar meent desalniettemin dat Spinnin c.s. gehouden waren te controleren of [geïntimeerde] alle bepalingen goed begreep en hem, zo begrijpt het hof, te beschermen tegen de gevaren van eigen lichtzinnigheid of gebrek aan inzicht. Dit standpunt kan in het licht van de hiervoor onder 7.10 en 7.11 weergegeven juridische uitgangspunten niet worden gevolgd. De omstandigheid dat [geïntimeerde] op het moment van het tekenen van de overeenkomsten nog minderjarig en erg gretig was om bij Spinnin c.s. te tekenen, brengt geen verruiming van de mededelingsplicht mee. [geïntimeerde] werd immers vertegenwoordigd door zijn vader, die zich op zijn beurt liet bijstaan door ervaringsdeskundigen en juridische adviseurs.

7.27

Tegen deze achtergrond kan niet worden aangenomen dat Spinnin c.s. [geïntimeerde] hadden moeten informeren dat YouTube voor hem mogelijk een aardige bron van inkomsten zou kunnen zijn (7.5 b.ii) en hem had moeten waarschuwen voor de risico's verbonden aan een overdracht van zijn rechten in geval van een faillissement van Spinnin c.s. (7.5 b.iv). Het verwijt dat Spinnin c.s. ten aanzien van deze punten haar mededelingsplicht heeft geschonden, is dus ongegrond. Daarbij komt dat Spinnin c.s. gelet op de mededeling van [de vader van geïntimeerde] op 26 juni 2012 dat hij advies zou inwinnen, ook niet hadden hoeven te begrijpen dat zij [geïntimeerde] op deze punten verder hadden moeten informeren. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, valt niet in te zien hoe dezelfde punten in 2013 een reden voor dwaling kunnen zijn.

7.28

Ten aanzien van de punten genoemd onder 7.5 b iii, iv, v, vi en vii geldt dat [geïntimeerde] hiermee voor het tekenen van de overeenkomst bekend was. [geïntimeerde] verkeerde ten aanzien van die punten dus niet in dwaling. Uit de stellingen van [geïntimeerde] begrijpt het hof dat hij er spijt van heeft dat hij met de daarop betrekking hebbende voorwaarden in de productieovereenkomst heeft ingestemd, maar dat rechtvaardigt geen beroep op dwaling. Dit geldt voor de in 2012 en 2013 gesloten overeenkomsten.

7.29

Wat betreft het punt genoemd onder i stelt [geïntimeerde] zich op het standpunt dat Spinnin c.s. hem bij het aangaan van de productieovereenkomsten ten onrechte niet hebben geïnformeerd dat Spinnin zelf geen compilatie-cd's uitgaf maar dat dit gebeurde door Rodeo Media, terwijl hij op grond van artikel 2.12.9 van de productieovereenkomsten aannam dat Spinnin dit zelf zou doen.

7.30

Spinnin c.s. voeren aan dat artikel 2.12.9 niet bepaalt dat Spinnin zelf cd's uitgeeft. Artikel 2.12.9 is een algemene bepaling, die allerlei vormen van exploitatie omvat. Spinnin c.s. wijzen er verder op dat in 2012 de commerciële betekenis van fysieke cd's voor EDM al zeer beperkt was. [geïntimeerde] tekende met Spinnin vanwege haar online exposure en niet vanwege de uitgave van compilatie-cd's. Spinnin c.s. betwisten dan ook dat de gestelde onjuiste veronderstelling voor [geïntimeerde] aanleiding zou zijn geweest om niet of op andere voorwaarden te contracteren. Spinnin c.s. stellen verder dat aan het kenbaarheidsvereiste niet is voldaan. Spinnin c.s. menen dat zij in de genoemde omstandigheden redelijkerwijs ervan uit mochten gaan dat het hier geen kwestie betrof die voor [geïntimeerde] van doorslaggevend belang was voor het aangaan van de productieovereenkomsten in 2012 en 2013.

7.31

Het hof is met Spinnin c.s. van oordeel dat Spinnin c.s. in de gegeven omstandigheden niet had hoeven te begrijpen dat dit punt voor [geïntimeerde] essentieel was. Aan het kenbaarheidsvereiste is dus niet voldaan. Het beroep op dwaling moet daarom worden afgewezen.

7.32

De stelling van [geïntimeerde] dat hij de productieovereenkomst in 2012 en 2013 niet zou hebben getekend indien hij had geweten dat de royalty's van 30% in de praktijk veel lager uitpakken omdat Spinnin bij de exploitatie gebruik maakt van sub-licentienemers
(punt 7.5 b.ii), kan evenmin een zelfstandig beroep op dwaling dragen. Het hof is van oordeel dat Spinnin c.s. genoegzaam hebben aangetoond dat Garritsen ermee bekend was dat Spinnin voor de exploitatie van releases in het buitenland derden inschakelde. Dit volgt uit par. 2 van de briefovereenkomst en artikel 5 II van de productieovereenkomst. [geïntimeerde] heeft daartegen niets concreets ingebracht, zodat het beroep op dwaling ook ten aanzien van dit punt faalt.

De verhoging van de endorsement-vergoeding van 20% naar 40% en de toezegging van Spinnin om haar inkomsten 50/50 met SBP te delen.

7.33

[geïntimeerde] stelt tot slot aan dat hij in 2013 de co-managementovereenkomst met MAS en SBP en de nieuwe productieovereenkomst met Spinnin niet zou zijn aangegaan, in ieder geval niet op daarin opgenomen voorwaarden, indien hij had geweten dat SBP de verhoging van de commissie op merchandise en endorsements niet als voorwaarde stelde voor het aangaan van de managementovereenkomst en Spinnin haar inkomsten niet met SBP zou delen, zoals [B] heeft gezegd.

7.34

Spinnin c.s. betwisten dat [B] zou hebben gezegd dat de verhoging van de endorsement-vergoeding van 20% naar 40% voor SBP een voorwaarde was voor het sluiten van de co-managementovereenkomst. Spinnin c.s. stellen dat deze verhoging in gezamenlijk overleg met [de vader van geïntimeerde] is besloten. Spinnin c.s. bestrijden ook dat de inkomsten niet met SBP werden verdeeld. Spinnin c.s. maken daarbij een onderscheid tussen de inkomsten uit artikel 5 van de managementovereenkomst en de verdeling van de inkomsten uit platenopbrengsten. De bedoeling was dat Spinnin en SBP hiervoor een joint-venture zouden aangegaan, maar daarover hebben zij uiteindelijk geen overeenstemming bereikt. Spinnin c.s. begrijpen niet hoe deze omstandigheid causaal was voor het sluiten van de co-managementovereenkomst en de productieovereenkomst.

7.35

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] , gelet op de gemotiveerde betwisting van Spinnin c.s., onvoldoende heeft aangetoond dat [B] zou hebben gezegd dat SBP de verhoging van de endorsement-vergoeding naar 40% als voorwaarde stelde voor het tekenen van de co-managementovereenkomst. [de vader van geïntimeerde] heeft dit tijdens het voorlopig getuigenverhoor ook niet verklaard en het volgt ook niet, in tegenstelling tot [geïntimeerde] stelt, uit de verklaring van [F] van 23 september 2016. Daarmee strandt het beroep op dwaling.

7.36

Het hof begrijpt evenmin hoe het niet doorgaan van de afspraak tussen Spinnin en SBP over het delen van de platenopbrengsten essentieel (causaal) was voor het sluiten van de co-managementovereenkomst en de productieovereenkomst. De afspraak maakte namelijk geen onderdeel uit van de co-managementovereenkomst. De productieovereenkomst 2012 is vernieuwd als gevolg van het sluiten van de co-managementovereenkomst. De looptijd is aangepast aan de looptijd van de co-manageovereenkomst en in aanvulling op de vorige afspraken is overeengekomen dat [geïntimeerde] recht heeft op doorbetaling van YouTube- inkomsten. De stelling van [geïntimeerde] dat hij de productieovereenkomst niet zou hebben getekend, tenminste niet op de daarin opgenomen voorwaarden, indien hij had geweten dat Animals zo'n groot succes zou worden, is voor dwaling niet relevant omdat het wel of niet succesvol worden een uitsluitende toekomstige omstandigheid betreft waarop de dwaling niet kan worden gegrond.

Conclusie dwaling

7.37

De conclusie is dat niet kan worden gezegd dat [geïntimeerde] bij het aangaan van de overeenkomsten in 2012 en 2013 heeft gedwaald. De daarop betrekking hebbende grieven I tot en met VI slagen. Bij een verdere bespreking van grief VII bestaat geen belang.

7.38

Het slagen van de grieven brengt mee dat het hof op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep zal onderzoeken of [geïntimeerde] op de grond van misleiding, bedrog of misbruik van omstandigheden de overeenkomsten terecht heeft vernietigd.

Bedrog en misbruik van omstandigheden

7.39

De drempel voor een beroep op bedrog is hoger dan voor een beroep op dwaling. Bedrog vereist naast een onjuiste voorstelling zaken door een onjuiste mededeling of stilzwijgen, ook dat die mededeling of verwijzing opzettelijk is gedaan (artikel 3:44 lid 3 BW). Met het sneuvelen van het beroep op dwaling, dient het beroep op bedrog dat is gebaseerd op dezelfde feiten ook te worden afgewezen.

7.40

Het gestelde misbruik van omstandigheden bestond eruit, zo begrijpt het hof de stellingen van [geïntimeerde] , dat hij door een dominante speler op de EDM markt werd gedwongen een niet onderhandelbare “take-it-or-leave-it” (package)deal te tekenen, terwijl Spinnin en MAS wisten dat een 16-jarige jongen er alles voor over zou hebben om bij Spinnin te tekenen. Spinnin en MAS zouden van die gretigheid misbruik hebben gemaakt.

7.41

Van misbruik van omstandigheden is sprake, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, hoewel hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. Bij de beoordeling dienen alle omstandigheden bij de totstandkoming van die rechtshandeling te worden betrokken (zie artikel 3:44 lid 4 BW).

7.42

Het hof stelt vast dat de stellingen van [geïntimeerde] feitelijke grondslag missen. Uit de vaststaande feiten blijkt dat over de overeenkomsten wèl is onderhandeld. Uit niets blijkt dat [geïntimeerde] werd gedwongen de aangeboden overeenkomsten te tekenen.

Op grond van de stukken kan evenmin worden aangenomen dat [geïntimeerde] gedwongen werd akkoord te gaan met een package-deal. Dat [de vader van geïntimeerde] zich door zijn zoon [geïntimeerde] onder druk gezet voelde om beide contracten zo snel mogelijk te tekenen, zoals hij heeft verklaard, kan Spinnin c.s. uiteraard niet worden aangerekend.

7.43

[geïntimeerde] beschuldigt Spinnin c.s. daarnaast van het afromen van royalty-inkomsten door het tussenschuiven van Rodeo Music en Doorn Music. Deze opzettelijke vorm van benadeling van [geïntimeerde] is, zo begrijpt het hof, te kwalificeren als bedrog en misbruik in de zin van artikel 3:44 BW. Dit wordt door Spinnin c.s. gemotiveerd betwist.

7.44

Ten aanzien van Rodeo Music overweegt het hof, onder verwijzing naar hetgeen het hof hiervoor onder 7.31 - 7.32 heeft overwogen, dat niet kan worden gezegd dat Rodeo Music werd gebruikt voor het afromen van royalty-inkomsten. Daarvoor waren de activiteiten van Rodeo Music, de verkoop van compilatie-cd’s in Nederland, te onbeduidend. Ten aanzien van Doorn Music hebben Spinnin c.s. onweersproken gesteld dat dit geen afzonderlijke onderneming is, maar een naam (label) waaronder Spinnin ook actief is. Over de daaronder uitgebracht muziek heeft [geïntimeerde] de overeengekomen royaltyvergoeding van 30% ontvangen, zodat er geen sprake is van afroming.

7.45

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het beroep op bedrog en misbruik van omstandigheden dient te worden afgewezen.

Vernietiging van de overeenkomsten op grond van het auteurscontractenrecht

7.46

Voor de vernietiging van de overeenkomsten, beroep [geïntimeerde] zich tot slot op het auteurscontractenrecht in hoofdstuk 1a van de Auteurswet.

Toepasselijkheid auteurscontractenrecht

7.47

Het auteurscontractenrecht is op grond van artikel 2 Wnr overeenkomstig van toepassing op uitvoerend kunstenaars. Het auteurscontractenrecht strekt ertoe de contractuele positie van makers en uitvoerend kunstenaars tegenover de exploitant van hun rechten uit hoofde van de Auteurswet en de Wet naburige rechten te verbeteren, door onder andere te bepalen dat onredelijk bezwarende bedingen in exploitatieovereenkomsten vernietigbaar zijn (artikel 25f lid 2 Aw). Makers en uitvoerend kunstenaars worden, zo blijkt uit de memorie van toelichting op de wet, in het algemeen tegenover de professionele exploitant als de structureel zwakkere onderhandelingspartij beschouwd. Het auteurscontractenrecht beoogt een normatief karakter te bieden en meer rechtszekerheid.

7.48

Artikel 25f lid 2 Aw bepaalt dat een beding dat, gelet op de aard en inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen of de overige omstandigheden van het geval, voor de maker onredelijk bezwarend is, vernietigbaar is.

7.49

Het auteurscontractenrecht is op 1 juli 2015 in werking getreden. Artikel III van de Wet auteurscontractenrecht bepaalt dat het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van toepassing blijft op overeenkomsten die voor dat tijdstip zijn gesloten. Artikel 25d Aw is daarom, zoals de rechtbank terecht heeft besloten, niet van toepassing op de in 2012 en 2013 gesloten overeenkomsten en biedt dus geen grond voor de door [geïntimeerde] gevorderde bestsellersvergoeding van de track Animals.

7.50

Het uitgangspunt dat het auteursrechtcontractenrecht niet geldt voor 1 juli 2015 gesloten overeenkomsten, geldt niet voor artikel 25f Aw. Artikel 25 f Aw is ook van toepassing op voor 1 juli 2015 gesloten overeenkomsten, voor zover die overeenkomsten op 1 juli 2015 bestonden. Zoals het hof hiervoor onder 7.13 heeft overwogen, is het hof van oordeel dat de in 2013 gesloten overeenkomsten de in 2012 gesloten overeenkomsten hebben vervangen. Op 1 juli 2015 waren de in 2012 overeenkomsten niet meer van kracht tussen partijen, zodat artikel 25f Aw daarop niet van toepassing is.

7.51

Partijen zijn het erover eens dat de productieovereenkomst tussen Spinnin en [geïntimeerde] een exploitatieovereenkomst is als bedoeld in artikel 25b Aw. Tussen partijen staat ook vast dat dat [geïntimeerde] als maker van de door hem gecomponeerde tracks heeft te gelden. Spinnin c.s. twijfelen, onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 mei 2010 (ECLI:NL:GHAMS:2010:BM8012) of [geïntimeerde] naast maker ook als uitvoerend kunstenaar kan worden aangemerkt. Het hof deelt deze twijfel niet. Het hof is van oordeel, in lijn met de opinie van prof. mr. [G] van

19 augustus 2016 (productie 34 [geïntimeerde] ), dat de rol van een geluidsproducer die de opname van de uitvoering van een ander verzorgt, waar het over ging in genoemde zaak bij het hof Amsterdam, een andere is dan de rol van een deejay als [geïntimeerde] die zijn eigen muziek uitvoert. Daarbij geldt dat bij bepaalde typen muziek (zoals EDM) het moment van componeren en uitvoeren zeer wel kan samenvallen.

7.52

In zijn oordeel betrekt het hof dat ook in de praktijk niet wordt getwijfeld aan de hoedanigheid van deejays (zoals [geïntimeerde] ) als uitvoerend kunstenaar. Ook door Sena en de belastingdienst worden deejays als uitvoerend kunstenaars beschouwd. De omstandigheid dat [geïntimeerde] mogelijk ook als fonogrammenproducent kan worden aangemerkt, staat naar het oordeel van het hof een beroep op het auteurscontractenrecht evenmin in de weg, omdat [geïntimeerde] in zijn hoedanigheid van maker en uitvoerend kunstenaar zich tegenover Spinnin kan beroepen op de bescherming van die wettelijke regeling. Nu [geïntimeerde] als uitvoerend kunstenaar heeft te gelden en aan hem op die grond beroep toekomt op artikel 25f Aw kan in het midden blijven of de productieovereenkomst mede ziet op auteursrechtelijke werken, hetgeen uit de tekst niet zonder meer blijkt.

7.53

Spinnin c.s. menen dat de co-managementovereenkomst niet onder de reikwijdte van het auteurscontractenrecht valt. Dat de co-managementovereenkomst niet kan worden aangemerkt als een exploitatieovereenkomst in de zin van artikel 25b lid 1 Aw of als een overeenkomst waarbij het auteursrecht wordt overgedragen of waarop een exclusieve licentie wordt verleend in de zin van artikel 25b lid 2 Aw, wordt door [geïntimeerde] niet betwist. [geïntimeerde] betoogt en het hof volgt hem daarin, dat tussen de productieovereenkomst, die voorziet in de exploitatie van de door [geïntimeerde] gecomponeerde tracks, en de managementovereenkomst, die mede is gericht op het creëren van bekendheid met het doel de verkoop van de tracks te stimuleren, een dusdanige verbondenheid bestaat dat de bescherming die artikel 25f van de Wet auteursrechtencontractenrecht beoogt te bieden zich mede uitstrekt tot de bedingen in de managementovereenkomst. Dat de overeenkomsten nauw samenhangen blijkt ook uit het feit dat zij als één geheel werden aangeboden. [geïntimeerde] was weliswaar niet verplicht beide overeenkomsten te tekenen, maar dat werd door [B] wel geadviseerd. Beide overeenkomsten zijn tegelijkertijd gesloten voor eenzelfde periode met eenzelfde verlengingsmogelijkheid. De wijziging van de managementovereenkomst was voor Spinnin c.s. aanleiding om ook de productieovereenkomst te verlengen. De overeenkomsten werden tot slot uitgevoerd door één en hetzelfde team. De omstandigheid dat de contractpartijen niet dezelfde zijn, zoals Spinnin c.s. stelt, acht het hof in de genoemde omstandigheden niet van belang.

7.54

Het hof zal hierna aan de hand van de open norm van artikel 25f lid 2 BW toetsen of de co-managementovereenkomst en de productieovereenkomst 2013 of de afzonderlijke bepalingen daarvan onredelijk bezwarend zijn. Dit vergt niet alleen een concrete toetsing van de afzonderlijke bepalingen van de overeenkomst, maar ook een concrete beoordeling van de overige omstandigheden, waaronder de wijze waarop de overeenkomsten tot stand zijn gekomen.

Concrete toetsing van de overeenkomsten

7.55

Vaststaat dat partijen over de co-managementovereenkomst en de productieovereenkomst 2013 hebben onderhandeld. Dat [de vader van geïntimeerde] ervan heeft afgezien de voorgelegde concepten door een derde te laten bestuderen, zoals hij eerder wel heeft gedaan met betrekking tot de in 2012 voorgestelde overeenkomsten, was zijn eigen keuze en kan Spinnin c.s. niet worden verweten. Dat [geïntimeerde] daarvan heeft afgezien omdat hij over onvoldoende financiële middelen zou beschikken, is niet gesteld of gebleken. Uit de correspondentie blijkt verder dat [de vader van geïntimeerde] wist waar hij het over had. Naar het oordeel van het hof kan dus niet worden gezegd dat [geïntimeerde] zich tegenover Spinnin c.s. in een structureel zwakkere onderhandelingspositie bevond.

7.56

[geïntimeerde] stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat het merendeel van de bedingen in de productieovereenkomst 2013 de toets van artikel 25f Aw niet kunnen doorstaan en dus vernietigbaar zijn. Daartoe voert hij, samengevat weergegeven, het volgende aan.

7.57

[geïntimeerde] stelt voorop dat de productieovereenkomst de ongebruikelijke combinatie bevat van i) een distributieovereenkomst, waarbij [geïntimeerde] een (nagenoeg) kant-en-klare productie dient aan leveren en ii) een traditioneel artiestencontract, met een ruime rechtenverlening en geringe vergoeding. [geïntimeerde] verwijt Spinnin dat zij van beide typen rechtsverhoudingen de voor haar meest gunstige bedingen heeft opgenomen, namelijk:

  • -

    de zeer vergaande rechtenverlening in artikel 2,

  • -

    de vrijwaring in artikel 3 gerelateerd aan de verplichting van [geïntimeerde] om zijn eigen productiekosten te dragen,

  • -

    de lage royalty in artikel 5 gerelateerd aan ongespecificeerde netto-inkomsten,

  • -

    het niet doorbetalen van aan [geïntimeerde] als fonogrammenproducent toekomende Sena-vergoedingen in artikel 6,

  • -

    het ontbreken van een exploitatieplicht,

  • -

    het exclusief gebruik van de naam Martin Garrix in artikel 9, en

  • -

    de eenzijdige verlengingsmogelijk in artikel 7 van de briefovereenkomst.

Ter onderbouwing van zijn stelling, verwijst [geïntimeerde] opnieuw naar de opinies van [G] van 9 augustus 2016 en 19 december 2016. Volgens [G] is het de combinatie van de voorwaarden die de desbetreffende bedingen onredelijk bezwarend maken. [geïntimeerde] stelt verder dat deze vernietigbare bedingen de kern vormen van de productieovereenkomst, met als gevolg dat de gehele productieovereenkomst vernietigbaar is en de ingeroepen vernietiging dus gegrond is.

7.58

Spinnin c.s. voeren gemotiveerd verweer. Daarbij beroepen zij zich onder andere op de opinie van prof. mr. [H] in productie 53.

7.59

Het hof zal de genoemde bedingen hierna afzonderlijk beoordelen, en vervolgens de combinatie daarvan.

De zeer vergaande rechtenverdeling

7.60

Zoals [G] in zijn opinie van 19 augustus 2016 aangeeft, is een zeer ruime rechtenverdeling niet uit de aard van de zaak reeds onredelijk. Een ruime rechtenverlening ligt volgens hem in de gegeven omstandigheden, waarbij [geïntimeerde] een kant-en-klare geluidsopname aanlevert niet in de rede, maar dat deze in de gegeven omstandigheden ook onredelijk bezwarend is, onderbouwt hij verder niet. Bij gebreke van een nadere onderbouwing, kan niet worden aangenomen dat de overdracht van de masterrechten op de opnamen onredelijk bezwarend was. Daarbij betrekt het hof dat het auteurscontractenrecht een overdracht en een exclusieve licentie op dezelfde wijze behandelt en een overdracht, anders dan [geïntimeerde] meent, niet per definitie onredelijk is.

De vrijwaringsbepaling gecombineerd met de productiekosten

7.61

[G] erkent dat de vrijwaringsbepaling in artikel 3 op zichzelf niet ongebruikelijk is. De onredelijkheid zit hem erin, zo begrijpt het hof, dat [geïntimeerde] verplicht wordt niet alleen de eigen productiekosten maar ook de kosten te betalen voor het huren van de studio's en het betalen van sessiemuzikanten. Spinnin c.s. stellen dat deze kosten, gelet op de inkomsten die [geïntimeerde] heeft ontvangen, verwaarloosbaar zijn in vergelijking met de opbrengsten van de exploitatie van het werk van [geïntimeerde] en de royalties die hij daarover ontving. Het gaat volgens Spinnin om de kosten van een laptop en de daarop geïnstalleerde software en enige kosten voor de huur van een externe studio in het begin. Spinnin voegt daar nog aan toe dat deze kosten verder ook nooit onderwerp van discussie zijn geweest. Spinnin meent daarom dat de bepaling over de productiekosten niet onredelijk is. Het hof volgt haar daarin. Door [geïntimeerde] is niet onderbouwd dat hij aanzienlijke productiekosten heeft gemaakt, terwijl dit wel op zijn weg lag.

De hoogte van de royaltyvergoeding

7.62

Het volgende punt betreft de hoogte van de royaltyvergoeding in artikel 5. Dat de hoogte van de royaltyvergoeding in de gegeven omstandigheden uitzonderlijk laag is, wordt door [G] en [geïntimeerde] niet verder geconcretiseerd, zodat het hof daaraan voorbij gaat. Het verwijt dat de bepaling onredelijk is omdat het Spinnin in staat stelt onbeperkt kosten in mindering te brengen omdat de vergoeding berekend wordt over netto-inkomsten, mist feitelijke grondslag. Er is namelijk niet gesteld of gebleken dat Spinnin onbeperkt of ongecontroleerd kosten in mindering bracht. In de concrete omstandigheden van dit geval is het beding daarom niet onredelijk.

Het producentendeel Sena

7.63

Artikel 6 van de productieovereenkomst bepaalt, kort gezegd, dat Spinnin zorgdraagt voor de incasso van de vergoedingen die Sena uitkeert aan de muzikant en de producent en dat Spinnin de producentenvergoeding mag behouden. Op het moment van het sluiten van de productieovereenkomst was het onduidelijk wie als producent diende te worden aangemerkt. Gelet op het advies van mr. Wilma Wagenaar moet worden aangenomen dat [geïntimeerde] zich daarvan bewust was en er vrijwillig voor heeft gekozen de producentenvergoeding aan Spinnin te laten toekomen. Dit betekent overigens niet, anders dan [G] veronderstelt, dat de vergoeding om niet werd overgedragen. Daartegenover stond immers de overeengekomen vergoedingen in artikel 5 van de overeenkomst. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] , gelet op het verweer van Spinnin c.s., onvoldoende heeft onderbouwd dat het beding in de gegeven omstandigheden onredelijk bezwarend is.

Het ontbreken van een expliciete exploitatieplicht

7.64

Het hof is met Spinnin c.s. van oordeel dat het ontbreken van een expliciet geformuleerde exploitatieplicht in de gegeven omstandigheden ook niet onredelijk bezwarend is, omdat vaststaat dat Spinnin een exploitatieplicht heeft en daaraan ook uitvoering heeft gegeven.

Het exclusief gebruik van de naam Martin Garrix

7.65

De niet onderbouwde stelling dat het overeengekomen exclusieve gebruik van de artiestennaam Martin Garrix onredelijk bezwarend is, moet eveneens worden afgewezen.
De exclusiviteit is gekoppeld aan de geluidsdragers die door Spinnin zouden worden uitgegeven. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien dat deze vorm van exclusiviteit onredelijk bezwarend is. [geïntimeerde] werd door de bepaling bovendien niet beperkt in het gebruik van zijn artiestennaam voor andere doeleinden dan de exploitatie van de geluidsdragers door Spinnin.

De eenzijdige verlengingsmogelijkheid

7.66

Tot slot de eenzijdige verlengingsmogelijkheid van Spinnin in artikel 7 van de briefovereenkomst. Artikel 7 geeft Spinnin de mogelijkheid de overeenkomst tegen dezelfde voorwaarden met twee jaar te verlengen. Het hof is van oordeel dat deze bepaling in het licht van de concrete omstandigheden van dit geval, namelijk het grote commerciële succes van [geïntimeerde] en de daardoor ontstane onevenredigheid tussen de vergoedingen aan [geïntimeerde] en de opbrengsten voor Spinnin, ook indien de overeengekomen verhoging van 10% (van 30% naar 33%) wordt meegenomen, als onredelijk bezwarend moet worden beschouwd. Het beding is door [geïntimeerde] terecht vernietigd. Het gevolg daarvan is dat de briefovereenkomst 2013, de productieovereenkomst 2013 en vanwege de nauwe samenhang ook de co-managementovereenkomst op 30 juli 2013 zijn geëindigd.

7.67

De stelling van [geïntimeerde] dat de co-managementovereenkomst op grond van artikel 25f Aw in zijn geheel vernietigbaar is omdat het een vorm van gedwongen winkelnering is, volgt het hof niet. Uit de vaststaande feiten blijkt namelijk dat [geïntimeerde] niet verplicht was om beide overeenkomsten te tekenen. De stelling dat het geheel aan bepalingen de overeenkomsten in hun geheel onredelijk bezwarend maken, volgt het hof evenmin. Na vernietiging van de eenzijdige verlengingsmogelijkheid resteert een geheel aan bepalingen die in de concrete omstandigheden van het geval zowel afzonderlijk als in samenhang niet onredelijk bezwarend zijn, mede gelet op de beperkte looptijd van de overeenkomsten.

Toerekenbare tekortkomingen MAS en Spinnin

7.68

[geïntimeerde] verwijt MAS en Spinnin daarnaast dat zij toerekenbaar tekortgeschoten zijn in hun verplichtingen uit de overeenkomsten. [geïntimeerde] stelt dat zijn advocaat de overeenkomsten op grond daarvan in zijn van brief 19 mei 2015 terecht heeft ontbonden. Dit wordt door Spinnin c.s. gemotiveerd betwist.

7.69

Het hof stelt voorop dat het bij de beoordeling van deze ontbinding alleen kan gaan om een mogelijk tekortschieten van MAS in haar verplichtingen uit de in 2013 gesloten co-managementovereenkomst en Spinnin in haar verplichtingen uit de productieovereenkomst 2013 (beide met een looptijd tot 31 juli 2015), omdat de in 2012 gesloten overeenkomsten in hun geheel zijn vervangen door de in 2013 gesloten overeenkomsten.

7.70

Het belangrijkste verwijt van [geïntimeerde] aan MAS is dat zij in haar zorgplicht tegenover [geïntimeerde] is tekortgeschoten omdat zij hem niet, althans onvoldoende, heeft bijgestaan in zijn onderhandelingen met Spinnin. Dit verwijt wordt door [geïntimeerde] in zijn memorie van antwoord en zijn conclusie van repliek in eerste aanleg uitgewerkt in talloze subverwijten die alle gegrond zijn op de stelling dat MAS verplicht was [geïntimeerde] bij te staan in zijn onderhandelingen met Spinnin of in bredere zin had moeten toezien op de uitvoering van de productieovereenkomst door Spinnin. Al deze verwijten missen grond, omdat MAS, zoals het hof hiervoor onder 7.21 - 7.23 heeft overwogen, deze verplichting op grond van de co-managementovereenkomst niet had.

7.71

Het verwijt van [geïntimeerde] dat MAS tenminste de verplichting had zich ervan te vergewissen dat [geïntimeerde] en [de vader van geïntimeerde] bij het aangaan van de overeenkomsten in juli 2013 een onafhankelijke derde zouden inschakelen, mist eveneens grond. Vaststaat dat Spinnin c.s. [geïntimeerde] en [de vader van geïntimeerde] overeenkomstig artikel 10.3 van de

co-managementovereenkomst hebben geadviseerd onafhankelijk advies in te winnen. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, gaat de zorgplicht van Spinnin c.s. naar het oordeel van het hof niet zo ver dat zij hadden moeten controleren of [geïntimeerde] en [de vader van geïntimeerde] dat advies ook hadden ingewonnen.

7.72

[geïntimeerde] verwijt MAS daarnaast dat zij [de vader van geïntimeerde] onvoldoende op de hoogte heeft gehouden van aanbiedingen van derden voor het boeken van [geïntimeerde] . Ook meende hij dat er wat schortte aan de communicatie en aan de samenwerking tussen MAS en SBP. [geïntimeerde] heeft MAS daarvoor op 4 juli 2014 formeel in gebreke gesteld. Spinnin c.s. stellen dat zij naar aanleiding daarvan [de vader van geïntimeerde] steeds nauw betrokken hebben bij de dagelijkse gang van zaken, door onder andere de wekelijkse conference calls bij te wonen die het managementteam hield. Spinnin c.s. menen dat MAS daarmee haar verplichtingen tegenover [geïntimeerde] volledig is nagekomen. Spinnin c.s. wijzen er verder op dat een tweede 'in verzuimstelling' als bedoeld in artikel 7.2 ontbreekt, zodat MAS niet in verzuim is geraakt en [geïntimeerde] de co-managementovereenkomst hoe dan ook niet rechtsgeldig heeft kunnen ontbinden.

7.73

Het hof overweegt dat partijen in artikel 7.2 van de co-managementovereenkomst een procedure zijn overeengekomen voor de beëindiging van de overeenkomst in geval van niet nakomen. Dat deze procedure moet worden gevolgd, is door [geïntimeerde] niet bestreden. De procedure bestaat uit twee stappen, namelijk eerst een aangetekende ingebrekestelling (de brief van 4 juli 2014), gevolgd door een periode van acht weken waarin de tekortschietende partij (MAS) de kans heeft om haar verplichtingen alsnog volledig na te komen, gevolgd door een tweede aangetekende brief waarin de tekortschietende partij in verzuim wordt gesteld. Die laatste brief ontbreekt. Er is niet gesteld of gebleken dat de brief van de advocaat van [geïntimeerde] van 19 mei 2015 als genoemde tweede brief kan worden aangemerkt. Alleen al om deze reden heeft [geïntimeerde] de co-managementovereenkomst niet rechtsgeldig ontbonden. Het vereiste verzuim ontbreekt. Door [geïntimeerde] is niet aangevoerd dat nakoming zonder tekortkoming niet mogelijk zou zijn geweest (artikel 6:80 lid 1 a BW).

7.74

Wat betreft de productieovereenkomst 2013 geldt dat Spinnin in het geheel niet in gebreke is gesteld, zodat de ontbinding van die overeenkomst alleen daarom al geen doel heeft getroffen.

Conclusie ontbinding van de overeenkomsten door partijen

7.75

De conclusie uit het voorgaande is dat [geïntimeerde] de co-managementovereenkomst met MAS en de productieovereenkomst met Spinnin niet rechtsgeldig heeft ontbonden. De overeenkomsten liepen dus door tot 31 juli 2015. De door [geïntimeerde] op 11 juni 2015 opgeschorte betalingen dienen alsnog tot en met

31 juli 2015 aan MAS te worden betaald.

7.76

De door Spinnin c.s. beoogde ontbinding van de productieovereenkomst 2013 en de co-managementovereenkomst in hun brief van 28 augustus 2015 hebben geen doel getroffen omdat de betrokken overeenkomsten op 31 juli 2015 door het verstrijken van de overeengekomen looptijd al waren geëindigd (en gelet op het voorgaande niet met twee jaar zijn verlengd).

Wie is fonogrammenproducent?

7.77

De rechtbank heeft voor recht verklaard dat [geïntimeerde] de fonogrammenproducent is in de zin van de Wnr van de in het vonnis genoemde 23 tracks. Spinnin c.s. menen dat [geïntimeerde] geen procesbelang heeft bij de gevorderde verklaring voor recht (grief XIII).

7.78

Het hof kan daarover kort zijn. In de overeenkomst van 1 december 2015 hebben partijen in de artikelen 16 en 17 afspraken gemaakt over hoe zij zullen omgaan met het fonogrammenproducentenrecht en met name met het incasseren van de daaraan verbonden vergoedingen na 1 januari 2023, indien in een bodemprocedure onherroepelijk komst vast te staan dat [geïntimeerde] fonogrammenproducent is van de door hem vervaardigde geluidsbanden en opnamen als genoemd in bijlage 1 bij deze overeenkomst. Daarmee staat vast dat [geïntimeerde] een belang had en heeft bij de gevorderde verklaring voor recht voor zover het de tracks betreft die in bijlage 1 van de overeenkomsten staan genoemd.

7.79

Artikel 1d van de Wnr definieert de producent van fonogrammen als de natuurlijke of rechtspersoon die een fonogram voor de eerste maal vervaardigt of doet vervaardigen. Onduidelijk is wat in de context van EDM onder het vervaardigen of doen vervaardigen van een fonogram moet worden verstaan. Partijen zoeken terecht aansluiting bij de richtlijnen 92/100 EEG en 2006/115 EG, de Conventie van Rome (CvR) en het WIPO Performances and Phonograms Treaty uit 1996 (WPPT) dat een actualisering bevat van de internationale bescherming van de naburige rechten van een fonogrammenproducent. In lijn met arrest van het Hof van Justitie van 15 maart 2012 (C-135/10, ECLI:EU:C:2012:140) moet het begrip producent van fonogrammen worden uitgelegd tegen de achtergrond van de in de genoemde internationale verdragen opgenomen overeenstemmende begrippen en op een wijze dat het daarmee verenigbaar blijft, rekening houdend met de context waarin dergelijke begrippen passen en met het door de relevante verdragsbepalingen inzake intellectueel eigendom beoogde doel. Doel van de bescherming van de producent van fonogrammen is, zo blijkt uit de considerans van beide richtlijnen en het arrest van het Hof van Justitie van 28 april 1998 (ECLI:EU:C:1998:172), het terugverdienen van bijzonder hoge en riskante investeringen.

7.80

In artikel 2d van het WPPT wordt de producent van fonogrammen als volgt gedefinieerd:

"the person, or the legal entity, who or which takes the initiative and has the responsibility for the first fixation of the sounds of a performance or other sounds, or the representation of sounds".

Het WPPT stelt niet het vereiste dat de verantwoordelijkheid een financiële of economische moet zijn. De verantwoordelijkheid kan ook bestaan, zo leidt het hof af uit de opinies van prof. dr. [G] en prof. dr. [I] (productie 33 [geïntimeerde] ), [J] en
prof. dr. [K] (producties 54A en 54B Spinnin c.s.), uit een technische, organisatorische of artistieke verantwoordelijkheid.

7.81

Aan Spinnin c.s. kan worden toegegeven dat de rechtbank met haar overweging dat het naburig recht van een fonogrammenproducent toekomt aan degene die het financiële risico draagt van de kosten die zijn gemoeid met de eerste vastlegging van een opname, mogelijk een te beperkte uitleg heeft gegeven van het begrip "producent van fonogrammen" in artikel 1d Wnr. Bepalend zijn, en daarover zijn partijen het eens, het initiatief tot en de verantwoordelijkheid voor de eerste vastlegging. De rechtbank heeft overigens, zo blijkt uit rechtsoverweging 5.49 van het besteden vonnis wel het juiste toetsingskader toegepast.

7.82

De rechtbank heeft aan de hand van de feitelijke gang van zaken rond de totstandkoming van de specifieke tracks bepaald wie als fonogrammenproducent moet worden aangemerkt. De rechtbank heeft zich daarbij, anders dan Spinnin c.s. in grief XIV stellen, niet laten leiden door hetgeen in de productieovereenkomst is overeengekomen.

7.83

De rechtbank is in haar beoordeling ervan uitgegaan dat de versie zoals die door [geïntimeerde] werd aangeleverd als de eerste vastlegging moet worden beschouwd. Dit is volgens Spinnin c.s. niet juist. Spinnin c.s. betogen dat in geval van EDM, waarbij elke volgende versie van een track voortbouwt op een eerdere versie, iedere nieuwe versie en dus ook de definitieve door Spinnin uitgebrachte versie van de track, als een eerste vastlegging moet worden aangemerkt. Die stelling vindt naar het oordeel van het hof geen steun in het recht, waarin stelmatig wordt gesproken over de eerste opname.

7.84

Spinnin c.s. betwisten daarnaast dat [geïntimeerde] het initiatief nam en verantwoordelijk was voor de eerste opname. Het hof leest in de betwisting geen andere stellingen of verweren dan die in eerste aanleg waren aangevoerd en door de rechtbank uitgebreid gemotiveerd zijn verworpen. Het hof onderschrijft die motivering en is met de rechtbank van oordeel dat in het licht van de vastgestelde feitelijke gang van zaken [geïntimeerde] als producent van de genoemde tracks moet worden aangemerkt, uitgezonderd de track getiteld Cracked, die niet bestaat.

7.85

De conclusie dat [geïntimeerde] als fonogrammenproducent moet worden aangemerkt, heeft verder geen gevolgen voor de geldigheid van de in 2013 gesloten overeenkomsten.

7.86

Uit het voorgaande volgt dat de grieven XIII en XIV falen en dat grief XV gegrond is.

Overige grieven

7.87

De grieven IX tot en met XII keren zich tegen de afwijzing van een aantal formele verweren die Spinnin c.s. in eerste aanleg hebben gevoerd tegen de vorderingen van [geïntimeerde] . Spinnin c.s. hebben in het licht van hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, geen belang meer bij beoordeling van deze grieven. Dit geldt ook voor de incidentele grieven III en IV van [geïntimeerde] .

8 De bespreking van de vorderingen

8.1

Uit het voorgaande volgt dat de oorspronkelijke vorderingen van [geïntimeerde] in conventie grotendeels moeten worden afgewezen. Wel toewijsbaar zijn de gevorderde verklaringen voor recht dat i) de eenzijdige verlengingsoptie in artikel 2 van de co-managementovereenkomst en artikel 7 van de briefovereenkomst zijn vernietigd, ii) de co-managementovereenkomst op 30 juli 2015 is geëindigd en iii) [geïntimeerde] fonogrammenproducent is van de tracks.

8.2

[geïntimeerde] vordert in hoger beroep vergoeding van de door [geïntimeerde] voor Spinnin gerealiseerde waardegroei van het YouTube-kanaal van Spinnin. Hij beroept zich daartoe op artikelen 25d Aw, 25f Aw, 6:248 lid 1 BW, 6:258 BW, 6:162 BW en/of 6:212 BW.

8.3

Artikel 25d Aw biedt geen steun voor zijn vordering omdat de bepaling op het moment dat de waardecreatie zou hebben plaatsgevonden, nog niet van toepassing was. Artikel 25f Aw biedt, gelet op de strekking daarvan, evenmin soelaas. Artikel 25f Aw kan leiden tot een vernietiging van een onredelijk beding, maar kan een overeenkomst niet aanvullen in de zin dat de bestsellervergoeding als bedoeld in artikel 25d Aw alsnog geldt.

Daarmee zou artikel 25d Aw toch van toepassing zijn op voor 30 juni 2015 gesloten overeenkomsten, terwijl artikel III van de Wet auteurscontractenrecht dat nu juist uitsluit.

8.4

De stelling dat de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid van artikel 6:248 lid 1 BW tot gevolg heeft dat de waardecreatie wordt geacht te vallen onder de door Spinnin ontvangen exploitatie-inkomsten als bedoeld in artikel 5 van de productieovereenkomst 2013, wordt door Spinnin c.s. betwist en door [geïntimeerde] niet verder onderbouwd, terwijl hij daarvan wel de stelplicht en bewijslast had. Het hof gaat daarom aan de stelling voorbij.

8.5

Voor een beroep op 6:258 BW heeft [geïntimeerde] onvoldoende gesteld. Dit geldt ook voor zijn beroep op artikel 6:162 BW en artikel 6:212 BW. Wat betreft het beroep op ongerechtvaardigde verrijking merkt het hof nog op dat daarvoor naast verarming en verrijking, is vereist dat de verrijking ten koste gaat van de ander en ongerechtvaardigd is. Het hof is van oordeel dat de verrijking gelet op de overeengekomen regeling in artikel 5 VI van de productieovereenkomst 2013 niet ongerechtvaardigd is, nog daargelaten dat het nog maar zeer de vraag is of de gestelde verrijking ten koste is gegaan van [geïntimeerde] .

8.6

De vordering tot vergoeding van de waardecreatie en de daarmee samenhangende inzagevordering moeten daarom worden afgewezen.

8.7

De oorspronkelijke vorderingen van Spinnin c.s. in reconventie zijn slechts voor een klein deel toewijsbaar. [geïntimeerde] heeft de betaling van de in artikel 5 overeengekomen vergoeding aan MAS op 11 juni 2015 ten onrechte opgeschort. De co-managementovereenkomst is namelijk pas op 30 juli 2015 geëindigd. Dit betekent dat [geïntimeerde] alsnog de overeengekomen vergoeding aan MAS dient te betalen. De stelling van [geïntimeerde] in incidentele grief II dat MAS vanaf 1 januari 2015 geen werkzaamheden meer voor hem heeft verricht en dat hij om die reden MAS niets meer verschuldigd is, is door Spinnin c.s. onderbouwd weersproken. Het hof gaat daarom aan die stelling voorbij. Zonder nadere onderbouwing, die door [geïntimeerde] niet is gegeven, kan ook niet worden volgehouden dat alleen de werkzaamheden van [L] voor vergoeding in aanmerking komen. Het gaat om de overeengekomen vergoeding van de werkzaamheden in artikel 5 van de co-managementovereenkomst tot 30 juli 2015. Er zijn onvoldoende gegevens beschikbaar om tot vaststelling van de managementvergoeding over die periode te komen. Het hof zal daarom, zoals MAS onder v op bladzijde 125 van de conclusie van antwoord heeft gevorderd, de zaak verwijzen naar de schadestaat. In zoverre slaagt grief VIII.

8.8

Het in opdracht van Spinnin c.s. gemaakte rapport van SMAN heeft geen betrekking op de overeengekomen vergoedingen tot 30 juli 2015. Het rapport gaat uit van de onjuiste veronderstelling dat de overeenkomst zou doorlopen tot 30 juli 2017. De door Spinnin c.s. gevorderde interne bedrijfskosten hebben evenmin betrekking op de hiervoor genoemde berekening van de managementvergoeding tot 30 juli 2015. De gevorderde kosten zijn daarom niet toewijsbaar.

Proceskosten

8.9

Het hof is van oordeel dat de proceskosten gelet op de mate waarin partijen over en weer gelijk en ongelijk hebben gekregen, moeten worden gecompenseerd. Dit geldt voor de procedure in eerste aanleg in conventie en in reconventie en dit hoger beroep.

9 De beslissing

Het gerechtshof (in het principaal en het incidenteel hoger beroep):

a. bekrachtigt het vonnis van de rechtbank voor wat betreft de verklaring voor recht onder 8.2, uitgezonderd de track Cracked onder f. omdat die niet bestaat;

b. vernietigt het vonnis van de rechtbank voor het overige;

en beslist zelf als volgt

c. verklaart voor recht dat de eenzijdige verlengingsoptie in artikel 2 van de co-managementovereenkomst en artikel 7 van de briefovereenkomst 2013 nietig zijn;

d. verklaart voor recht dat de op 30 juli 2013 gesloten briefovereenkomst, productieovereenkomst en de co-managementovereenkomst per 30 juli 2015 zijn geëindigd;

e. verklaart voor recht dat [geïntimeerde] door het opschorten van zijn betalingen aan MAS toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van verplichtingen uit artikel 5 van de co-managementovereenkomst en veroordeelt [geïntimeerde] tot vergoeding van de door deze tekortkoming geleden schade aan MAS, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

f. verklaart de beslissing onder e uitvoerbaar bij voorraad;

g. compenseert de proceskosten in eerste aanleg in conventie en in reconventie en dit hoger beroep, in de zin dat iedere partij zijn kosten draagt;

h. wijst alle overige vorderingen af.

Dit arrest is gewezen door mr. R.E. Weening, mr. M. Willemse en mr. M. Schut. Het is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2019 door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.