Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:10779

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-12-2019
Datum publicatie
19-12-2019
Zaaknummer
200.257.334/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging opheffing vereffening, ondanks mogelijke bate die ontbreekt in de boedelbeschrijving. Onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze bate zodanig hoog is dat daaruit de kosten van de voortdurende vereffening kunnen worden voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0002
JERF Actueel 2020/1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.257.334/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 7251039 / EZ VERZ 18-147)

beschikking van 16 december 2019

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: [verzoeker] ,

advocaat: mr. M.J. van Dam te Capelle a/d IJssel,

tegen

1 [verweerster] ,
wonende te [B] ,
hierna te noemen [verweerster] ,
2 [verweerder] ,
wonende te [B] ,
hierna te noemen: [verweerder] ,
verweerders in hoger beroep,
advocaat; mr. V.S.A.W. Wegter te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden (hierna: de kantonrechter), van

20 februari 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. In deze beschikking is -voor zover in hoger beroep van belang- op verzoek van verweerders de opheffing bevolen van de vereffening van de nalatenschap van [C] (hierna te noemen: erflater), geboren te [D] [in] 1939 en overleden in de gemeente Leeuwarden [in]

2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- twee beroepschriften met productie(s), ingekomen op 27 maart 2019;

- het verweerschrift met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 26 november 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn [verzoeker] en [verweerder] , bijgestaan door hun advocaten. Wegens gezondheidsredenen was [verweerster] niet aanwezig. Mr. Van Dam heeft mede het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen, die hij ter zitting heeft overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1

Later is op 9 augustus 1963 in wettelijke gemeenschap gehuwd met [verweerster] . Bij akte huwelijkse voorwaarden van 26 november 1993 hebben erflater en [verweerster] hun huwelijksvermogenregime gewijzigd, en bepaald dat tussen hen geen vermogensrechtelijke gemeenschap zal bestaan. De akte huwelijkse voorwaarden bevat daarnaast onder meer een bepaling over de fourneerplicht van elk van de echtgenoten in de kosten van de huishouding (artikel 3 van de akte).

3.2

Erflater is [in] 2017 overleden. Verweerders, de echtgenote en de zoon van erflater, zijn de enige erfgenamen. Zij hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard.

3.3

Tot de schulden van de nalatenschap behoort een vordering van het voormalige bedrijf van [verzoeker] , Shipping Company, op erflater, van € 2.308.598,06.

4 De omvang van het geschil

4.1

Uit de door verweerders opgestelde boedelbeschrijving is gebleken dat de schulden van de nalatenschap de baten ruimschoots overtreffen. Ook de vereffeningskosten overtreffen de baten. De kantonrechter heeft daarom aanleiding gezien om, overeenkomstig het verzoek van verweerders, de opheffing van de vereffening van de nalatenschap te bevelen.

4.2

[verzoeker] heeft in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, aangevoerd dat in de door verweerders opgestelde boedelbeschrijving ten onrechte geen rekening is gehouden met een extra bate, te weten een vordering van erflater op [verweerster] uit hoofde van niet-nakoming door [verweerster] van de in artikel 3 van de akte huwelijkse voorwaarden opgenomen fourneerplicht. [verzoeker] verzoekt daarom de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek tot opheffing van de vereffening alsnog af te wijzen, met -zoals hij aangeeft- toekenning van een vergoeding voor de bezwaar, beroeps- en hoger beroepsprocedure.

4.3

Verweerders hebben verweer gevoerd, en verzoeken de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van [verzoeker] in de kosten van de procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

5 De motivering van de beslissing

Vooraf

5.1

Ter zitting heeft de advocaat van [verweerder] -voor het eerst- naar voren gebracht dat niet voldoende duidelijk is of [verzoeker] belanghebbende is in de procedure. De vordering op erflater die [verzoeker] wil innen is een vordering van Shipping Company, en niet is gebleken dat [verzoeker] gerechtigd is namens Shipping Company op te treden of deze vordering te innen. [verzoeker] heeft hierop desgevraagd verklaard dat het bedrijf Shipping Company enige tijd geleden is geliquideerd, en dat hij de vordering van het bedrijf op erflater heeft overgenomen zodat hij gerechtigd is tot die vordering en deze kan innen.. De daaraan ten grondslag liggende stukken kan hij (alsnog) tonen. Door [verweerder] is dit niet/onvoldoende gemotiveerd betwist.

5.2

Gelet hierop zal het hof, afgezien van het feit dat het hof het strijdig acht met de beginselen van een goede procesorde om pas ter zitting in hoger beroep naar voren te brengen dat er twijfels zijn over de status van [verzoeker] als gerechtigde tot de vordering op erflater, hiervan uitgaan en [verzoeker] als gerechtigde tot deze vordering beschouwen.

Opheffing vereffening

5.3

Artikel 4:209, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat, indien de geringe waarde van de baten van een nalatenschap daartoe aanleiding geeft, de kantonrechter de opheffing van de vereffening kan bevelen. Een nalatenschap kan immers dusdanig weinig activa omvatten, dat deze geheel of bijna geheel aan vereffeningskosten zouden opgaan. Verweerders hebben een boedelbeschrijving overgelegd waaruit blijkt dat de baten een totaalbedrag belopen van € 2.110,36. Daartegenover staan als schulden van de nalatenschap de vordering van [verzoeker] ad € 2.308.598,06, een hypotheekschuld van € 55.000 en een bijdrage zorgverzekeringswet 2016 ad € 96,-. De kantonrechter heeft de vereffeningskosten -tot dan toe- vastgesteld op een bedrag van € 2.420,00. Op grond van deze gegevens is duidelijk dat de geringe baten niet opwegen tegen de (verder) te maken kosten van de vereffening.

5.4

[verzoeker] heeft betoogd dat er nog een bate in de boedelbeschrijving dient te worden opgenomen, te weten de hierboven omschreven vordering van erflater op [verweerster] . [verweerder] heeft het bestaan van deze vordering echter betwist, en heeft verder aangegeven als (beneficiair) erfgenaam niet voornemens te zijn een dergelijke vordering jegens [verweerster] , zijn moeder, aanhangig te maken.

5.5

Los van de slagingskans van de door [verzoeker] gepretendeerde vordering, en de vraag of deze is verjaard of vervallen, dan wel sprake is van rechtsverwerking, staat daarom op voorhand vast dat het in rechte laten vaststellen van de vordering aanzienlijke (vereffenings-)kosten met zich zal brengen. [verzoeker] heeft daar tegenover op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt hoe hoog de bate/vordering is. Evenmin heeft [verzoeker] aannemelijk gemaakt dat deze bate zodanig hoog is dat daaruit de kosten van de (voortdurende) vereffening zouden kunnen worden voldaan. Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen.

Proceskosten

5.6

Omdat de grieven van [verzoeker] niet slagen, zal het hof zijn verzoek om een proceskostenveroordeling afwijzen.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 20 februari 2019;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C. Koopman, B.J.H. Hofstee en M. Weissink, en is op 16 december 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.