Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:10717

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-12-2019
Datum publicatie
17-12-2019
Zaaknummer
200.222.324/01 en 200.222.187/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Schade door aardgaswinning. Vordering tot vergoeding van vermogensschade wegens gemist woongenot en tot vergoeding van immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0009
JIN 2020/10 met annotatie van Witting, M.E.
O&A 2020/16
JA 2020/40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummers gerechtshof 200.222.324/01 en 200.222.187/01

(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland C/19/109028 en C/19/109680)

arrest van 17 december 2019

in de zaak met zaaknummer 200.222.324/01 van

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: NAM,

advocaten: mr. M.A. Leijten en mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk, kantoorhoudend te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde1] ,

wonende te [A] ,

en 103 andere natuurlijke personen zoals vermeld in het aan dit arrest gehechte appelexploot van 24 mei 2017,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerde1] e.a., of eisers,

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eisers,

advocaat: mr. P.W. Huitema, kantoorhoudend te Groningen,

en in de zaak met zaaknummer 200.222.187/01 van

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: NAM,

advocaten: mr. M.A. Leijten en mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk, kantoorhoudend te Amsterdam,


tegen

[geïntimeerde2] ,

wonende te [B] ,

en 22 andere natuurlijke personen zoals vermeld in het aan dit arrest gehechte appelexploot van 24 mei 2017,

hierna ook gezamenlijk te noemen: [geïntimeerde1] e.a., of eisers,

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eisers,

advocaat: mr. P.W. Huitema, kantoorhoudend te Groningen.

1 De gang van zaken in de procedure bij de rechtbank

1.1

In het vonnis van de rechtbank van 1 maart 2017 staat hoe de procedure bij de rechtbank is verlopen tussen [geïntimeerde1] e.a. en NAM. In de procedure bij de rechtbank waren [geïntimeerde1] e.a. de eisers, NAM was de gedaagde.

2
2. De gang van zaken in de procedure bij het hof

2.1

In de procedure bij het hof zijn de volgende processtukken ingediend:
- de dagvaardingen in hoger beroep in de zaken van [geïntimeerde1] e.a.;
- de memorie van grieven van NAM (met bijlagen);
- de memorie van antwoord, ook memorie van eis in incidenteel hoger beroep van
e.a. (met bijlagen);
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep van NAM (met bijlagen);
- de akte vermeerdering van eis van [geïntimeerde1] e.a.;
- de akte bezwaar vermeerdering van eis van NAM;
- de rolbeschikking van het hof van 4 september 2018.

2.2

Het hof heeft in de beschikking van 4 september 2018 beslist dat [geïntimeerde1] e.a. hun eis niet mogen wijzigen of vermeerderen. Het hof zal dus beslissen over de vorderingen die [geïntimeerde1] e.a. hebben ingesteld in hun memorie van antwoord, ook memorie van eis in incidenteel hoger beroep.

2.3

Op 4 november 2019 is een pleidooi gehouden. Wat er is gebeurd tijdens dit pleidooi, is vastgelegd in een proces-verbaal. Dat proces-verbaal hoort ook bij de processtukken, net als de pleitnotities van de advocaten van de NAM en van [geïntimeerde1] e.a.

2.4

Aan het einde van het pleidooi is een datum vastgesteld waarop het hof het arrest zal uitspreken.

3 Waar het in deze procedure om gaat

3.1

[geïntimeerde1] e.a. zijn of waren eigenaar en/of bewoner van een woning in of in de omgeving van het gebied waar aardgas wordt gewonnen. In dat gebied, het Groningenveld, vinden aardbevingen plaats door de aardgaswinning.
e.a. vinden dat zij door deze aardbevingen niet alleen materiële schade aan hun woningen lijden (door beschadiging van de woning en/of door waardevermindering). Zij vinden dat zij ook recht hebben op vergoeding van vermogensschade vanwege het gemis aan een ongestoord woongenot en dat zij recht hebben op smartengeld (vergoeding van immateriële schade).

3.2

In deze procedure gaat het er vooral om of [geïntimeerde1] e.a. voldoende hebben onderbouwd dat zij recht hebben op betaling van smartengeld en op vergoeding van vermogensschade vanwege het missen van woongenot door (de gevolgen van) de aardbevingen. Is het nodig dat dat voor alle eisers afzonderlijk wordt beslist op grond van hun hoogstpersoonlijke situatie, of is voldoende dat vaststaat dat de eisers aan bepaalde vereisten voldoen? En, wanneer dat niet voor alle eisers vaststaat, hoe moet het dan verder? Moeten hun vorderingen dan worden afgewezen, of moet de procedure voor die eisers dan worden voortgezet (en op welke manier)?
Verder zal het hof in dit arrest beslissen over een paar andere geschilpunten tussen NAM en [geïntimeerde1] e.a. Sommige eisers hebben met NAM een overeenkomst gesloten. In die overeenkomst is een bepaling opgenomen waarin staat dat partijen niets meer van elkaar te vorderen hebben (een beding van finale kwijting). NAM en [geïntimeerde1] e.a. zijn het er niet over eens of dat betekent dat die eisers geen recht hebben op vergoeding van de schade die zij in deze procedure vorderen.

4
4. Een korte samenvatting van de beslissingen van het hof

4.1

Het hof zal beslissen dat eisers bij wie minimaal eenmaal fysieke schade aan de woning is vastgesteld, recht hebben op vergoeding van vermogensschade vanwege gemist woongenot. Daarvoor is wel nodig dat zij eigenaar of huurder zijn van de beschadigde woning. Eisers bij wie minimaal tweemaal fysieke schade aan de woning is vastgesteld, hebben daarnaast recht op vergoeding van smartengeld. Dat smartengeld bedraagt minimaal € 2.500,- per persoon.
De procedure wordt voor deze eisers - het zijn er 65 - beëindigd. De precieze hoogte van de schadevergoeding waarop zij recht hebben, zal in een aparte procedure (een zogenaamde schadestaatprocedure) worden vastgesteld.

4.2

De procedure wordt voortgezet voor de eisers bij wie geen of eenmaal fysieke schade aan de woning is vastgesteld. Dat zijn er 49. Zij krijgen de gelegenheid om aan te tonen dat zij toch recht hebben op vergoeding van vermogensschade wegens gederfd woongenot en/of smartengeld. Omdat de situatie van al deze eisers verschilt, zal deze procedure dan in verschillende procedures worden gesplitst.

4.3

Van 13 eisers kan nu al worden vastgesteld dat hun vorderingen niet kunnen worden toegewezen.

5 Een leeswijzer bij het vervolg van het arrest

5.1

Hierna worden deze (kort weergegeven) beslissingen uitgewerkt en preciezer geformuleerd. Dat deel van het arrest is als volgt opgebouwd.

5.2

Eerst worden de feiten vermeld die voor de beslissing van belang zijn (onderdeel 6).
Daarna wordt ingegaan op de verschillende geschilpunten van partijen en op onderwerpen die van belang zijn voor de beslissing (onderdeel 7). Die geschilpunten en onderwerpen worden steeds met een tussenkopje aangeduid.
Daarna wordt besproken wat de uitkomst van onderdeel 7 betekent voor de grieven van partijen tegen het vonnis van de rechtbank (onderdeel 8) en voor de vorderingen van [geïntimeerde1] e.a. (onderdeel 9).
In onderdeel 10 worden de beslissingen van het hof precies geformuleerd.

5.3

Als dat voor de leesbaarheid beter is, zullen [geïntimeerde1] c.s. met een nummer worden aangeduid. Het gaat om het nummer voor hun naam in de dagvaarding, de eisers in de zaak met zaaknummer 200.222.187 met een H achter dat nummer.

6
6. De feiten

6.1

De rechtbank heeft in het vonnis de feiten opgesomd die zij heeft vastgesteld. Tegen de vaststelling van deze feiten hebben partijen in de procedure bij het hof geen bezwaar gemaakt. In hoger beroep staan deze feiten daarom vast. Het hof zal deze feiten hierna samenvatten. Het hof voegt daar nog andere feiten aan toe. Het gaat om feiten die ook vaststaan en waarvan het hof vindt dat deze van belang zijn voor de beslissing.

6.2

NAM wint vanaf 1963 gas uit het Groningenveld. Het Groningenveld bevindt zich onder de gemeenten Appingedam, De Marne, Delfzijl, Eemsmond, Groningen, Hoogezand-Sappemeer, Loppersum, Menterwolde, Slochteren, Oldambt, Pekela, Ten Boer, Veendam en een stukje Bellingwolde en Haren.

6.3

Bijna alle eisers wonen boven het Groningenveld of hebben daar gewoond. Enkelen van hen hebben er een tweede woning.

6.4

De gaswinning is geregeld in onder meer de Mijnbouwwet (hierna ook: Mbw). In artikel 34 Mbw staat dat NAM periodiek een winningsplan moet indienen. De minister van Economische Zaken (hierna: de minister) moet met dat plan instemmen. De Mijnbouwwet is op 1 januari 2017 gewijzigd. Tot die tijd stond in artikel 36 lid 1 Mbw dat de minister zijn instemming maar in twee gevallen mocht weigeren1. In lid 2 van artikel 36 stond dat de minister op deze gronden ook onder beperkingen of onder het stellen van voorwaarden instemming kon verlenen. Artikel 50 Mbw verleende (en verleent) de minister de bevoegdheid om maatregelen voor te schrijven in het geval dat ernstige aantasting ontstaat of dreigt te ontstaan van de veiligheid en/of het milieu. De minister mocht ook maatregelen voorschrijven in het geval van dreigende schade als gevolg van bodembeweging.
Per 1 juli 2017 heeft de minister meer mogelijkheden gekregen om te weigeren in te stemmen met een winningsplan.
6.5 Op 21 december 2007 heeft de minister ingestemd met het winningsplan van NAM van 29 juni 2007. Tegen het besluit om in te stemmen met dat winningsplan is geen beroep ingesteld bij de bestuursrechter.

6.6

Eind 2013 heeft NAM een winningsplan ingediend voor de jaren 2014 tot en met 2016. De minister heeft op 29 juni 2015 ingestemd met dat winningsplan, maar daarbij voor het gasjaar 2015 - 2016 de toegestane gaswinning beperkt tot 33 miljard m3. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft dit besluit vernietigd. De Afdeling heeft bepaald dat de maximale hoeveelheid voorlopig - totdat een nieuw besluit van kracht is - maximaal 27 miljard m3 mag bedragen.

6.7

Op 30 september 2016 heeft de minister een besluit genomen over een nieuw winningsplan van NAM. De minister heeft met dat plan ingestemd, maar bepaald dat het uitgangspunt is dat in het gasjaar 2016 - 2017 maximaal 24 miljard m3 gas mag worden gewonnen. Er mag alleen meer gas worden gewonnen - maximaal 6 m3 - als dat vanwege de kou nodig is. In een besluit van 17 mei 2017 heeft de minister de hoeveelheid van 24 miljard m3 verminderd tot 21,4 m3 (te verhogen met maximaal 5,4 miljard m3 als dat vanwege de kou nodig is).
In een uitspraak van 15 november 2017 heeft de Afdeling de besluiten van

30 september 2016 en 17 mei 2017 vernietigd. De Afdeling heeft de minister de opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen. Tot dat nieuwe besluit in werking treedt, blijft gelden wat in de vernietigde besluiten is bepaald.

6.8

NAM heeft niet meer gas gewonnen dan in de winningsbesluiten is toegestaan. In het jaar 2012 is - afgerond - 48 miljoen m3 gas geproduceerd uit het Groningenveld. De jaren daarna was dat 54 miljoen (2013), 42 miljoen (2014), 28 miljoen (2015), 28 miljoen (2016), 24 miljoen (2017) en 19 miljoen (2018). Deze hoeveelheden zullen verminderen tot

12 miljoen in 2020. De minister heeft in september 2019 besloten dat het de bedoeling is dat de gasproductie medio 2022 zal zijn afgebouwd tot nihil. Op 29 maart 2018 was het nog de bedoeling van het kabinet om de gaswinning uit het Groningenveld uiterlijk in 2030 te beëindigen.

6.9

De productie van gas uit het Groningenveld veroorzaakt bodemdaling en aardbevingen. In onderstaande tabel is het aantal door de aardgaswinning veroorzaakte bevingen in het Groningenveld met een sterkte van meer dan 1,5 en meer dan 2,0 op de schaal van Richter in 2012 tot en met 2018 weergegeven. De tabel is ontleend aan gegevens van het KNMI.

Jaar →


zwaarte

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

> 1,5

20

30

20

23

13

18

15

>2,0

3

12

10

8

3

4

4


De zwaarste bevingen vonden in deze periode plaats op:
- 16 augustus 2012 in Huizinge (3,4);
- 3 juli 2014 bij Garrelsweer (3,0);
- 30 september 2015 bij Hellum (3,1);
- 8 januari 2018 bij Zeerijp (3,4);
- 22 mei 2019 bij Westerwijtwerd (3,4).

6.10

Tot 1 januari 2015 konden bewoners schade aan hun huizen melden bij NAM. NAM behandelde deze schades volgens haar Schadeprotocol (hierna ook: het Protocol). In de inleiding van het Protocol staat het volgende:
Jaarlijks vinden er aardbevingen plaats in Nederland. In Nederland kennen we natuurlijke aardbevingen, die vooral in Zuid-Nederland plaatsvinden. Daarnaast zijn er geïnduceerde aardbevingen, die ontstaan door gaswinning. Hierdoor kan er fysieke schade aan gebouwen ontstaan. NAM, als gasproducent, is aansprakelijk voor deze schade en verzorgt het herstel. Ons uitgangspunt is om dit zo zorgvuldig mogelijk te doen. Dit protocol beschrijft op welke wijze de afhandeling van schades door NAM plaatsvindt.”
De afwikkeling van schades volgens het Protocol verliep, kort gezegd, als volgt:
Een deskundige onderzocht (op kosten van NAM) de schades en deelde die in een van de volgende categorieën in: A-schade (schade veroorzaakt door aardbevingen), B-schade (bestaande schade die is verergerd door aardbevingen) of C-schade (schade die geen verband heeft met aardbevingen). NAM vergoedde de herstelkosten voor A- en B-schades. De kosten van C-schades werden niet vergoed.
Wie het niet eens was met het oordeel van de deskundige, kon (ook op kosten van NAM) een tegendeskundige inschakelen. Werden de beide deskundigen het niet eens, dan konden de verschilpunten worden voorgelegd aan een onafhankelijke derde deskundige.

6.11

Vanaf 2015 werd de afhandeling van schades steeds meer uit handen van NAM genomen. De schades werden eerst afgehandeld door het Centrum Veilig Wonen (hierna: het CVW), een uitvoeringsorganisatie van NAM. In september 2016 nam de Nationaal Coördinator Groningen (hierna: de NCG) de bemiddeling bij ingewikkelde schades over van het CVW.

6.12

Naar aanleiding van een rapport van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid (hierna: de OVV) van 18 februari 2015 heeft de directeur van NAM onder meer het volgende gezegd:
Het is een feit dat de gasproductie in Groningen aardbevingen veroorzaakt en dat de gevolgen van de aardbevingen diep ingrijpen in het leven van de bewoners van Groningen. Ik ben mij daar – ook in mijn ontmoetingen met bewoners – zeer van bewust.

6.13

Op 17 januari 2014 schreef de minister aan de Tweede Kamer:

De gevolgen van langjarige gaswinning in Groningen zijn het afgelopen jaar steeds duidelijker geworden. De bewoners in de regio, en met name die in het meest risicovolle gebied rond Loppersum, zijn geconfronteerd met een toenemend aantal aardbevingen, waarvan de kracht bovendien groter is dan voorheen. De gevolgen voor huizen en gebouwen is zichtbaar. Dit leidt bij de bewoners tot oprechte zorgen over hun persoonlijke veiligheid en welbevinden in de directe leefomgeving. (…) Rustige en redelijke mensen zijn bezorgd over hun veiligheid en over wat er gaat gebeuren met hun woning en hun leefomgeving. (…) Er is meer dan bezorgdheid en boosheid bij de Groningers, zij zijn verontwaardigd en vinden dat hen onrecht wordt aangedaan. Deze gevoelens zijn zeer begrijpelijk en vereisen - net als de problematiek zelf - een adequate bestuurlijke reactie.

Op 17 december 2014 schreef de minister aan de Tweede Kamer:

In het gebied waar zich (frequent) aardbevingen voordoen, is het gevoel van een veilige leefomgeving aangetast. Dat grijpt diep in in het dagelijkse leven van de inwoners.”

Op 9 februari 2015 schreef de minister aan de Tweede Kamer:

De gevolgen van de langjarige gaswinning in Groningen grijpen diep in op het dagelijks leven van de inwoners, met name in het gebied waar zich frequent aardbevingen voordoen.”
Op 2 april 2015 schreef de minister aan de Tweede Kamer:

Als gevolg van de gaswinning hebben al vele aardbevingen plaatsgevonden en er zullen nog aardbevingen volgen. (…) Dit leidt tot vele praktische problemen, maar vooral tot gevoelens van angst en onveiligheid.”

6.14

In 2018 is de schadeafhandeling overgenomen door de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (hierna: de TCMG). De TCMG behandelt de schademeldingen van na 31 maart 2017. De TCMG gaat daarbij uit van een nieuw Schadeprotocol, het Protocol mijnbouwschade Groningen (hierna: het nieuwe Protocol). Dat nieuwe Protocol is door de Minister vastgesteld in het Besluit mijnbouwschade Groningen. Op grond van dit nieuwe Protocol hebben mensen die recht hebben op een vergoeding voor mijnbouwschade ook aanspraak op een zogenaamde overlastvergoeding. Deze vergoeding bedraagt minimaal € 250,- en maximaal € 1.000,-. De hoogte van de vergoeding wordt vastgesteld door de TCMG, die ook bepaalt of iemand recht heeft op vergoeding van schade aan zijn of haar woning.

6.15

Sinds week 33 van 2012 (de week van de beving bij Huizinge) tot en met week 50 van 2016 zijn 76.613 schademeldingen bij NAM gedaan. In 72.375 van die gevallen heeft NAM een aanbod tot schadeherstel gedaan. In 63.910 van die gevallen is een akkoord bereikt tussen NAM en de schademelder.

6.16

Er is niet alleen een regeling voor de vergoeding van schade aan een woning. Er waren en zijn diverse andere regelingen. Een van die regelingen was de Waardevermeerderingsregeling. Die regeling hield in dat een woningeigenaar bij fysieke schade van minimaal € 1.000,- een vergoeding van € 4.000,- ontving. Die vergoeding was bedoeld om energiebesparende maatregelen in de woning te treffen. De Waarderegeling gaf woningeigenaren die hun woning verkochten een aanspraak op vergoeding van schade doordat de woning vanwege de aardbevingen minder had opgebracht. Het Koopinstrument maakte het mogelijk dat NAM woningen in bepaalde gebieden op het Groningenveld aankocht. Het ging om woningen die onverkoopbaar waren. NAM heeft van 10 van de eisers de woning opgekocht. In heel schrijnende situaties kon een beroep worden gedaan op de Commissie Bijzondere Situaties.
Naast deze regelingen zijn tot medio 2019 ruim 900 woningen en gebouwen versterkt.

6.17

In de laatste vijf jaren zijn er veel onderzoeken uitgevoerd en rapporten uitgebracht over de gevolgen van de gaswinning in het Groningenveld voor de veiligheid van de woningen en hun bewoners, de waardeontwikkeling van de woningen en het welbevinden van de bewoners van dat gebied. Het hof komt bij de motivering van zijn beslissingen op deze rapporten terug.

7
7. De motivering van de beslissing van het hof


Inleiding
7.1 De Hoge Raad heeft op 19 juli 20192 antwoord gegeven op enkele prejudiciële vragen van de rechtbank Noord-Nederland over de afwikkeling van aardbevingsschade door gaswinning. De Hoge Raad heeft in die uitspraak negen vragen beantwoord. Vraag 8 gaat over vermogensschade door gemist woongenot, vraag 9 over het recht op smartengeld. De Hoge Raad zet in de antwoorden op deze vragen uiteen wanneer iemand recht heeft op vergoeding van deze schadesoorten en wat daarvoor moet vaststaan. In dit arrest wordt natuurlijk uitgegaan van de antwoorden van de Hoge Raad. Het hof zal die antwoorden hierna bespreken, maar wil er nu al iets over opmerken. De Hoge Raad neemt als uitgangspunt dat van geval tot geval beoordeeld moet worden of er recht is op vergoeding van vermogensschade en van smartengeld. Op dat uitgangspunt is wel een uitzondering mogelijk. De rechter kan vaststellen dat een bepaalde gebeurtenis zo ernstig is en zulke nadelige gevolgen heeft, dat mag worden aangenomen dat recht bestaat op smartengeld.

7.2

Deze procedure is begonnen door 127 eisers. Onlangs zijn nog eens meer dan

5.000 eisers een procedure begonnen bij de rechtbank Noord-Nederland. Ook in die procedure vragen deze eisers om vergoeding van materiële en immateriële schade. De kans bestaat dat nog veel meer mensen zo’n vordering willen instellen, misschien nadat bekend is wat in de andere procedures wordt beslist.
Het is op zich begrijpelijk dat eisers niet ieder voor zich, maar samen een procedure zijn begonnen. Eisers hebben min of meer dezelfde belangen. Bovendien vraagt het veel tijd en geld om de vorderingen te onderbouwen. Er is veel onderzoek gedaan dat voor alle eisers van belang is. Door samen op te trekken kunnen de kosten binnen de perken blijven.
Aan dit samen optrekken zitten ook nadelen. De situatie van de eisers is niet hetzelfde. Dat blijkt ook wel uit de schriftelijke verklaringen die de eisers (op een enkeling na) hebben opgesteld. Sommige eisers hebben naast die verklaring ook nog andere stukken aan het dossier laten toevoegen, zoals medische informatie en informatie over de schade aan hun woning. Daardoor is het voor het hof niet gemakkelijk om deze procedure te beheersen. En wat voor het hof geldt, geldt al helemaal voor de rechtbank Noord-Nederland die over ruim 5.300 individuele gevallen moet beslissen.
Het hof gaat daarom op zoek naar een mogelijkheid om de procedure hanteerbaar te houden. Die mogelijkheid is er wanneer kan worden vastgesteld dat eisers, of een deel van hen, bepaalde kenmerken gemeenschappelijk hebben en zij vanwege die kenmerken aanspraak hebben op vergoeding van vermogensschade en/of op smartengeld. Wanneer gemakkelijk vast is te stellen of een eiser dat kenmerk heeft, is dat voldoende. Een verder onderzoek naar de specifieke persoonlijke situatie van die eiser hoeft dan niet plaats te vinden.
Natuurlijk moet dat kenmerk wel voldoen aan wat volgens de Hoge Raad vereist is voor het toewijzen van een vordering tot vergoeding van vermogensschade en van immateriële schade.

7.3

Het is dus belangrijk dat zo'n kenmerk wordt gevonden. Wanneer dat niet lukt, betekent het dat in alle voor de rechter gebrachte zaken een individueel onderzoek nodig is. Dat is bij ruim 125 zaken al lastig, maar bij 5.300 zaken bijna onmogelijk, gezien de bij de rechtbank en het hof beschikbare menskracht. Het ‘gerechtelijk apparaat’ in Noord-Nederland kan dan zomaar vastlopen. Dat is maatschappelijk niet aanvaardbaar. Het hof houdt rekening met deze praktische kant van de zaak bij de invulling die het geeft aan de uitspraak van de Hoge Raad. Het moet wel praktisch haalbaar en werkbaar zijn. Voorkomen moet worden dat bewoners boven het Groningenveld maar geen vordering instellen omdat het toch jaren duurt voor die in behandeling wordt genomen.

Twee mogelijke gronden voor aansprakelijkheid van NAM
7.4 NAM en eisers zijn het erover eens dat wanneer eisers schade hebben geleden door de aardgaswinning, NAM voor deze schade aansprakelijk is. In artikel 6:177 BW is onder andere geregeld dat de exploitant van een aardgasveld aansprakelijk is voor schade die ontstaat door beweging van de bodem als gevolg van de exploitatie van dat veld. Het gaat om een risicoaansprakelijkheid. Dat wil zeggen dat NAM ook aansprakelijk is voor schade door de aardgaswinning als haar van de beweging van de bodem of van de schade geen verwijt kan worden gemaakt. De schade komt voor risico van NAM, of zij een fout heeft gemaakt of niet. Voor aansprakelijkheid is voldoende dat er schade is geleden (1) en dat die schade is veroorzaakt door de aardgaswinning (2).

7.5

NAM kan ook wegens een onrechtmatige daad (geregeld in artikel 6:162 BW) aansprakelijk zijn voor de door de aardgaswinning veroorzaakte schade. De aansprakelijkheid op grond van artikel 6:177 BW en die op grond van artikel 6:162 BW vallen niet samen. Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW is niet alleen nodig dat er schade is geleden (1), maar ook dat NAM toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld (2) en dat er causaal verband is tussen dat handelen en de schade (3). NAM en eisers zijn het er niet over eens of NAM ook toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld. NAM vindt van niet, eisers vinden van wel.

7.6

Eisers lijken ervanuit te gaan dat wanneer NAM eenmaal aansprakelijk is op grond van artikel 6:177 BW, zij daarmee automatisch aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 BW. Dat standpunt is niet juist, zoals in de vorige alinea’s al is uiteengezet. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 19 juli 2019 blijkt dat ook. In het antwoord op vraag 1 schrijft de Hoge Raad dat bij schade wegens de gaswinning de vordering kan worden gebaseerd op artikel 6:177 BW, maar ook op artikel 6:162 BW. In dat laatste geval moet NAM ook toerekenbaar onrechtmatig hebben gehandeld en moet er sprake zijn van causaal verband tussen de schade en dat handelen3.

7.7

In de uitspraak van 19 juli 2019 heeft de Hoge Raad op vraag 1 geantwoord4 dat het in sommige gevallen kan uitmaken dat NAM niet alleen aansprakelijk is op grond van artikel 6:177 BW (de risicoaansprakelijkheid dus), maar ook aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 BW (de onrechtmatige daad). Volgens de Hoge Raad kunnen zich gevallen voordoen waarin het voor een benadeelde gunstiger is dat zijn vordering wordt toegewezen wegens een onrechtmatige daad.
Omdat niet kan worden uitgesloten dat het ook bij eisers, of enkelen van hen, uitmaakt of hun vordering ook kan worden gebaseerd op artikel 6:162 BW zal moeten worden bezien of de vorderingen ook op artikel 6:162 BW (naast artikel 6:177 BW) toewijsbaar zijn.

Fysieke schade aan de woning
7.8 Zoals bij 6.15 van dit arrest is vermeld, heeft NAM tot eind 2016 in meer dan 60.000 gevallen een aanbod gedaan tot vergoeding van fysieke schade aan woningen. In al die gevallen hebben de ingeschakelde deskundigen dus A- of B-schades vastgesteld, schades die door aardbevingen zijn veroorzaakt of verergerd (zie punt 6.10). Er kan dan ook van worden uitgegaan dat de aardbevingen als gevolg van de aardgaswinning tot en met 2016 al tot meer dan 60.000 gevallen van fysieke schade hebben geleid. Na 2016 zijn er vele gevallen van fysieke schade aan woningen bijgekomen.

7.9

NAM heeft ter voorbereiding op het pleidooi een rapport ingediend van de Technische Universiteit Delft5. Het rapport bevat de resultaten van een uitgebreid onderzoek naar de oorzaken van bouwkundige schades in Groningen. De onderzoekers hebben 69 panden met complexe schades onderzocht. Uit hun onderzoek blijkt dat in de meeste gevallen zogenaamde gebouwgebonden oorzaken en ongelijkmatige zettingen de belangrijkste oorzaak vormen van de schade. Trillingen door aardbevingen hebben bij de onderzochte panden een kleiner aandeel in de oorzaken van bouwkundige schade dan die gebouwgebonden oorzaken en ongelijkmatige zettingen. Slechts bij een beperkt aantal afzonderlijke schades is vastgesteld dat deze uitsluitend door aardbevingen kunnen zijn veroorzaakt.
Dit onderzoek sluit aan bij wat NAM in de memorie van grieven heeft aangevoerd. NAM heeft daar geschreven dat het onwaarschijnlijk is dat aardbevingen met een kracht van minder dan 2,3 op de schaal van Richter schade aan gebouwen veroorzaken.

7.10

NAM stelt het verband tussen (lichtere) aardbevingen en het ontstaan van fysieke schade dus ter discussie. Maar NAM neemt niet het standpunt in dat er door de deskundigen op grote schaal ten onrechte A- en B-schades zijn vastgesteld. NAM stelt ook niet dat bij de eisers ten onrechte A- en B-schades zijn vastgesteld. Als dat wel in het betoog van NAM moet worden gelezen, heeft NAM dat betoog onvoldoende onderbouwd.
Allereerst heeft NAM niet (onderbouwd) aangevoerd dat in de omgeving van het Groningenveld evenveel schades voorkomen aan gebouwen dan in andere gebieden met een vergelijkbare bodem. Dat blijkt ook niet uit het rapport van de Technische Universiteit Delft. Dat rapport biedt ook geen verklaring voor het feit dat in het gebied van het Groningenveld zoveel schades (meer dan 60.000) voorkomen.
Bovendien moet rekening worden gehouden met artikel 6:177a lid 1 BW. Volgens deze bepaling wordt bij fysieke schade aan gebouwen die naar haar aard schade door gaswinning zou kunnen zijn, vermoed dat de schade door de aardgaswinning wordt veroorzaakt. In de uitspraak van 19 juli 2019 heeft de Hoge Raad een vraag (vraag 5) beantwoord over de betekenis van dat vermoeden. Volgens de Hoge Raad6 kan NAM het vermoeden alleen weerleggen door te bewijzen dat de schade niet is veroorzaakt door de aardgaswinning. Met het algemene rapport van de Technische Universiteit Delft en de andere algemene rapporten waarop NAM zich beroept, heeft NAM dat bewijs niet geleverd. Niet voor de A- en B-schades van eisers, en al helemaal niet voor al de andere tienduizenden A- en B-schades. Voor al die schades geldt dat de door NAM zelf ingeschakelde deskundigen wel een verband hebben gelegd tussen de schade en de aardgaswinning.
In een aantal gevallen zal het zo zijn dat een woning kwetsbaar is. Alleen wanneer aannemelijk is dat die kwetsbaarheid op zichzelf, dus los van de aardbevingen, tot schade zou hebben geleid, kan er geen verband worden aangenomen tussen de aardbevingen en de schade (zie het antwoord van de Hoge Raad op vraag 6).

7.11

De woningen van vrijwel alle eisers hebben minimaal eenmaal fysieke schade opgelopen. De woningen van de meeste eisers zijn twee of meer keer beschadigd. In veel gevallen zijn deze schades aangemeld bij NAM en vervolgens afgewikkeld op basis van het Protocol. NAM heeft in de memorie van grieven de situatie van alle eisers besproken. Uit deze bespreking blijkt dat bij het overgrote deel van de eisers minstens eenmaal de schade aan de woning is aangemerkt als A-schade of B-schade. Van deze schade is dus vastgesteld dat die door een aardbeving is veroorzaakt (A-schade) of is verergerd (B-schade). Bij ongeveer 60% van de eisers is minimaal tweemaal een A-schade of een B-schade vastgesteld. Het is goed mogelijk dat bij één melding tegelijk enkele A-schades, een paar B-schades en ook nog wat C-schades (geen verband met de aardbeving) zijn vastgesteld, bijvoorbeeld wanneer de melding betrekking had op meerdere scheuren in de woning. Bij de eisers met minimaal twee A-schades of B-schades, gaat het daarom om minimaal twee afzonderlijke meldingen waarbij steeds een of meer van die schades zijn vastgesteld.

7.12

NAM heeft er enkele malen7 op gewezen dat niet iedere hinder door de aardgaswinning haar aansprakelijk maakt. De overlast moet wel boven een bepaald niveau uitkomen. Zolang dat niet het geval is, is er geen aanspraak op schadevergoeding. Er is dan alleen al vanwege de ernst van de hinder geen sprake van onrechtmatige hinder en ook geen risicoaansprakelijkheid op basis van artikel 6:177 BW.

7.13

Het hof is dat met NAM eens. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 6:177 en 178 BW blijkt dat de exploitant van een gasveld niet aansprakelijk is voor iedere hinder door de gaswinning. De exploitant is alleen aansprakelijk voor schade wegens hinder en verontreiniging die de bewoners van het gebied boven of bij het gasveld niet hoeven te dulden8. De hinder door aardgaswinning moet boven een bepaald niveau uitkomen voordat NAM aansprakelijk is. In zijn uitspraak van 19 juli 2019 heeft de Hoge Raad dat ook overwogen in zijn antwoord op vraag 8 (over de vermogensschade door gederfd woongenot). De Hoge Raad schrijft daar9:
Het aantasten van het woongenot van een ander door overlast of hinder, is onrechtmatig als de overlast of hinder wat hevigheid betreft boven een bepaald niveau uitkomt.”

7.14

NAM heeft, zoals gezegd, aan de meeste eisers een of meer malen een vergoeding betaald vanwege schade (A-schade of B-schade) aan de woning. Het hof vindt dat daarmee voldoende vaststaat dat de overlast en hinder bij die eisers boven het niveau is uitgekomen dat zij van NAM moesten dulden. Daar zijn de volgende redenen voor.

7.15.1

De betalingen die aan eisers zijn gedaan door NAM zijn gebaseerd op het Protocol. In het Protocol staat (zie punt 6.10 van dit arrest) dat NAM aansprakelijk is voor fysieke schade aan gebouwen. Die schade wordt vervolgens volgens de regels van het Protocol afgewikkeld. Er kan dan ook van worden uitgegaan dat wanneer NAM op basis van het Protocol een uitkering doet, zij dat doet omdat zij (ook zelf) vindt dat zij aansprakelijk is voor die schade. De advocaat van NAM heeft tijdens het pleidooi gezegd dat de betaling van schade op basis van het Protocol niet betekent dat NAM haar aansprakelijkheid voor die schade erkent. Dat standpunt is, gelet op de tekst van het Protocol, niet overtuigend. In het Protocol legt NAM zelf een verband tussen haar aansprakelijkheid voor schade en de afwikkeling van die schade op basis van het Protocol. Bovendien heeft NAM tienduizenden keren uitkeringen gedaan in gevallen van fysieke schade (zie punt 6.15 van dit arrest). Het is onwaarschijnlijk dat NAM dat uit coulance doet, zonder dat verplicht te zijn omdat zij aansprakelijk is voor deze schade. NAM is geen filantropische instelling, maar een dochtervennootschap van twee multinationals.
Wanneer NAM, zoals zij zelf terecht heeft opgemerkt, alleen aansprakelijk is wanneer de overlast en hinder boven een bepaald niveau uitkomen, en zij vervolgens bij fysieke schade uitkeert op basis van het Protocol, moet ervan worden uitgegaan dat in die gevallen van uitgekeerde fysieke schade sprake is geweest van hinder en overlast boven dat niveau. NAM heeft dat voor die gevallen in elk geval niet overtuigend bestreden.

7.15.2

Bovendien is fysieke schade een veel duidelijker vorm van overlast dan veel andere vormen van hinder, zoals geluidsoverlast of stankoverlast. De mate waarin iemand last heeft van geluid of van geur verschilt van persoon tot persoon. De een is daar gevoeliger voor dan de ander. Ook zijn deze vormen van overlast meestal niet permanent en laten ze ook geen sporen na. Bij fysieke schade aan een woning is dat anders. Die kan eenvoudig worden vastgesteld. Een scheur is een scheur. Bovendien blijft een scheur zitten totdat die wordt hersteld. Voor nog verdergaande fysieke schade, zoals het ontwricht raken van een woning, geldt dat in nog sterkere mate.

7.15.3

Verder is het aannemelijk dat ook de afwikkeling van fysieke schade overlast tot gevolg heeft. Om de schade hersteld te krijgen, moet de schade gemeld worden. Het proces van de melding van de schade tot aan het herstel ervan verloopt lang niet altijd vlekkeloos. Maar zelfs als het vlekkeloos verloopt, is het nog vervelend om zo een proces te moeten doorlopen. Vervolgens brengt ook het herstel overlast mee: medewerkers van een aannemer over de vloer (uiteraard overdag wanneer de eigenaar van de woning zelf moet werken), stof, geluid van gereedschap en bij wat meer ingrijpende reparatiewerkzaamheden een tijdelijk verblijf elders. Niet voor niets voorziet het nieuwe Protocol in een vergoeding voor overlast bij fysieke schade.

7.15.4

Een team onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen heeft in samenwerking met Sociaal Planbureau Groningen en GGD Groningen een groot onderzoek gedaan naar de invloed van de gaswinningsproblematiek op het dagelijks leven van de bewoners van het Groningenveld. Het onderzoek heet “Gronings Perspectief” en is uitgevoerd in opdracht van de NCG. In mei 2019 is het eindrapport van de onderzoekers uitgekomen, met als titel “Gaswinning en versterking”.10 Uit het eindrapport blijkt dat bewoners met fysieke schade gemiddeld genomen veel meer hinder van de aardbevingen ondervinden dan bewoners zonder fysieke schade. Fysieke schade vormt dus doorgaans een ernstige vorm van overlast. Voor bewoners met meervoudige schade is dat verschil nog veel groter. In de volgende citaten uit de bladzijden 7 t/m 9 van het rapport komt dat tot uiting:
“Het hebben van schade tast de ervaren veiligheid en het waargenomen risico ernstig aan. Dit is een constante bevinding sinds 2016. Na de beving van Zeerijp is de veiligheidsbeleving iets verbeterd. Waargenomen risico’s nemen licht af. Maar de gaswinning heeft onverminderd een grote impact op de bewoners, met name op de bewoners met meervoudige schade. Hoe komt het dat zo’n 40-50% van bewoners met meervoudige schade zich chronisch onveilig voelt?
(…)

We concluderen dat mensen zich in periodes met weinig aardbevingen iets veiliger voelen. Maar wat opvalt is dat er allerminst sprake is van een volledig herstel. Waarom blijft de ervaren veiligheid, met name in de groep met meervoudige schade, zo laag?
(…)
De belangrijkste reden dat mensen zich onveilig voelen en dat ze veel hinder ervaren zijn onzekerheden over de toekomst. Onzekerheid was ook in 2016 al de voornaamste reden dat deelnemers zich onveilig voelen. Dat dit nog steeds het geval is geeft aan dat het beleid in de tussenliggende periode niet in staat is geweest om dit fundamentele probleem te verhelpen.
Onzekerheid wordt deels veroorzaakt door de angst dat er weer een stevige beving komt. De beving van Westerwijtwerd op 22 mei 2019, enkele maanden na afname van deze vragenlijsten, toont aan dat dit een reële zorg is. Met name mensen met meervoudige schade hebben in periodes met weinig seismiciteit reden om te vrezen voor een hevige beving.
De kern van de angst is voor de meesten niet het acuut instorten van de woning. De kern is de lange termijn ellende die met schade en versterking gepaard gaat. Daarbij gaat het om problemen die reëel en acuut zijn. Bewoners voelen zich onveilig door de onduidelijkheid over de afhandeling van schade aan hun woning en door onduidelijkheid over de beloofde versterking. Bewoners wonen in een beschadigd huis en maken zich zorgen dat hun woning op termijn onbewoonbaar wordt door steeds maar weer nieuwe schade. Er is angst voor wanneer er weer een grote aardbeving komt, angst of en wanneer schade in behandeling wordt genomen, angst of schade wel vergoed of hersteld wordt, angst wat de financiële gevolgen van dit alles zijn, angst of het huis wel/niet versterkt moet worden en angst hoe lang die versterking gaat duren, angst of die versterking uitdraait op sloop of herstel en angst over de impact van dit alles op het dorp of de buurt. Al deze onzekerheden gaan gepaard met een ernstige verhoging van de hinder die men van de gaswinning heeft.
(…)
In dit rapport beschrijven we tevens de hinder die mensen van de gaswinning ondervinden. Onder mensen zonder schade heeft slechts 2% (ernstige) hinder. Onder mensen met meervoudige schade is dat 48%. Daarmee is ervaren hinder van de verschillende impactfactoren degene die het sterkst is aangetast door schade. (…)
De reden dat gaswinning zoveel hinder geeft is voor een groot deel gekoppeld aan de overlast door schade en schadeafhandeling. Het hebben van schade en scheuren in je huis die terug blijven komen is hinderlijk. Maar respondenten geven aan dat hinder vaak meer wordt veroorzaakt door het “gedoe” rondom schadeprocedures en herstel dan door de schade zelf: bewoners zijn langdurig en schijnbaar eindeloos bezig, ze kunnen niet van enige vergoeding van schade op aan, ze hebben zorgen over toekomstige schade.
(…)
Samenvattend zien we dat het normale leven ernstig is ontwricht voor met name de groep met meervoudige schade. De vier belangrijkste oorzaken daarvoor zijn (a) het feit dat voortdurend schade wordt toegebracht aan de woning, (b) het niet adequaat, billijk en tijdig afhandelen van schade, (c) financiële consequenties van de voortdurende schade en (d) de ingrijpende versterkingsoperaties die het normale leven kan verstoren.
(…)
Bewoners met meervoudige schade zijn sinds het begin van dit panelonderzoek (februari 2016) structureel slechter af op bijna alle indicatoren die we meten (niet alleen veiligheid en hinder, maar ook qua gezondheid). Ook in deze meting wordt dat patroon bevestigd.
(…)
Deze groep neemt in omvang toe en behoeft dringend goede zorg. (…) Nieuw is het inzicht dat voor deze groep buiten de kern van het bevingsgebied nog iets méér extra zorg nodig is dan in de kern zelf.”

Op bladzijde 15 van het rapport is het volgende te lezen:
“Aanvullende analyses voor het huidige rapport over twee onafhankelijke datasets geven een aantal nieuwe inzichten over aan de ene kant de impact van de gaswinning op verschillende domeinen van gezondheid en aan de andere kant op de vraag of bepaalde groepen in het bijzonder gezondheidsproblemen door de gaswinning ervaren.
1. Het hebben van (meervoudige) schade heeft geen ander effect op meer
psychosomatische klachten (bijvoorbeeld nerveus/gespannen gevoel, somber)
dan op meer lichamelijke (zoals buik- of maagklachten, hartkloppingen). Met
andere woorden, meervoudige schade heeft zowel meer psychische als meer
lichamelijke gevolgen.
2. Gespannenheid is de klacht die het meeste voorkomt bij mensen met
meervoudige schade. Dit past bij het beeld dat het gaat om stressgerelateerde
klachten met een psychische en lichamelijke component.
3. Psychosomatische en lichamelijke klachten hebben over de tijd heen hetzelfde
verloop: voor beide geldt dat ze toenemen bij mensen met meervoudige
schade.
(…)
4. Er is niet een groep aan te wijzen die bovenmatig last van stressgerelateerde
gezondheidsklachten heeft. Dit betekent dat de impact evenredig is of mensen
nu oud of jong, hoog of laag opgeleid, man of vrouw, getrouwd of niet zijn.”

7.16

Al met al is het voor de beoordeling van dit geschil belangrijk of een eiser fysieke schade heeft geleden, en hoe vaak, omdat:
- NAM niet heeft weerlegd dat zij bij fysieke schade aansprakelijk is voor de door aardbevingen veroorzaakte hinder en overlast;
- er mede daarom van kan worden uitgegaan dat bij fysieke schade de overlast en hinder door de aardgaswinning ernstiger zijn dan de bewoners hoeven te dulden;
- fysieke schade tamelijk eenvoudig is vast te stellen;
- fysieke schade een ernstige vorm van overlast is;
- uit onderzoek blijkt dat fysieke schade (en zeker meervoudige fysieke schade) in veel gevallen een negatieve impact heeft op het welbevinden van degenen die daarmee te maken krijgen.
Andere gevolgen van de aardbeving
7.17 De aardbevingen hebben niet alleen vele gevallen van fysieke schade aan woningen veroorzaakt, maar ook andere nadelige gevolgen gehad. In de vorige paragraaf is al vermeld dat uit onderzoek blijkt dat veel mensen in het aardbevingsgebied zich onveilig voelen. Hoewel er een verband is tussen het gevoel van onveiligheid en (meermalen) fysieke schade aan de eigen woning, voelen ook veel mensen die geen schade hebben gehad aan hun woning zich onveilig.

7.18

De GGD Groningen heeft in opdracht van de NCG gedurende enkele jaren onderzoek gedaan naar de gezondheidsgevolgen van aardbevingen bij de bewoners van het Groningenveld. De resultaten van het onderzoek zijn vastgelegd in enkele rapporten. [geïntimeerde1] e.a. hebben zich op deze rapporten beroepen. In de samenvatting van het eindrapport van
12 maart 201911 staat onder meer:
De situatie in Groningen vertoont veel overeenkomsten met die van een ramp, reden waarom voor de aanpak aansluiting gezocht is bij de Richtlijn Psychosociale hulpverlening bij rampen en crises. (…)
De noodzaak om aan de slag te gaan met de aanpak van gezondheidsklachten als gevolg van aardbevingen is groot. Alle onderzoeken en gesprekken in de regio bevestigen de ernst van de klachten en laten zien dat de klachten zelfs toenemen.”
In paragraaf 2 van het rapport wordt een eerder rapport van de GGD samengevat. Daar valt onder meer te lezen:
Het is duidelijk dat inwoners last hebben van stress, gebukt gaan onder boosheid, moedeloosheid, wanhoop en het vertrouwen in de Rijksoverheid voor een belangrijk deel zijn verloren."
Uit de onderzoeken van de GGD Groningen blijkt dat de aardbevingen bij veel bewoners van het gebied boven het Groningenveld tot ernstige gezondheidsklachten hebben geleid. Wat dat betreft bevestigen deze onderzoeken het eerder besproken onderzoek van het Gronings Perspectief. In een rapport van Gronings Perspectief van 31 januari 201812 is te lezen (blz. 86):
Hoofdconclusies zijn: Bewoners verschillen erg in hoeveel stress de problematiek rondom de gaswinning bij hen veroorzaakt. Voor vrijwel alle geïnterviewden is het doorlopen van schadeprocedures stressvol, ongeacht of men over het algemeen lage of juist hoge stress ervaart. Het gaat hier met name over het ontvangen van (schade)rapporten, over “gedoe”, logistieke problemen, toekomstperspectief (bijv. verkoopbaarheid van het huis). In bredere zin heeft men moeite met de willekeur van het vaststellen van schade en het gevoel dat dergelijke procedures niet “horen bij” Nederland – men raakt het vertrouwen in de rechtsstaat kwijt.”
Op bladzijde 110 staat:
De omvang van dit probleem is groot: 410.000 Groningers wonen in een postcodegebied waar schade door aardbevingen erkend is. 170.000 mensen (kinderen meegerekend) hebben schade aan hun woning. 85.000 (kinderen meegerekend) hebben meervoudige schade. 10.000 mensen kampen met acute stress-gerelateerde gezondheidsproblemen.”
7.19 Uit diverse onderzoeken blijkt dat de aardbevingen ook nadelige gevolgen hebben voor de waarde van de woningen in het gebied. In het arrest van dit hof van

23 januari 201813zijn de resultaten van een aantal van die onderzoeken samengevat. Een deel van deze rapporten is door partijen ook in deze procedure ingebracht. Op basis van deze rapporten schreef het hof in dat arrest (onder 8.38):
Op grond van de aangehaalde rapporten is naar het oordeel van het hof aannemelijk dat tot en met 2017 de waarde van de woningen in het gebied van het Groningenveld zich gemiddeld negatief heeft ontwikkeld ten opzichte van de waarde van woningen buiten dat gebied. Het hof acht ook aannemelijk dat deze negatieve ontwikkeling voor een individuele woning sterker is naarmate zich meer schades hebben voorgedaan in de omgeving van die woning. (…) Dat de vastgestelde negatieve waardeontwikkeling het gevolg is van de aardbevingen in het gebied, acht het hof dan ook aannemelijk.”
Naar aanleiding van dit arrest van het hof heeft de minister een adviescommissie ingesteld, die bestaat uit mr. A. Hammerstein, prof. dr. J. Rouwendal en prof. dr. P. Boelhouwer. Deze commissie had de opdracht de minister te adviseren over een regeling voor de compensatie van waardedaling van de woningen in het aardbevingsgebied. De commissie heeft begin 2019 een advies uitgebracht. De minister heeft in een brief van 23 april 2019 geschreven dat hij dat advies overneemt.
In het rapport van de commissie worden diverse modellen voor de bepaling van een waardedaling besproken. De commissie adviseert een van de door haar besproken modellen te gebruiken. Over de periode van 2012 tot 1 november 2018 komt de commissie bij toepassing van die tabel op een waardedaling van 2,4% in de gemeente Oldambt tot 12,9% in de gemeente Loppersum. Over het gehele gebied van het Groningenveld is de gemiddelde waardedaling volgens dit model en in deze periode 4%. Binnen de verschillende gemeentes kan het percentage sterk verschillen per postcodegebied.

7.20

Uit het voorgaande blijkt dat de aardbevingen in het gebied van het Groningenveld niet alleen fysieke schade aan tienduizenden woningen hebben veroorzaakt, maar er ook toe hebben geleid dat:
- veel bewoners van het gebied zich onveilig voelen;
- veel bewoners in het gebied last hebben van stressklachten;
- de waarde van woningen in het gebied is afgenomen.

Vermogensschade wegens gemist woongenot
7.21 In de uitspraak van 19 juli 2019 heeft de Hoge Raad, zoals gezegd, ook een vraag (vraag 8) beantwoord over het recht op schadevergoeding wegens gederfd woongenot. Volgens de Hoge Raad14 heeft iedereen recht op ongestoord woongenot. Het aantasten van dat woongenot door overlast of hinder is onrechtmatig als de overlast of hinder wat hevigheid betreft boven een bepaald niveau uitkomt. Dat niveau is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, zoals de aard, de ernst en de duur van de overlast of hinder. “Indien door (het risico op) bodembeweging het woongenot wordt aangetast, is het daardoor gederfde woongenot vermogensschade op vergoeding waarvan aanspraak kan bestaan”, aldus de Hoge Raad.

7.22

Uit de uitspraak van 19 juli 2019 blijkt dat niet iedere overlast of hinder recht geeft op vergoeding van schade wegens gemist woongenot. Dat is pas het geval als een bepaald niveau van overlast of hinder is bereikt. Bij dat niveau is de overlast of hinder ook onrechtmatig. De Hoge Raad legt dan ook een verband tussen de aanspraak op vermogensschade vanwege gederfd woongenot en onrechtmatige hinder.

7.23

Eisers hebben gelet op de uitspraak van de Hoge Raad alleen recht op vermogensschade wegens gederfd woongenot wanneer zij overlast of hinder hebben gehad die wat hevigheid betreft boven een bepaald niveau uitkomt. Cruciaal is dan ook of dat niveau gehaald is. En of dat zo is, hangt af van de aard, de ernst en de duur van de overlast of hinder.

7.24

Bij de aard van de overlast is allereerst belangrijk dat het gaat om overlast vanwege een activiteit (de aardgaswinning) waarvoor degene die de overlast veroorzaakt (NAM) een vergunning heeft. NAM wijst daar ook op. Zij wijst er ook op dat met de aardgaswinning een groot maatschappelijk belang is gemoeid. Talloze mensen en veel bedrijven zijn voor hun energievoorziening grotendeels afhankelijk van het gas dat door NAM wordt gewonnen. Bovendien hebben NAM en de Staat der Nederlanden een groot financieel belang bij de gaswinning.

7.25

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad over hinder blijkt dat het veroorzaken van overlast of hinder ook onrechtmatig kan zijn wanneer de overlast wordt veroorzaakt door een activiteit waarvoor een vergunning is verleend. Het beschikken over een vergunning telt wel in het voordeel van de veroorzaker van de overlast mee, maar is niet zonder meer doorslaggevend. In de woorden van de Hoge Raad15:
Of het veroorzaken van hinder – bijvoorbeeld door het verspreiden van stank – onrechtmatig is, is volgens vaste rechtspraak afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden (HR 3 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0235, NJ 1991/476). Daarbij is het beschikken over of juist het ontbreken van een publiekrechtelijk vereiste vergunning niet zonder meer bepalend voor het antwoord op de vraag of jegens een bepaalde derde sprake is geweest van onrechtmatige hinder (zie onder meer HR 21 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8823, NJ 2006/418 en HR 2 september 2011 ECLI:NL:HR:2011:BQ5099, NJ 2011/392).”

In de wetsgeschiedenis betreffende de artikelen 6:177 en 6:178 BW is ook ingegaan op de vraag of het handelen volgens een vergunning, in dit geval het winningsplan, NAM vrijwaart van aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad. De minister schreef over die vraag onder meer16:
De stelling van de leden van genoemde fracties gaat uit van de gedachte dat het handelen conform een goedgekeurd winningsplan niet onrechtmatig kan zijn. Volgens bestendige jurisprudentie echter, die in de literatuur niet wezenlijk wordt betwist, vrijwaart de aanwezigheid van een publiekrechtelijke vergunning niet tegen aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad (…). Tijdens de parlementaire behandeling van het genoemde artikel 178, onder f, is hier expliciet op gewezen (…). In een winningsplan vastgestelde maximumwaarden of welke andere vorm van publiekrechtelijke toestemming verschilt in dit opzicht niet van in een vergunning opgenomen waarden. In beide gevallen geldt dat een krachtens het publiekrecht gegeven toestemming slechts vrijwaart tegen publiekrechtelijk optreden van de overheid, maar niet vrijwaart van privaatrechtelijke aansprakelijkheid tegen andere burgers die van de “goedgekeurde activiteit” schade ondervinden.
Kort en goed: dat NAM een vergunning heeft voor haar activiteiten en binnen die vergunning is gebleven, is wel factor die moet worden meegewogen, maar is niet al bij voorbaat een doorslaggevende factor. Daarbij speelt ook het belang van de veiligheid van de bewoners van het gebied een belangrijke rol. Dat belang heeft ertoe geleid dat de minister heeft besloten om de gaswinning uit het Groningenveld versneld af te bouwen.

7.26

Het staat vast dat met de gaswinning grote belangen zijn gemoeid, niet alleen grote financiële belangen maar ook maatschappelijke belangen. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat de door hinderlijke activiteiten gediende belangen moeten worden afgewogen tegen het belang van degenen die hinder ondervinden en van wie de veiligheid in het geding is17. Dat kan betekenen dat hinder die anders onrechtmatig zou zijn, dat uiteindelijk niet is vanwege het belang dat met de hinderlijke activiteit gemoeid is. Maar ook hier geldt weer dat het maatschappelijk belang één van de mee te wegen factoren is, maar niet per definitie de doorslaggevende factor. Dat blijkt ook uit artikel 6:168 lid 1 BW. Op grond van deze bepaling kan een rechter een vordering tot het verbieden van een onrechtmatige gedraging afwijzen wanneer deze gedraging moet worden geduld op grond van zwaarwegend maatschappelijke belangen. Deze bepaling zou overbodig zijn wanneer een gedraging waarmee zwaarwegende maatschappelijke belangen zijn gemoeid niet onrechtmatig zou kunnen zijn. Maar artikel 6:168 lid 1 BW gaat juist wel over onrechtmatige gedragingen. Bovendien bepaalt artikel 6:168 lid 1 BW uitdrukkelijk dat wie door de (onrechtmatige) gedraging wordt benadeeld, zijn recht op vergoeding van schade houdt, ook als de rechter de gedraging vanwege zwaarwegende maatschappelijke belangen niet verbiedt.
Al met al moeten de grote maatschappelijke belangen bij de gaswinning wel worden meegewogen (in het voordeel van NAM). Maar dat betekent nog niet dat NAM op het punt van de onrechtmatige hinder en het niveau van de schending van het woongenot gelijk heeft. Dat hangt ook af van de andere mee te wegen factoren.

7.27

Bij de aard van de overlast moet niet alleen worden gekeken naar de oorzaak van de overlast (gaswinning op basis van een vergunning en met een groot maatschappelijk belang), maar ook naar het type schade. Hiervoor is al uitvoerig ingegaan op de betekenis van fysieke schade. In punt 7.16 zijn de conclusies samengevat. Die komen erop neer dat:
- NAM niet heeft weerlegd dat zij bij fysieke schade aansprakelijk is voor de door aardbevingen veroorzaakte hinder en overlast;
- er mede daarom van kan worden uitgegaan dat bij fysieke schade de overlast en hinder door de aardgaswinning ernstiger zijn dan de bewoners hoeven te dulden;
- fysieke schade tamelijk eenvoudig is vast te stellen;
- fysieke schade een ernstige vorm van overlast is;
- uit onderzoek blijkt dat fysieke schade (en zeker meervoudige fysieke schade) in veel gevallen een negatieve impact heeft op het welbevinden van degenen die daarmee te maken krijgen.

7.28

Ook bij de ernst van de overlast speelt het type schade een belangrijke rol. Fysieke schade als gevolg van aardbevingen door gaswinning is een ernstige vorm van overlast, zoals hiervoor is uiteengezet (zie 7.15.2 t/m 7.15.4). Maar ook los van fysieke schade hebben de aardbevingen negatieve gevolgen voor de woon- en leefomgeving in het gebied waar aardbevingen plaatsvinden. Bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft de directeur van NAM dat ook met zoveel woorden erkend:
NAM realiseert zich dat de aardbevingen een grote impact hebben op de Groningers. (…) De problematiek kent vele kanten: schade, frustratie over de afwikkeling, gevoelens van onmacht en angst, verstoring van de sociale dynamiek.”
Deze erkenning sluit aan bij de excuses van de directeur van NAM (zie 6.12) en bij diverse uitlatingen van de minister (zie 6.13), die er op neerkomen dat door de aardbevingen het gevoel van een veilige leefomgeving ernstig is aangetast en dat dit diep ingrijpt in het dagelijks leven van de bewoners, die moeten leven met gevoelens van angst en onveiligheid. Daarnaast blijkt uit onderzoeken dat veel woningeigenaren in het gebied boven het Groningenveld zich zorgen maken over de ontwikkeling van de waarde van hun woning, bijvoorbeeld wanneer de woning ‘onder water staat’.
Het negatieve effect van de aardbevingen blijkt ook uit de rapporten van Gronings Perspectief (zie 7.15.4) en de GGD Groningen (zie 7.18). GGD-Groningen vergelijkt de situatie in het aardbevingsgebied niet voor niets met een ramp.
Samenvattend: er is sprake van ernstige overlast, die de leefomgeving in het gebied waar zich geregeld aardbevingen voordoen, fors aantast. Die overlast is nog ernstiger wanneer deze leidt tot fysieke schade aan woningen.

7.29

De overlast duurt al jaren. Hoewel er ook voor de aardbeving in Huizinge (16 augustus 2012) aardbevingen hadden plaatsgevonden, leidde deze aardbeving tot een sterke bewustwording van de overlast. De situatie boven het Groningenveld kreeg vanaf toen ook veel aandacht in de (landelijke) media en in de politiek. Uit het bij 6.9 gegeven overzicht volgt dat vanaf 2012 tot en met 2018 jaarlijks meerdere aardbevingen van meer dan 2 op de schaal van Richter hebben plaatsgevonden in het gebied boven het Groningenveld. Van aardbevingen met deze kracht staat tussen partijen niet ter discussie dat deze voelbaar zijn. Vanwege de aandacht die er vanaf 2012 is voor de aardbevingen is het aannemelijk dat een zwaardere aardbeving die voelbaar is in een deel van het gebied toch ook negatief effect heeft op het gevoel van veiligheid in een ander deel van het gebied waar deze aardbeving niet voelbaar is. Dat geldt zeker voor aardbevingen van meer dan 3 op de schaal van Richter.
Vanaf 2012 is sprake van een groot aantal meldingen van fysieke schade en is veel aandacht en energie besteed aan versterking van gebouwen (in de ogen van veel bewoners: aan het praten daarover) en aan (onderzoeken naar en procedures over) herstel en vergoeding van schade.
Uit de onderzoeken van Gronings Perspectief en GGD Groningen blijkt dat het gevoel van onveiligheid en de gevolgen daarvan nog steeds voortduurt.
Al met al is in het gehele gebied waar zich geregeld aardbevingen voortdoen in elk geval vanaf 2012 sprake van overlast. Er is dan ook geen sprake van een incident, maar van een situatie van jarenlange, dus structurele overlast.

7.30

Uit het voorgaande volgt dat bij fysieke schade aan een woning de overlast en hinder wat hevigheid betreft in elk geval boven het niveau uitkomt waarop recht ontstaat op vergoeding van schade vanwege gederfd woongenot. Het gaat dan om vastgestelde A- of B-schade. De drempel is in die gevallen genomen. Dat betekent allereerst dat NAM in die gevallen onrechtmatig heeft gehandeld jegens de eigenaar of huurder van een woning met fysieke schade als gevolg van bodembeweging(en) door de aardgaswinning. Het betekent verder dat de eigenaar of huurder van zo'n woning recht heeft op de vergoeding van vermogensschade als gevolg van het missen van woongenot. Daarbij geldt wel als voorwaarde dat de eigenaar of huurder de woning als hoofdverblijf, en niet als vakantiewoning of tweede woning gebruikt. Voor de eigenaar of huurder van een woning zonder vastgestelde A- of B-schade (en voor de eigenaar of huurder van een tweede woning of vakantiewoning, al dan niet met fysieke schade) geldt dat het van de individuele situatie afhangt of de hinder en overlast wat hevigheid betreft ernstig genoeg is geweest voor een aanspraak op schadevergoeding. Het enkele feit dat de woning gelegen is in het gebied boven het Groningenveld is daarvoor onvoldoende. Dat de bewoners aardbevingen hebben gevoeld, is op zichzelf ook onvoldoende. Belangrijk is wat de ‘impact’ is geweest van de aardbevingen op het woongenot van de individuele eigenaar of huurder. Objectieve gezichtspunten daarbij zijn of door het aardbevingsrisico de waarde van de woning is gedaald en of de woning is gelegen in een (postcode)gebied waarin veel schades aan woningen zijn ontstaan.

7.31

De vermogensschade vanwege gemist woongenot moet worden begroot volgens de door de Hoge Raad in de uitspraak van 19 juli 2019 gegeven maatstaf18. Die komt erop neer dat de huurwaarde van een woning in een situatie zonder bodembewegingen (op basis van een marktconforme huur) moet worden vergeleken met de huurwaarde van dezelfde woning maar dan in de situatie met bodembewegingen. Het verschil tussen beide waardes is de schade. Die schade is verschuldigd in de periode dat het woongenot is gemist.
Vanwege het verband tussen fysieke schade aan een woning en het ontstaan van het recht op schadevergoeding wegens gemist woongenot is het uitgangspunt dat deze periode begint op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vastgestelde A- of B-schade is ontstaan. Voor de keuze van het eindpunt van de periode geldt als uitgangspunt de laatste dag van de maand waarin de schade is hersteld en geheel financieel is afgewikkeld.
Wanneer in gevallen zonder fysieke schade (alsnog) sprake is van hinder en overlast boven het niveau dat aanspraak geeft op vergoeding van schade kunnen uiteraard andere begin- en einddata worden gekozen.

7.32

Op de vraag wat dit betekent voor de vordering van eisers tot vergoeding van vermogensschade vanwege gemist woongenot wordt in hoofdstuk 9 ingegaan.

Vergoeding van immateriële schade
7.33 In zijn antwoord op vraag 9 gaat de Hoge Raad in de uitspraak van 19 juli 2019 uitvoerig in op de aanspraak op immateriële schadevergoeding19. In het kort komt het antwoord van de Hoge Raad erop neer dat voor de bewoners van het aardbevingsgebied geen andere (minder vergaande) eisen gelden dan de eisen die normaal worden gesteld aan toewijzing van een vordering tot vergoeding van immateriële schade. Concreet betekent dit dat een bewoner die geen lichamelijk letsel heeft opgelopen moet aantonen dat hij “op andere wijze in zijn persoon is aangetast”, in de zin van artikel 6:106 BW. Er zijn twee categorieën van zo’n aantasting in de persoon op andere wijze:
- de eerste categorie is die waarin een eiser geestelijk letsel heeft opgelopen. De eiser die stelt dat hij geestelijk letsel heeft opgelopen, moet voldoende concrete gegevens aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daarvoor is nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden aangenomen;
- de tweede categorie is die waarin een eiser geen geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook dan kan een eiser recht hebben op vergoeding van immateriële schade. Dat is het geval wanneer “de aard en de ernst van aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis en van de gevolgen daarvan voor hem” meebrengen dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Belangrijk is dat volgens de Hoge Raad voor beide categorieën niet voldoende is dat wordt vastgesteld dat iemand in het gebied woont waar geregeld aardbevingen door de aardgaswinning plaatsvinden in combinatie met een persoonlijke verklaring van die benadeelde over zijn beleving van de invloed die de aardbevingen op hem hebben. De verplichting tot immateriële schadevergoeding laat zich niet "min of meer forfaitair" vaststellen. Toch neemt dat niet weg, aldus de Hoge Raad, “dat de rechter kan oordelen dat de aard en ernst van de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor bewoners van een bepaald gebied boven het Groningenveld zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (…). En dat de rechter daarbij aannemelijk kan achten dat de door deze aantasting in de persoon geleden schade voor deze bewoners ten minste een bepaald bedrag beloopt.”

7.34

Eisers hebben aangevoerd dat zij wonen in een gebied waarin geregeld aardbevingen voorkomen. Zij hebben vrijwel allen een verklaring ingediend, waarin zij omschrijven wat het leven in het aardbevingsgebied met hen doet, welke spanningen dat oplevert en vaak ook dat zij lijden onder de spanningen en onzekerheden (bijvoorbeeld over de waarde van hun woning), het ‘gedoe’ rond de schade aan hun woning en de angst voor een calamiteit als gevolg van een volgende aardbeving. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 19 juli 2019 volgt dat dat op zichzelf onvoldoende is voor toewijzing van een vordering tot immateriële schade. Dat bleek trouwens ook al uit het arrest van de Hoge Raad van
15 maart 2019, waarin de Hoge Raad20 vergelijkbare eisen stelde aan de vergoeding van immateriële schade wegens een aantasting van de persoon op andere wijze. De verwijzing van eisers naar oudere rechtspraak van de Hoge Raad, waarin volgens hen minder vergaande eisen worden gesteld, snijdt om die reden geen hout.
26 eisers stellen daarnaast dat zij geestelijk letsel hebben opgelopen. Ook voor hen geldt dat het wonen in het aardbevingsgebied in combinatie met een eigen verklaring onvoldoende is. Nodig is dat voor elk van hen naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel ten gevolge van de aardbevingen (en wat daarmee samenhangt) wordt aangetoond. Een verklaring van een huisarts of maatschappelijk werker zal daarvoor meestal onvoldoende zijn, omdat er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat die voldoende in staat zijn een psychiatrische diagnose te stellen.

7.35

De Hoge Raad laat de mogelijkheid open dat de rechter voor een bepaalde categorie bewoners aanneemt dat zij op andere wijze in hun persoon zijn aangetast. De Hoge Raad lijkt de afbakening tussen deze categorie bewoners en andere bewoners te zoeken in een bepaald gebied boven het Groningenveld zonder dat dit verder wordt toegelicht. Uit de uitspraak van de Hoge Raad blijkt niet dat dat de enig mogelijke afbakening is. De door de Hoge Raad genoemde afbakening is in de praktijk een lastige, omdat binnen de verschillende postcodegebieden - ook binnen de gebieden waar zich de meeste fysieke schades voordoen en de waardedaling het grootste is - de verschillen in schade groot zijn.
Het ligt gelet op wat hiervoor is overwogen over het karakter van fysieke schade meer voor de hand om te kiezen voor een andere afbakening, en wel die tussen wel of geen fysieke schade. Daar zijn de volgende argumenten voor:
- fysieke schade aan een woning is een concrete aantasting van de woning en daarmee van de persoonlijke levenssfeer van de bewoner. Het is aannemelijk dat een dergelijke aantasting in veel gevallen ook in zekere mate beangstigend is voor de bewoner en afbreuk doet aan diens gevoel van veiligheid in de eigen woning. In dit verband is van belang dat de Hoge Raad eerder in een situatie van een beangstigende aantasting van de persoonlijke levenssfeer heeft aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze21. In zijn arrest van 15 maart 2019 haalt de Hoge Raad die situatie aan als voorbeeld van een situatie waarin de aantasting van een persoon op andere wijze door de rechter kan worden aangenomen;
- uit het hiervoor meerdere malen aangehaalde onderzoek van Gronings Perspectief blijkt dat er een duidelijk verband is tussen ervaren hinder en stress-gerelateerde klachten en fysieke schade aan de woning. Dat verband is nog veel sterker in situaties van meervoudige fysieke schade. Over bewoners met meervoudige schade wordt in het eindrapport geconcludeerd dat voor hen het normale leven ernstig ontwricht is.

7.36

Uit wat in het vorige punt is vermeld, volgt dat in een situatie waarin een woning meer dan eenmaal schade (het gaat ook hier om vastgestelde A- schade of B-schade) heeft opgelopen kan worden aangenomen dat de bewoners van die woning op andere wijze in hun persoon zijn aangetast en om die reden aanspraak hebben op immateriële schade. In die situatie brengen de aard (concrete en potentieel beangstigende aantasting van de persoonlijke levenssfeer) en de ernst (geen incident maar een herhaling) van de gebeurtenis mee dat de nadelige gevolgen daarvan voldoende voor de hand liggen. Buiten deze situatie dient van geval tot geval te worden afgewogen of sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze.

7.37

De Hoge Raad geeft de rechter de mogelijkheid om wanneer hij een aantasting in de persoon op andere wijze aanneemt voor een bepaalde categorie, voor die categorie ook aannemelijk te achten dat de schade tenminste een bepaald bedrag is. De Hoge Raad noemt zelf geen bedrag. Over de hoogte van zo'n bedrag kan heel verschillend worden gedacht. De situatie in Groningen is in de Nederlandse rechtspraktijk uniek, zodat geen aanknopingspunt kan worden gevonden in vergelijkbare situaties. In zijn algemeenheid geldt dat in situaties waarin geen sprake is van lichamelijk of geestelijk letsel het smartengeld in Nederland beperkt is. Al met al is naar het oordeel van het hof in dit geval een minimumbedrag van
€ 2.500,- redelijk. In individuele gevallen kan het bedrag worden verhoogd, bijvoorbeeld wanneer meer dan tweemaal A- of B-schade is vastgesteld (uitgangspunt is dat per extra schadegeval aanspraak bestaat op € 1.250,-), of ten gevolge van de aardbevingen ernstige (psychische) gezondheidsklachten zijn ontstaan of de woning onbewoonbaar is verklaard of langdurig niet bewoond kon worden.
7.38 Wat het bovenstaande betekent voor de vorderingen van eisers zal in hoofdstuk 10 worden uitgewerkt.

Finale kwijting
7.39 NAM heeft met een aantal eisers (1 en 2, 14, 20 en 21, 96 en 97) een vaststellingsovereenkomst gesloten na een verzoek van de Commissie Bijzondere Situaties. NAM heeft de woningen van die eisers opgekocht. In de vaststellingsovereenkomst is een beding van finale kwijting opgenomen met de volgende tekst:
"Na het verrichten van de in het vorige artikel genoemde handelingen, zullen Partijen over en weer finaal gekweten zijn en niets meer van elkaar te vorderen hebben betreffende schade als gevolg van geïnduceerde aardbevingen of daaraan gerelateerde vorderingen. Partijen verlenen elkaar volledige en onherroepelijke kwijting. Deze finale kwijting is onverkort van toepassing, ook al mochten er feiten en/of omstandigheden bekend worden die op het moment van het ondertekenen van deze Vaststellingsovereenkomst niet bekend waren of konden zijn."
Enkele andere eisers (71, 75 en 20H) hebben anders geformuleerde kwijtingsbedingen ondertekend. In die bedingen wordt kwijting verleend voor “schade aan de Boerderij of daaraan gerelateerde vorderingen” (eiser 71), voor “schade aan de Woning of daaraan gerelateerde vorderingen” (eiser 75) of voor “Materiële Schade” (eiser 20H). Bij eiser 75 is bovendien uitdrukkelijk bepaald dat de kwijting niet ziet op immateriële schade.
Partijen zijn het er niet over eens of deze bedingen betekenen dat eisers hun aanspraken op vergoeding van vermogensschade wegens gemist woongenot en immateriële schade hebben prijsgegeven. NAM vindt van wel, eisers vinden van niet. De rechtbank heeft beslist dat het beding wel betrekking heeft op de vermogensschade, maar niet op de immateriële schade.

7.40

Bij gelegenheid van het pleidooi in eerste aanleg is de advocaat van eisers in de punten 48 en 49 van zijn pleitnotitie ingegaan op de situatie van eisers 75 (punt 48) en 14, 71, 96 en 97 (punt 49). Hij heeft aangevoerd dat en waarom het kwijtingsbeding niet in de weg staat aan toewijzing van de vorderingen van eisers.
Vervolgens heeft hij in punt 50 van zijn pleitnotitie opgemerkt:
"De andere gedupeerden die een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten hebben inderdaad ingestemd met volledige kwijting, ook voor deze procedure."
Deze zin kan niet anders gelezen worden dan als een erkenning dat het beding van finale kwijting bij de andere eisers (eisers 1, 2, 20 en 21) ook ziet op de door hen ingestelde vorderingen. Voor de niet genoemde eiser 20H ligt dat anders, omdat voor die eiser vaststaat (zie 7.39) dat het kwijtingsbeding geen betrekking heeft op de immateriële schade, maar alleen op vermogensschade. In punt 5.7.7 van de memorie van antwoord proberen eisers nog wel een draai te geven aan punt 50 van de pleitnotitie. Die poging is niet overtuigend, alleen al omdat niet duidelijk is wat eisers nu precies willen zeggen.
De erkenning van de advocaat is een gerechtelijke erkenning22. Daarop kan, tenzij bij hoge uitzondering, niet worden teruggekomen. Dat die uitzondering zich hier voordoet, is niet aangevoerd. Dat betekent dat de vorderingen van eisers 1, 2, 20, 21 en 20H (voor wat betreft de vermogensschade) niet toewijsbaar zijn. Voor de andere eisers met een kwijtingsbeding (14, 71, 75, 96 en 97) geldt het volgende.

7.41

Zoals de rechtbank terecht opmerkt is het kwijtingsbeding dat met eisers 14, 96 en 97 is overeengekomen taalkundig duidelijk. Het ziet op schade als gevolg van geïnduceerde aardbevingen. In die schade wordt geen beperking aangebracht, in die zin dat bepaalde vormen van schade worden uitgesloten. De woorden die eraan worden toegevoegd “of daaraan gerelateerde vorderingen” maken juist duidelijk dat het beding een ruim bereik heeft. Eisers hebben niet aangevoerd dat apart over het kwijtingsbeding is onderhandeld. Daardoor is ook niet duidelijk geworden dat partijen met dit beding wat anders hebben bedoeld dan er staat, of dat eisers op grond van mededelingen van NAM in redelijkheid mochten verwachten dat er iets anders mee werd bedoeld dan er staat23. Eisers hebben erop gewezen dat zij met hun rug tegen de muur stonden toen zij de vaststellingsovereenkomst tekenden en dat zij als zwakke partij tegenover een veel sterkere en professionele partij (NAM) stonden. Bij de uitleg van een overeenkomst kunnen deze omstandigheden inderdaad van belang zijn. Ze kunnen er ook toe leiden dat een finaal kwijtingsbeding beperkt wordt uitgelegd. Maar in dit geval is de tekst van het beding zo duidelijk dat de door eisers aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn om het beding zo beperkt uit te leggen als eisers willen. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat partijen hebben afgesproken dat het kwijtingsbeding ziet op alle schade die het gevolg is van de aardbevingen. Daar vallen dus ook de vermogensschade vanwege gemist woongenot en immateriële schade onder.

7.42

Eisers hebben nog aangevoerd dat zij gedwaald hebben over de betekenis van het beding. Zij vragen met een beroep op artikel 6:228 in combinatie met artikel 6:230 lid 2 BW om de vaststellingsovereenkomst zo te wijzigen dat de immateriële schade niet onder de finale kwijting valt. Het beroep van eisers op dwaling gaat niet op. Eisers hebben niet duidelijk gemaakt dat zij geen juiste voorstelling van zaken hadden over de betekenis van het beding van finale kwijting toen zij de overeenkomst sloten. Dat beding is, zoals hiervoor is uiteengezet, duidelijk over de reikwijdte ervan.

7.43

Voor eisers 71 en 75 geldt dat ook ‘hun’ beding gelet op de duidelijke taalkundige betekenis van de tekst in elk geval betrekking heeft op de door hen gevorderde vermogensschade. Maar het beding ziet niet op immateriële schade. Voor eiser 75 is dat onmiskenbaar: in de overeenkomst tussen hem en NAM is uitdrukkelijk bepaald dat immateriële schade van de kwijting is uitgesloten. Maar ook eiser 71 hoefde er geen rekening mee te houden dat de woorden “schade aan de Boerderij of daaraan gerelateerde vorderingen” in de weg zouden staan aan een vordering tot vergoeding van immateriële schade. Deze woorden hebben geen betrekking op een schade-oorzaak (schade door aardbevingen), maar op een bepaald soort schade (schade aan een gebouw), niet zijnde een immateriële schade. En als dat al onduidelijk zou zijn, dan geldt dat die onduidelijkheid tegen de achtergrond van de relatie tussen NAM (een professionele partij) en eiser 71 (een particulier, die vanwege door de activiteiten van NAM veroorzaakte aardbevingen in een lastige positie is terechtgekomen) voor risico van NAM moet komen.

7.44

De conclusie is dat het beding van finale kwijting voor acht van de tien eisers die zo’n beding zijn aangegaan een struikelblok is. Het beding staat voor eisers 71 en 75 alleen in de weg aan toewijzing van hun vordering tot vermogensschade, niet aan toewijzing van hun vordering tot vergoeding van immateriële schade.

Hoe nu verder met de procedure?
7.45 Uit wat hiervoor is geschreven blijkt dat de vordering van een aantal eisers tot vergoeding van vermogensschade wegens gemist woongenot kan worden toegewezen. Ook de vordering van een aantal eisers tot vergoeding van immateriële schade is toewijsbaar. De groep eisers van wie de ene vordering toewijsbaar is, valt niet noodzakelijk samen met de groep eisers van wie de andere vordering toewijsbaar is, hoewel het wel zo zal zijn dat het overgrote deel van de eisers die recht hebben op vergoeding van immateriële schade ook recht zal hebben op vermogensschade. Andersom is dat niet zo.

7.46

Als in een bepaald geval nu niet duidelijk is dat de vordering toewijsbaar is, betekent dat niet per se dat de vordering moet worden afgewezen. Dat is wel zo wanneer nu al kan worden vastgesteld dat de vordering niet kan worden toegewezen, bijvoorbeeld omdat die onvoldoende onderbouwd is of de vordering onder een kwijtingsbeding valt. In de meeste gevallen zal alsnog een individuele beoordeling op basis van alle omstandigheden van het geval moeten plaatsvinden.

7.47

Al met al zijn er in theorie negen mogelijke categorieën eisers:
A. Eisers van wie beide vorderingen toewijsbaar zijn.
B1. Eisers van wie de vordering tot vergoeding van vermogensschade wegens gemist woongenot toewijsbaar is, maar van wie onduidelijk is of het smartengeld wel toewijsbaar is.
B2. Eisers van wie de vordering tot vergoeding van vermogensschade wegens gemist woongenot toewijsbaar is, maar van wie het smartengeld niet toewijsbaar is.
C1. Eisers van wie het smartengeld toewijsbaar is, maar van wie onduidelijk is of de vordering tot vergoeding van vermogensschade wegens gemist woongenot toewijsbaar is.
C2. Eisers van wie het smartengeld toewijsbaar is, maar van wie de vordering tot vergoeding van vermogensschade wegens gemist woongenot niet toewijsbaar is.
D1. Eisers van wie onduidelijk is of (een van) beide vorderingen toewijsbaar.
D2. Eisers van wie de vordering tot vermogensschade wegens gederfd woongenot niet toewijsbaar is en onduidelijk is of het smartengeld wel toewijsbaar is.
D3. Eisers van wie het smartengeld niet toewijsbaar is en onduidelijk is of de vordering tot vermogensschade wegens gederfd woongenot wel toewijsbaar is.
E. Eisers van wie duidelijk is dat beide vorderingen niet toewijsbaar zijn.
Hierna zal blijken dat geen van eisers in de categorieën C1 en D3 valt.

7.48

Voor de categorieën A, B2, C2 en E kan de procedure met dit arrest beëindigd worden. Er valt in hun zaken niets meer te beslissen. Voor de categorieën B1, D1 en D2 ligt dat anders. In die categorieën zal verder moeten worden geprocedeerd betreffende de vordering(en) waarover nog geen duidelijkheid bestaat. In die zaken zal geen eindarrest worden gewezen, ook niet ten aanzien van de vordering waarover al wel duidelijkheid bestaat. Op die manier wordt voorkomen dat in die zaken een zogenaamd deelarrest wordt gewezen. Aan zo’n arrest zijn nadelen verbonden wanneer cassatie wordt ingesteld tegen het deel waarover al wel een eindarrest is gewezen. Die nadelen zijn groter dan de voordelen die er zitten aan een eindarrest voor een deel van het gevorderde.

7.49

Het hof heeft tijdens het pleidooi al laten doorschemeren dat het van plan was om de procedure te splitsen wanneer geen eindbeslissing kon worden gegeven en er een individuele beoordeling moest plaatsvinden. Het hof zal dat in die zaken ook doen. Daarbij zullen zaken van twee eisers die in dezelfde woning wonen in één procedure kunnen worden behandeld.
Partijen krijgen voordat het hof de procedure gaat splitsen eerst de gelegenheid om op basis van dit arrest de balans op te maken. Er zal een comparitie van partijen (mondelinge behandeling) worden gehouden, waarop zal worden besproken hoe de behandeling van de overige zaken zal moeten verlopen. Omdat het tijdens deze comparitie van partijen niet over de inhoud gaat maar alleen over het verdere verloop van de procedure, ligt het voor de hand dat een enkelvoudige comparitie wordt gepland. Dat maakt het ook gemakkelijker de comparitie op korte termijn te houden. Eisers krijgen de gelegenheid om ter voorbereiding op de comparitie van partijen te laten weten of zij hun beide vorderingen handhaven, of hun vordering(en) intrekken. In het laatste geval kan in hun zaak alsnog een eindarrest worden gewezen en kan splitsing achterwege blijven.

8 De bespreking van de grieven

8.1

In onderdeel 7 heeft het hof de belangrijkste geschilpunten thematisch besproken. Om te voorkomen dat er geschilpunten tussen wal en schip raken, zullen in dit hoofdstuk de grieven van partijen tegen het vonnis van de rechtbank worden besproken. In veel gevallen zal volstaan kunnen worden met een verwijzing naar hoofdstuk 7 en kan de bespreking dus kort zijn.

8.2

Grief 1 van NAM betreft de beslissing van de rechtbank dat eisers ook belang kunnen hebben bij de beoordeling van hun vorderingen op de grondslag van onrechtmatige daad. Onder 7.7 is al uiteengezet dat en waarom een beoordeling op die grondslag ook in dit geval van belang kan zijn. Eisers hebben dan ook een belang bij een verklaring voor recht dat NAM onrechtmatig tegenover hen hebben gehandeld. De grief faalt.

8.3

Grief 2 gaat allereerst over de vraag of sprake is van onrechtmatige hinder. Volgens NAM heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat daarvan sprake is. Dit onderwerp is hiervoor onder 7.21 tot en met 7.32 besproken. Daaruit volgt dat van onrechtmatige hinder door NAM sprake is in een situatie dat er minimaal eenmaal (A of B) schade aan de woning is ontstaan. De grief faalt in elk geval voor wat betreft eisers voor wie geldt dat hun woning fysieke schade heeft opgelopen. Voor andere eisers (behalve die van categorie E) moet van geval tot geval worden bezien of de grief slaagt.

8.4

In de grief wordt ook de formulering van de verklaring voor recht over het onrechtmatig handelen door NAM bekritiseerd. Op dit punt heeft NAM gelijk. Het hof zal, anders dan de rechtbank, niet voor recht verklaren dat NAM onrechtmatig handelt, maar dat NAM tegenover de eisers van wie de vordering tot schadevergoeding toewijsbaar is onrechtmatig heeft gehandeld.

8.5

In grief 3 gaat het om de vordering tot vergoeding van psychisch letsel. De grief faalt voor wat betreft eisers van wie de woningen tweemaal fysieke schade hebben opgelopen. Voor de andere eisers (behalve die van categorie B2 en E) moet van geval tot geval worden bezien of de grief slaagt.

8.6

In de grief wordt er verder terecht over geklaagd dat de rechtbank voor recht heeft verklaard dat NAM onrechtmatig heeft gehandeld op grond van artikel 6:177 BW. Wie aansprakelijkheid is op grond van artikel 6:177 BW is daarmee nog niet aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW (zie onder 7.6).

8.7

Grief 4 betreft de vordering tot vergoeding van immateriële schade. Volgens de (toelichting op) de grief heeft de rechtbank niet de juiste eisen gesteld aan de toewijsbaarheid van deze vordering. Uit wat onder 7.33 tot en met 7.38 is vermeld, blijkt dat het hof een andere maatstaf voor deze vordering hanteert dan de rechtbank heeft gedaan. De grief slaagt in zoverre.

8.8

Grief 5 gaat over de verhouding van de vordering tot vergoeding van vermogensschade wegens gemist woongenot en een vordering tot schadevergoeding wegens waardevermindering van de woning. Een aantal eisers heeft ook aanspraak gemaakt op zo’n vordering. Volgens NAM vallen beide vorderingen samen. De eisers die waardevermindering hebben gevorderd, zijn om die reden niet-ontvankelijk in hun vordering tot vermogensschade wegens gemis aan woongenot, meent NAM.

8.9

De rechtbank heeft dit betoog van NAM verworpen. Het hof kan zich op dit punt vinden in het vonnis van de rechtbank. Wat NAM daartegen aanvoert, maakt dat niet anders. Aan wat de rechtbank heeft overwogen, kan nog het volgende worden toegevoegd. In zijn uitspraak van 19 juli 2019 is de Hoge Raad ook ingegaan op het recht op schadevergoeding vanwege waardevermindering van de woning. In antwoord op vraag 7 heeft de Hoge Raad opgemerkt dat het bij deze schade gaat om schade die bestaat in waardevermindering van een woning die het gevolg is van het risico op toekomstige bodembeweging boven het Groningenveld24. Uit het antwoord van de Hoge Raad blijkt (anders dan NAM meent) niet dat een aanspraak op vergoeding van deze schade samenvalt met een aanspraak op vergoeding van vermogensschade vanwege gederfd woongenot. Dat ligt ook niet voor de hand, omdat het bij die laatste schade niet gaat om schade vanwege het risico op toekomstige bodembewegingen maar juist om schade vanwege bodembewegingen die al hebben plaatsgevonden en vanwege het risico op dergelijke bodembewegingen waaraan de bewoners al hebben blootgestaan25. Bij de schade vanwege het gemis aan woongenot wordt dus teruggekeken en wordt bezien wat dit betekent voor het woongenot, terwijl bij de schade vanwege waardevermindering wordt vooruitgekeken en wordt bezien wat dit betekent voor de waarde van de woning.

8.10

Het standpunt van NAM, dat eisers niet aanspraak kunnen hebben op vergoeding van vermogensschade wegens gemist woongenot èn op vergoeding van de waardevermindering van hun woning, is dan ook onjuist. Om die reden faalt de grief.

8.11

Volgens grief 6 heeft geen van eisers recht op vergoeding van vermogensschade wegens gemist woongenot. Uit hoofdstuk 7 blijkt dat van een aantal eisers vaststaat dat ze recht hebben op die vergoeding en dat dit voor een aantal eisers nog moet worden vastgesteld. De grief slaagt alleen voor zover die de eisers betreft van wie nu al kan worden vastgesteld dat hun vordering tot vergoeding van gederfd woongenot niet toewijsbaar is (categorie C2, D2 en E).

8.12

Grief 7 ziet op de beslissing van de rechtbank over de bedingen van finale kwijting. De grief slaagt grotendeels, blijkt uit 7.44.

8.13

Grief 8 is een algemeen geformuleerde grief. De grief heeft naast de andere grieven geen zelfstandige betekenis.

8.14

Ook eisers hebben enkele grieven geformuleerd. Die grieven zullen op dezelfde manier worden behandeld als de grieven van NAM.

8.15

Grief I is gericht tegen de beperking door de rechtbank van het schadegebied tot het Groningenveld. De grief slaagt. Uit hoofdstuk 7 volgt dat in situaties waarin sprake is van fysieke schade aan de woning ten gevolge van aardbevingen vanwege de activiteiten van NAM aanspraak bestaat op schadevergoeding. De fysieke schade is niet beperkt tot het gebied van het Groningenveld. Ook buiten dat gebied is fysieke schade ten gevolge van (uiteindelijk) de activiteiten van NAM vastgesteld. Beslissend is of een eiser schade heeft geleden door de activiteiten van de NAM (leidend tot bodembeweging), niet of de eiser boven het Groningenveld woont.

8.16

Grief II betreft de bedingen van finale kwijting. Met de grief bepleiten eisers dat het hof de bedingen nog beperkter uitlegt dan de rechtbank heeft gedaan en alsnog beslist dat de bedingen geen betrekking hebben ook de vermogensschade. De grief faalt, om de redenen die onder 7.39 tot en met 7.44 zijn vermeld.

8.17

Grief III ziet op de individuele situatie van een aantal eisers van wie de vorderingen door de rechtbank zijn afgewezen. Deze situaties zullen hierna besproken worden.

8.18

Eisers 30, 66, 68, 90, 91 en 4H hebben alsnog een persoonlijke verklaring overgelegd, zodat hun vordering niet om die reden kan worden afgewezen. In zoverre slaagt de grief. Wat dat betekent voor hun vorderingen, zal hierna blijken.

8.19

Vastgesteld kan worden dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de vorderingen van de eisers 9, 10, 64 en 100 niet toewijsbaar zijn. Dat is bij gelegenheid van het pleidooi vastgesteld. De vorderingen van eiser 5 en 49 tot vergoeding van immateriële schade zijn door de rechtbank afgewezen en tegen deze afwijzing zijn geen grieven gericht. De beslissing in die zaken staat dan ook vast.

8.20

De vorderingen van eisers 61 en 68 zijn (voor wat betreft eiser 68 ook) afgewezen omdat zij niet in het gebied van het Groningenveld wonen. In de grief wordt daar bezwaar tegen gemaakt, terecht zoals uit 8.15 blijkt.

8.21

De vordering van eiseres 39 is afgewezen, omdat haar woning een vakantiewoning is. Daardoor is de mate waarin haar woongenot wordt geschonden van andere orde, volgens de rechtbank. Eiseres 39 stelt dat sprake is van een tweede woning. Zij woont afwisselend in Amsterdam en in die woning. Ook aan haar woning is schade vastgesteld en uitgekeerd.

8.22

Het staat niet ter discussie dat eiseres 39 geen eigenaar of huurder van de woning is. De woning is eigendom van haar partner. De vordering van eiseres 39 tot vergoeding van vermogensschade vanwege gemist woongenot is alleen om deze reden al niet toewijsbaar.
Omdat de woning voor eiseres een tweede woning is, verschilt haar situatie sterk van de situatie van vrijwel alle eisers, die permanent in hun woning wonen en niet kunnen uitwijken naar een woning buiten het aardbevingsgebied. Bovendien staat niet vast dat de woning van eiseres 39 tweemaal of meer beschadigd is. Om die reden is haar vordering tot vergoeding van immateriële schade zeker niet nu al toewijsbaar: er kan in haar situatie niet zonder meer worden aangenomen dat zij in haar persoon is aangetast. Omdat gelet op wat eiseres 39 heeft aangevoerd ook niet kan worden uitgesloten dat zij in haar persoon is aangetast, zal het hof haar vordering nog niet afwijzen maar in het vervolg van de procedure verder onderzoeken.

8.23

Eiser 67 woont nog in de stad Groningen. Hij is eigenaar van een boerderij die schade heeft opgelopen. Hij wilde met zijn gezin in die boerderij gaan wonen, nadat deze zou zijn verbouwd. De boerderij heeft schade opgelopen. De verbouwing heeft nog niet

plaatsgevonden. De rechtbank heeft de vorderingen van eiser 67 afgewezen omdat zijn boerderij een tweede woning is. Eiser 67 is het daar niet mee eens.

8.24

De situatie van eiser 67 verschilt van die van eisers die wonen in een woning die een of meerdere malen fysieke schade hebben opgelopen. Eiser 67 heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij al in de boerderij woonde. Integendeel, hij wilde de boerderij door een verbouwing geschikt maken voor bewoning. Van woongenot was dan ook (nog) geen sprake. De aardbevingen hebben daarom geen inbreuk gemaakt op dat woongenot.
Het is wel voorstelbaar dat de schade aan zijn boerderij, de vertraging die daardoor is ontstaan aan de verbouwing en de verhuizing, alle rompslomp en onzekerheid over de afwikkeling van de schade tot grote frustratie hebben geleid bij eiser 67. Dat blijkt ook uit zijn verklaring. Of dat voldoende is voor toewijzing van zijn vorderingen, moet verder onderzocht worden.

8.25

Eiser 5 woont sinds 2011 in Nieuw-Zeeland. Hij is nog eigenaar van een woning in het gebied van het Groningenveld. Hij heeft eenmaal schade gemeld, na een aardbeving in februari 2014. Eiser 5 woonde toen al enige tijd niet meer in de woning. Om die reden heeft hij niet onderbouwd dat hij vermogensschade heeft geleden vanwege gemist woongenot als gevolg van de aardbevingen. Dat hij voor zijn vertrek naar Nieuw-Zeeland dergelijke schade heeft geleden, heeft hij ook niet onderbouwd. Zijn vordering tot vergoeding van deze schade is niet toewijsbaar.

8.26

Bij eiser 53 verschillen partijen van mening over de vraag of hij al in zijn woning in Uithuizen woont. In dit stadium van de procedure kan niet worden vastgesteld wie van hen op dit punt gelijk heeft. Dat zal in het vervolg van de procedure moeten gebeuren.

8.27

Grief III slaagt dus gedeeltelijk.

9
9. De bespreking van de vorderingen

Indeling van eisers in categorieën
9.1 In 7.47 is aangegeven dat de eisers in negen categorieën kunnen worden onderverdeeld. De indeling is grotendeels afhankelijk van de vraag of een of meermalen A- of B-schade is vastgesteld aan hun woning. Daarbij zal worden uitgegaan van wat NAM daarover heeft opgemerkt in de memorie van grieven. Wanneer eisers dat hebben weersproken in de memorie van antwoord, zal worden nagegaan of zij dat hebben onderbouwd en of NAM die onderbouwing weer heeft weersproken. Als er dan nog onduidelijkheid bestaat, wordt uitgegaan van de stellingen van NAM. Eisers krijgen dan in het vervolg van de procedure nog de gelegenheid hun stellingen te bewijzen.

9.2

Overigens heeft NAM bij de bespreking van de situatie een aantal malen kanttekeningen geplaatst bij de erkenning door haar van A- of B-schades. Volgens NAM is het achteraf bezien maar de vraag of de erkende schade wel door aardbevingen kan zijn veroorzaakt of verergerd. Ook merkt NAM een enkele keer op dat zij in het kader van een minnelijke regeling schadevergoeding heeft uitgekeerd. Gelet op wat in 7.10 is vermeld, gaat het hof ervanuit dat in de situaties waarin NAM een A- of een B-schade heeft uitbetaald, deze schade ook het gevolg is van of verergerd is door de aardbevingen.

9.3

In enkele gevallen is aannemelijk dat bij een schademelding niet alle schades zijn gemeld of meegenomen en dat kort daarna voor die schades een aanvullende melding is gedaan. Zo’n ‘nabrander’ zal niet worden meegeteld als een afzonderlijke schademelding.

9.4

Het is zinvol om hier te herhalen dat alleen een eigenaar of huurder recht heeft op vergoeding van vermogensschade wegens gemist woongenot. In veel gevallen wonen twee eisers samen in een woning en zijn beiden eigenaar. Zij hebben dan samen recht op de vergoeding, die niet hoger is dan wanneer de woning een eigenaar zou hebben26. In enkele gevallen is een van hen eigenaar. De ander heeft dan geen recht op vermogensschade vanwege gemist woongenot.

9.5

Een aantal eisers heeft ook aangevoerd dat bij hen geestelijk letsel is ontstaan door de aardbevingen. Wanneer hun vordering tot immateriële schade toch al toewijsbaar is omdat hun woning twee of meermalen is beschadigd, is een onderzoek naar het bestaan van psychisch letsel niet nodig. Tijdens het pleidooi in hoger beroep heeft de advocaat van eisers aangegeven dat de grondslag geestelijk letsel de subsidiaire grondslag is voor de vordering tot vergoeding van immateriële schade. Als de primaire grondslag al tot toewijzing leidt, hoeft de subsidiaire grondslag niet besproken te worden. Bij de vraag hoe hoog het smartengeld moet zijn, kan het natuurlijk wel een rol spelen of geestelijk letsel is ontstaan. De vraag naar de omvang van de schade wordt in deze procedure niet definitief beantwoord.
Wanneer iemand die stelt geestelijk letsel te hebben opgelopen niet in een woning woont die minstens tweemaal fysieke schade heeft opgelopen, moet in deze procedure wellicht alsnog worden onderzocht of sprake is van geestelijk letsel.

9.6

In de volgende tabel is van alle eisers vermeld in welke categorie zij worden ingedeeld en waarom. De vordering tot vergoeding van vermogensschade wordt afgekort met V, die tot vergoeding van immateriële schade met I. Wanneer de uitkomst van twee eisers die in dezelfde woning wonen gelijk is, worden zij in dezelfde rij vermeld. Wanneer er een verschillende uitkomst is, worden de eisers in elkaar opvolgende rijen vermeld en wordt met een * aangegeven dat de desbetreffende eiser in dezelfde woning woont als de eiser in de vorige rij.

Eisers

Toelichting

Categorie

1 + 2

Kwijtingsbeding V en I

E

3

Een schade; beroep op geestelijk letsel

B1

4

Een schade

B1

5

Een schade; woont in Nieuw-Zeeland. Zie 8.19 en 8.25

E

6

Een schade en een aanvulling

B1

7 + 8

Een schade en een aanvulling; beroep op geestelijk letsel

B1

9 + 10

Zie 8.19

E

11 + 12

Een schade; beroep op geestelijk letsel door 11

B1

13

Drie schades

A

14

Kwijtingsbeding V en I

E

15

Geen eigenaar; twee schades; beroep op geestelijk letsel

C2

16 + 17

Twee schades; beroep op geestelijk letsel door 16

A

18 + 19

Vier schades

A

20 + 21

Kwijtingsbeding V en I

E

22 + 23

Zeven schades

A

24

Twee schades

A

25 + 26

Twee schades

A

27

Twee schades

A

28*

Geen eigenaar, twee schades

C2

29 + 30

Twee schades

A

31

Een schade; beroep op geestelijk letsel

B1

32 + 33

Een schade en vijf aanvullingen

B1

34 + 35

Twee schades (aan verschillende woningen, waarvan een vastgesteld na arbitrage); ook beroep op geestelijk letsel door 34

A

36 + 37

Twee schades (in elk geval)

A

38

Twee schades

A

39

Zie 8.22

D2

40 + 41

Een schade

B1

42 + 43

Twee schades

A

44 + 45

Meerdere schades

A

46

Geen

D1

47

Een schade

B1

48

Twee schades (in elk geval)

A

49*

Twee schades (in elk geval); vordering I afgewezen, zie 8.19

B2

50 + 51

In elk geval twee schades (waarvan één na arbitrage)

A

52

Twee schades (een vergoed in kader minnelijke regeling)

A

53

Zie 8.26

D1

54 + 55

Zes schades

A

56

Twee schades

A

57*

Geen eigenaar; twee schades

C2

58

Een schade

B1

59 + 60

Meerdere schades; beroep op geestelijk letsel

A

61

Een schade; zie 8.20; beroep op geestelijk letsel

B1

62 + 63

Drie schades

A

64

Zie 8.19

E

65 + 66

Een schade

B1

67

Zie 8.24

D2

68

Een schade; zie 8.20

B1

69

Een schade; beroep op geestelijk letsel

B1

70

In elk geval twee schades

A

71

Twee schades; finale kwijting V; beroep op geestelijk letsel

C2

72

Twee schades; beroep op geestelijk letsel

A

73

Een schade; beroep op geestelijk letsel

B1

74*

Een schade

B1

75

Geen erkende schade; woning opgekocht op advies Commissie Bijzondere Situaties; finale kwijting V; beroep op geestelijk letsel

D2

76

Geen eigenaar; in elk geval drie schades

C2

77*

Zakelijk gerechtigde; in elk geval drie schades

A

78 + 79

Een schade en een aanvulling

B1

80

Vier schades

A

81

Geen schades

D1

82*

Geen eigenaar; geen schades

D2

83

Drie schades

A

84*

Geen eigenaar; drie schades

C2

85

Een schade ten tijde van bewoning (woning ten tijde van tweede schade verhuurd)

B1

86

Een schade

B1

87 + 88

Drie schades

A

89

Twee schades

A

90

Een schade

B1

91

Zeven schades

A

92

Een schade

B1

93

Een schade

B1

94

Een schade

B1

95

Twee schades

A

96 + 97

Finale kwijting V en I

E

98

Een schade; over tweede schade loopt een arbitrageprocedure

B1

99

Geen schades; beroep op geestelijk letsel

D1

100

Zie 8.19

E

101

Twee schades

A

102*

Twee schades; beroep op geestelijk letsel door 101

A

103

Drie schades; beroep op geestelijk letsel

A

104

Geen eigenaar; twee schades

C2

1H

Vier schades

A

2H

Een schade en een aanvulling

B1

3H

Een schade (geschil over de omvang van de herstelwerkzaamheden)

B1

4H

Negen schades

A

5H*

Geen eigenaar; negen schades; beroep op geestelijk letsel

C2

6H

Twee schades; beroep op geestelijk letsel

A

7H*

Twee schades

A

8H

Geen eigenaar; twee schades

C2

9H

Twee schades

A

10H +11H

Diverse schades

A

12H

Een schade

B1

13H + 14H

Geen schade

D1

15H + 16H

Een schade

B1

17H + 18H

Een schade

B1

19H

Een schade

B1

20H

Finale kwijting V; een schade; beroep op geestelijk letsel

D2

21H

Twee schades (tweede schade na voorlopig deskundigenbericht)

A

22H

Vier schades

A

23H

Een schade

B1


Welke vorderingen zijn nu toewijsbaar?
9.7 Bij de eisers in categorie A staat vast dat zij hinder en overlast hebben opgelopen boven het niveau waarop recht ontstaat op vergoeding van schade vanwege gederfd woongenot. Ook staat bij deze eisers vast dat NAM onrechtmatig tegen hen heeft gehandeld (7.30). Verder staat vast dat zij op andere wijze in hun persoon zijn aangetast en recht hebben op vergoeding van immateriële schade (7.36). Ten slotte staat bij deze eisers vast dat NAM ook op grond van artikel 6:177 BW aansprakelijk is voor de door hen geleden schade (7.4).

9.8

Bij de eisers in deze categorie is de vordering tot veroordeling van schade op te maken bij staat toewijsbaar. Voor toewijsbaarheid van deze vordering is nodig dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Aan die eis is ruimschoots voldaan: vastgesteld is dat deze eisers recht hebben op vergoeding van vermogensschade volgens de door de Hoge Raad gegeven maatstaf (7.31) en op vergoeding van hun immateriële schade, die minimaal
€ 2.500,- bedraagt (7.37). Het ligt voor de hand dat eisers die aanspraak maken op een hogere immateriële schade dat in individuele procedures doen, omdat in dat geval aan de hand van een toetsing van hun hoogstpersoonlijke situatie moet worden bepaald of zij aanspraak hebben op die vergoeding. Het is niet goed mogelijk om een dergelijke toetsing te laten plaatsvinden in het kader van een procedure met een min of meer collectief karakter.
Dat geldt ook voor de vordering tot vergoeding van de vermogensschade. Ook de begroting van die schade vereist een individuele toetsing, gelet op de door de Hoge Raad gegeven maatstaf (zie 7.31). Dat is wellicht anders wanneer NAM en eisers het met elkaar eens worden over de manier waarop de huurwaarde zonder en met bodembeweging kan worden vastgesteld. Het lijkt de moeite waard dat partijen zich inspannen om daarover afspraken te maken, wellicht met hulp van een onafhankelijke derde.

9.9

Voor de eisers in categorie B1 en B2 (dat is er trouwens maar één) geldt ook dat vaststaat dat NAM onrechtmatig tegen hen heeft gehandeld en aansprakelijk is op grond van artikel 6:177 BW. Die aansprakelijkheid is voor de eisers in categorie B1 voorlopig en voor de eiser in categorie B2 definitief beperkt tot hun vermogensschade wegens gemist woongenot. De eisers in categorie B1 krijgen nog de gelegenheid om aan te tonen dat zij ook in hun persoon zijn aangetast en om die reden aanspraak hebben op immateriële schade.

9.10

De vordering tot verwijzing naar de schadestaat is voor de vermogensschade voor de eisers in categorie B1 (en B2) wel toewijsbaar. Voor de vordering betreffende de immateriële schade ligt dat anders. Op zich is goed verdedigbaar dat bij deze eisers de mogelijkheid van deze schade aannemelijk is. Maar wanneer de vordering met die redenering zou worden toegewezen, verplaatst de discussie over de vraag of eisers ook daadwerkelijk in hun persoon zijn aangetast zich naar de schadestaatprocedure. Wellicht wordt voor een aantal eisers dan pas na een (kostbare en langdurige) schadestaatprocedure duidelijk dat zij toch niet in hun persoon zijn aangetast. Het is in het belang van beide partijen om die discussie nu maar te voeren, om vruchteloze schadestaatprocedures over immateriële schades te voorkomen.

9.11

Ook voor de eisers in categorie C2 geldt dat vaststaat dat NAM onrechtmatig tegen hen heeft gehandeld en aansprakelijk is op grond van artikel 6:177 BW. De aansprakelijkheid is beperkt tot hun immateriële schade. Hun vordering tot verwijzing naar de schadestaat is voor deze immateriële schade ook toewijsbaar.

9.12

De vorderingen van de eisers in categorie D1 zijn nog niet toewijsbaar. Daarvoor is meer onderzoek nodig. Dat geldt zowel voor de gevorderde verklaringen voor recht als voor de verwijzing naar de schadestaat.
De vorderingen van de eisers in categorie E kunnen nu al worden afgewezen.


Wat betekent dit concreet
9.13 Het hof zal betreffende de categorieën A, B2 en C2 voor recht verklaren dat NAM op grond van artikel 6:162 en 6:177 BW aansprakelijk is voor de door hen geleden en nog te lijden vermogensschade (categorie A en B2) of immateriële schade (categorie A en C2). Het hof zal de vorderingen tot verwijzing naar de schadestaat voor deze categorieën ook toewijzen. Wat meer of anders is gevorderd (zie hierna 9.14) zal worden afgewezen.

9.14

De rechtbank heeft op vordering van eisers ook drie verklaringen voor recht uitgesproken over de verhouding van aantasting van het woongenot en het op andere wijze in de persoon aangetast zijn en over de inbreuk op een persoonlijkheidsrecht. Deze verklaringen voor recht hebben een hoog theoretisch gehalte en zijn niet eenvoudig geformuleerd. Het is ook niet erg duidelijk hoe ze zich tot elkaar verhouden en waarom de ene keer voor het ene begrip en de andere keer voor een net wat ander begrip wordt gekozen. Tijdens het pleidooi heeft het hof de advocaten van eisers gevraagd uit te leggen wat er nu precies bedoeld werd met de verschillende verklaringen voor recht. Het hof heeft geen duidelijk antwoord gekregen, waarschijnlijk omdat dat niet te geven valt. Daarom kan niet worden vastgesteld dat eisers een redelijk belang hebben bij deze verklaringen voor recht. Op een vraag van het hof heeft een van de advocaten van eisers geantwoord dat toewijzing van deze drie verklaringen voor recht niet nodig is wanneer de andere verklaringen voor recht wel worden toegewezen. Dat laatste zal gebeuren, zodat de drie bewuste verklaringen voor recht achterwege kunnen blijven.

9.15

Bij de rechtbank is NAM veroordeeld in de proceskosten. Ook voor de procedure in hoger beroep kan nu al worden vastgesteld dat eisers (als één groep bezien) grotendeels in het gelijk worden gesteld. Het hof zal NAM dan ook veroordelen in de proceskosten bij de rechtbank en in hoger beroep. Voor de kosten van het hoger beroep gaat het hof uit van 4,5 punten27 à € 1.074,- (dus € 4.833,-) voor het salaris van de advocaat. Als voor een aantal eisers de procedure wordt voortgezet (al dan niet na splitsing) zal een beslissing moeten worden genomen over de kosten van de procedure in hoger beroep vanaf nu.

9.16

In de zaak van de eisers in categorie B1, D1 en D2 wordt de procedure aangehouden. De zaak wordt verwezen naar de rol voor het bepalen van een datum van de comparitie van partijen. Ter voorbereiding op die comparitie moeten de desbetreffende eisers aangeven of zij de procedure (wat betreft categorie B1 voor de vordering waarover nog niet is beslist) willen voortzetten of niet.

9.17

De vorderingen van de eisers in categorie E worden afgewezen.

9.18

Uit dit alles blijkt dat het hof in veel gevallen tot hetzelfde oordeel komt als de rechtbank. Toch zal dat vonnis om praktische redenen worden vernietigd, behalve voor wat betreft de proceskostenveroordeling.

10
10. De beslissing

Het gerechtshof (in het principaal en in het incidenteel appel):

a. vernietigt het vonnis van de rechtbank, behalve voor wat betreft de beslissing over de proceskosten;

en beslist zelf als volgt:

b. verklaart voor recht dat NAM onrechtmatig tegen de eisers in categorieën A, B2 en C2 heeft gehandeld en aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 BW en artikel 6:177 BW voor:

- de immateriële schade van de eisers in de categorieën A en C2;
- de vermogensschade wegens gemist woongenot van de eisers in de categorieën A en B2;

c. veroordeelt NAM tot vergoeding van:
- de immateriële schade van de eisers in de categorieën A en C2;
- de vermogensschade wegens gemist woongenot van de eisers in de categorieën A en B2,
nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

d. veroordeelt NAM in de kosten van het geding in hoger beroep tot nu toe en bepaalt deze kosten aan de zijde van eisers op € 626,- voor gemaakte onkosten en op € 4.833,- voor salaris van de advocaat;

e. verklaart de beslissingen onder c. en d. uitvoerbaar bij voorraad;

f. wijst de vorderingen van de eisers in de categorie E en de hiervoor niet toegewezen vorderingen van de eisers in de categorieën A, B2 en C2 af;

g. bepaalt dat in de zaak van NAM en eisers in de categorieën B1, D1 en D2 een enkelvoudige comparitie van partijen zal plaatsvinden, tenzij partijen (of een van hen) het hof laten (laat) weten dat zij een meervoudige comparitie van partijen willen (wil);

h. verwijst de zaak naar de rol van 14 januari 2020 voor opgave door partijen van de dagen waarop zij in de maanden februari tot en met mei 2020 verhinderd zijn;

i. bepaalt dat deze comparitie op een nog te bepalen datum zal plaatsvinden in het Paleis van Justitie te Leeuwarden onder leiding van mr. H. de Hek, die bij deze tot raadsheer commissaris wordt benoemd;

j. bepaalt dat eisers in de categorieën B1, D1 en D2 uiterlijk vier weken voor de geplande datum van de comparitie bij akte laten weten welke van die eisers de procedure (voor wat betreft hun vordering tot vergoeding van immateriële schade) willen voortzetten;

k. houdt in de zaken tussen NAM en eisers in de categorieën B1, D1 en D2 alle verdere beslissingen aan.


Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, M. Willemse en I. Giesen. Het is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2019 door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.

1 Die gevallen waren: het belang van een planmatig beheer van delfstoffen en het risico van schade ten gevolge van bewegingen van de aardbodem.

2 ECLI:NL:HR:2019:1278.

3 Rov. 2.4.4.

4 Antwoord op vraag 1 (rov. 2.4.1 t/m 2.4.6).

5 Productie 39 akte overlegging producties 4 november 2019.

6 Rov. 2.9.7.

7 MvG 1088/1099, pleitnotities mr. De Bie Leuveling Tjeenk nr. 15.

8 Zie Kamerstukken II 1988-1999, 21 202, nr. 3, p. 56 en Kamerstukken I 1993-1994, 21 202, nr. 99c, p. 2.

9 Rov. 2.12.2.

10 Productie B ter voorbereiding op het pleidooi in hoger beroep.

11 Productie A ter voorbereiding op het pleidooi in hoger beroep. Pagina 4

12 Productie 145 bij MvA.

13 ECLI:NL:GHARL:2018:618.

14 Rov. 2.12.2 en 2.12.3.

15 Hoge Raad 15 juni 2016, ECLI:NL:HR:2017:1106, rov 3.3.2.

16 Kamerstukken II 2002 – 2002, 26 219, nr. 15, p. 41/42. Zie ook Kamerstukken I 1993 – 1994, 21 202, nr. 99c, p. 7).

17 Hoge Raad 15 februari 1991, NJ 1992/639 en 18 september 1998, NJ 1998/69).

18 Rov. 2.12.4.

19 Rov. 2.13.1 t/m 2.13.7.

20 Hoge Raad 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376.

21 Hoge Raad 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7721.

22 Artikel 154 Rv.

23 Hoge Raad 13 maart 1981, NJ 1981, 636 (Haviltex).

24 Rov. 2.11.2 en 2.11.6.

25 Rov. 2.12.3.

26 Zie artikel 6:15 lid 2 BW: het vorderingsrecht valt in de gemeenschap, die het gevolg is van het feit dat de woning gemeenschappelijk eigendom is (3:166 BW). In beginsel kan ieder van de deelgenoten in die gemeenschap de vordering instellen (3:171 BW).

27 Memorie van antwoord 1, memorie van eis incidenteel appel 0,5, pleidooi in principaal en incidenteel appel 3 = 4,5 punten.