Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:10676

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-12-2019
Datum publicatie
12-12-2019
Zaaknummer
21-002112-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2017:1678, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2021:605
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:1259
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Heling van een groot aantal fietsen, deelname aan een criminele organisatie en verduistering van een ID-bewijs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002112-17

Uitspraak d.d.: 9 december 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 4 april 2017 met parketnummer 16-652430-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997 ,

Vetrokken onbekend waarheen.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 25 november 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. C.E. Hok-A-Hin, naar voren is gebracht.

De omvang van het hoger beroep

De rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte vrijgesproken van het onder feiten 1 en 2 tenlastegelegde.

Het door de verdachte ingestelde hoger beroep

Door verdachte is onbeperkt hoger beroep ingesteld. Hoger beroep tegen de gegeven vrijspraak staat niet open. Het hof zal verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

Het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep

Het hoger beroep is door de officier van justitie bij akte onbeperkt ingesteld. De officier van justitie heeft bij appelschriftuur van 26 april 2017 evenwel opgemerkt dat het hoger beroep zich enkel richt tot de vrijspraak van het onder feit 1 ten laste gelegde medeplegen van gewoonteheling.

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat zij, anders dan door de officier van justitie bij appelschriftuur is vermeld, in hoger beroep ook de onder feit 1 ten laste gelegde diefstal wenst te behandelen.

De advocaat-generaal heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep tegen het onder feit 2 tenlastegelegde, nu het openbaar ministerie in eerste aanleg heeft gerekwireerd tot vrijspraak van feit 2 en het openbaar ministerie derhalve geen belang (meer) heeft in de vervolging.

De raadsvrouw van verdachte heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep ten aanzien van alle andere onderdelen dan de in appelschriftuur geduide heling. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de omstandigheid dat in de appelschriftuur uitdrukkelijk en met vetgedrukte letters is vermeld dat het hoger beroep zich alleen richt tegen de partiële vrijspraak van de onder 1 ten laste gelegde heling, met zich brengt dat de verdediging er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat in hoger beroep enkel de onder 1 ten laste gelegde heling (opnieuw) zou worden behandeld. De onbeperkte behandeling in hoger beroep is derhalve in strijd met het vertrouwensbeginsel.

Het hof oordeelt als volgt.

Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de akte bij het instellen van het hoger beroep leidend is voor het vaststellen van de omvang van het hoger beroep. Gelet hierop kan een beroep op het vertrouwensbeginsel niet slagen. Het hof had het voorstelbaar geacht dat de advocaat-generaal voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de zaak aan de verdediging en het hof kenbaar had gemaakt dat van de zijde van het openbaar ministerie in hoger beroep ook inhoudelijke opmerkingen zouden worden gemaakt over feiten die niet expliciet in de appelschriftuur aan de orde zijn gesteld, maar tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie leidt dit niet. De verdediging had uit moeten gaan van de inhoud van de akte en de verdediging had, indien over de omvang van het hoger beroep verwarring is ontstaan, ook zelf bij het openbaar ministerie kunnen informeren naar het standpunt van de advocaat-generaal daaromtrent dan wel ter terechtzitting om aanhouding kunnen vragen indien zij zich niet voldoende voorbereid achtte voor de bespreking van deze feiten. Het hof verwerpt het verweer.

Nu het hoger beroep door de officier van justitie bij akte onbeperkt is ingesteld, zijn in hoger beroep thans opnieuw de feiten 1 tot en met 3 aan de orde.

De advocaat-generaal heeft verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging ten aanzien van feit 2, vanwege gebrek aan belang. Het hof ziet evenwel ambtshalve redenen tot het behandelen van het onder 2 tenlastegelegde in hoger beroep en zal het openbaar ministerie derhalve ook ontvangen in de vervolging ten aanzien van feit 2.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- ten laste gelegd dat:

1.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 september 2011 tot en met 1 juli 2016 te Veenendaal en/of te Ede en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening, een groot aantal fietsen, althans meerdere fietsen, althans een fiets, geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders(s), heeft weggenomen, immers heeft verdachte (onder meer):

- op 17 juni 2016 te Veenendaal, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het hiervoor omschreven oogmerk, een fiets (merk/type Bulls Cross Tail Gts), toebehorende aan [slachtoffer 1] , althans aan een ander of anderen dan aan verdachte, weggenomen en/of

- op 17 juni 2016 te Veenendaal, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het hiervoor omschreven oogmerk, een fiets (merk/type Kreidler Vitality Eco Ve), toebehorende aan [slachtoffer 2] , althans aan een ander of anderen dan aan verdachte, weggenomen en/of

- op 17 juni 2016 te Ede, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het hiervoor omschreven oogmerk, een fiets (merk Gazelle), toebehorende aan [slachtoffer 3] , althans aan een ander of anderen dan aan verdachte, weggenomen;

en/of

hij in of omstreeks de periode van 26 september 2011 tot en met 1 juli 2016 te Bunschoten-Spakenburg en/of te Baarn en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een groot aantal - te weten (ongeveer) 58 (aangetroffen op 1 juli 2016 in een bungalow te Bunschoten-Spakenburg) en/of 3 (aangetroffen op 17 juni 2016 in een Fiat Doblo te Baarn) - fietsen, althans meerdere fietsen, in elk geval een fiets, heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen van deze fiets(en) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof, terwijl hij met zijn mededader(s), althans alleen, van (opzet)heling een gewoonte heeft gemaakt.

2.
hij in of omstreeks de periode van 26 september 2011 tot en met 18 december 2016 te Bunschoten-Spakenburg en/of (elders) in Nederland en/of in Polen, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder meer) verdachte en/of medeverdachte(n) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het plegen van (fietsen)diefstallen en/of het helen van (door misdrijf verkregen) fietsen en/of het omkatten van (door misdrijf verkregen) fietsen en/of het vervoeren en/of uitvoeren van (door misdrijf verkregen) fietsen en/of het verkopen van (door misdrijf verkregen) fietsen.

3.
hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2015 tot en met 17 juni 2016 te Baarn en/of te Kampen en/of (elders) in Nederland, opzettelijk een (Pools) identiteitsbewijs, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk goed hij, verdachte, anders dan door misdrijf, te weten als houder en/of vinder, onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd dat het onder feiten 1 en 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde diefstal en/of heling van drie fietsen op 17 juni 2016 heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat verdachte op voornoemde datum met medeverdachte [medeverdachte 3] is aangehouden in een auto met daarin drie gestolen fietsen en dat verdachte hierover geen geloofwaardige verklaring heeft afgelegd. Ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde heling van de fietsen die op

1 juli 2016 zijn aangetroffen in de bungalow te Bunschoten-Spakenburg heeft de advocaat-generaal het volgende aangevoerd. Verdachte was op 1 juli 2016 in de bungalow aanwezig en in elke ruimte van de woning lagen/stonden fietsen. Verdachte moet deze fietsen daarom hebben gezien en moet hebben geweten dat deze fietsen van diefstal afkomstig waren, nu het gaat om een groot aantal fietsen dat reeds bewerkt was. Daar komt bij dat een aantal poststukken van verdachte in de woning is aangetroffen. Ten aanzien van de onder 3 ten laste gelegde verduistering heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat verdachte op

17 juni 2016 een gestolen identiteitskaart bij zich had en dat de verklaring van verdachte dat hij deze naar de politie wilde brengen maar het te druk had ongeloofwaardig is.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van alle ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde diefstal en/of heling op 17 juni 2016 heeft de raadsvrouw het volgende aangevoerd. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte bij de fietsendiefstallen aanwezig is geweest. Het enkele feit dat verdachte – overigens pas 4,5 uur na het tijdstip van de diefstallen en als bijrijder – in de Fiat Doblo van medeverdachte [medeverdachte 3] met daarin drie gestolen fietsen is aangetroffen, is daarvoor onvoldoende. Bovendien hebben zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte 3] verklaard dat verdachte aan het begin van de avond door [medeverdachte 3] is opgehaald en dat verdachte niets van de diefstallen afwist. Voorts kan niet worden vastgesteld dat verdachte de desbetreffende drie fietsen heeft geheeld, nu de fietsen achterin een afgesloten busje lagen, verdachte voorin is ingestapt en verdachte de fietsen zodoende niet heeft zien liggen. Ten aanzien van de heling van de fietsen in de bungalow te Bunschoten-Spakenburg heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte langere tijd in de bungalow heeft verbleven. De enkele aanwezigheid van verdachte op 1 juli 2016 is onvoldoende om aan te nemen dat verdachte de fietsen voorhanden heeft gehad. Ten aanzien van de onder 3 ten laste gelegde verduistering heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het enkele feit dat verdachte de door hem gevonden identiteitskaart gedurende anderhalve week onder zich heeft gehouden en niet direct over is gegaan tot de afgifte daarvan, onvoldoende is voor een bewezenverklaring van de ‘wederrechtelijke toe-eigening’.

Het hof oordeelt als volgt.

Ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde diefstal en heling op 17 juni 2016

Het hof is – met de verdediging – van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 ten laste gelegde diefstal en/of heling van drie fietsen op 17 juni 2016. Het hof overweegt hiertoe dat de verklaring van verdachte dat hij pas in de avond bij medeverdachte [medeverdachte 3] in de auto is ingestapt niet kan worden ontkracht, nu de diefstallen omstreeks 17.15 uur zijn gepleegd en verdachte (pas) omstreeks 21.43 uur in de auto van medeverdachte [medeverdachte 3] is aangetroffen. Daar komt bij dat uit het dossier niet wettig en overtuigend volgt dat verdachte de drie fietsen in de afgesloten laadruimte van de Fiat Doblo heeft kunnen zien en/of wist, dan wel had behoren te weten, dat die fietsen van diefstal afkomstig waren.

Ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde heling op 1 juli 2016

Het hof is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder.

Verbalisanten zijn op 1 juli 2016 naar [adres 2] te

[plaats] , gegaan. Op het terrein van de bungalow stond een niet afgesloten schuur waarvan de deur op een kier stond. Verbalisanten zagen dat er in deze schuur minstens tien fietsen opeengestapeld lagen en dat het vrij nieuwe fietsen waren die alle voorzien waren van nieuwe sloten. Naast de fietsen in de schuur werden ook in de bungalow zelf en in een aanhanger die op het perceel stond nog tientallen fietsen aangetroffen. Hiervan waren de sturen in de lengterichting gedraaid, zadels er af en de trappers gedemonteerd. Overal lag ook gereedschap Tevens lagen in de bungalow tientallen stickers met vermoedelijk valse framenummers, tientallen (lege) verpakkingen met fietssloten en meerdere valse sleutels (lopers).

De stickers met framenummers zijn later onderzocht. Omdat er meerdere stickers waren met

hetzelfde framenummer en het lettertype afweek van de originele framenummers, waren de

stickervellen met framenummers vals.

Tevens zagen verbalisanten in de woning veel attributen liggen die thuis horen op fietsen zoals fietstassen, jasbeschermers en zadels. Verbalisanten hadden dan ook het vermoeden dat de bungalow gebruikt werd voor het omkatten van fietsen. Hierbij worden kenmerkende attributen verwijderd, de sloten vervangen en de originele framestickers vervangen door valse.

Alle inbeslaggenomen fietsen zijn onderzocht op merk, kleur, bijzonderheden enz. Uit dit onderzoek zijn in totaal 17 aangiften gevonden. Groot probleem bij het onderzoek was het feit, dat uit de meeste fietsen het framenummer was verwijderd. Het originele framenummer is een papieren sticker waarover heen gelakt is. Op veel aangetroffen fietsen was reeds een valse sticker geplakt op de plek, waar de originele sticker had gezeten. De 17 aangiftes van de fietsen, waarvan een eigenaar is gevonden, zijn in het dossier opgenomen.

Verdachte was op 1 juli 2016 aanwezig in de woning. Verdachte heeft daarover verklaard dat hij enkel in de woning was om voetbal te kijken. Het hof acht deze verklaring niet geloofwaardig. In de woning zijn diverse poststukken van verschillende verdachten aangetroffen. Onder deze poststukken bevond zich een viertal brieven gericht aan verdachte, waarvan in ieder geval twee brieven op respectievelijk 11 april 2016 en 9 mei 2016 zijn gezonden aan het adres [adres 2] te [plaats] .

De verhuurder van de woning, getuige [getuige] , heeft daarbij verklaard dat er, naast degene die de huur betaalde, meerdere personen in de woning hebben verbleven. De getuige heeft tevens verklaard dat hij rond 14 juni 2016 in de woning is geweest en op dat moment en ook daarvoor geen bijzonderheden heeft aangetroffen.

Het hof acht het op grond van deze omstandigheden aannemelijk dat verdachte gedurende een langere periode (geregeld) in de betreffende woning heeft verbleven. Verdachte heeft hiermee de beschikking gehad over de gestolen fietsen en verdachte moet, gelet op de genoemde omstandigheden waaronder deze zijn aangetroffen, hebben geweten dat deze van diefstal afkomstig waren.

Verdachte heeft daarbij geen aannemelijke verklaring afgelegd waaruit kan volgen dat verdachte niet bij heling van de fietsen betrokken is geweest. De enkele verklaring van verdachte dat hij niets met de heling te maken had en dat de fietsen van medeverdachte [medeverdachte 1] waren – hetgeen overigens niet verifieerbaar is – is daarvoor onvoldoende.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich in de periode van 14 juni 2016 tot en met 1 juli 2016 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzetheling van een groot aantal fietsen.

Het hof acht voorts bewezen dat verdachte van het plegen van opzetheling een gewoonte heeft gemaakt, gezien het grote aantal fietsen dat in de woning is aangetroffen. De enkele omstandigheid dat de heling in een relatief kort tijdsbestek heeft plaatsgevonden, doet daaraan niet af.

Ten aanzien van feit 2

Het hof is van oordeel dat voorts wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat onder de term organisatie wordt verstaan ‘een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen verdachte en ten minste een andere persoon’. Duurzaamheid en structuur lijken daarbij op communicerende vaten: een (zeer) gestructureerde maar relatief kort geleden gevormde groep van personen kan zodoende worden aangemerkt als een organisatie. Uit de rechtspraak volgt derhalve geen vuistregel voor de duur van het bestaan van een organisatie en dat betekent dat de periode die in casu ten laste is gelegd zeer wel mogelijk is, zodat het hof, anders dan de rechtbank, uit zal gaan van deze relatief korte duur.

Het hof is van oordeel dat dat het samenwerkingsverband tussen verdachte en zijn medeverdachten een gestructureerd karakter had. Het hof overweegt daartoe dat uit het dossier volgt dat in de woning en aangrenzende schuur in totaal 58 (in ieder geval deels) van diefstal afkomstige (elektrische) fietsen zijn aangetroffen, welke waren voorzien van nieuwe sloten en/of valse framenummers. Tevens werden grote aantallen sloten, verpakkingen van sloten, stickervellen met valse framenummers, fietsonderdelen, gereedschap en valse sleutels (lopers) in de woning aangetroffen. Een deel van de fietsen lag reeds opgestapeld in een aanhanger om te worden vervoerd.

Ten aanzien van feit 3

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder dat verdachte een identiteitskaart op naam van een ander dan verdachte in zijn portemonnee bij zich droeg en deze als vermist/gestolen stond opgegeven. Verdachte heeft verklaard dat hij de identiteitskaart heeft gevonden en voornemens was deze naar de politie te brengen. Het hof acht deze verklaring evenwel niet geloofwaardig, nu verdachte de identiteitskaart reeds geruime tijd (anderhalve week) in zijn bezit (in zijn portemonnee bij zich droeg) had.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 september 2011 tot en met 1 juli 2016 te Veenendaal en/of te Ede en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening, een groot aantal fietsen, althans meerdere fietsen, althans een fiets, geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders(s), heeft weggenomen, immers heeft verdachte (onder meer):

- op 17 juni 2016 te Veenendaal, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het hiervoor omschreven oogmerk, een fiets (merk/type Bulls Cross Tail Gts), toebehorende aan [slachtoffer 1] , althans aan een ander of anderen dan aan verdachte, weggenomen en/of

- op 17 juni 2016 te Veenendaal, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het hiervoor omschreven oogmerk, een fiets (merk/type Kreidler Vitality Eco Ve), toebehorende aan [slachtoffer 2] , althans aan een ander of anderen dan aan verdachte, weggenomen en/of

- op 17 juni 2016 te Ede, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het hiervoor omschreven oogmerk, een fiets (merk Gazelle), toebehorende aan [slachtoffer 3] , althans aan een ander of anderen dan aan verdachte, weggenomen;

en/of

hij in of omstreeks de periode van 26 september 2011 14 juni 2016 tot en met 1 juli 2016 te Bunschoten-Spakenburg en/of te Baarn en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een groot aantal - te weten (ongeveer) 58 (aangetroffen op 1 juli 2016 in een bungalow te Bunschoten-Spakenburg) en/of 3 (aangetroffen op 17 juni 2016 in een Fiat Doblo te Baarn) - fietsen, althans meerdere fietsen, in elk geval een fiets, heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen van deze fiets(en) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof, terwijl hij met zijn mededader(s), althans alleen, van (opzet)heling een gewoonte heeft gemaakt.

2.
hij in of omstreeks de periode van 26 september 2011 14 juni 2016 tot en met 18 december 2016 1 juli 2016 te Bunschoten-Spakenburg en/of (elders) in Nederland en/of in Polen, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder meer) verdachte en/of medeverdachte(n) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het plegen van (fietsen)diefstallen en/of het helen van (door misdrijf verkregen) fietsen en/of het omkatten van (door misdrijf verkregen) fietsen en/of het vervoeren en/of uitvoeren van (door misdrijf verkregen) fietsen en/of het verkopen van (door misdrijf verkregen) fietsen.

3.
hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2015 tot en met 17 juni 2016 te Baarn en/of te Kampen en/of (elders) in Nederland, opzettelijk een (Pools) identiteitsbewijs, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk goed hij, verdachte, anders dan door misdrijf, te weten als houder en/of vinder, onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van het plegen van opzetheling een gewoonte maken.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

verduistering.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte ter zake van verduistering veroordeeld tot een geldboete van € 500,00.

De advocaat-generaal heeft verzocht om aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden op te leggen.

De raadsvrouw van verdachte heeft primair verzocht om, als het hof tot een bewezenverklaring komt, aan verdachte opnieuw een geldboete van € 500,00 op te leggen. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om in de strafmaat aansluiting te zoeken bij de periode die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf in combinatie met een geldboete van de hierna aan te geven duur en hoogte leiden- dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan het een gewoonte maken van het plegen van opzetheling van een aanzienlijk aantal (elektrische) fietsen. Daarnaast heeft verdachte deelgenomen aan een criminele organisatie waarbinnen deze gewoonteheling plaatsvond. Door aldus te handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt voor gestolen goederen. De verdachte heeft kennelijk uit winstbejag gehandeld en daarbij alleen oog gehad voor zijn eigen financiële belangen. Het hof rekent dit verdachte zwaar aan.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering van een identiteitskaart. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het niet terugontvangen van een dergelijke op naam gestelde pas voor de gedupeerde naast schade ook veel hinder veroorzaakt. Daarnaast bestaat het risico dat de kaart, wanneer deze zich buiten de macht van de rechthebbende bevindt, wordt gebruikt voor identiteitsfraude.

Het hof heeft bij de strafoplegging tevens gelet op de inhoud van het uittreksel justitiële documentatie van 24 oktober 2019, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder wegens soortgelijke delicten met politie en justitie in aanraking is geweest. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten, in combinatie met verdachtes justitieel verleden, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden passend zou zijn, ware het niet dat in hoger beroep sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn (in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM). Immers is het hoger beroep ingesteld op 18 april 2017 en wordt dit arrest gewezen op 9 december 2019, waardoor in beginsel sprake is van een overschrijding met bijna acht maanden. Het hof ziet in deze termijnoverschrijding aanleiding de duur van de op te leggen gevangenisstraf te verlagen van 5 naar 4 maanden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. Nu de benadeelde partij zich in hoger beroep niet opnieuw heeft gesteld, is zijn vordering thans niet meer aan de orde.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 225,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Onvoldoende is gebleken dat de gestelde schade door het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 527,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Onvoldoende is gebleken dat de gestelde schade door het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c, 47, 57, 63, 140, 321 en 417 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart verdachte niet ontvankelijk in zijn beroep voor zover gericht tegen de vrijspraken.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Verklaart de benadeelde partij H. van den Brink niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Verklaart de benadeelde partij A. van der Eng niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. G. Mintjes, voorzitter,

mr. J.P. Bordes en mr J. van der Groen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. D.R. de Jong, griffier,

en op 9 december 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 9 december 2019.

Tegenwoordig:

mr. F.A.M. Bakker, voorzitter,

mr. A.A. Schut, advocaat-generaal,

J.R.M. Roetgerink, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.