Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:10437

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-11-2019
Datum publicatie
05-12-2019
Zaaknummer
21-006682-15
Formele relaties
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2021:282
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:768
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging vonnis met verbetering van gronden. Veroordeling van verdachte ter zake van het meermalen plegen ontucht van twee aan zijn zorg toevertrouwde kinderen. Betrouwbaarheid aangeefster. Bewijsminimum. Steunbewijs. Afwijzing (voorwaardelijk) verzoek horen aangeefster. Geen ‘sole or decisive evidence’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006682-15

Uitspraak d.d.: 29 november 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 20 november 2015 met parketnummer 16-659744-13 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 19 april 2019 en 15 november 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het ten laste gelegde tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met een proeftijd van 3 jaren. Daarbij dienen dezelfde bijzondere voorwaarden te worden gesteld als in het vonnis genoemd, te weten reclasseringstoezicht en een contactverbod met de slachtoffers. De vorderingen van de benadeelde partijen dienen volledig te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.B. Stenger, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 20 november 2015, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het meermalen plegen van ontucht van twee aan zijn zorg toevertrouwde kinderen veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 3 jaren. Daarbij is bepaald dat verdachte onder toezicht van de reclassering wordt gesteld en hem is een contactverbod opgelegd. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] is toegewezen tot een bedrag van € 2.039,- en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] is toegewezen tot een bedrag van € 1.000,-. De vordering om wettelijke rente toe te kennen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen is in beide gevallen toegewezen. Voor het overige heeft de rechtbank de vorderingen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] afgewezen.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring juist heeft beslist en dat het vonnis in zoverre kan worden bevestigd, maar dat de gronden van die beslissing op onderdelen verbeterd dienen te worden. Daarnaast behoeft het vonnis aanvulling ten aanzien van de verweren die in hoger beroep zijn gevoerd en het nadere onderzoek dat is uitgevoerd. Voorts komt het hof ten aanzien van de door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarden en de beslissing omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Standpunt verdediging

Door en namens verdachte is in hoger beroep bepleit dat verdachte van het hem ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Verdachte heeft gedurende de gehele procedure ontkend dat hij ontucht heeft gepleegd met [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ) en [benadeelde 2] (hierna: [benadeelde 2] ) en volgens de verdediging ontbreekt wettig en overtuigend bewijs voor het tegendeel. Het enige bewijs wordt gevormd door de verklaring van [benadeelde 1] en er zijn redenen om aan te nemen dat haar verklaring niet betrouwbaar en/of ongeloofwaardig is. Nu het dossier geen zelfstandige bewijsmiddelen bevat die de verklaring van [benadeelde 1] ondersteunen, is bovendien niet voldaan aan het vereiste bewijsminimum en dient vrijspraak te volgen, aldus de raadsvrouw.

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van [benadeelde 1] betrouwbaar kan worden geacht en dat er voldoende bewijs is dat haar verklaring ondersteunt. De advocaat-generaal acht derhalve voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Juridisch kader

Het juridische kader omtrent het wettelijke bewijsminimum zoals dat op p. 2 van het vonnis is weergegeven is juist. De kern daarvan is dat de vraag of aan het bewijsminimum wordt voldaan zich niet in algemene zin laat beantwoorden, maar een beoordeling van het concrete geval vergt. Niet vereist is dat het misbruik steun vindt in ander bewijsmateriaal; het is afdoende wanneer de verklaring van het slachtoffer op bepaalde punten voldoende bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen.

Oordeel hof

Het hof is met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat de ten laste gelegde ontucht met zowel [benadeelde 1] als [benadeelde 2] wettig en overtuigend kan worden bewezen. In aanvulling op de beoordeling van de rechtbank op p. 4 en 5 van het vonnis, overweegt het hof daaromtrent als volgt.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat [benadeelde 1] op 27 september 2011 gedetailleerd heeft verklaard en dat die verklaring geen onverklaarbare tegenstrijdigheden bevat. Het verhoor is afgenomen in een kindvriendelijke studio door een gecertificeerd studioverhoorder.

Naar aanleiding van verzoeken van de verdediging in hoger beroep is de verklaring die [benadeelde 1] op 27 september 2011 heeft afgelegd, door een deskundige onderzocht. De deskundige – Drs. J. van der Sleen – is door de raadsheer-commissaris van het hof benoemd om advies uit te brengen over de totstandkoming van het studioverhoor, de wijze waarop dat is afgenomen en de vraag wat er vanuit de expertise van de deskundige gezegd kan worden over de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen. De deskundige heeft daartoe het dossier ontvangen en de audiovisuele registratie van het verhoor van [benadeelde 1] in de kindvriendelijke studio. Om iets te kunnen zeggen over de waarde van de verklaring wordt in de analyse namelijk niet alleen gekeken naar de inhoud van de verklaring van het kind, maar ook naar de ontstaansgeschiedenis van die verklaring. Met betrekking tot de inhoud van de verklaring over het vermeende delict, is door de deskundige gekeken naar volledigheid, accuraatheid en consistentie. Met betrekking tot de ontstaansgeschiedenis van de verklaring van een kind over een zedendelict is onderzocht of er reële scenario’s zijn waardoor de verklaring kan zijn ontstaan, terwijl het vermeende zedendelict niet of niet op de in de verklaring beschreven wijze heeft plaatsgevonden (alternatieve scenario’s).

De conclusie die drs. J. van der Sleen na afloop van het onderzoek heeft getrokken en zoals die is opgenomen in het door haar opgemaakte rapport d.d. 30 juli 2019, luidt:

“Er zijn geen serieuze problemen met de inhoud van de verklaring van [benadeelde 1] . Haar verklaring is voor een zesjarige niet onvolledig, er zijn geen grote problemen met de accuraatheid van haar verklaring en er zijn evenmin grote problemen met de consistentie van haar verklaring. Er is een onopgehelderd punt rondom de beschikbaarheid van snoep voor de kinderen. Moeder stelt dat er altijd snoep op tafel stond en geeft daarmee aan dat het vreemd is dat kinderen seksuele handelingen bij [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) verrichten voor snoep.

Op basis van het dossier zoals dat er nu ligt, vind ik evenmin ondersteuning voor de mogelijkheid dat de verklaring van [benadeelde 1] volledig door bewuste of onbewuste beïnvloeding is ontstaan. De waarde van het deel van het verhoor in de kindvriendelijke verhoorstudio na het regiebezoek rondom ‘plas uit de piemel van [verdachte] ’ is qua waarde niet te bepalen, omdat dit sturend tot stand is gekomen. Dit doet overigens niet af aan de waarde van de verklaring van [benadeelde 1] in de kindvriendelijke verhoorstudio tót het regiebezoek. Ook vind ik in het dossier geen ondersteuning voor de mogelijkheid dat de verklaring van [benadeelde 1] door een misverstand tot stand is gekomen, voor de mogelijkheid dat [benadeelde 1] en [benadeelde 2] wel seksueel zijn misbruikt maar door iemand anders dan [verdachte] en voor de mogelijkheid dat [benadeelde 1] het verhaal over de seksuele handelingen bij en door [verdachte] heeft verzonnen.”

De verdediging heeft naar aanleiding van de regiezitting op 19 april 2019 de gelegenheid gekregen schriftelijke vragen te stellen aan de deskundige Van der Sleen, waarvan de beantwoording op 3 september 2019 door het hof is ontvangen.

Voorts heeft het hof naar aanleiding van de regiezitting op 19 april 2019 de beschikking gekregen over de audiovisuele registratie van het verhoor van [benadeelde 1] in de kindvriendelijke studio. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 6 november 2015 blijkt dat de verdediging ook kennis heeft genomen van deze beelden. De verdediging heeft de gelegenheid gekregen het verhoor in hoger beroep (opnieuw) te bekijken, maar hiervan is geen gebruik gemaakt.

Mede nu het hof zelf kennis heeft kunnen nemen van de audiovisuele registratie van het verhoor van [benadeelde 1] , onderschrijft het hof de bevindingen van de deskundige daaromtrent. Ook bij het hof heeft de verklaring die [benadeelde 1] heeft afgelegd, zowel wat betreft de inhoud als de manier waarop zij heeft verklaard, een authentieke indruk gewekt. Als [benadeelde 1] op een gegeven moment door de verhoorder wordt gevraagd waar ze over komt praten, is duidelijk dat zij een drempel over moet. Ze verklaart dat het over iets “heel geks” gaat. Dat ze een oom heeft en dat die iets “heel raars” deed. Op vragen wat dat “geks/raars” dan is, vertelt [benadeelde 1] vervolgens uit eigen beweging over het misbruik. Die verklaring is gedetailleerd en consistent. Waar nodig verduidelijkt zij bepaalde punten of corrigeert zij de verhoorder. Ook geeft zij duidelijk aan wanneer zij iets niet meer weet. Later in het verhoor komt meermalen terug dat [benadeelde 1] het wel ‘raar’ vindt wat er is gebeurd, dat zij het niet leuk vond, dat ze bang was dat de kinderen op school haar zouden uitlachen en dat toen zij het aan haar vader vertelde zij ook dacht dat hij haar een “beetje raar” zou vinden. Deze schaamte omtrent het gebeuren komt op het hof reëel over.

Op grond van de bevindingen van deskundige Van der Sleen en het zien van de audiovisuele registratie van het verhoor, is het hof overtuigd van de geloofwaardigheid van [benadeelde 1] . Dat er sprake zou zijn van een verzonnen of ‘ingefluisterd’ verhaal, is op geen enkele wijze gebleken.

Anders dan de rechtbank zal het hof het gedeelte van de verklaring ná het regiebezoek, naar aanleiding van de bevindingen van de deskundige, niet voor het bewijs gebruiken, nu het verhoor vanaf dat moment volgens de deskundige wat meer sturend wordt. Dit betekent dat van het op p. 3 en 4 van het in het vonnis opgenomen bewijsmiddel (verhoor [benadeelde 1] ) het gedeelte van “I: En heb je ’s gezien dat er wat uit de piemel kwam van oom [verdachte] ?” tot en met “G: Oom [verdachte] zelf”, wordt geschrapt.

Ten aanzien van de opmerking van de deskundige dat er een onopgehelderd punt is rondom de beschikbaarheid van snoep voor de kinderen, merkt het hof op dat de moeder van [benadeelde 1] op 13 oktober 2015 bij de rechter-commissaris weliswaar heeft verklaard dat er altijd een bakje met snoep op tafel stond die bereikbaar was voor iedereen, maar dat zij op de vraag of de kinderen dan de hele dag door snoep mochten pakken, heeft geantwoord: “Nee, ze vroegen het wel altijd (…)”. Dat [benadeelde 1] heeft verklaard dat zij seksuele handelingen bij verdachte moest verrichten in ruil voor snoep, is daarom niet onlogisch of in strijd met door de moeder genoemde de feiten en omstandigheden.

Ten slotte is het hof met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat de verklaring van verdachte en het door de verdediging opgeworpen scenario – inhoudende dat [benadeelde 1] in verband met de scheiding van haar ouders op ingeven van haar vader een valse verklaring zou hebben afgelegd – onaannemelijk is. Daartoe stelt het hof voorop dat verdachte wisselend heeft verklaard over de vraag of hij wel eens op [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft gepast: in zijn eerste verhoren bij de Schotse politie heeft verdachte dat volledig ontkend, terwijl hij later heeft aangegeven dat het wel eens voorkwam. Over de reden waarom hij dit bij de Schotse politie aanvankelijk ontkende, is verdachte ter terechtzitting van het hof op 15 november 2019 bevraagd. Zijn antwoorden daarop waren onduidelijk en steeds wisselend.

Daarnaast heeft de advocaat-generaal terecht op een aantal omstandigheden gewezen die het scenario van bewuste beïnvloeding van [benadeelde 1] door haar vader tegenspreken. Haar vader, [vader] , heeft bij de politie een verklaring afgelegd, waarin hij aangeeft dat hij - ondanks de echtscheiding - de moeder nadrukkelijk wil betrekken bij de zaak en het verhoor en niets zonder haar medeweten wil doen. Hij geeft ook aan dat het hem niet om strafvervolging gaat, maar om de belangen van zijn kinderen en om herhaling te voorkomen. [vader] is ook niet enkel negatief over de persoon van verdachte en van het ongefundeerd poneren van stellingen om een hetze tegen verdachte te ontketenen, lijkt ook anderszins geen enkele sprake te zijn. Dit bezien, naast het feit dat ook Van der Sleen geen aanwijzingen heeft gezien voor bewuste of onbewuste beïnvloeding van [benadeelde 1] , en de overtuigende indruk die de verklaring van het [benadeelde 1] bij het hof heeft gewekt, maakt dat het hof de ontkennende verklaring van verdachte terzijde schuift.

Conclusie

Het hof acht de verklaring van [benadeelde 1] geloofwaardig en betrouwbaar en deze verklaring kan voor het bewijs worden gebruikt. Haar verklaring vindt in voldoende mate steun in ander bewijsmateriaal, zoals de rechtbank heeft overwogen. Op grond van de bewijsmiddelen zoals die in het vonnis zijn vermeld – de hiervoor vermelde verbetering in aanmerking genomen – acht het hof derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ontucht heeft gepleegd met [benadeelde 1] en [benadeelde 2] . Dat de oppas [getuige] in hoger beroep als getuige bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat zij nooit iets aan [benadeelde 1] of [benadeelde 2] heeft gemerkt, maakt het voorgaande niet anders.

De beslissing van de rechtbank dat het onderdeel “aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwd”, eveneens wettig en overtuigend kan worden bewezen, is eveneens juist. De verweren van de verdediging strekkende tot vrijspraak van verdachte worden gezien het voorgaande verworpen.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting van het hof bepleit dat indien het hof niet tot vrijspraak komt, het noodzakelijk is dat [benadeelde 1] als getuige wordt gehoord. Zij heeft daartoe aangevoerd dat haar verklaring “sole or decisive evidence” betreft en dat de verdediging tot op heden niet, althans onvoldoende in de gelegenheid is geweest die verklaring op betrouwbaarheid en geloofwaardigheid te toetsen.

Het hof stelt voorop dat de verdediging in eerste aanleg en in hoger beroep inderdaad niet in de gelegenheid is geweest [benadeelde 1] als getuige te ondervragen. Het hof heeft een eerder verzoek van de verdediging daartoe op de regiezitting van 19 april 2019 afgewezen. In dat kader is destijds overwogen dat het een minderjarige getuige betreft en dat bekend is dat zij in het verleden EMDR-therapie heeft gevolgd. Uit de verklaring van haar advocate bleek dat de situatie van [benadeelde 1] op dat moment niet heel anders was dan ten tijde van de voorgaande regiezitting. Ondertussen was veel tijd verstreken: het ging om feiten die acht jaar daarvoor zouden hebben plaatsgevonden. Deze omstandigheden gelden nog onverkort. Op de zitting van 15 november 2019 heeft de advocate van [benadeelde 1] aangegeven dat de gevolgen van het misbruik nog steeds aanwezig zijn en dit blijkt eveneens uit de schriftelijke slachtofferverklaring die [benadeelde 1] zelf in hoger beroep heeft ingediend. Zij schrijft onder meer dat zij het gebeuren moeilijk kan verwerken “omdat er dan weer een zitting is en dan weer dit en dan weer dat”. Het hof heeft deze omstandigheden ook afgewogen tegen de achtergrond van de Europese Richtlijn inzake vaststelling van minimumnormen voor de rechten, ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en de onderbouwing van het verzoek van de raadsvrouw.

Het hof wijst het verzoek tot het horen van [benadeelde 1] als getuige af. Dat de deskundige Van der Sleen van een deel van de verklaring heeft gezegd dat de betrouwbaarheid daarvan niet kan worden vastgesteld en de oppas ( [getuige] ) bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard nooit iets van het misbruik te hebben gemerkt, maakt niet dat het horen van [benadeelde 1] als getuige noodzakelijk is. Voor het overige heeft de raadsvrouw ten opzichte van de zitting van 19 april 2019 geen nieuwe argumenten aangedragen. Het hof acht zich op grond van het dossier, het aanvullende onderzoek dat door de raadsheer-commissaris is uitgevoerd en het verhandelde ter terechtzitting voldoende voorgelicht om op de vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te beslissen.

Dat de verdediging niet in staat is geweest [benadeelde 1] te ondervragen staat er niet aan in de weg dat die verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel – indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd – het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de betreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd. Voor de beantwoording van de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van - kort gezegd - een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuige, is van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel.1

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat geen sprake is van een situatie dat de bewezenverklaring in beslissende mate op de verklaring van [benadeelde 1] is gebaseerd. Zoals hiervoor is overwogen en zoals blijkt uit de in het vonnis uitgewerkte bewijsmiddelen is er voldoende steunbewijs, óók op onderdelen die verdachte heeft betwist.

Ten overvloede wijst het hof er daarnaast op dat de verdediging op meerdere vlakken compensatie is geboden voor het feit dat zij [benadeelde 1] niet heeft kunnen ondervragen, te weten door de audiovisuele registratie van het verhoor bij het dossier te voegen, deskundigenonderzoek omtrent het verhoor te laten uitvoeren, de verdediging de gelegenheid te geven (aanvullende) schriftelijke vragen aan de deskundige te stellen en de getuige [getuige] door de raadsheer-commissaris te laten horen.

Gelet op het voorgaande staat het niet horen van [benadeelde 1] als getuige aan het gebruik van haar verklaring voor het bewijs, zoals hiervoor is overwogen, niet in de weg.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft ten aanzien van de strafoplegging overwogen:

“Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan grensoverschrijdend seksueel gedrag met twee jonge kinderen. Bij het bepalen van de straf en de strafmaat houdt de rechtbank niet alleen rekening met de ernst van dit feit, maar ook met de omstandigheden dat verdachte daarbij misbruik heeft gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen nu deze gedragingen hebben plaatsgevonden met de kinderen van zijn zus en zwager, op momenten dat de zorg over deze kinderen aan hem was toevertrouwd en in een omgeving waarin deze kinderen zich veilig behoorden te voelen, namelijk in de woning van hun moeder. Door aldus te handelen heeft verdachte inbeuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de beide slachtoffertjes”.

Het hof acht deze overweging juist en neemt die over.

Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten ligt in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de rede. Gelet echter op de persoonlijke omstandigheden van verdachte - hij woont in Schotland en heeft daar sinds enkele jaren een (gezins)leven opgebouwd - en de omstandigheid dat de feiten dateren van meer dan 8 jaar geleden zal het hof overeenkomstig het vonnis een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met een proeftijd van 3 jaren opleggen. Met deze straf beoogt het hof tevens te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal ziet het hof thans geen aanleiding (meer) tot het stellen van bijzondere voorwaarden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 6.539,00, bestaande uit € 539,- aan materiële schade en € 6.000,- aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.039,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof acht de gevorderde schade - net als de rechtbank - voor wat betreft de materiële schade (€ 539,-) en de immateriële schade tot een bedrag van € 1.500,- redelijk en voor toewijzing gereed. Het rechtstreekse verband tussen het bewezenverklaarde handelen en de gestelde schade is in zoverre voldoende aannemelijk geworden.

Ten aanzien van de overige gevorderde immateriële schade beschikt het hof over onvoldoende informatie om die schade waarvan mogelijk sprake is, op geld te waarderen. Het alsnog de beschikking verkrijgen over die informatie zal een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Om die reden kan de benadeelde partij daarom in zoverre thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Wat betreft het toekennen van de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel beslist het hof conform de rechtbank.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.000,-. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de vordering tot een bedrag van
€ 1.000,- kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het hof acht de vordering in zoverre redelijk en voor toewijzing gereed.

Voor het overige is het hof - net als bij de vordering van [benadeelde 1] - van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.039,00 (tweeduizend negenendertig euro) bestaande uit € 539,00 (vijfhonderdnegenendertig euro) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.039,00 (tweeduizend negenendertig euro) bestaande uit € 539,00 (vijfhonderdnegenendertig euro) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:

- 27 september 2011 over een bedrag van € 139,00 ter zake van het studioverhoor

- 25 februari 2013 over een bedrag van € 400,00 ter zake van behandeling, en

- 15 mei 2011 ter zake van de immateriële schade.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van
€ 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 15 mei 2011.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. J. Dolfing, voorzitter,

mr. L.J. Bosch en mr. E. Pennink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman, griffier,

en op 29 november 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Pennink is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 HR 29 januari 2019 (ECLI:NL:HR:2019:123)