Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:10391

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-12-2019
Datum publicatie
09-12-2019
Zaaknummer
200.257.348
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikelen 7:672 lid 10 en 7:677 lid 1 BW.

Onverwijlde opzegging door de werknemer, geen dringende reden. Vordering tot schadevergoeding van de werkgever wegens onregelmatige opzegging wordt toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1320
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.257.348

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, 7384959)

beschikking van 3 december 2019

in de zaak van

[verzoeker] ,

mede handelend onder de naam [bedrijf] ,

kantoorhoudende te [plaats] ,

verzoeker in hoger beroep,
in eerste aanleg: verzoeker,

hierna: [verzoeker] ,

advocaat: mr. M. van der Chijs,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [plaats] ,

verweerder in hoger beroep,
in eerste aanleg: verweerder,

hierna: [verweerder] ,

niet verschenen in hoger beroep.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn) van 16 januari 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- het beroepschrift met producties van [verzoeker] , ter griffie ontvangen op 5 april 2019;

- de op 23 oktober 2019 gehouden mondelinge behandeling.

2.2

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof beschikking bepaald op

3 december 2019 of zoveel eerder als mogelijk is.

2.3

[verzoeker] heeft in zijn hoger beroepschrift - samengevat - verzocht de beschikking van de kantonrechter te vernietigen en bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. een dag vast te stellen waarop deze zaak ter terechtzitting wordt behandeld;

II. de beschikking van de kantonrechter te vernietigen voor zover deze betreft de afwijzing van het verzoek om een vergoeding ter zake van de onregelmatige opzegging ex artikel 7:672 lid 10 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en opnieuw beschikkende [verweerder] te veroordelen tot betaling van € 4.015,68 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2019 tot de dag der algehele voldoening;

III. [verweerder] te veroordelen in de kosten van beide instanties.

3 De feiten

3.1

[verzoeker] exploiteert een schoonmaak- en glazenwassersbedrijf.

3.2

Artikel 1 van de arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] als werkgever en [verweerder] , geboren op [geboortedatum] , als werknemer luidt als volgt:

“De werknemer treedt met ingang van 23-08-2018 in dienst van werkgever voor de duur van 7 maanden, in de functie van glazenwasser voor 0 tot 40 uur per week.

De overeenkomst eindigt van rechtswege zonder dat daartoe opzegging is vereist op

22-03-2019.”

Het salaris bedroeg € 11,68 bruto per uur, exclusief vakantiegeld.

3.3

Artikel 6 van de arbeidsovereenkomst tussen de partijen luidt als volgt:

Overige bepalingen:

(…)

Beëdiging dienstverband:

Er geld twee maanden opzegtermijn bij beëindiging dienstverband door werknemer.

Indien de twee maanden opzegtermijn niet wordt gerespecteerd wordt de rekening voor vervanging verrekend met het salaris.”

3.4

Op 24 oktober 2018 heeft [verzoeker] een foto van een met de hand geschreven lijst van volgens [verweerder] door hem gemaakte onkosten ontvangen.

3.5

Nadat [verweerder] na 24 oktober 2018 ontslag had genomen hebben de partijen met elkaar gesproken en is het dienstverband voor bepaalde tijd tot 22 maart 2019 voortgezet. Afgesproken is dat [verweerder] een onderbouwing van de gemaakte onkosten aan [verzoeker] zou geven.

3.6

Op vrijdag 2 november 2018 is [verzoeker] gebeld door de partner van [verweerder] met de mededeling dat [verweerder] (weer) ontslag heeft genomen. Daarbij is als reden voor het ontslag het onbetaald blijven van onkosten gegeven. [verzoeker] heeft [verweerder] gesommeerd om diezelfde dag vóór 19.00 uur de bedrijfsmiddelen in te leveren. [verweerder] heeft gezegd dat eerst zijn salaris, vakantiegeld en de overige kosten betaald moesten worden.

3.7

Na 2 november 2018 heeft [verweerder] geen werkzaamheden meer voor [verzoeker] verricht.

3.8

Op 5 november 2018 heeft [verweerder] een e-mailbericht met de volgende inhoud aan [verzoeker] gestuurd:

“Contract rechtsgeldig tot 22 maart 2019 dit kunnen wij niet uitdienen omreden dat [bedrijf] zich met regelmaat schuldig maakt aan wan praktijken uren registreren en factureren die niet op waarheid berusten, het leeg tanken van een door [bedrijf 2] gehuurde hoogwerker, werkzaamheden factureren die niet zijn gedaan, het afwezig zijn op het afgesproken werk en elders voor andere opdrachtgever werkt en dus dubbele inkomsten die niet kunnen, mij daarin meeneemt om mijn mond te houden of opdrachtgever leugen te vertellen”.

In dit e-mailbericht heeft [verweerder] verder aanspraak gemaakt op zijn salaris tot

22 maart 2019 en vergoeding van de door hem gemaakte onkosten.

3.9

Op 6 november 2018 heeft [verweerder] gevraagd om betaling van zijn loon. Het salaris over de maand oktober is vervolgens op 8 november 2018 aan [verweerder] betaald.

3.10

Volgens een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel van

24 januari 2019 is op 6 november 2018 een onderneming met de handelsnaam “Dienstverlening [verweerder] ” geregistreerd. Als activiteiten zijn vermeld “Interieurreiniging van gebouwen” en “Algemene burgerlijke en utiliteitsbouw” en “Schoonmaakbedrijf. Onderhoud van gebouwen”. Als eigenaar is [verweerder] vermeld.

4 Het verzoek aan de kantonrechter en de beoordeling daarvan

4.1

Na vermindering van zijn verzoek heeft [verzoeker] de kantonrechter betaling verzocht van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 4.015,86 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 november 2018, alsmede veroordeling van [verweerder] tot het afgeven van een aantal bedrijfsmiddelen, op verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.

4.2

[verweerder] heeft afwijzing van het verzoek bepleit.

4.3

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking, die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, [verweerder] veroordeeld tot afgifte van de in de beschikking genoemde werktelefoon en werkkleding, op verbeurte van een dwangsom van € 150,- voor iedere dag dat hij daarmee in gebreke blijft, tot een maximum van € 2.500,-. Voorts heeft de kantonrechter bepaald dat iedere partij de eigen kosten draagt en het meer of anders verzochte afgewezen.

4.4

[verweerder] heeft de hiervoor genoemde werkkleding aan [verzoeker] afgegeven, maar de werktelefoon niet.

5 De beoordeling in hoger beroep

5.1

[verzoeker] maakt bezwaar tegen de beschikking van de kantonrechter voor zover het de afwijzing van zijn verzoek om een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de compensatie van de proceskosten betreft. [verzoeker] verzoekt betaling van een bedrag gelijk aan het loon van 2 november 2018 tot 31 december 2018 inclusief vakantiegeld, wat neerkomt op € 4.015,86 bruto (€ 1.923,31 x 1,08 = € 2.077,17 + € 1.938,69 [2.077,17 x 28/30]), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2019.

5.2

Het hof zal de door [verzoeker] aangevoerde gronden voor het hoger beroep gezamenlijk behandelen.

5.3

Uit de tussen de partijen vaststaande feiten trekt het hof de conclusie dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] onverwijld heeft opgezegd als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarbij heeft [verweerder] bij gelegenheid van de opzegging, bij monde van zijn partner, op 2 november 2018 als dringende reden opgegeven het uitblijven van de betaling van zijn onkosten. Bij zijn e-mailbericht van 5 november 2018 heeft hij ook gedragingen van [verzoeker] jegens diens opdrachtgevers genoemd.

5.4

Het uitblijven van de betaling van zijn onkosten heeft [verweerder] onverwijld aan [verzoeker] meegedeeld als dringende reden voor de opzegging. [verweerder] had al eerder aanspraak gemaakt op vergoeding van door hem gestelde onkosten, maar tussen de partijen staat vast dat [verzoeker] al vóór de eerste ontslagname door [verweerder] aan hem heeft gevraagd bonnen en facturen ter zake van die onkosten te tonen, voordat deze zouden worden vergoed. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [verzoeker] verder onbestreden betoogd, dat hij voordat [verweerder] ontslag nam geen bonnen of facturen van hem heeft ontvangen en dat pas na aanvang van de procedure, na tussenkomst van de toenmalige advocaat van [verweerder] , bonnen zijn getoond. Aldus bezien kan er niet van worden uitgegaan dat de bij de ontslagname opgegeven reden een dringende reden was als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 BW.

5.5

Dat geldt ook voor de bij het e-mailbericht van 5 november 2018 door [verweerder] opgegeven en door [verzoeker] gemotiveerd betwiste reden, nog daargelaten of toen sprake was van een onverwijlde mededeling als bedoeld in de hiervoor genoemde wettelijke bepaling

5.6

Ten slotte volgt uit de door [verzoeker] zelf overgelegde stukken dat betaling van het loon van [verweerder] enkele malen te laat heeft plaatsgevonden. Zo is het loon over oktober 2018, na een verzoek daartoe [verweerder] op 6 november 2018, pas op 8 november 2018 aan [verweerder] betaald. Gesteld noch gebleken is echter dat [verweerder] het feit dat zijn loon over oktober nog niet was betaald, al dan niet in combinatie met eerdere te late betalingen, aan [verzoeker] heeft meegedeeld als dringende reden voor zijn ontslagname.

5.7

Gelet op het voorgaande is het hof dan ook van oordeel dat onvoldoende is gebleken van een, onverwijld aan [verzoeker] medegedeelde, dringende reden voor [verweerder] om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. Het hof is dan ook van oordeel dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst onregelmatig heeft opgezegd.

5.8

Zoals [verzoeker] terecht heeft aangevoerd is opzegging een eenzijdige rechtshandeling en is instemming van de wederpartij niet nodig. Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat ook niet is gebleken van (al dan niet stilzwijgende) instemming van [verzoeker] . Daarvoor is in ieder geval onvoldoende dat hij op 2 november 2018 aanspraak heeft gemaakt op afgifte door [verweerder] van de bedrijfsmiddelen van [verzoeker] , die deze immers nodig had voor zijn bedrijfsuitoefening.

5.9

Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep van [verzoeker] en zal het hof de beschikking van de kantonrechter vernietigen, voor zover daartegen hoger beroep is ingesteld. Dat betekent dat het verzoek tot veroordeling van [verweerder] tot betaling van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging, tegen de berekening waarvan [verweerder] zich ook in eerste aanleg niet heeft verzet, alsnog zal worden toegewezen.

5.10

Het hof zal [verweerder] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [verzoeker] zullen tot aan de bestreden beschikking worden vastgesteld op € 231,- voor griffierecht en op € 480,- voor salaris gemachtigde overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten, € 240,- per punt).
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [verzoeker] zullen tot aan deze beschikking worden vastgesteld op € 324,- voor griffierecht en op € 1.518,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten, tarief I in hoger beroep).

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn) van 16 januari 2019, voor zover daartegen hoger beroep is ingesteld en beschikt in zoverre opnieuw;

veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van € 4.015,86 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2019 tot de dag der algehele betaling;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van de eerste aanleg, tot aan de bestreden beschikking aan de zijde van [verzoeker] vastgesteld op € 231,- voor griffierecht en op € 480,- voor salaris gemachtigde overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van dit hoger beroep, tot aan deze beschikking aan de zijde van [verzoeker] vastgesteld op € 324,- voor griffierecht en op € 1.518,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart deze beschikking, voor zover het de hierin vermelde veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, M.F.J.N. van Osch en P.L.R. Wefers Bettink en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

3 december 2019.