Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:10182

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-11-2019
Datum publicatie
16-12-2019
Zaaknummer
200.237.965
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanneming van werk; onderaannemer procespartij?; tekortkoming en verzuim

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.237.965

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, 5838406)

arrest van 26 november 2019

in de zaak van

1 [appellant 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [bewindvoerder] q.q., bewindvoerder over (de goederen van) [onderbewindgestelde] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna: [appellant 1] en de bewindvoerder,

advocaat: mr. J.W. Weehuizen,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. B.J.H.L. Brouwer.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1.

Het verdere verloop van het geding na het tussenarrest van 21 mei 2019 waarbij een comparitie van partijen is gelast, blijkt uit:

- de brief van 3 september 2019 van mr. Weehuizen;

- de brief van 6 september 2019 van mr. Brouwer.

1.2.

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Het gaat in hoger beroep om het volgende.

[geïntimeerde] is eigenaar van een recreatiechalet. In opdracht van [geïntimeerde] heeft [appellant 1] samen met [onderbewindgestelde] de badkamer van het chalet onder andere voorzien van nieuwe wand- en vloertegels, een hangend toilet en een inloopdouche met douchedeur en het verplaatsen van een radiator. Het werk is eind april 2015 opgeleverd. [geïntimeerde] heeft [appellant 1] en [onderbewindgestelde] laten weten niet tevreden te zijn met het resultaat. Zij klaagde over het tegelwerk, de plaatsing van het toilet, de bevestiging van de douchdeur en over de aanwezigheid van een rioollucht in de badkamer. [appellant 1] en [onderbewindgestelde] hebben vervolgens meerdere keren herstelwerkzaamheden uitgevoerd. Aangezien [geïntimeerde] daarna nog niet tevreden was heeft zij Bouwkundige Service Bedrijf [x] (hierna: BSB) de werkzaamheden in de badkamer laten beoordelen. BSB is tot de conclusie gekomen dat de werkzaamheden onprofessioneel zijn uitgevoerd en heeft de herstelwerkzaamheden in een brief van 24 januari 2016 begroot op € 3.110,-. Bij brief van 26 februari 2016 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] [appellant 1] geïnformeerd over de bevindingen van BSB en laten weten dat [appellant 1] niet nogmaals in de gelegenheid wordt gesteld herstelwerkzaamheden uit te voeren. De gemachtigde ontbindt het deel van de overeenkomst dat niet goed is uitgevoerd en geeft te kennen graag in overleg te gaan over een schadevergoeding. Tevens wijst de gemachtigde er in die brief op dat inmiddels is gebleken dat het chalet sinds de verbouwing verzakt is en laat [appellant 1] weten dat hij aansprakelijk wordt gehouden voor deze schade. Bij brief van 15 maart 2016 reageren [appellant 1] en [onderbewindgestelde] op deze brief en wijzen zij aansprakelijkheid van de hand. [geïntimeerde] heeft vervolgens [het montagebedrijf] (hierna: [het montagebedrijf] ) ingeschakeld. [het montagebedrijf] heeft bij brief van 25 januari 2017 aan [geïntimeerde] geschreven dat de verzakking veroorzaakt wordt doordat meerdere lagen tegels in de badkamer zijn aangebracht waardoor er een toename van gewicht is van 1200 tot 1500 kg. Ook heeft [het montagebedrijf] geconstateerd dat de stank in de badkamer wordt veroorzaakt door een lekkage bij de aansluiting van de toilet en de natte ondervloer van het chalet. In 2017 heeft [geïntimeerde] [het bouwbedrijf] (hierna: [het bouwbedrijf] ) ingeschakeld om de werkzaamheden te herstellen. Ook [het bouwbedrijf] komt tot de conclusie dat de toilet, doucheput, kranen en riool niet goed zijn aangesloten met lekkages als gevolg. Ook heeft [het bouwbedrijf] geconstateerd dat er teveel lagen tegels over elkaar zijn aangebracht en te zware spatwanden en verkeerde materialen zijn gebruikt. [het bouwbedrijf] heeft de werkzaamheden begroot op € 10.622,07 inclusief btw.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1.

[geïntimeerde] heeft – voor zover in hoger beroep van belang - in eerste aanleg, na vermeerdering van eis, gevorderd dat [appellant 1] en [onderbewindgestelde] worden veroordeeld tot betaling van € 11.127,07 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 maart 2017, met veroordeling van [appellant 1] en [onderbewindgestelde] in de proceskosten, waaronder de nakosten, met rente.

3.2.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 28 februari 2018 deze vordering van [geïntimeerde] volledig toegewezen.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1.

[appellant 1] en de bewindvoerder zijn van dit vonnis met elf grieven in hoger beroep gekomen. Zij vorderen vernietiging van het vonnis en, opnieuw rechtdoende, alsnog afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] .

4.2.

Grief 4 betoogt dat de kantonrechter de akte vermeerdering van eis van [geïntimeerde] niet had mogen toestaan aangezien de procedure al voor vonnis stond. Deze grief verliest uit het oog dat het rechtsmiddel hoger beroep kan worden benut om een eventuele fout in eerste aanleg te herstellen. In hoger beroep is onderwerp van het geschil de vordering van [geïntimeerde] zoals deze is vermeerderd. Uit het verweer tegen deze vermeerderde vordering in de grieven blijkt geenszins dat [appellant 1] en [onderbewindgestelde] door de eisvermeerdering in hun verdedigingsbelang zijn geschaad. De grief behoeft dan ook geen verdere bespreking.

[onderbewindgestelde] (proces)partij?

4.3.

De grieven 1 en 6 zien op de vraag of [onderbewindgestelde] wel partij kan zijn in deze procedure. Grief 1 betoogt dat het bestreden vonnis jegens [onderbewindgestelde] niet in stand kan blijven aangezien [geïntimeerde] niet [onderbewindgestelde] maar de bewindvoerder van [onderbewindgestelde] had moeten dagvaarden, nu [onderbewindgestelde] bij beschikking van de rechtbank Arnhem van 24 mei 2011 onder bewind is gesteld.

4.4.

Het hof stelt het volgende voorop. De bewindvoerder vertegenwoordigt de rechthebbende tijdens het bewind bij de vervulling van zijn taak in en buiten rechte (art. 1:441 lid 1 BW). Indien een procedure met betrekking tot een onder bewind gesteld goed tegen de rechthebbende zelf is ingesteld door een wederpartij die niet met het bewind bekend was of had behoren te zijn, vergen de redelijke belangen van de wederpartij en het algemeen belang van een vlot verlopend rechtsverkeer, dat het bewind niet aan de wederpartij kan worden tegengeworpen. In een zodanig geval kan de procedure dus tegen de rechthebbende zelf aanhangig worden gemaakt, en worden gevoerd. In art. 1:440 lid 1 BW ligt besloten dat een eventuele veroordeling van de rechthebbende dan op de onder bewind gestelde goederen kan worden verhaald (zie HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525).

4.5.

In de onderhavige zaak heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat het bij haar niet bekend was dat [onderbewindgestelde] onder bewind staat. Dat sprake is van een bewind staat niet geregistreerd in het Curatele- en Bewindregister. Ook is niet gesteld of gebleken dat [onderbewindgestelde] of de bewindvoerder [geïntimeerde] op de hoogte heeft gesteld van het bewind. Het hof gaat er dan ook vanuit dat [geïntimeerde] niet ervan op de hoogte was of had behoren te zijn dat [onderbewindgestelde] onder bewind is gesteld. Dit kan [geïntimeerde] dan ook niet worden tegengeworpen. Ook gaat het hof ervan uit, nu dat niet is weersproken, dat deze procedure een onder bewind gesteld goed van [onderbewindgestelde] betreft. Grief 1 faalt.

4.6.

Grief 6 voert aan dat de kantonrechter de vordering van [geïntimeerde] op [onderbewindgestelde] ten onrechte heeft gegrond op onrechtmatige daad.

4.7.

Deze grief is gegrond. [geïntimeerde] spreekt in deze procedure zowel [appellant 1] als [onderbewindgestelde] aan voor de door haar geleden schade. Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerde] met [appellant 1] een overeenkomst is aangegaan voor de verbouwing van haar badkamer. Dat [geïntimeerde] ook een overeenkomst heeft gesloten met [onderbewindgestelde] is niet gesteld of gebleken. Het enkele feit dat [onderbewindgestelde] werkzaamheden in de badkamer van [geïntimeerde] heeft verricht en dat [geïntimeerde] ook aan [onderbewindgestelde] een bedrag heeft betaald, is immers onvoldoende om van een overeenkomst tussen hen te spreken. Het hof leidt daarentegen uit de e-mail van 25 maart 2019 van [appellant 1] aan [geïntimeerde] af dat [appellant 1] [onderbewindgestelde] als onderaannemer in de zin van art. 7:751 BW bij de uitvoering van de werkzaamheden heeft betrokken. [appellant 1] blijft dan aansprakelijk voor de door [onderbewindgestelde] uitgevoerde werkzaamheden. Voor het oordeel dat [onderbewindgestelde] als onderaannemer bij de uitvoering van het werk mede jegens [geïntimeerde] onzorgvuldig te werk is gegaan en aldus heeft gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer wordt betaamd, is door [geïntimeerde] onvoldoende gesteld. Het hof wijst de vordering van [geïntimeerde] tegen [onderbewindgestelde] dan ook af.

toerekenbare tekortkoming?

4.8.

De grieven 2, 3, 5 en 7 klagen er in de kern over dat de kantonrechter ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat [appellant 1] toerekenbaar tekort is geschoten in de uitvoering van de overeengekomen werkzaamheden.

4.9.

Het hof stelt het volgende voorop. Zoals hiervoor reeds overwogen zijn [geïntimeerde] en [appellant 1] een overeenkomst met elkaar aangegaan tot het uitvoeren van werkzaamheden in de badkamer van [geïntimeerde] . Welke werkzaamheden partijen zijn overeengekomen volgt uit de e-mails van 19 maart 2015 en de reactie daarop van [appellant 1] op 23 maart 2015. [geïntimeerde] schrijft immers op 19 maart 2015 aan [appellant 1] :

“Je was nogal druk, dus zet ik ons gesprek even op de mail

Prijs Badkamer voor:

* Tegelen

* Drain

* Radiator verplaatsen.

Prijs badkamer voor:

* Tegelen

* Drain

* Radiator verplaatsen

* Toilet verplaatsen en aansluiten

* Badmeubel aansluiting verplaatsen.

* Muurtjes douche bouwen

* Eventuele lekkage schade vloer herstellen

Voor de materialen zorgen wij zelf.(...)”

[appellant 1] heeft hierop in de e-mail van 23 maart 2015 gereageerd en een bedrag van € 1.100,- genoemd als hij “ook de muurtjes moet metselen en de toilet moet veranderen”. Bovendien erkent [appellant 1] in de memorie van grieven dat de e-mails “in grote lijnen” de overeengekomen werkzaamheden weergeven. Wel heeft [appellant 1] onweersproken gesteld dat er geen drain is aangelegd omdat dit technisch niet mogelijk was. Dat de toilet niet zou zijn verplaatst, zoals door [appellant 1] is gesteld, is door [geïntimeerde] gemotiveerd weersproken. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de in de e-mail opgesomde werkzaamheden, met uitzondering van de drain, de werkzaamheden zijn zoals tussen partijen overeengekomen.

4.10.

Vast staat dat de werkzaamheden eind april 2015 zijn opgeleverd en dat [geïntimeerde] aan [appellant 1] heeft laten weten niet akkoord te zijn met wijze waarop de werkzaamheden zijn uitgevoerd. [geïntimeerde] heeft daarbij specifiek gewezen op de plaats van het toilet, de aansluiting van het toilet, het tegelwerk en de douchedeur. [appellant 1] heeft erkend dat hij met [onderbewindgestelde] meerdere keren herstelwerkzaamheden heeft uitgevoerd en dat het tegelwerk niet netjes was uitgevoerd. Volgens [appellant 1] is het tegelwerk echter door een zekere [persoon] hersteld, die, zoals [appellant 1] bij conclusie van antwoord heeft gesteld, door hem is ingeschakeld. [geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van haar stelling dat het overeengekomen werk in de badkamer ook na de herstelwerkzaamheden niet deugdelijk is, verwezen naar de rapporten van BSB, [het montagebedrijf] en [het bouwbedrijf] .
BSB is in het rapport tot de volgende conclusies gekomen:

“De werkzaamheden zijn onprofessioneel uitgevoerd, omdat veel esthetische zaken niet goed zijn uitgevoerd zoals:

  • -

    Tegelverbanden kloppen niet

  • -

    Het toilet is uit het midden geplaatst

  • -

    Hoekoplossingen zijn niet op de juiste wijze uitgevoerd.

Er zijn diverse plaatsen waar het vocht in de achterconstructie kan lopen, hierdoor ontstaan schimmelplekken en het tast de achterconstructie aan.

Dit zal spoedig tot problemen leiden omdat de achterconstructie uit hout en gipsplaten bestaat. De lekkage van het toilet is momenteel al een gevaar omdat er fecaliën ophopen achter het spoelreservoir.

Mijn advies is om alle oude tegellagen te verwijderen en vervolgens de achterbeplating daar waar nodig te vernieuwen. Daarna het nieuwe tegelwerk aanbrengen met de juiste waterkerende hoekaansluitingen.”

4.11.

[geïntimeerde] heeft vervolgens [het montagebedrijf] ingeschakeld omdat het chalet ging verzakken. [het montagebedrijf] heeft geconstateerd dat het chalet is verzakt doordat meerdere tegels over elkaar zijn aangebracht. [het bouwbedrijf] , die uiteindelijk de herstelwerkzaamheden in de badkamer heeft verricht, heeft daarnaast nog geconstateerd dat ook de spatwanden te zwaar waren. Net als de rechtbank acht het hof de rapportages van BSB, [het montagebedrijf] en [het bouwbedrijf] , zeker ook in onderlinge samenhang bezien, in hun conclusies, die inzichtelijk zijn gebaseerd op eigen bevindingen en onderzoek van de rapporteurs, overtuigend. Dat niet blijkt welke vraagstelling is voorgelegd en welke voorlichting [geïntimeerde] de deskundigen heeft gegeven over de met [appellant 1] overeengekomen werkzaamheden, doet daaraan niet af. Hoewel het beter was geweest wanneer [appellant 1] voor het onderzoek van het werk door de rapporteurs was uitgenodigd, doet het enkele feit dat dit niet het geval is geweest evenmin af aan de overtuigende, met elkaars overeenstemmende conclusies van de rapporteurs. [appellant 1] heeft immers in deze procedure alle gelegenheid gehad om op de rapporten te reageren.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [appellant 1] (samen met [onderbewindgestelde] ) de spatwanden heeft geplaatst en de tegels heeft aangebracht. [geïntimeerde] heeft betwist dat het aanbrengen van de tegels over de bestaande tegels op haar verzoek is gebeurd, terwijl [appellant 1] van zijn stelling dat dit wel zo is gebeurd geen bewijs heeft aangeboden, zodat deze stelling van [appellant 1] niet is komen vast te staan. [appellant 1] heeft evenmin gesteld dat hij [geïntimeerde] heeft gewaarschuwd om niet over een oude tegellaag heen te tegelen, wat wel op zijn weg had gelegen als hij meende dat de wens van [geïntimeerde] – zo deze is geuit – niet tot een deugdelijke uitvoering van het werk zou leiden (vgl. art. 7:754 BW). [appellant 1] stelt nog dat alle materialen door [geïntimeerde] zijn aangeschaft en zij daarom voor de kwaliteit daarvan heeft in te staan. [geïntimeerde] stelt hiertegenover dat uitsluitend de tegels door haar zijn aangeschaft. Nu [appellant 1] met betrekking tot zijn stelling geen bewijs heeft aangeboden en uit de rapportages blijkt dat de geconstateerde gebreken aan het tegelwerk geen gevolg zijn van een onvoldoende kwaliteit van de tegels, wordt ook dit verweer van [appellant 1] niet gevolgd. De drie rapporten in samenhang bezien acht ook het hof dan voldoende om aan te nemen dat sprake is van een tekortkoming in een deugdelijke nakoming van de aannemingsovereenkomst van [appellant 1] bestaande uit slecht en te zwaar uitgevoerd tegelwerk waardoor ook de verzakking is ontstaan, de toilet verkeerd geplaatst is en de afvoeren niet goed zijn aangesloten.

4.12.

Op grond van het voorgaande falen de grieven 2, 3, 5 en 7.

verzuim?

4.13.

Met grief 10 stelt [appellant 1] zich op het standpunt dat hij niet naar behoren in gebreke is gesteld, zodat niet aan de wettelijke vereisten is voldaan om hem tot schadevergoeding aan te spreken en de vorderingen van [geïntimeerde] dus dienen te worden afgewezen.

4.14.

Is voor de nakoming geen termijn bepaald, dan treedt volgens art. 6:82 lid 1 BW het verzuim in, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft. De functie van een ingebrekestelling is om de schuldenaar nog een laatste termijn voor nakoming te geven en aldus te bepalen tot welk tijdstip nakoming nog mogelijk is zonder dat van een tekortkoming sprake is, bij gebreke van welke nakoming de schuldenaar vanaf dat tijdstip in verzuim is. Ingevolge art. 6:82 lid 2 BW kan, indien de schuldenaar tijdelijk niet kan nakomen of uit zijn houding blijkt dat aanmaning nutteloos zou zijn, de ingebrekestelling plaatsvinden door een schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat hij voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk wordt gesteld.

4.15.

Verzuim kan ook zonder ingebrekestelling intreden. Art. 6:83 BW noemt drie gevallen waarin het verzuim zonder ingebrekestelling intreedt, maar dit is geen limitatieve opsomming. Mede in verband met de hanteerbaarheid in de praktijk van het wettelijk stelsel, kan onder omstandigheden een beroep op het ontbreken van een ingebrekestelling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn of kan worden aangenomen dat op grond van de redelijkheid en billijkheid een ingebrekestelling achterwege kan blijven en de schuldenaar zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt (zie HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1581).

4.16.

In de onderhavige zaak heeft [geïntimeerde] zich op het standpunt gesteld dat het verzuim van [appellant 1] zonder ingebrekestelling is ingetreden. [geïntimeerde] stelt dat zij [appellant 1] (en [onderbewindgestelde] ) al meerdere keren herstelwerkzaamheden heeft laten uitvoeren, maar dat het werk er niet beter op is geworden. Dit volgt ook uit de verschillende rapporten. Het hof overweegt dan ook dat op grond van redelijkheid en billijkheid ingebrekestelling achterwege kon blijven. Daarbij laat het hof tevens meewegen dat [appellant 1] en [onderbewindgestelde] in de brief van 15 maart 2016 hebben aangegeven dat zij van mening zijn dat het werk wel goed is uitgevoerd. De grief faalt.

4.17.

Grief 8 klaagt dat de kantonrechter een deskundige had moeten benoemen. De grief faalt, aangezien het naar vaste rechtspraak aan het inzicht van de rechter wordt overgelaten of er reden is tot het benoemen van een deskundige. Voor zover in deze grief besloten ligt een verzoek van [appellant 1] tot benoeming van een deskundige, wijst het hof dit verzoek af gezien hetgeen het hof hiervoor onder 4.11 heeft overwogen.

4.18.

Ook grief 9 faalt. Nog daargelaten dat [appellant 1] in eerste aanleg geen bewijsaanbod heeft gedaan, kwam de kantonrechter niet aan bewijslevering toe aangezien [appellant 1] en [onderbewindgestelde] de stellingen van [geïntimeerde] in eerste aanleg niet gemotiveerd hebben betwist. Ook aan het bewijsaanbod van [appellant 1] in hoger beroep komt het hof niet toe aangezien [appellant 1] geen gespecificeerd bewijs heeft aangeboden van feiten die, indien bewezen, kunnen leiden tot een andere beslissing.

4.19.

Grief 11 betoogt dat de kantonrechter de vordering van [geïntimeerde] ten onrechte heeft toegewezen. Uit het voorgaande volgt dat deze grief slaagt voor zover de kantonrechter [onderbewindgestelde] naast [appellant 1] hoofdelijk heeft veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] .

5 De slotsom

5.1.

Dit alles leidt tot de slotsom dat het bestreden vonnis wordt vernietigd. De vordering van [geïntimeerde] tegen [onderbewindgestelde] zal afgewezen worden met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties. Het hof begroot de kosten van [onderbewindgestelde] in eerste aanleg op nihil aangezien [appellant 1] en [onderbewindgestelde] in persoon hebben geprocedeerd en niet is gebleken dat het verweer van [onderbewindgestelde] tot extra werkzaamheden heeft geleid. In hoger beroep begroot het hof de proceskosten van [onderbewindgestelde] op een vierde van de proceskosten vastgesteld volgens het liquidatietarief zijnde € 268,50 (1/4 x tarief II € 1.074,-), aangezien het verweer van [onderbewindgestelde] grotendeels overeenkomt met het verweer van [appellant 1] .

5.2.

De toewijzing van de vordering van [geïntimeerde] tegen [appellant 1] blijft in stand, inclusief de kostenveroordeling. [appellant 1] wordt verwezen in de kosten van het hoger beroep. De kosten in hoger beroep stelt het hof vast op € 318,- voor het griffierecht en op € 1.074,- (1 punt x tarief II € 1.074,-) voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief.

5.3.

Voor de duidelijkheid zal de beslissing op de vordering van [geïntimeerde] zoals deze thans luidt hieronder volledig worden weergegeven.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

- vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn van 28 februari 2018 en doet opnieuw recht;

- veroordeelt [appellant 1] tot betaling aan [geïntimeerde] van € 11.127,07 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 maart 2017;

- wijst de vordering van [geïntimeerde] tegen [onderbewindgestelde] af;

- veroordeelt [appellant 1] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 280,09 voor verschotten en op € 500,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en de nakosten van € 100,- te vermeerderen met de explootkosten als betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente als betaling niet binnen vijf dagen na betekening heeft plaatsgevonden en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 318,- voor verschotten en op € 1.074,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [onderbewindgestelde] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op nihil en tot aan deze uitspraak voor wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 268,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, O.G.H. Milar en P.M.A. de Groot-van Dijken, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 november 2019.